CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - nota sturing fysieke leefomgeving

Raad Besluitvorming 22 december 2022, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Nota sturing fysieke leefomgeving13.480 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voorgesteld besluit: alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan te wijzen als onderwerpen waarbij de initiatiefnemer een participatieplicht heeft.

22/39

Adviesrecht gemeenteraad De gemeenteraad kan besluiten om advies te willen geven over omgevingsvergunningen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Voor de invulling van dit adviesrecht stelt ons college voor om uit te gaan van de verderop in deze nota beschreven “Lijst adviesplichtige ontwikkelingen”. Bij het samenstellen van deze lijst hebben de volgende overwegingen een belangrijke rol gespeeld: Onderscheid stedelijk gebied, landelijk gebied en glastuinbouwgebied Zoals ook in de omgevingsvisie “Verbonden met elkaar” naar voren komt streeft PijnackerNootdorp naar een duurzame ontwikkeling van de gehele gemeente, maar verdient het buitengebied hierbij speciale aandacht. Een ontwikkeling in de groengebieden, de oude linten en/of de buurtschappen kan een grotere impact hebben op de leefomgeving dan een soortgelijke ontwikkeling in één van de kernen. Daarom wordt in de lijst adviesplichtige ontwikkelingen onderscheid gemaakt tussen stedelijk en landelijk gebied. Binnen Pijnacker-Nootdorp nemen de glastuinbouwgebieden een aparte plaats in. Het aantal ruimtelijke ontwikkelingen hier waarbij sprake is van strijd met het bestemmingsplan is beperkt. Maar ze omvatten soms wel grote oppervlaktes. Daarom wordt voor deze gebieden een aparte categorie aangeduid. Hierbij gaan we uit van de gebiedsprofielen uit de omgevingsvisie.

Welke gebieden als stedelijk gebied, landelijk gebied en (glas)tuinbouwgebied worden aangemerkt is zichtbaar in de afbeelding Bijlage 1. Deze geeft, op basis van de gebiedsprofielen uit de omgevingsvisie, een indeling voor de gehele gemeente. Focus op ontwikkelingen met impact In de lijst wordt de focus gelegd op ontwikkelingen met impact, op ontwikkelingen die aanzienlijke gevolgen (kunnen) hebben op de fysieke leefomgeving. Dit zullen veelal -maar niet altijd- plannen zijn die een uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten doorlopen. Bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure is er een langere beslistermijn aan de orde dan bij de reguliere voorbereidingsprocedure. Door in de lijst te focussen op ontwikkelingen met impact wordt indirect bijgedragen aan het voorkomen van termijnoverschrijdingen als gevolg van het adviesrecht. Heldere criteria De onderstaande lijst beoogt heldere criteria te geven voor ontwikkelingen waar de gemeenteraad een bindend advies over uit moet uitbrengen. De lijst is opgesteld als een positieve lijst, hiermee wordt expliciet duidelijk wanneer de gemeenteraad om advies wordt gevraagd. Vrijwel elk criterium is voorzien van een kwantitatieve begrenzing. Er wordt niet gewerkt op basis van subjectieve termen zoals “voldoende”, “in ruime mate”, of “veel”, waarbij verschillende interpretaties mogelijk zijn. Zodoende ontstaat een helder toetsingskader.

”Hardheidsclausule” De lijst met adviesplichtige ontwikkelingen focust op ontwikkelingen met impact. Het is mogelijk dat er een ontwikkeling aan de orde komt welke niet op de lijst staat vermeld, maar wel politiek of maatschappelijk gevoelig ligt. Ons college hanteert het uitgangspunt dat wanneer wij van mening zijn dat een dergelijke ontwikkeling aan de orde is wij de gemeenteraad betrekken bij de besluitvorming en daartoe om advies zullen vragen. Geen inhoudelijk oordeel De criteria die in de lijst zijn opgenomen vormen geen inhoudelijk toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek. Ze geven enkel de scheidslijn tussen wanneer er wel en wanneer er geen adviesrecht van de gemeenteraad aan de orde is.

23/39

Lijst adviesplichtige ontwikkelingen Algemeen (in de gehele gemeente) : Een activiteit waarop artikel 10.24 van het omgevingsbesluit van toepassing is; (dit betreft milieubelastende en/of risicovolle activiteiten zoals IPPC-installaties en lozingen) b) Het oprichten van antenne-installaties van 40 meter en hoger; c) Het bouwen, uitbreiden of verbouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, hoger dan 10 meter en/of met een oppervlakte van meer dan 50 m2. a)

In het stedelijk gebied a) Het bouwen van tien of meer woningen. b) Functieverandering van bestaande bebouwing naar wonen. Indien dit leidt tot tien of meer nieuwe woningen. c) Nieuwbouw, uitbreiding van bestaande bebouwing, of functieverandering van bestaande bebouwing ten behoeve van “niet-wonen” functies met een (gezamenlijke) oppervlakte van 1.500 m2 of meer; d) Het veranderen van het gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlakte van 1.500 m2 of meer. In het landelijk gebied a) Het bouwen van één of meer nieuwe woningen; b) Functieverandering van bestaande bebouwing naar wonen (ongeacht het aantal woningen); c) Nieuwbouw, uitbreiding van bebouwing of functieverandering van bestaande bebouwing ten behoeve van “niet-wonen”-functies met een (gezamenlijke) oppervlakte van 200 m2 of meer; d) Het veranderen van het gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlake van 500 m2 of meer; e) Voorzieningen t.b.v. het opwekken van en/of de opslag van energie voor zover gelegen buiten een als zodanig bestemd bouwvlak. In het glastuinbouwgebied a) Het bouwen van één of meer nieuwe woningen; b) Functieverandering van bestaande bebouwing naar wonen (ongeacht het aantal woningen).

c) Functieverandering van bestaande bebouwing ten behoeve van “niet-wonen”-functies en niet-agrarische functies, met een oppervlakte van 200 m2 of meer; d) Nieuwbouw of uitbreiding van bebouwing, voor zover het geen agrarische bedrijfsgebouwen betreft, met een (gezamenlijke) oppervlakte van 200 m2 of meer. e) Het veranderen van het gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlak van 500 m2 of meer; f) Voorzieningen t.b.v. het opwekken van en/of de opslag van energie voor zover gelegen buiten een als zodanig bestemd bouwvlak. De grens tussen het stedelijk gebied, landelijk gebied en (glas)tuinbouwgebied wordt weergegeven in figuur 1. Geen adviesrecht bij ontwikkeling passend binnen vastgestelde wijzigingsbevoegdheid Het adviesrecht van de raad is NIET van toepassing bij een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit wanneer de betreffende activiteit voldoet aan de voorwaarden van een wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in een door de gemeenteraad vastgesteld bestemmingsplan. Toch advies aanvragen Voor ontwikkelingen welke niet staan vermeld op de lijst kan het college de raad om advies vragen wanneer het college van oordeel is dat een ontwikkeling politiek of maatschappelijk gevoelig ligt.

24/39

Toelichting bij deze lijst Onderdeel algemeen Criterium a. opgenomen om dergelijke ontwikkelingen adviesplichtig te maken. Bij b. en c. is in maatvoering aangesloten op de huidige “kruimelgevallenregeling”. Onderdeel stedelijk gebied Bij a. en b. is aangesloten op het volkshuisvestingsbeleid. Bij bouwplannen van meer dan 10 woningen wordt sociale woningbouw een vereiste. Door de grens van 10 woningen in de bovenstaande lijst over te nemen is het aan de raad om bij grotere bouwplannen eventueel af te wijken van dit beginsel. Bij c. en d. wordt de grens van 1.500 m2 (her)geïntroduceerd. Hiermee wordt aangesloten op de kruimelgevallenregeling zoals deze tot 2014 van kracht was. Onderdeel landelijk gebied Door criteria a. en b. wordt in lijn met de huidige werkwijze, elke toevoeging van woningen aan het buitengebied wordt aan de gemeenteraad voorgelegd. Bij c. en d. is een grens getrokken om kleinschalige ontwikkelingen nog door het college af te kunnen laten doen (= kortere procedure = klantvriendelijkheid). Grotere ontwikkelingen zijn adviesplichtig. De maat van 200 m2 is overgenomen uit de Nota uitnodigende ruimtelijke ordening. Daarin staat deze maat genoemd als maximum voor niet-agrarische activiteiten voor verbrede landbouw. Criterium e. is opgenomen om een dergelijke ontwikkeling adviesplichtig te maken.

Onderdeel (glas)tuinbouwgebied De opzet en de opgenomen aantallen zijn gelijk aan die van het onderdeel landelijk gebied. De criteria zijn echter zo geformuleerd dat ontwikkelingen voor agrarische bedrijven (waaronder glastuinbouw) hier niet adviesplichtig zijn.

Voorgesteld besluit: De bovenstaande lijst vast te stellen als basis voor de beoordeling of bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit adviesrecht van de gemeenteraad van toepassing is.

25/39

Kaart behorende bij Lijst adviesplichtige ontwikkelingen

26/39

Proces advies gemeenteraad Voor de afhandeling van een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit is in beginsel de reguliere voorbereidingsprocedure aan de orde. Deze kent een beslistermijn van 8 weken welke met maximaal 6 weken kan worden verlengd. Wanneer voor een dergelijke aanvraag het adviesrecht gemeenteraad van toepassing is, zal er bij de afhandeling vrijwel zeker sprake zijn van een overschrijding van de maximale beslistermijn. Vanuit een oogpunt van goede dienstverlening is het ongewenst om een aanvrager lang te laten wachten op een beslissing. Zeker wanneer een termijn wordt overschreden die door de wetgever als maximum wordt gesteld. Daarom is het gewenst de processen rondom de buitenplanse omgevingsplanactiviteit met adviesrecht zo in te richten dat het risico van termijnoverschrijdingen beperkt is. Hieronder staan enkele maatregelen die we toe gaan passen om de kans op termijnoverschrijdingen beperken. • Vooroverleg met de initiatiefnemer De gemeente stimuleert initiatiefnemers om niet direct een formele aanvraag in te dienen, maar eerst met ons in gesprek te gaan over de wensen en de mogelijkheden die er zijn. Wij stimuleren daarom het indienen van principeverzoeken. Op basis van een principeverzoek kan een beeld worden verkregen van de inhoud en ook de wenselijkheid van de door een initiatiefnemer bedachte ontwikkeling.

Het indienen van een principeverzoek kan daarmee bijdragen aan een snellere afhandeling van een definitieve aanvraag (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit. • Voorspoedige behandeling ingekomen aanvraag Zoals bij elke aanvraag omgevingsvergunning, streven we ook bij een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit naar een voorspoedige afhandeling van de aanvraag. Daartoe is een werkproces uitgelijnd waarin alle noodzakelijke (en veelal ook wettelijk verplichte stappen zijn opgenomen). Ook zijn op regionaal niveau afspraken gemaakt met ketenpartners over de afhandeling van aanvragen omgevingsvergunning waar wij elkaar bij nodig hebben. Uitgangspunt bij deze afspraken is een spoedige afhandeling van elke ingekomen aanvraag. • Spoedige behandeling gemeenteraad Na de ter inzagelegging van een concept-besluit en de verwerking van de zienswijzen doet het college een voorstel aan de gemeenteraad. Dit wordt door tussenkomst van de griffie, voorgelegd aan de agendacommissie met het verzoek het zo snel mogelijk op de ontwerpagenda te zetten voor een raadsessie, met inachtneming van de termijn van 8 dagen die geldt voor het bijeenroepen van de raad en het versturen van de stukken. • Besluit college bij mandaat Het college is verantwoordelijk voor de afhandeling van de aanvraag. Hierbij is het advies van de raad bindend voor het college.

Wanneer de raad heeft besloten om positief of negatief te adviseren zal het collegebesluit conform het raadsbesluit zijn. Om de afhandeling te bespoedigen zal het college hiertoe de organisatie mandateren om de benodigde besluitvorming te verzorgen.

27/39

6.3

Voorkeuren in keuze procedure bij strijdige activiteiten

Wanneer een gewenste c.q. aanvaardbare activiteit in strijd is met het omgevingsplan zijn er twee manieren om deze toe te staan: door de activiteit te vergunnen als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of door het vaststellen van een omgevingsplan dat deze activiteit mogelijk maakt. Hieronder beschrijven we welke procedure wanneer onze voorkeur heeft. Dit vormt de basis voor ons werken in de komende jaren. Keuze voor vergunningsprocedure wanneer reguliere procedure mogelijk is De reguliere voorbereidingsprocedure vormt het uitgangspunt bij de afhandeling van verzoeken om omgevingsplanactiviteit. Deze procedure heeft een beslistermijn van 8 weken welke met maximaal 6 weken kan worden verlengd. Wanneer een ontwikkeling met behulp van deze procedure kan worden afgedaan, heeft toepassing hiervan onze voorkeur. De proceduretijd is immers beduidend korter dan bij het vaststellen van een omgevingsplan. Onze verwachting is overigens dat op de meeste ontwikkelingen waar straks een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor wordt aangevraagd de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zal zijn. Andere situaties: een voorkeur voor vaststellen omgevingsplan In alle overige gevallen speelt de keuze tussen een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een uitgebreide voorbereidingsprocedure en het vaststellen van een omgevingsplan.

De beslistermijn bedraagt bij de reguliere procedure 26 weken, welke met maximaal zes weken kan worden verlengd. De doorlooptijd van een procedure voor een omgevingsplan is sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden en ook de rol van de gemeenteraad bij dit bestemmingsplan. Mocht een omgevingsplan door het college kunnen worden vastgesteld (zie hoofdstuk 5.3 van deze Nota) dan zal de vaststelling eerder tot stand kunnen komen dan wanneer de gemeenteraad de beslissingsbevoegdheid heeft. Wij vermoeden dat de procedure van een omgevingsplan tot en met vaststelling veelal een jaar zal duren. Ondanks de langere proceduretijd heeft het in dergelijke situaties onze voorkeur aan de ontwikkeling medewerking te verlenen via een omgevingsplan, en niet via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het belangrijkste argument hiervoor is de flexibiliteit die we kunnen bieden richting de aanvrager. Bij de start van een procedure voor een omgevingsplan moeten de kaders van de beoogde ontwikkeling duidelijk zijn. De uitwerking van (technische) details volgt later. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten de details al zijn uitgewerkt in de aanvraag. Dit vraagt betekent extra werk (en kosten) van de aanvrager, terwijl er nog geen zekerheid is of de beoogde ontwikkeling daadwerkelijk door kan gaan. Daarom heeft toepassing van het omgevingsplan onze voorkeur.

Verzamelplan In lijn met de werkwijze die in Pijnacker-Nootdorp nu gebruikelijk is, heeft het onze voorkeur om jaarlijks meerdere ontwikkelingen te bundelen in een verzamelplan. Het bundelen van meerdere ontwikkelingen in één wijziging van het omgevingsplan is kostenbesparend voor de aanvrager(s).

28/39

7. Evaluatie In deze Nota geven we voor elk van de nieuwe kerninstrumenten van de Omgevingswet een beschrijving wat het instrument omvat, welke procedures er mee samenhangen, en hoe we in de gemeente Pijnacker-Nootdorp de rolverdeling tussen gemeenteraad en college vorm willen geven. De beschreven werkwijze en rolverdeling wordt op dit moment gezien als het meest passend voor onze lokale situatie. De veranderingen die met de invoering van de Omgevingswet samenhangen worden door niemand volledig overzien. Daarom is het gewenst om, wanneer we enige tijd hebben gewerkt met deze afspraken, te komen tot een evaluatie. Een evaluatie maakt het mogelijk om te reflecteren op de gemaakte afspraken. Ook kunnen de afspraken, waar nodig en gewenst, worden bijgesteld. De evaluatie van de voorliggende Nota wordt uitgevoerd twee jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het initiatief voor de evaluatie ligt bij het college. De gemeenteraad zal worden gevraagd zich uit te spreken oever de resultaten van de evaluatie en de eventuele vaststelling van een wijziging van de voorliggende Nota sturing fysieke leefomgeving.

29/39

Bijlage 1. Aanpassingen in de bruidsschat

30/39

1.

Aan te passen artikelen bruidsschat:

22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit. 2. Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

De tekst in bovenstaand artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid moet worden gewijzigd in: 22.284 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een uitvoeren van een werk, werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: niet zijnde bouwwerk, of a. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal werkzaamheid worden uitgevoerd; b. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; c. de te gebruiken materialen; d. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; e. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; f. het beoogde en het huidige gebruik van de gronden en de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; g. de gevolgen van het beoogde gebruik voor de fysieke leefomgeving; h. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak, alsmede de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; i. de wijze waarop het terrein ontsloten wordt, de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing en het beoogd gebruik van het terrein behorende bij het voorgenomen bouwwerk; j.

lengte- en dwarsdoorsneden met aansluiting op naastgelegen percelen; k. eventuele fasering; l. schriftelijke toestemming van de eigenaar en het Hoogheemraadschap; m. een veiligheidsplan, waarmee inzicht wordt geboden in de verkeersbewegingen, de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden, de tijdtippen waarop de werkzaamheden plaatsvinden alsmede in de veiligheid; n. toestemming buren; o. een onderzoek flora en fauna; p. de landschappelijke inpassing. 2. Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. 31/39

22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1°. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2°. de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3°. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4°. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5°. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk. 2. Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

De tekst in bovenstaand artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet moet worden gewijzigd in: 22.286 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Omgevingsplanactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 22.280 worden de volgende afwijking van regels van gegevens en bescheiden verstrekt: het tijdelijke deel van dit a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en omgevingsplan, bedoeld bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; in artikel 22.1, eerste lid, b. een situatietekening van de bestaande toestand en een onder a, van de situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: Omgevingswet 1°. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2°. de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3°. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4°. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5°. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk; c. de gevolgen van het beoogde gebruik voor de fysieke leefomgeving; d. ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat het voorgenomen bouwplan past binnen het (gemeentelijk) beleid; e. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. 2.

Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

32/39

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een

omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

De tekst in bovenstaand artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen moet worden gewijzigd in: 22.287 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Omgevingsplanactiviteit activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument gemeentelijk monument: worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: algemeen a. het adres van het monument en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

2.

Te schrappen artikelen:

Art. 22.3 Overgangsrecht rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten: 22.3 Overgangsrecht De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn rijksbeschermde stads- en van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in dorpsgezichten die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Art. 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk: 22.279 Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld Omgevingsplanactiviteit: in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het beoordelingsregel is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te omgevingsvergunning verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden slopen van een bouwwerk verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Art 22.285 Beoordelingsregels slopen van een bouwwerk: 22.285 Beoordelingsregels Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een slopen van een bouwwerk sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van

33/39

het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Art. 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie: 22.298 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het hebben Omgevingsplanactiviteit: van een alarminstallatie in, op of alarminstallatie aan een onroerende zaak die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, bedoeld in een gemeentelijke verordening, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en de werking van de signalering; en b. twee waarschuwingsadressen, inclusief telefoonnummers en namen van contactpersonen.

Art. 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame: 22.300 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken Omgevingsplanactiviteit: of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met handelsreclame behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en d. de tekst van de reclame. 2. Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander. Art. 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht: 22.302 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Omgevingsplanactiviteit: sloopactiviteit in een rijksbeschermd slopen van een bouwwerk stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de in een rijksbeschermd locatie van het te slopen bouwwerk stads- of dorpsgezicht een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 2.

Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld. § 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire Springterreinen Art. 22.79 Toepassingsbereik 22.79 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein. 34/39

2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Art. 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen 22.134 Voorafgaand bodemonderzoek

22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen

In afwijking van de voorschriften over bodemonderzoek, bedoeld in de artikelen 5.7b en 5.7d van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het ook toegestaan om het bodemonderzoek te verrichten overeenkomstig het Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen Artikel 22.81 Registratie 1. De volgende gegevens worden geregistreerd: gegevens a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, buitenschietbanen per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en b. voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie. 2. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard. Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen 22.82 Geluid: meet- en Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.80, is rekenbepalingen artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Art. 22.133 t/m 22.136 (saneren van boem in het zinkassengebied De Kempen) Art. 22.133 Toepassingsbereik 22.133 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een locatie binnen het zinkassengebied De Kempen als: a. het huidig dan wel toekomstig gebruik van de locatie wonen met moestuin, wonen met siertuin of industrie betreft; en b. de verontreiniging van de bodem bestaat uit of het gevolg is van zinkassen. Art. 22.134 Voorafgaand bodemonderzoek Art. 22.135 Bodem: saneringsaanpak open ontgraving tot niveau terugsaneerwaarde. 22.135 Bodem: In afwijking van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten saneringsaanpak open leefomgeving bestaat de saneringsaanpak bij deze categorie ontgraving tot niveau saneringen uit: a. het ontgraven van de aanwezige verontreinigde terugsaneerwaarde grond en zinkassen tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde, bedoeld in artikel 22.136; b. het van de 35/39

saneringslocatie afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond en zinkassen; en c. het aanvullen van de ontgraving met grond of baggerspecie met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Art. 22.136 Bodem: terugsaneerwaarde 22.136 Bodem: 1. Als terugsaneerwaarden gelden de waarden die gelijk zijn aan terugsaneerwaarde de waarden voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, bedoeld in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet. 2. In afwijking van het eerste lid zijn de terugsaneerwaarden voor de stoffen arseen, cadmium, koper, lood en zink ten hoogste gelijk aan de lokale maximale waarden voor het betreffende gebruik, bedoeld in tabel 22.3.25. Tabel 22.3.25 Terugsaneerwaarden saneren van de bodem zinkassengebied De Kempen Stof Terugsaneerwaarden (mg/kg ds)1 Gebruik wonen met moestuin Gebruik wonen met siertuin Gebruik industrie Arseen 55 55 76 Cadmium 3,7 12 12 Koper 190 190 190 Lood 85 276 530 42 Zink 720 720 720 1 De waarden in deze tabel gelden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). Op het omrekenen van de meetwaarden naar een standaardbodem zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

Art. 22.227 t/m 22.236 (traditioneel schieten) Art. 22.227 Toepassingsbereik 22.227 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Art. 22.228 Gegevens en bescheiden 22.228 Gegevens en 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bescheiden bedoeld in artikel 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1°. de grenzen van het terrein; 2°. de ligging en de indeling van de gebouwen; en 3°. de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

36/39

Art. 22.229 Bodem en externe veiligheid. 22.229 Bodem en externe Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het veiligheid beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening

Art. 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening 22.230 Bodem: 1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodembeschermende bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een voorziening bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen. 2. De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in artikel 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening

Art. 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening 22.231 Bodem: logboek Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd voorziening over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Art. 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem 22.232 Bodem: 1. Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. 2. Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden. 3. Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatieinstantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2 Art. 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem 22.233 Bodem: rapport van Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat: a. de naam en het eindonderzoek bodem het adres van degene die het onderzoek heeft verricht; b. de wijze waarop het onderzoek is verricht; c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; d. informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein; e.

bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en f. als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

37/39

Art. 2.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit 2.234 Gegevens en Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel bescheiden beeindigen schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem aciviteit verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders

Art. 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit 22.235 Bodem: herstel van 1. Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na de bodemkwaliteit het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot: a. de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit; b. de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of c. de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. 2. Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Art. 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden 22.236 Informeren: 1. Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste herstelwerkzaamheden vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de begindatum. 2. Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de einddatum.

38/39

39/39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12055938/2