Bijlage 1. Nota financieel beleid
Tekst van het document
Nota financieel beleid oktober 2025
Inhoudsopgave Inhoudsopgave........................................................................................................................1 1.
Inleiding ...........................................................................................................................3
2.
Algemene uitgangspunten ................................................................................................5
3.
Beleidsuitgangspunten financiële nota’s ......................................................................... 11 3.1.
Beleid voor reserves: instellen, beheren en opheffen ........................................................... 11
3.1.1.
Inleiding ......................................................................................................... 11
3.1.2.
Begripsbepalingen en onderverdeling.............................................................. 12
3.1.3.
Uitgangspunten bij vorming, gebruik en ophe en van reserves ......................... 13
3.1.4.
Bestemmingsreserves afschrijvingslasten ....................................................... 14
3.1.5.
Uitwerking in Nota Reserves en voorzieningen ................................................. 15
3.2.
Investeringen en financiering ............................................................................................. 16
3.2.1.
Investeringen ................................................................................................. 16
3.2.2.
Financiering ................................................................................................... 18
3.3.
Risicomanagement en financiële beheersing ...................................................................... 19
Bijlage 1 Financiële nota’s en planningen................................................................................ 22
2
1. Inleiding De nota Financieel beleid biedt een integraal kader voor het financiële beleid van de gemeente Pijnacker – Nootdorp en is een nadere uitwerking van de financiële verordening. In deze nota zijn de algemene uitgangspunten voor het financieel beleid vastgelegd. Het beleid dat gericht is op specifieke onderwerpen is in separate nota’s opgenomen. Het voorliggend document is richtinggevend voor alle financiële beleidsnota’s. Een aantal krijgt in de voorliggende nota meer aandacht, omdat deze tegelijk met of kort na behandeling van deze nota Financieel beleid worden geactualiseerd (zie tweede rij in onderstaande visualisatie). Naast de nota’s die in dit document nadrukkelijk worden toegelicht, zijn er andere financiële beleidsnota’s van kracht die ook onderdeel zijn van het financiële beleidsinstrumentarium in onze gemeente. Deze documenten zijn ten tijde van het opstellen van deze nota Financieel beleid actueel of worden op een later moment geactualiseerd (zie onderste rij nota’s hieronder). Alle nota’s worden in principe eens in de vier jaar geactualiseerd.
Nota financieel beleid Nota Reserves en voorzieningen
Nota Risicomanagement
Nota Grondbeleid
Nota Rente en treasury
Nota Overhead (nieuw)
Nota Leningen- en garantiebeleid
Nota Waardering en afschrijving
Actualisatie tegelijk of kort na de nota financieel beleid Actueel of op termijn herzien
Daarnaast kan een aantal aanpalende verordeningen en plannen in samenhang bekeken worden met de bovenstaande nota’s. Het gaat om: -
-
Belastingverordeningen: jaarlijks worden in december de tarieven voor lokale he ingen voor het aankomend jaar vastgesteld; de vastgestelde begroting voor de he ingen en belastingen worden omgezet in tarieven. De jaarlijks vast te stellen tarieventabel hoort bij de diverse belastingen- en he ingenverordeningen. Investerings- en financieringsplan 2020-2025: Het Investerings- en financieringsplan 2020-2025 bevat een financiële planning en acties met een looptijd tot eind 2025. De benoemde doelen en acties zijn conform planning afgerond en behaald. Het afwegingskader voor de wijze waarop met investeringen kan worden omgegaan is daar waar relevant in deze nota overgenomen. Hiermee is een nieuw, apart Investerings- en financieringsplan niet meer nodig.
Aanleiding Een aantal wijzigingen in wet- en regelgeving binnen het Besluit Begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en het onderzoek van de Rekenkamer Pijnacker-Nootdorp naar de financiële reserves (januari 2025) bieden aanleiding voor het opstellen van deze nota. 3
De aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek over het reservebeleid worden in dit document betrokken. Daarnaast zijn de acties uit het ‘Investerings- en financieringsplan 2020-2025’ (vastgesteld 25 maart 2021) conform planning afgerond. Een aantal relevante uitgangspunten die nog van toepassing zijn, worden in het voorliggend document verwerkt. Doel Met deze nota beogen wij een aantal doelstellingen te realiseren: -
Een integraal overzicht bieden van financiële uitgangspunten; Het actualiseren van het financiële beleid van onze gemeente; Nader invulling geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer Pijnacker-Nootdorp met betrekking tot sturing op financiële reserves.
Deze nota wordt eenmaal per vijf jaar geëvalueerd. Indien er wijzigingen in wet- en regelgeving optreden of als er sprake is van veranderende inzichten op basis van ervaringen uit de praktijk of gewijzigde wensen van de raad wordt deze nota aangepast. Hardheidsclausule In niet voorziene situaties of bij substantiële onbillijkheden in de uitvoering kan op incidentele basis afgeweken worden van de richtlijnen in deze nota. Het voorstel tot afwijking wordt voorzien van argumenten en wordt vastgesteld door het college. De raad wordt hierover actief geïnformeerd. Wettelijke kaders Voor de gemeentelijke financiën gelden verschillende wettelijke kaders. De belangrijkste zijn: -
de Gemeentewet (Gw); de Financiële-verhoudingswet (Fvw); de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido); Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof); het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV); Besluit Accountantscontrole Decentrale Overheden (BADO).
Deze voorschriften zijn grotendeels procedureel van aard: zij regelen de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en de inrichting van onder andere de programmabegroting en jaarstukken. Binnen deze randvoorwaarden heeft de gemeente beleidsvrijheid voor de inhoud van het financieel beleid. Leeswijzer Na de inleiding in hoofdstuk 1 worden in hoofdstuk 2 de algemene uitgangspunten die ten grondslag liggen aan ons begrotings- en vermogensbeleid beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de richtlijnen ten aanzien van de verschillende nota’s die tegelijk met of kort na de behandeling van het voorliggend document aan de raad worden voorgelegd. Ten slotte volgt in bijlage 1 een overzicht van alle financiële nota’s (incl. planning van agendering aan de gemeenteraad).
4
2. Algemene uitgangspunten Reëel en structureel sluitende begroting In de gemeentewet artikel 189 lid 2 staat: “De raad ziet erop toe dat de begroting structureel en reëel in evenwicht is. Hiervan kan hij afwijken indien aannemelijk is dat het structureel en reëel evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht.” Structureel evenwicht betekent dat structurele lasten gedekt worden door structurele baten. Reëel evenwicht betekent dat de geraamde baten en lasten in de begroting volledig en realistisch zijn. Het doel van een meerjarig structureel sluitende begroting ligt ten grondslag aan deze nota en heeft daarmee verbinding met alle verdere beleidsuitgangspunten. Een structureel sluitende begroting is één van de belangrijkste toetsingscriteria voor de provincie als financieel toezichthouder. Zoals opgenomen in de Notitie Structurele en incidentele baten en lasten 2024 van de Commissie BBV is het vanaf 2024 onder bepaalde voorwaarden toegestaan voor gemeenten om maximaal 10% van het surplus in de algemene reserve in te zetten als structureel dekkingsmiddel voor structurele lasten. Dit surplus betreft het deel van de algemene reserve dat niet nodig is voor het afdekken van risico’s. De voorwaarden voor deze inzet zijn:
Solvabiliteit: De solvabiliteit van de gemeente moet groter of gelijk zijn aan 20% en op dat niveau blijven.
Weerstandsvermogen: Het weerstandsvermogen moet naar het oordeel van de provinciale toezichthouder voldoende zijn, gebaseerd op een adequate risicoinventarisatie.
Onze gemeente kiest voor een reëel en structureel evenwicht conform de BBV-richtlijnen en hierbij de inzet van het surplus van 10% van de algemene reserve niet standaard te benutten en deze wettelijke mogelijkheid alleen in te zetten als laatste mogelijkheid. Wij willen niet afhankelijk zijn van reserves voor het dekken van structurele lasten (anders dan afschrijvingslasten, onder vastgestelde voorwaarden). Dit beschouwen wij als risicovol en wij kiezen ervoor om voorzichtig financieel beleid te voeren. Ook willen wij de financiële bu ers intact houden voor onvoorziene uitgaven of toekomstige investeringen en niet laten verdampen in negatieve exploitatieresultaten. Uitgangspunt 1: Wij hanteren een reëel en structureel sluitende begroting conform richtlijnen van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten, exclusief de inzet van 10% van het surplus van de algemene reserve. Constante of lopende prijzen Onze gemeente past voor de financiële meerjarenraming de systematiek van lopende prijzen toe, en niet de methode van constante prijzen. Bij het gebruik van lopende prijzen worden bedragen aangepast aan de prijsniveaus van elk specifiek jaar. Dit betekent dat zowel inkomsten als uitgaven worden geïndexeerd op basis van verwachte loon- en prijsontwikkelingen. De (bestendige) gedragslijn wordt hiermee voortgezet.
Uitgangspunt 2: Wij hanteren de systematiek van lopende prijzen, en niet de methode van constante prijzen. 5
Loon- en prijsontwikkeling/ indexeringen Bij het bepalen van de prijsindexering op de budgetten wordt gebruik gemaakt van de informatie uit het Centraal Economisch Plan zoals dat door het Centraal Planbureau wordt gepubliceerd en als uitgangspunt in de Meicirculaire van het Rijk wordt gehanteerd. Voor de personeel gerelateerde kosten wordt de ‘loonvoet sector overheid (lso)’ als uitgangspunt genomen. Voor goederen en diensten is het uitgangspunt de ‘prijs overheidsconsumptie, netto materieel (imoc)’. Voor subsidies en het sociaal domein gaan wij uit van een combinatie-index van de lso (2/3) en imoc (1/3). Voor de gemeenschappelijke regelingen wordt de prijsindex uit de jaarlijkse kaderbrief gemeenschappelijke regelingen in de regio Haaglanden toegepast. Alle investeringsbudgetten die in het Meerjareninvesteringsplan (MIP) zijn opgenomen die nog niet ten uitvoer zijn gebracht -én die in uitvoering zijn, worden niet geïndexeerd. Voor investeringen in onderwijshuisvesting hanteren we de normen, zoals deze door de VNG jaarlijks worden geadviseerd. De huidige (bestendige) gedragslijn wordt hiermee voortgezet. Uitgangspunt 3: In onze Begroting gaan wij uit van de prijsindexen van het Centraal Economisch Plan/Centraal Planbureau in de Meicirculaire om de loon- en prijsontwikkeling te verwerken.
Per categorie gelden de onderstaande uitgangspunten: Omschrijving Personeel gerelateerde budgetten Goederen en diensten (uitgaven) Gemeenschappelijke regelingen Subsidies en sociaal domein Goederen en diensten (inkomsten)
Uitgangspunt Loonvoet sector overheid Prijs materiële overheidsconsumptie(imoc) Financiële kaderbrief gemeenschappelijke regelingen Combinatie loonvoet sector overheid (2/3) en prijs materiële overheidsconsumptie (imoc; 1/3) Prijs materiële overheidsconsumptie(imoc)
Uitgangspunt 4a: Voor indexatie van investeringen in onderwijshuisvesting hanteren we de normen, zoals deze door de Vereniging Nederlandse Gemeenten jaarlijks worden geadviseerd. Uitgangspunt 4b: Wij hanteren géén indexatie van toekomstige investeringsbudgetten in onze begroting. Voor de toekomst zal verkend worden of dit uitgangspunt dient te worden aangepast. Verwerken circulaires gemeentefonds De grootste inkomstenbron van gemeenten is het gemeentefonds. Normaal gesproken verschijnen er drie circulaires per jaar met informatie over dit fonds: de Meicirculaire, de Septembercirculaire en de Decembercirculaire. Deze verwerken wij als volgt:
De Meicirculaire verwerken wij als aparte begrotingswijziging, die wij agenderen voor de gemeenteraad waarin de Begroting wordt besproken. Deze circulaire verschijnt doorgaans te laat om nog door het college in de concept Voorjaars-/Kadernota te verwerken. Voorafgaand aan de behandeling van de Voorjaars-/Kadernota in de gemeenteraad verzenden wij een informatienota aan de gemeenteraad waarin de 6
e ecten van de Meicirculaire worden toegelicht en de verwerking ervan in de Begroting wordt aangekondigd. Dit stelt de gemeenteraad in staat bij de besluitvorming van de Voorjaars-/Kadernota de e ecten van de meicirculaire in de afweging mee te nemen. De Septembercirculaire verwerken wij in de tussentijdse rapportages (Najaarsnota jaar t dan wel Voorjaarsnota jaar t+1). In oktober verzenden wij een informatienota aan de gemeenteraad waarin de e ecten van de Septembercirculaire worden toegelicht en de verwerking ervan in de tussentijdse rapportages wordt aangekondigd. De Decembercirculaire leidt niet meer tot een begrotingswijziging in het lopende jaar. Eventuele voor- of nadelen landen in het resultaat van de Jaarrekening. Eventuele meerjarige financiële e ecten worden in de eerstvolgende Voorjaarsnota verwerkt.
Uitgangspunt 5: Wij informeren de raad actief over alle (e ecten uit) de circulaires; de Meicirculaire verwerken wij in de Begroting, de Septembercirculaire, voor zover deze het lopende jaar betreft, als wijziging op de Begroting in de Najaarsnota. De meerjarige e ecten uit de Septembercirculaire en Decembercirculaire verwerken we in de eerstvolgende Voorjaarsnota en Kadernota. Reserveringen uit het gemeentefonds De algemene uitkering uit het gemeentefonds vormt het belangrijkste algemene dekkingsmiddel van gemeenten. Dit betekent dat gemeenten volledige bestedingsvrijheid hebben bij de inzet van deze middelen: ze mogen zelf bepalen waaraan zij het geld besteden, zolang het binnen de bevoegdheden van de gemeente valt. Er geldt geen verantwoordingsplicht aan het Rijk over de besteding van deze gelden, in tegenstelling tot specifieke uitkeringen waarbij wél een oormerk geldt en een afzonderlijke verantwoording aan de verstrekker vereist is via de zogenaamde Sisaverantwoording. Uitgangspunt 6: In de onderstaande tabel is samengevat hoe om wordt gegaan met bepaalde mutaties in het gemeentefonds: Type mutatie
Omschrijving
Algemene mutaties
Generieke mutaties, zoals het accres (de jaarlijkse toe- en afname van het gemeentefonds) en ruimte onder het plafond van het BTWcompensatiefonds (BCF) Middelen vanuit het Rijk voor structurele of incidentele nieuwe taken, verdeeld via de reguliere verdeelsystematiek van het gemeentefonds.
Taakmutaties
Financiële verwerking en inzet Inzetten als algemeen dekkingsmiddel. In de praktijk vaak aangewend voor loon- en prijsontwikkeling binnen de exploitatie (structurele lasten). Zolang voor deze nieuwe of geïntensiveerde taken nog geen uitgewerkt beleidskader voorligt, worden de bijbehorende middelen in de begroting gereserveerd in de vorm van een ‘stelpost’, zodat de raad – nadat het relevante beleid is vastgesteld – gericht budgetten kan vrijgeven. Jaarlijks wordt beoordeeld of 7
Decentralisatie-, integratie- en specifieke uitkeringen
Specifiek geoormerkte bijdragen voor (vaak tijdelijke) taken, toegekend aan (een selectie van) gemeenten worden buiten het reguliere verdeelmodel verstrekt.
de middelen kunnen worden toebedeeld of vrijvallen. De bijbehorende middelen worden direct op het taakveld gereserveerd, voor het domein waarbinnen de taak moet worden uitgevoerd.
Algemene uitgangspunten belastingen Onroerendezaakbelasting (OZB) De uitgangspunten voor het vaststellen van de tarieven van de onroerendezaakbelasting (OZB) zijn als volgt:
De tarieven van de OZB genereren een opbrengst die gelijk is aan de begrote opbrengst van het voorgaande begrotingsjaar, verhoogd met indexering en areaaluitbreiding. De index betreft de prijs Nationale Bestedingen (pNB) zoals benoemd onder Maatstaf OZB in de Meicirculaire. De WOZ-waarde wordt gebruikt als één van de parameters binnen het gemeentefonds. Het Rijk hanteert over de WOZ-waarden een generiek rekentarief dat voor elke gemeente geldt en als korting op de algemene uitkering wordt verwerkt. Dit heeft als e ect dat hoe hoger de gemiddelde WOZ-waarden in een bepaalde gemeente, hoe hoger de korting op de algemene uitkering van die gemeente is. Het Rijk veronderstelt namelijk dat gemeenten met hogere WOZ-waarden een hogere belastingcapaciteit hebben en dus meer OZB kunnen innen. Indien de korting op de algemene uitkering groter is dan de indexering, zoals benoemd bij het vorige punt, vindt een aanvullende indexering plaats. Eventuele inhaalindexeringen worden aan de raad voorgelegd.
Kostendekkendheid leges en he ingen De kostendekkendheid van de leges, afvalsto en- en rioolhe ing wordt conform BBV-richtlijnen op maximaal 100% vastgesteld. In de Begroting wordt een tabel gepresenteerd met het percentage kostendekkendheid per legessoort. De raad stelt bij iedere Begroting de percentages vast. Uitgangspunt 7: Tarieven onroerendezaakbelasting worden geïndexeerd conform gehanteerde percentage in de Meicirculaire gemeentefonds. Leges en he ingen zijn 100% kostendekkend conform de regels van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten. Stelposten Stelposten zijn posten die wel in de begroting zijn meegenomen voor het algemene beeld, maar nog niet zijn uitgewerkt of ingevuld. Dit omdat nog niet bekend is hoe de verdeling precies plaatsvindt. De gemeente Pijnacker-Nootdorp werkt zo min mogelijk met stelposten. Soms is het echter (nog) niet mogelijk een post geheel in te vullen en resteert een stelpost. Een positieve stelpost is nog toe te wijzen budget en een negatieve stelpost een nog in te vullen taakstelling. Binnen onze begroting worden momenteel de volgende stelposten toegepast: 8
Stelpost prijsindex: om verwachte prijsontwikkelingen/inflatie binnen de begroting op te vangen; jaarlijks wordt de nieuwe hoogte vastgesteld en de oude wordt afgeboekt. Deze stelpost e ectueert de systematiek van lopende prijzen, zoals eerder benoemd. De bijgestelde percentages worden voorgelegd bij de Kadernota, de stelposten worden verwerkt in de Begroting. Na vaststelling van de Begroting wordt de stelpost voor het eerstvolgend begrotingsjaar verdeeld naar de bijbehorende budgetten. Stelpost areaaluitbreiding: ter dekking van toekomstige kosten vanwege de groei van de gemeente (personele en materiele kosten); jaarlijks wordt de nieuwe hoogte opgebouwd en de oude wordt afgeboekt. Stelpost taakmutaties algemene uitkering: ter dekking van nieuwe/geïntensiveerde taken vanuit het Rijk. Stelpost Eneco-gelden: In het investeringsplan 2020-2025 is (afgerond) € 1,7 miljoen structurele begrotingsruimte ontstaan voor nieuw beleid. Dit bedrag is gelabeld als stelpost ‘Eneco-gelden’. Met de reeds genomen besluiten waar dekking uit de stelpost Eneco-gelden is toegepast, is deze stelpost per 2027 volledig ingezet en kan daarmee worden opgeheven.
Bij het instellen van nieuwe stelposten dient het doel en de werking altijd in lijn te liggen met het streven naar een stabiel financieel meerjarenbeeld, het voldoen aan financieel-technische eisen, of het reserveren van verplichtingen waarvan de exacte toedeling nog volgt. Het gebruik van andere stelposten anders dan prijs, areaal en taakmutaties wordt zoveel mogelijk beperkt. Uitgangspunt 8: Het gebruik van stelposten is toegestaan en wordt vanuit het perspectief van verantwoord financieel beleid zoveel mogelijk beperkt tot de stelpost voor prijs, areaal en taakmutaties. Het opvoeren van eventuele andere stelposten wordt in de Planning en contol-producten expliciet voorgelegd en verantwoord aan de gemeenteraad.
Financiële baten Bij het ramen van financiële baten die sterk afhankelijk zijn van externe factoren hanteert de gemeente prognoses die de betre ende partijen afgeven. Deze baten worden in de P&Cproducten in samenhang gepresenteerd, waarbij (bij)sturing op deze posten zeer beperkt is. Voor drie typen baten is deze benadering in het bijzonder van toepassing: Rentebaten Schatkistmiddelen De hoogte van de rentebaten is sterk afhankelijk van de marktrente die op de korte termijn aanzienlijk kan fluctueren. Omdat de gemeente voor haar liquide middelen verplicht is gebruik te maken van de Schatkistbankierenregeling, wordt bij de structurele raming van rentebaten uitgegaan van een conservatief scenario met een lage rentestand. Voorziene fluctuaties op de korte termijn worden in de tussentijdse rapportages (Voorjaarsnota/ Najaarsnota) verwerkt. Dividenden De ontvangst van dividenden op gemeentelijke deelnemingen is afhankelijk van winstuitkeringen door de betre ende instellingen. Vanwege de beperkte invloed van de gemeente op deze besluitvorming worden deze baten conform inschatting van de verbonden partijen in onze begroting verwerkt. In het meerjarenperspectief wordt eveneens de inschatting van de betre ende partij verwerkt. 9
Ruimte onder het BCF-plafond De beschikbare ruimte onder het plafond van het BTW-compensatiefonds (BCF) vormt een belangrijke inkomstenbron, maar is onzeker door beleidsontwikkelingen op rijksniveau. Het ministerie van BZK en provinciale toezichthouders adviseren gemeenten om bij de raming van de BCF-baten uit te gaan van het meest recent gerealiseerde niveau van ruimte onder het plafond. Ook hier geldt het uitgangspunt om slechts dat bedrag in de begroting op te nemen waarvan met redelijke zekerheid verwacht mag worden dat het daadwerkelijk kan worden geclaimd (reëel begroten). Uitgangspunt 9: Bij financiële baten met een sterke afhankelijkheid van externe factoren wordt reëel geraamd: rentebaten op basis van conservatieve inschattingen van de marktontwikkelingen, dividenden op basis van opgaves van de verbonden partijen en de ruimte onder het plafond van het BTWCompensatiefonds o.b.v. het advies van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Spelregels in het kader van toekomstbestendige financiën In het kader van toekomstbestendige financiën worden als aanvulling op de voorgaande kaders en uitgangspunten de volgende spelregels gehanteerd bij het ontwikkelen van (nieuw) beleid met financiële consequenties:
Integrale afweging in de Kadernota Beleidsvoornemens met structurele of substantiële financiële consequenties worden betrokken bij de integrale afweging bij de Kadernota. Hiermee wordt een samenhangende en weloverwogen besluitvorming gewaarborgd. Voorstellen met een financiële impact buiten de reguliere P&C-cyclus worden zoveel mogelijk vermeden.
Solide en onderbouwde dekking bij nieuw beleid Wanneer voorstellen aan raad of college worden voorgelegd die extra middelen vragen, moet het voorstel voorzien zijn van: o een heldere en structureel sluitende dekking, waarbij bestaande middelen of beleid worden heroverwogen of herverdeeld om ruimte te maken voor nieuwe initiatieven (‘oud voor nieuw’). Wanneer sprake is van volledige externe dekking dient dit expliciet te worden opgenomen in het voorstel. o een gedegen en uitgewerkt bestedingsplan.
Geen structurele verplichtingen zonder toekomstbestendige dekking Structurele verplichtingen die leiden tot een toename van toekomstige lasten worden in beginsel niet aangegaan. Uitzonderingen zijn slechts mogelijk in onvoorziene, onvermijdelijke, onuitstelbare situaties, wettelijke verplichtingen of wanneer structurele dekking wordt gevonden via ‘lastenuitruil’ binnen de begroting. Hiermee wordt voorkomen dat toekomstige generaties worden belast met financiële keuzes van nu.
Uitgangspunt 10: Integrale afweging van toekenning van middelen voor nieuw beleid vindt plaats bij de behandeling van de Kadernota. Voorstellen die leiden tot structurele lasten zijn voorzien van een structurele financiële dekking.
10
3. Beleidsuitgangspunten financiële nota’s 3.1.
Beleid voor reserves: instellen, beheren en ophe en
3.1.1. Inleiding Aanbevelingen rekenkameronderzoek naar financiële reserves In januari 2025 publiceerde de Rekenkamer Pijnacker-Nootdorp een rapport over het gemeentelijk beleid ten aanzien van financiële reserves. Het onderzoek richtte zich op de e ectiviteit van het huidige beleid en de wijze waarop de raad stuurt op (bestemmings)reserves. De hoofdconclusie van het onderzoek luidde dat de gemeenteraad op dit moment onvoldoende strategisch stuurt op en met reserves. De Nota Reserves en Voorzieningen 2021-2024 biedt daarvoor onvoldoende houvast, en een heldere langetermijnvisie ontbreekt. De rekenkamer doet meerdere aanbevelingen om tot een structurele verbetering van het reservebeleid te komen. Zo wordt geadviseerd om op voorstel van het college een langetermijnvisie voor het gebruik van (bestemmings)reserves vast te stellen, en de nota Reserves en Voorzieningen hierop aan te passen. Die visie moet ook inzicht geven in het onderscheid tussen algemene reserves en bestemmingsreserves, waaronder de reserves afschrijvingslasten. Ook pleit de rekenkamer voor een integraal overzicht van toekomstige herinvesteringen en de wijze waarop deze gedekt worden. Zo’n overzicht helpt om financiële knelpunten vroegtijdig zichtbaar te maken. Dit onderwerp wordt verder uitgewerkt in het volgende hoofdstuk.
Ten slotte adviseert de rekenkamer om de informatievoorziening over reserves en risico’s te verbeteren. Dit vergroot het inzicht, versterkt de transparantie en stelt de raad beter in staat om onderbouwde bestuurlijke afwegingen te maken. Deze Nota Financieel beleid geeft op hoofdlijnen invulling aan de aanbevelingen van de rekenkamer. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten en spelregels voor het gebruik van (bestemmings)reserves uiteengezet. Daarbij wordt expliciet onderscheid gemaakt tussen de algemene reserve, overige bestemmingsreserves en de reserves afschrijvingslasten. Ook wordt ingegaan op de wijze waarop de informatievoorziening over reserves richting raad en organisatie wordt vormgegeven. Beleidsmatige en financiële criteria De algemene beleidsdoelen met betrekking tot reserves zijn:
Transparantie: door goed inzicht in de reserves wordt de beleidsruimte beter zichtbaar. Door te streven naar een minimaal aantal overige bestemmingsreserves, waar nodig voorzien van een plafond, worden zo min mogelijk middelen in hun besteding geblokkeerd. Er blijven meer middelen breed inzetbaar. Grip: de spelregels zijn erop toegesneden het budgetrecht van de raad maximaal tot zijn recht te laten komen. Dat betekent dat de gemeenteraad bepaalt hoe reserves worden ingezet. Zoals gebruikelijk is uitgangspunt dat mutaties (bijvoorbeeld als een reserve dient te vervallen) worden gerapporteerd en toegelicht aan de raad bij een P&C product.
11
3.1.2. Begripsbepalingen en onderverdeling In deze paragraaf worden de belangrijkste typen reserves gedefinieerd en onderverdeeld, conform het BBV en de financiële praktijk van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Door deze definities expliciet vast te leggen, wordt een eerste invulling gegeven aan de aanbeveling van de rekenkamer om het onderscheid tussen soorten reserves helder te duiden. De uitwerking hiervan wordt opgenomen in de Nota Reserves en voorzieningen. De reserves zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en die vrij te besteden zijn. In artikel 43, lid 1 van het BBV worden de reserves onderscheiden naar: a. de algemene reserve; b. de bestemmingsreserves Algemene reserve De algemene reserve heeft een permanent karakter en vormt het vrij besteedbare eigen vermogen van de gemeente. De algemene reserve functioneert als bu er voor financiële tegenvallers en onvoorziene risico’s. De algemene reserve vormt tevens de basis voor het weerstandsvermogen. Bestemmingsreserves In artikel 43, lid 2 van het BBV wordt een bestemmingsreserve gedefinieerd als een reserve waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Een bestemmingsreserve is te besteden aan het doel waarvoor deze door de raad is ingesteld. De bestemming kan door de raad worden aangepast. Binnen de bestemmingsreserves wordt in Pijnacker-Nootdorp onderscheid gemaakt tussen:
Overige bestemmingsreserves: gereserveerd voor beleidsmatige ambities of schommelingen (bijv. de reserve Sociaal Domein).
Bestemmingsreserves afschrijvingslasten: specifieke reserves die worden ingezet om de jaarlijkse afschrijvingslasten van investeringen te dekken.
Bestemmingsreserves afschrijvingslasten Bestemmingsreserves voor afschrijvingslasten zijn een bijzondere categorie binnen de bestemmingsreserves. Deze worden gevormd om structurele afschrijvingslasten van investeringen te dekken via een tijdelijke inzet van incidentele middelen. In de basis zijn deze reserves strijdig met de BBV-richtlijnen. In de Notitie Materiële vaste activa 2020 van de commissie BBV is hiervoor echter onder voorwaarden een uitzondering gemaakt. De reserve wordt in jaarlijkse termijnen onttrokken, gelijk aan de afschrijvingslast van de bijbehorende investering. De hoogte van de reserve is gelijk aan de boekwaarde van het desbetre ende activum. Deze reserves zijn eindig van aard; bij herinvesteringen is aanvullende besluitvorming nodig over nieuwe dekking.
12
3.1.3. Uitgangspunten bij vorming, gebruik en ophe en van reserves In deze paragraaf zijn algemene uitgangspunten geformuleerd voor de vorming, het gebruik en het ophe en van bestemmingsreserves. Thema Raadsbevoegdheid Doel
Nut en noodzaak van de vorming Incidenteel vs. structureel
Hoofdlijn Het instellen, onttrekken en ophe en van reserves is aan de gemeenteraad voorbehouden en vloeit voort uit haar budgetrecht. De bestemming van een reserve kan alleen door de gemeenteraad worden ingesteld of gewijzigd, op eigen initiatief van de raad of op aangeven van het college van B&W met een heldere formulering van het doel van de bestemmingsreserve. De mutatie wordt altijd bekrachtigd door een raadsbesluit. Een bestemmingsreserve wordt uitsluitend gevormd wanneer het beoogde doel niet op korte termijn via de exploitatie kan worden gefinancierd, of wanneer spreiding van lasten over de jaren gewenst is. Reserves zijn in zijn aard incidenteel; structurele lasten worden niet uit reserves gedekt, behalve bij bestemmingsreserves afschrijvingslasten.
Omvang
De minimale omvang van een bestemmingsreserve bedraagt € 50.000 over de gehele meerjarenbegroting. De raad kan per reserve een maximum vaststellen.
Looptijd en einddatum
Iedere reserve heeft een vooraf bepaalde looptijd, gekoppeld aan het project- of programmadoel.
Aanwending
De raad autoriseert onttrekkingen via de P&C-producten of een apart raadsbesluit. Uitzonderingen waarin het college bevoegd is, worden expliciet benoemd in de Nota Reserves en voorzieningen.
Rente
Er wordt geen rente toegevoegd aan de reserves, conform het advies van de Commissie BBV in de Notitie Rente.
Herijking & vrijval
Bij afronding van het doel of bij structurele onderbenutting vindt vrijval plaats naar de algemene reserve.
Informatievoorziening De raad ontvangt bij de Jaarrekening en Begroting het actuele overzicht van saldi, geplande mutaties en resterende looptijd (conform BBV-vereisten)
Uitgangspunt 11a: Bij vorming, gebruik en ophe ing reserves gelden de uitgangspunten, zoals opgenomen in bovenstaande tabel. Beheer en ophe en inactieve reserves Het beheer van reserves is zodanig ingericht dat elke reserve minimaal twee keer per jaar wordt getoetst: in de jaarrekening voor het afgelopen jaar en in de kadernota voor de komende vier jaar. De toetsing gebeurt conform de criteria opgenomen in de Nota Reserves en voorzieningen.
13
In de jaarrekening wordt een overzicht van de bestemmingsreserves opgenomen die meer dan drie jaar geen dotatie of onttrekking kennen. Deze worden (ongeacht de omvang) in principe opgeheven, tenzij het college kan beargumenteren waarom de reserve niet opgeheven kan worden. Uitgangspunt 11b: Bestemmingsreserves die meer dan drie jaar geen dotatie of onttrekking kennen, worden in de jaarrekening over het desbetre ende boekjaar vermeld en in beginsel opgeheven. Indien nodig wordt beargumenteerd aangegeven waarom de reserve niet opgeheven kan worden.
3.1.4. Bestemmingsreserves afschrijvingslasten Definitie Een bestemmingsreserve afschrijvingslasten is een bestemmingsreserve die voor de financiële dekking van afschrijvingskosten gedurende de levensduur van een activum dient. Dit type reserves is ook bekend onder de noemers kapitaallastenreserve of activareserve. Omdat alleen de afschrijvingslasten via de bestemmingsreserve worden bekostigd, spreken wij van de reserve afschrijvingslasten. Een reserve afschrijvingslasten is dus altijd één op één gekoppeld aan een investering binnen een bepaald beleidsveld. Deze dient voor dat specifieke doel bestemd te blijven. Doordat de afschrijvingslasten gedurende de hele looptijd gedekt worden uit de bestemmingsreserve, wordt geen beslag gelegd op toekomstige nog te bestemmen programmabudgetten. Voorwaarden voor inzet (investeringen, afschrijvingslasten) Een bestemmingsreserve afschrijvingslasten kan worden gevormd wanneer: 1. het project substantieel is (richtbedrag > € 1 mln.) én 2. een afschrijvingstermijn van minimaal 30 jaar kent, én 3. voldoende vrij vermogen aanwezig is in de algemene reserve (de weerstandsratio hoger dan 1,4 is (ondergrens van de gewenste bandbreedte van 1,4-2,0). Daarbij worden ook vastgestelde toekomstige onttrekkingen uit de Algemene reserve betrokken. Aanvullende complementaire kosten (o.a. onderhoudskosten en rente) worden gedekt uit de reguliere exploitatie.
De vorming van een reserve afschrijvingslasten wordt altijd aan de gemeenteraad voorgelegd. Als voorwaarde heeft het BBV gesteld dat de reserve van voldoende omvang moet zijn om de kapitaallasten gedurende de gehele vastgestelde afschrijvingsperiode aan de reserve te kunnen onttrekken. Indien blijkt dat de gevormde reserve ontoereikend is, wordt het extra benodigd investeringsbudget aan de raad voorgelegd inclusief dekkingsbron. Dit kan de Algemene reserve zijn indien aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan of een andere dekkingsbron. Verrekening van een hoger benodigd investeringsbudget met de Algemene reserve is geen automatisme. Uitgangspunt 12: Wij hanteren heldere voorwaarden voor de vorming en inzet van bestemmingsreserves 14
afschrijvingslasten; aanvullende complementaire lasten worden uit de reguliere exploitatie gedekt.
Horizon en herinvesteringsvraagstukken Bij herinvesteringen (na afloop van de eerste afschrijving) moet de raad vóóraf bepalen of: 1. 2. 3. 4.
opnieuw een reserve gevormd wordt, de lasten uit de exploitatie worden gefinancierd, of (deels) een andere dekking wordt gezocht, of niet meer vervangen (indien mogelijk).
De Rekenkamer adviseerde om deze lange termijnvraag expliciet in een strategische visie vast te leggen; daar sluit het voorliggend document als kader op aan. Met ingang van de Kadernota 2027 wordt handelingsinformatie opgenomen met de volgende hoofdlijnen: 1. Bij de Kadernota wordt een ‘investeringskalender afschrijvingsreserves voor de komende vier jaar’ opgenomen: elke reserve afschrijvingslasten die binnen vier jaar (de reikwijdte van de meerjarenbegroting) afloopt wordt in beeld gebracht. Op deze manier vindt er ruim voor het einde van de reserve een analyse plaats en is dit het beslismoment om te bepalen hoe om te gaan met de herinvestering(en). 2. Daarnaast wordt een totaaloverzicht van de afloop per jaar gepresenteerd over de gehele looptijd. Op deze manier zijn grote herinvesteringsopgaven, die eerder uit een reserve zijn gedekt, in beeld en kan de raad anticiperen op toekomstige herinvesteringsvraagstukken. Uitgangspunt 13: In de Kadernota wordt een langetermijnoverzicht van aflopende reserves gepresenteerd; het bijbehorend handelingskader (i.e. hoe te handelen) wordt minimaal vier jaar vóór afloop expliciet aan de raad voorgelegd.
3.1.5. Uitwerking in Nota Reserves en voorzieningen Deze Nota Financieel beleid bevat op hoofdlijnen de kaders voor de inrichting en inzet van reserves. Voor de gedetailleerde spelregels en administratieve verwerking van reserves wordt verwezen naar de Nota Reserves en voorzieningen, die conform de voorliggende Nota Financieel beleid aan de gemeenteraad wordt voorgelegd. In de Nota Reserves en voorzieningen worden de uitgangspunten uit het voorliggend document concreet uitgewerkt. Een actueel overzicht van de reserves wordt als bijlage bij de Nota Reserves en voorzieningen aangeboden. Juist omdat dit per definitie een momentopname is, behoort deze informatie niet tot het beleidskader. De diverse reserves worden in de genoemde bijlage uitgebreid toegelicht op onder meer doel, besteding, maximale omvang en duur. Dit overzicht wordt tweemaal per jaar geactualiseerd, in de kadernota en de jaarrekening. Daarmee wordt invulling gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer Pijnacker-Nootdorp. 15
Uitgangspunt 14: In de kadernota en jaarrekening wordt een actueel overzicht van de reserves gepresenteerd met doel, besteding, maximale omvang en duur.
3.2.
Investeringen en financiering
3.2.1. Investeringen Investeringen zijn de uitgaven die de gemeente doet voor de aanschaf of vervaardiging van kapitaalgoederen. Ook uitgaven die leiden tot een significante kwaliteitsverbetering, levensduurverlenging en/of aanpassing om aan wet- en regelgeving te voldoen worden aangemerkt als investering. Kapitaalgoederen zijn objecten met een meerjarig nut. Een relatief groot deel van het vermogen van gemeenten zit besloten in kapitaalgoederen. Door investeringen te activeren, worden de kosten ervan verdeeld over de levensduur van het object. Elk jaar wordt een deel van de kosten afgeschreven. Op die manier houdt de waardedaling van de investering gelijke tred met de waardevermindering daarvan door slijtage en veroudering. Dekking De lasten als gevolg van het over de jaren spreiden van investeringskosten zijn de kapitaallasten, die bestaan uit afschrijvingslasten en rentelasten. Afschrijvingslasten maken deel uit van de exploitatielasten en kunnen op twee verschillende manieren financieel gedekt worden:
Reguliere dekking uit de exploitatie; Dekking via een bestemmingsreserve afschrijvingslasten.
In de Nota Waardering en Afschrijving staan verder de spelregels rondom activeren, waarderen en afschrijven van investeringen. Reguliere dekking uit de exploitatie Kapitaallasten (afschrijving + rente) worden in beginsel rechtstreeks op de exploitatie geraamd. Dit geldt standaard voor: -
investeringen < € 50 000;
-
vervangingsinvesteringen waarvoor al structureel budget aanwezig is (door vrijval van kapitaallastenbudget doordat de ‘oude’ investering is afgeschreven);
-
investeringen die gedekt worden door kostendekkende tarieven (bv. riolering, huishoudelijk afval).
16
Dekking via een reserve afschrijvingslasten Zoals in paragraaf 3.1.4 Bestemmingsreserves afschrijvingslasten is toegelicht, dient dekking via een reserve aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Hoewel deze reserves een vast onderdeel zijn in onze vermogenspositie, is deze dekkingsbron een bijzondere en daarmee niet de standaard. Bij de uitvoering van investeringen kunnen zich zowel meevallers als tegenvallers voordoen. Dit kan verschillende oorzaken hebben, o.a. afwijkingen in de kostenberekening, uitkomsten van de aanbesteding, toegekende subsidies of aanpassingen tijdens de uitvoering, zoals meer- of minderwerk of onvoorziene situaties. Indien het investeringsbedrag (en bijbehorende afschrijvingslasten) bijgesteld moeten worden, zal dit bij de verschillende P&C-momenten aan de raad worden voorgelegd. Dekking voor tegenvallers wordt aan de raad voorgelegd; meevallers worden ten gunste van ‘de bron’ gebracht (dus verrekening met de Algemene Reserve). Type investeringen Voor de investeringen wordt een onderscheid gemaakt in de volgende categorieën:
Nieuwe en uitbreidingsinvesteringen Dit betreft investeringen die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe activiteiten of op de uitbreiding van bestaande activiteiten (ook wel intensivering van beleid genoemd). Voorbeelden hiervan zijn de bouw of uitbreiding van een nieuw schoolgebouw de aanleg van een nieuwe weg, de bouw van een nieuwe brug, enzovoorts.
Vervangingsinvesteringen Dit zijn investeringen die gericht zijn op de vervanging van bestaande activa vanwege economische veroudering of slijtage. Voorbeelden hiervan zijn het vernieuwen van de toplaag van een kunstgrasveld of het vervangen van speeltoestellen. De afschrijvingslasten van dit type investeringen zijn doorgaans opgenomen in de begroting. Dit betekent echter niet dat alle voorzieningen automatisch worden vervangen. Aan dit soort investeringen ligt vaak een beheerplan ten grondslag, waarin wordt bepaald of en wanneer vervanging noodzakelijk is.
Levensduur verlengende investeringen Dit zijn onder andere investeringen in bestaande activa die aantoonbaar leiden tot een substantiële verlenging van de levensduur van het actief, bijvoorbeeld de renovatie van een schoolgebouw of weg.
Uitgangspunt 15: Voor nieuwe en uitbreidingsinvesteringen dient eerst ruimte binnen de begroting te worden gevonden; een dekkingsvoorstel is altijd onderdeel van de aanvraag. Voor de (exploitatie)lasten van nieuwe - of uitbreidingsinvesteringen moet eerst ruimte in de begroting worden gevonden. Voor levensduur verlengende investeringen zal per investering worden bekeken of (aanvullende) dekking moet worden gezocht. Bij vervangingsinvesteringen wordt op basis van het beheerplan en (eventuele) technische schouw een prioritering aangebracht in de uitvoering van de projecten. Daarbij wordt een balans gezocht tussen ambities, beschikbare capaciteit (mensen) en financiële middelen (geld). 17
Deze drie elementen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen de basis voor een realistische en haalbare investeringsplanning. Uitgangspunt 16: Wij hanteren een realistische planning voor de investeringsagenda waarbij de prioritering past binnen de balans tussen ambities en de beschikbare mensen en middelen.
3.2.2. Financiering Investeringen drukken op de begroting via de kapitaallasten (rente en afschrijving). De lasten worden over meerdere jaren verdeeld. Bij een afschrijvingstermijn van veertig jaar is er een begrotingslast van één veertigste van het investeringsbedrag en de rentelasten worden daarbij opgeteld. Voor de kasstroom is een investering echter een uitgave in één keer. Voor de kasstroom telt daarom het gehele investeringsbedrag in het jaar van investeren. Als het banksaldo toereikend is, kan het investeringsbedrag daaruit worden gefinancierd. Als dat niet het geval is, dient een lening te worden aangetrokken.
Schuldenpositie De raad heeft in 2021, via de vaststelling van het Investerings- en financieringsplan 2020-2025, besloten om de schuldenlast (langlopende leningen) van de gemeente te verlagen van €106 miljoen eind 2020 naar €45 miljoen eind 2025. Voor de schuldenpositie zijn de ratio’s solvabiliteit en netto schuldquote van belang. In de Gemeenschappelijke Toezichtskader (GTK) van de provincies zijn de onderstaande signaleringswaarden opgenomen: Kengetal Minst risicovol Neutraal Netto schuldquote <90% 90-130 % Solvabiliteitsratio >50 % 20-50 % Begrippen toelichten en wijze van berekening laten zien
Meest risicovol >130 % <20 %
De schuldenpositie van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, zoals gerapporteerd in de jaarstukken over het boekjaar 2024 is uitstekend te noemen. De netto schuldquote is sinds 2020 zelfs negatief. De solvabiliteitsratio ligt sinds 2020 boven de 50%. Uitgangspunt 17: Voor de schuldenpositie blijven wij (ruim) binnen de signaleringswaarden zoals gesteld in het Gemeenschappelijk Toezichtskader (GTK) voor de ratio's solvabiliteit en netto schuldquote. Schatkistsaldo Het schakistsaldo bedroeg halverwege 2025 ca € 65 mln. De middelen worden als vrij beschikbaar aangemerkt. Dit betekent dat de liquiditeit beschikbaar is voor de betaling van investeringen en exploitatiekosten. Bij uitputting van het leeuwendeel van de middelen zal in het kader van treasurybeleid steeds beoordeeld worden of en op welke manier geld aangetrokken kan worden. Dit is een gangbare werkwijze binnen gemeenten.
18
Rentetoerekening De raad heeft bij de Kadernota 2026 het college de opdracht gegeven om te onderzoeken of projectfinanciering als instrument voor de toerekening van rente kan worden gehanteerd: “Beslispunt 5. Het college de opdracht te geven projectfinanciering te onderzoeken op wenselijkheid en uitvoerbaarheid en de gemeenteraad hierover een separaat voorstel aan te bieden indien dit een beleidswijziging vraagt”. Bij projectfinanciering staat één activiteit dan wel één specifiek project centraal, waarvoor specifiek een (veelal lange termijn) financiering wordt aangetrokken. De rentelasten van een project zijn in dit geval direct zichtbaar en toerekenbaar aan de betre ende investering. Indien de conclusies van het onderzoek naar projectfinanciering aanleiding geven tot wijziging van beleid wordt de raad hierover geïnformeerd. Vooralsnog is het bestaand beleid om concernfinanciering als leidend principe te hanteren, waarbij projectfinanciering bij uitzondering is toegestaan. Op basis van artikel 160 lid 1 onder a van de Gemeentewet is het college in ieder geval bevoegd om het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren (binnen de kaders van de raad). De Nota Rente en Treasury bevat de bevoegdheden van financieringsactiviteiten. Binnen deze kaders is de keuze voor financiering een uitvoeringsaangelegenheid en daarmee een bevoegdheid van het college.
Uitgangspunt 18: Wij hanteren concernfinanciering als leidend principe. In specifieke omstandigheden is projectfinanciering mogelijk. De keuze voor financiering is een uitvoeringsaangelegenheid en daarmee een bevoegdheid van het college.
3.3.
Risicomanagement en financiële beheersing
Relatie weerstandsvermogen en algemene reserve Het weerstandsvermogen van de gemeente is bedoeld als bu er om financiële tegenvallers op te vangen voor wanneer risico’s zich daadwerkelijk voordoen. Oftewel: het weerstandsvermogen geeft aan in hoeverre de gemeente in staat is om financiële risico’s op te vangen. In artikel 11 van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is het weerstandsvermogen als volgt gedefinieerd: 1. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen: a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de provincie onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken; b. alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getro en en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie. Voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp geldt dat de weerstandscapaciteit uitsluitend wordt gevormd door de algemene reserve plus de post onvoorzien in de begroting. Bestemmingsreserves worden hier – conform de actuele BBV-richtlijnen – niet toe gerekend, 19
aangezien deze al een specifiek doel hebben. Formeel kan de raad besluiten de bestemming van een reserve te wijzigen, maar zolang dat niet is gebeurd, is de reserve niet vrij besteedbaar en telt deze dus niet mee als weerstandscapaciteit. Ook de onbenutte belastingcapaciteit wordt niet meegerekend in de beschikbare weerstandscapaciteit, omdat deze niet direct liquide is of binnen korte termijn inzetbaar. De algemene reserve geldt daarmee als enige vrij beschikbare bu er en vormt het hart van het weerstandsvermogen plus de post onvoorzien. Dit past bij het uitgangspunt van voorzichtig en reëel financieel beleid. Uitgangspunt 19: Voor de bepaling van de beschikbare weerstandscapaciteit gaan wij uit van de Algemene reserve en de post onvoorzien in de begroting. De benodigde weerstandscapaciteit wordt periodiek (bij de begroting en jaarrekening) bepaald via een risicosimulatie. Hierbij worden de geïdentificeerde financiële risico’s afgezet tegen de beschikbare weerstandscapaciteit om te komen tot een ratio: de weerstandsratio. Er bestaat geen voorgeschreven ratio die de gemeente geacht wordt na te streven. Als referentiekader gebruiken wij een veelgebruikte waarderingstabel van de Universiteit Twente en het Nederlands Adviesbureau voor Risicobeheersing (NAR): Ratio weerstandsvermogen
Beoordeling
> 2,0
Uitstekend
1,4 – 2,0
Ruim voldoende
1,0 – 1,4
Voldoende
0,8 – 1,0
Matig
0,6 – 0,8
Onvoldoende
< 0,6
Ruim onvoldoende
In de vastgestelde nota Weerstandsvermogen en risicomanagement 2021-2024 is bepaald dat de weerstandsratio in alle jaren van voldoende niveau moet zijn (tussen de 1,0-1,4). De stand van de algemene reserve is de afgelopen jaren van substantiële omvang geweest, waardoor de weerstandsratio ruim boven 4,0 uitkwam. Gezien deze achtergrond is het uitgangspunt om een minimum ratio weerstandsvermogen aan te houden van 1,4 (voldoende). Dit betekent dat ca anderhalf keer het bedrag aan geïdentificeerde risico’s beschikbaar dient te zijn in de algemene reserve. Hiermee behouden we een financieel gezonde uitgangspositie en een robuuste algemene reserve. Uitgangspunt 20: Als ratio voor het weerstandsvermogen hanteren wij een streefwaarde van 1,4 en een minimum van 1,0.
20
De stand van het weerstandsvermogen wordt opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en jaarrekening. Indien de omvang van de algemene reserve daalt onder de ondergrens van 1,0, zal het financieel beleid gericht zijn op het versterken van deze reserve, bijvoorbeeld door extra stortingen vanuit het begrotingsresultaat of herbeoordeling van bestaande bestemmingsreserves. Het college stelt in dat geval een plan op met maatregelen om de algemene reserve op te hogen tot het normbedrag. Uitgangspunt 21: Als de weerstandsratio onder de norm van 1,0 dreigt uit te komen, stelt het college van burgemeester en wethouders een verbeterplan op met maatregelen om de Algemene reserve op normhoogte te krijgen.
21
Bijlage 1 Financiële nota’s en planningen Planning actualisering financiële beleidsnota’s 2025/2026 Beleidsdocument Nota Financieel beleid Nota Reserves en voorzieningen Financiële verordening Nota Risicomanagement Nota Rente en treasury Nota Leningen- en garantiebeleid Nota Grondprijzen Nota Overhead Nota Waardering en afschrijving Nota Grondbeleid Belastingverordeningen (tarieventabel) Controleverordening
Agendering actualisatie 4e kwartaal 2025 4e kwartaal 2025 4e kwartaal 2025 1e kwartaal 2026 1e kwartaal 2026 1e kwartaal 2026 1e kwartaal 2026 In de loop van 2026 In de loop van 2026 Reeds actueel Jaarlijks in december 4 kwartaal 2025
22