CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Kaderstellende notitie omgevingsprogramma leefkwaliteit

Raad Besluitvorming 26 juni 2025, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 15850296.750 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Kaderstellende notitie Omgevingsprogramma Leefkwaliteit Vastgesteld in de raad van ……..

Zaaknummer: 1581653 Verantwoordelijke domein: Fysieke Leefomgeving Beleidsprogramma: Veiligheid en duurzaamheid Portefeuillehouders: M. van Bijnen en B. Lugthart Versie: 1.0

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

Inhoud 1.

Inleiding .............................................................................................................................3

2.

Waarom een omgevingsprogramma Leefkwaliteit? ............................................................4

3.

Begrenzing van het programma ..........................................................................................5

3.1 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................................5 3.2 Waterkwaliteit ..................................................................................................................................................6 3.3 Bodemkwaliteit.................................................................................................................................................7 3.4 Licht/donker......................................................................................................................................................7 3.5 Geluid .............................................................................................................................................................8 3.6 Geur

.............................................................................................................................................................9

3.7 Afval

.............................................................................................................................................................9

3.8 Milieuzonering ..................................................................................................................................................9 3.9 Externe Veiligheid ...........................................................................................................................................10 3.10 Veiligheid fysieke leefomgeving....................................................................................................................11 3.11 Brandveilige leefomgeving............................................................................................................................11

4.

Doel van het omgevingsprogramma .................................................................................13

4.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................13 4.2 Doel

...........................................................................................................................................................13

4.3 Resultaat .........................................................................................................................................................13

5.

De Omgevingsvisie is de basis ...........................................................................................14

6.

Het proces ........................................................................................................................15

7.

Participatie .......................................................................................................................17

7.1 Doel van de participatie ..................................................................................................................................17 7.2 Niveau van participatie ...................................................................................................................................17

8.

Financiën ..........................................................................................................................19

2

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

1. Inleiding In de gemeente Pijnacker-Nootdorp is het prettig wonen en werken. Er zijn veel aspecten die hierop van invloed zijn. In de fysieke leefomgeving gaat het hierbij om concrete zaken zoals de beschikbaarheid van voldoende groen en goede voorzieningen in de directe nabijheid. Daarnaast zijn ook andere meer randvoorwaardelijke aspecten belangrijk. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een goede water-, lucht- en bodemkwaliteit. Deze randvoorwaarden zijn belangrijk voor een gezonde leefomgeving voor mensen, dieren en planten, voor gezondheid, natuur en biodiversiteit. Verkeer en bedrijvigheid zijn onmisbaar in onze gemeente maar kunnen ook negatieve effecten hebben op het gebied van geluid, geur of licht, waardoor het minder prettig wonen of werken is op bepaalde locaties. Het is belangrijk om bij ruimtelijke ontwikkelingen deze aspecten voldoende en vroeg in de planvorming mee te nemen, zodat dit voorkomen kan worden. Een fysieke leefomgeving die als veilig wordt ervaren draagt bij aan het welbevinden van onze inwoners en zorgt ervoor dat mensen meer geneigd zijn om naar buiten te gaan. Dit draagt bij aan een betere gezondheid.

Daarnaast moet de gemeente zorgen dat de omgeving beschermd wordt tegen de risico’s van de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen door voldoende afstand in acht te nemen tussen plekken waar deze stoffen worden opgeslagen of vervoerd en gevoelige functies (externe veiligheid). Voor het merendeel van deze aspecten heeft de gemeente al sectoraal beleid, waarmee tot op heden gewerkt wordt. De omgevingswet stuurt aan op een meer integrale aanpak. Daarnaast biedt de Omgevingswet voor meer lokale thema’s zoals geluid en geur meer ruimte voor maatwerk. De gemeente mag binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte eigen keuzes maken. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit willen aan de aspecten milieu en fysieke veiligheid invulling geven. Hierbij is het de wens om dit zoveel mogelijk gebiedsgericht te doen, waarbij we aansluiting zoeken bij de gebiedstypen, zoals benoemd in de Omgevingsvisie. Deze kaderstellende notitie bevat de inhoudelijke en procesmatige kaders die de raad meegeeft aan het college voor het opstellen van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit. Hiermee bepaalt de raad onder andere de inhoudelijke doelen, de reikwijdte, de omgang met participatie, en de te zetten stappen om te komen tot het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit.

Met deze kaderstellende notitie nemen wij de eerste stap richting een nieuw beleidskader voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving in Pijnacker-Nootdorp.

3

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

2. Waarom een omgevingsprogramma Leefkwaliteit? Er zijn meerdere redenen om een omgevingsprogramma Leefkwaliteit op te stellen. Allereerst betreft het een uitwerking van de Omgevingsvisie op het gebied van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050, die in november 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld wordt een beeld geschetst van hoe de gemeente er in 2050 uit kan zien. Dit beeld is opgebouwd uit vier samenhangende ontwikkelingslijnen. In de ontwikkelingslijn “een karakteristieke woon- en leefomgeving” is een gezonde en veilige leefomgeving één van ambities/speerpunten. In een andere ontwikkellijn “een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren” wordt aangegeven dat we streven naar een goede omgevingskwaliteit, waarbij we veel aandacht besteden aan evenwicht in de omgevingskwaliteit zodat de gemeente een gezonde en veilige plek is om te wonen en leven. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit wordt dit verder uitgewerkt. Het omgevingsprogramma is één van de kerninstrumenten in de Omgevingswet. Hierin kunnen overheden beleid en maatregelen opnemen waarmee ze de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving willen bereiken. Het omgevingsprogramma is een beleidskader en werkt de Omgevingsvisie uit in tactisch en uitvoerend beleid en maatregelen. Verder geeft het omgevingsprogramma input voor het omgevingsplan.

De tweede reden is dat in de uitvoeringsagenda 2022-2026 “Bouwen aan de toekomst” het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit (in de uitvoeringsagenda nog Omgevingskwaliteit genoemd) één van de zes prioritaire Omgevingsprogramma’s is, die in deze collegeperiode opgesteld moeten worden. Omgevingsprogramma Omgevingskwaliteit of Omgevingsprogramma Leefkwaliteit In de Omgevingsvisie wordt de term Omgevingskwaliteit meerdere keren gebruikt. Er wordt gesteld dat een goede omgevingskwaliteit zorgt voor een gezonde en veilige plek om te wonen en te leven. In de Omgevingswet komt het begrip Omgevingskwaliteit ook voor. Er wordt geen exacte definitie gegeven, maar duidelijk is dat het een andere betekenis heeft dan een veilige en gezonde leefomgeving (art. 1.3 Omgevingswet: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit…). Daarnaast is er een gemeentelijke commissie Omgevingskwaliteit ingesteld die zich bezighoudt met ruimtelijke kwaliteit (voorheen Welstand). Om onduidelijkheid te voorkomen zal het Omgevingsprogramma dat zich richt op een gezonde en veilige leefomgeving daarom het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit heten. De derde reden is meer inhoudelijk. Het milieubeleid van de gemeente is meer dan tien jaar oud en toe aan vernieuwing.

Een belangrijke reden hiervoor is dat met het inwerkingtreden van de Omgevingswet een aantal milieuregels gewijzigd zijn, waardoor het huidige beleid niet meer passend is. Daarnaast heeft de gemeente onder de Omgevingswet meer eigen afwegingsruimte gekregen op een aantal lokale milieuthema’s (zoals geluid en geur). Deze afwegingsruimte is echter niet onbeperkt, maar wordt begrensd door landelijke regelgeving (bandbreedte). De laatste reden heeft betrekking op het onderdeel fysieke veiligheid. De gemeente beschikt over een integraal veiligheidsbeleid (2023-2026), waarin alle veiligheidsthema’s zijn opgenomen. Thema’s die raken aan de fysieke leefomgeving (zoals fysieke kwaliteit, objectief en subjectief veiligheidsgevoel, brandveiligheid en externe veiligheid) zijn weliswaar opgenomen, maar doelen en acties om de randvoorwaarden hiervoor in de fysieke leefomgeving te realiseren en te borgen ontbreken. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zal met name dit aspect worden uitwerkt. Hierdoor ontstaat een betere verbinding tussen het veiligheidsbeleid en het ruimtelijk beleid.

4

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

3. Begrenzing van het programma Er zijn veel aspecten die invloed hebben op een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Het opnemen van al deze aspecten zou het programma complex en gefragmenteerd maken. Daarom is het belangrijk om een heldere begrenzing van het programma aan te geven. Het omgevingsprogramma Leefkwaliteit richt zich enerzijds op de milieuaspecten die invloed hebben op de gezondheid in de fysieke leefomgeving en anderzijds op de veiligheidsaspecten die raken aan de fysieke leefomgeving. De volgende deelonderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit:  Lucht(kwaliteit)  Water(kwaliteit)  Bodem(kwaliteit)  Licht/donker  Geluid  Geur  Afval  Milieuzonering  Externe veiligheid  Veiligheid fysieke leefomgeving  Brandveilige omgeving 3.1 Luchtkwaliteit Belang In Nederland is luchtkwaliteit één van de grootste risicofactoren voor de gezondheid. Met name blootstelling aan NO2 en fijnstof kan luchtwegklachten en hart- en vaataandoeningen veroorzaken of verergeren. Van alle milieufactoren is luchtverontreiniging de grootste veroorzaker van ziektelast in Nederland. Luchtverontreiniging veroorzaakt 3,5 procent van de ziektelast in Nederland (Hilderink & Verschuuren, 2018).

Het onderzoek van GGD Haaglanden ‘Luchtverontreiniging in de regio Haaglanden’ uit september 2023-onderzoek laat zien dat de blootstelling aan NO2 en fijnstof in Pijnacker-Nootdorp hoger is dan gemiddeld in Nederland. Huidige stand van zaken De laatste monitoringsrapportage luchtkwaliteit laat zien dat in 2023 in Pijnacker-Nootdorp wordt voldaan aan de huidige wettelijke normen voor NO2 en fijnstof. Vanaf 2030 gaan op grond van Europese richtlijnen strengere normen gelden. Uit prognoses blijkt dat ook hieraan in PijnackerNootdorp kan worden voldaan. Generiek Europees en landelijk beleid zorgt voor een deel van de afname van de uitstoot door maatregelen zoals aanscherping van emissie-eisen voor stookinstallaties en motoren, een CO2-heffing voor glastuinbouw en de energietransitie. De gemeente is ondertekenaar van het Schone Lucht Akkoord (SLA). Hierin wordt gezamenlijk gestreefd naar een landelijke gezondheidsverbetering van 50% uit binnenlandse bronnen in 2030 ten opzichte van 2016. Keuzes in Omgevingsprogramma De luchtkwaliteit in de gemeente wordt voor een groot deel bepaald door externe factoren waar we als gemeente geen invloed op hebben (zoals ligging in de Randstad, omliggende Rijkswegen). De gemeente kan wel maatregelen uitvoeren om de lokale emissies te beperken. Voor NO2 zijn verkeer en glastuinbouw de belangrijkste bronnen.

Voor fijnstof zijn consumenten/houtstook en verkeer de belangrijkste bronnen.

5

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit onderzoeken en bepalen we welke ambitie en maatregelen gewenst en haalbaar zijn om de luchtkwaliteit lokaal te verbeteren. 3.2 Waterkwaliteit Belang Waterkwaliteit gaat over de chemische en ecologische toestand van het oppervlaktewater. Het gaat hierbij niet alleen over gifstoffen, maar ook over nutriënten (N (stikstof) en P(fosfor). Voor de ecologische toestand wordt vooral gekeken naar biologische kwaliteitskenmerken. Een goede chemische en ecologische toestand van het oppervlaktewater zorgt voor een robuust ecologisch systeem in sloten en plassen. Schoon, gezond en levend water is niet alleen belangrijk voor ecologie, maar ook voor prettig wonen en recreëren is het een essentiële randvoorwaarde. Ook de glastuinbouw is niet toekomstbestendig zonder voldoende en kwalitatief goed water. Huidige stand van zaken De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn en geeft voor aangewezen waterlichamen normen waaraan eind 2027 moet worden voldaan. Het doel van de KRW is het realiseren en behouden van schoon en gezond oppervlaktewater en grondwater. In Pijnacker-Nootdorp zijn twee waterlichamen die onder de KRW vallen: de Pijnackerse vaart en de bypass in de Zuidpolder van Delfgauw. In deze wateren worden de KRW-normen nog niet gehaald. Alle andere oppervlaktewateren in de gemeente worden overig water genoemd.

Voor overig water heeft het Hoogheemraadschap van Delfland afgeleide normen geformuleerd, die door de provincie zijn vastgesteld. Deze normen hebben geen einddatum. De KRW-lichamen en overige wateren staan met elkaar in verbinding. Hoewel het Hoogheemraadschap van Delfland bevoegd gezag is ten aanzien van waterkwaliteit, is het behalen van de KRW doelen een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Via de Bestuurlijke Watertafel werken wij met het Hoogheemraadschap van Delfland, de andere gemeenten binnen het beheersgebied van Delfland, de provincie en de drinkwaterbedrijven onder andere samen op het gebied van waterkwaliteit. Recent zijn aanvullende aanspraken gemaakt over verdergaande samenwerking om de KRW-doelen te halen. Daarnaast werkt de gemeente binnen het afsprakenkader Emissieloze kas samen met beide waterschappen, andere glastuinbouwgemeenten, de provincie en de glastuinbouwsector aan het verbeteren van de waterkwaliteit binnen glastuinbouwgebieden in het West- en Oostland. Dit doen we via drie sporen: kennisdeling, communicatie en toezicht/handhaving. Op dit moment zijn de risicogestuurde aanpak, het aanbieden van de diensten van watercoaches voor bedrijven en het werken aan extra regels voor tuinders om lekstromen richting oppervlaktewater te voorkomen (via landelijk, regionaal en lokaal spoor) de belangrijkste instrumenten hierbij.

Keuzes in Omgevingsprogramma Naast glastuinbouw zijn er nog andere bronnen die invloed hebben op waterkwaliteit. In bebouwd gebied komen soms foute aansluitingen op het riool voor waardoor verontreinigende stoffen uiteindelijk (via het schoon waterriool) in het oppervlaktewater terecht komen. Er is nog geen inzicht hoe vaak dit voorkomt en welke effecten dit heeft op de waterkwaliteit. Bij piekbelasting van het rioolstelsel stort het riool over op het oppervlaktewater. Er is nog geen inzicht hoe vaak dit voorkomt en welke effecten dit heeft op de waterkwaliteit. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit onderzoeken en bepalen we welke maatregelen nodig zijn om de KRW-doelen te halen. Ook onderzoeken we of verdergaande ambities en maatregelen gewenst en haalbaar zijn om de waterkwaliteit te verbeteren en in overeenstemming te brengen met de functie van het gebied waar het water zich bevindt.

6

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

3.3 Bodemkwaliteit Belang Bodem heeft zowel betrekking op grond als grondwater. Bodemkwaliteit gaat zowel over de chemische kwaliteit als over de biologische kwaliteit. Daarnaast heeft bodem ook een functie voor de berging van water (sponswerking). Deze laatste functie wordt in dit omgevingsprogramma niet behandeld, maar komt terug in het Omgevingsprogramma Klimaatbestendige gemeente. Een goede bodemkwaliteit is belangrijk voor alle functies die zich op en in de bodem bevinden (groen/ecologie, landbouw, glastuinbouw, wonen, recreëren en bedrijvigheid), maar de kwaliteit kan en mag wel per functie verschillen. Een verontreinigde bodem kan risico’s met zich meebrengen voor gezondheid, ecosystemen en beperkingen voor het gewenste maatschappelijk gebruik van locaties. Huidige stand van zaken Door de bodemkwaliteitskaart heeft de gemeente in het algemeen goed zicht op de chemische bodemkwaliteit in de gemeente. In combinatie met de nota bodembeheer wordt de kaart vooral gebruikt voor gebiedsgericht grondverzet, waarbij uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit overall binnen de gemeente niet mag verslechteren. Bij functiewijziging vindt bodemonderzoek plaats en indien nodig bodemsanering waardoor gezorgd wordt dat de bodemkwaliteit in overeenstemming is met de functie van een gebied.

Via beide sporen (gebiedsgericht grondverzet en onderzoek en eventueel sanering bij functiewijziging) werkt de gemeente aan het grip houden op en het verbeteren van de bodemkwaliteit. Keuzes in Omgevingsprogramma Binnen de gemeente zijn geen locaties met acute risico’s aanwezig waarbij op korte termijn beheersmaatregelen vereist zijn. Wel is er extra aandacht nodig voor specifieke stoffen zoals bijvoorbeeld diffuus lood of asbest bij bodemgevoelig gebruik. Zoals hiervoor aangegeven wordt via de bodemnota invulling gegeven aan de bodemtaken. Door de in werking treden van de Omgevingswet zijn een groot deel van de regels uit de bodemnota in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan beland. Voor een aantal regels is dit niet het geval. Hiervan zal bekeken moeten worden hoe deze alsnog in het Omgevingsplan opgenomen kunnen worden. Daarnaast biedt de Omgevingswet nieuwe mogelijkheden om bodemaspecten te reguleren. Hiervan zal onderzocht moeten worden of dit meerwaarde heeft en op welke wijze dit geregeld kan worden. Ook zal in het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit antwoord gegeven moeten worden op de vraag of specifiek beleid op het gebied van biologische bodemkwaliteit wenselijk en mogelijk is. 3.4 Licht/donker Belang Lichthinder heeft een negatieve invloed op zowel de mens als op de natuur.

Het kan gedrag van vogels, vleermuizen en ook andere dieren beïnvloeden door verstoring van de biologische klok en/of de oriëntatie beïnvloeden. Gedragswijzigingen kunnen negatieve invloed hebben op de populatie en dit kan weer gevolgen hebben voor andere soorten. Natuurkwaliteit en biodiversiteit kunnen hierdoor onder druk komen staan. Ook voor de mens heeft lichthinder nadelige gevolgen hebben. Licht kan leiden tot overlast indien het als ongewenst wordt ervaren. Daarnaast kan het ook ons bioritme verstoren, hetgeen tot ziekte kan leiden. Tot slot kost kunstlicht energie. Beperking van de toepassing van kunstlicht draagt bij aan de duurzaamheidsambities van de gemeente. Huidige stand van zaken Op de lichtkaart van Nederland in de Atlas voor de Leefomgeving is te zien dat Pijnacker-Nootdorp in een gebied ligt met hoge lichtemissies in de nacht (Oost- en Westland). Ook elders in de Randstad komen gebieden met dergelijke hoge lichtemissies voor (bijvoorbeeld in de haven Rotterdam of het gebied rond Amsterdam). Binnen Pijnacker-Nootdorp levert de assimilatiebelichting in de glastuinbouw de belangrijkste bijdrage aan de hoge lichtemissies in de nacht. Voor assimilatiebelichting gelden landelijke regels op grond van Besluit Activiteiten Leefomgeving. Pijnacker-Nootdorp heeft net als andere glastuinbouwgemeenten in West-/Oostland maatwerk 7

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

verleend aan enkele specifieke rozenkwekerijen. Hiermee hoeven deze bedrijven op bepaalde momenten en bij bepaalde omstandigheden de toegepaste verlichting minder af te schermen. Zowel in de Omgevingsvisie als in de kaderstellende notitie voor het Omgevingsprogramma Vitale glastuinbouwgebieden is de wens uitgesproken om het maatwerk op termijn te beëindigen. Dit zal overigens weinig invloed hebben op totale lichtemissies vanuit de glastuinbouw, omdat het maatwerk maar voor enkele bedrijven is verleend en alleen onder specifieke (klimatologische) omstandigheden geldt (aantal momenten per jaar). Naast assimilatiebelichting kan lichthinder ook van andere bronnen komen, zoals sportvelden, maneges/paardenhouderijen en bedrijventerreinen (gevel- en reclameverlichting) Keuzes in Omgevingsprogramma In de Omgevingsvisie is aangegeven dat we richting 2050 bewuste keuzes maken over rust versus drukte en donkerte versus licht. In het midden van de drukke Randstad hebben we in onze gemeente daarom plekken waar het zo stil en donker mogelijk is. Dit zijn groene plekken waar mensen tot rust komen en dieren een plek vinden. Dat zijn ook de plekken waar het groen is. Aan de andere kant zijn er plekken waar mensen wonen, werken en meer verkeer is. Daar is dan ook meer licht van straatverlichting tot assimilatieverlichting en van verkeer tot bedrijven.

Juist door deze afwisseling vullen de gebieden elkaar aan. Er is ruimte om te werken, met alles wat daarbij hoort, maar ook ruimte om te ontspannen en te genieten van de rust en donker. De uitwerking hiervan vindt plaats in het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit. De Omgevingswet geeft de gemeente, naast landelijke regels voor assimilatiebelichting en sportvelden, ook ruimte voor lokaal beleid. De gemeente kan zelf regels opstellen over lichthinder, en mag dit gebiedsspecifiek doen, bv. via een “lichtkaart” waarin gebieden worden ingedeeld in verschillende lichtzones. Door dit vervolgens vast te leggen in het Omgevingsplan kan door middel van een vergunningplicht beoordeeld worden of lichthinder veroorzakende activiteiten in een gebied met een bepaalde lichtkwaliteit mogelijk zijn. 3.5 Geluid Belang Langdurige blootstelling aan geluid, van bijvoorbeeld verkeer, kan de ervaren levenskwaliteit negatief beïnvloeden. Daarnaast kan het de slaap en dagelijks activiteiten verstoren, stress veroorzaken en leiden tot chronische gezondheidsklachten. Het is daarom belangrijk om de geluidslast laag te houden op plekken waar mensen langdurig verblijven. Huidige stand van zaken In Pijnacker-Nootdorp is (rail) verkeer de belangrijkste bron van geluid. Een andere bron van geluid zijn bedrijven.

Voor bedrijven gelden vaak landelijke geluideisen of zijn er vergunningen verleend met hierin geluideisen. Zowel de landelijk eisen als de eisen vastgelegd in vergunningen worden door de Omgevingsdienst Haaglanden gecontroleerd en indien nodig gehandhaafd. Het aantal klachten en meldingen dat de Omgevingsdienst Haaglanden ontvangt over bedrijven in PijnackerNootdorp is zeer beperkt. Vijfjaarlijks is de gemeente verplicht om de geluidbelasting van de bestaande situatie in beeld te brengen. Op grond hiervan is de gemeente verplicht een actieplan geluid vast te stellen met maatregelen om de geluidsituatie te beheersen en te verbeteren. Op grond van de Omgevingswet komt hier nog een nieuwe verplichting bij: het vastleggen van de BasisgeluidEmissie (BGE). De BGE is het referentieniveau (nul-situatie) van het geluid door lokale (spoor)wegen. Na vastlegging monitort de gemeente de geluidontwikkeling ten opzichte van het basisjaar. Bij toename van 1,5 dB moet de gemeente maatregelen overwegen. De monitoring zal gelijklopen met het opstellen van geluidbelastingkaarten en het actieplan geluid. Keuzes in Omgevingsprogramma Bij nieuwe situaties (nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, nieuwe infrastructuur) is het belangrijk om geluidaspecten vroeg in het planproces mee te nemen. De gemeente heeft hiervoor twee beleidsnota’s: gebiedsgericht geluidbeleid en de nota Hogere grenswaarden.

Deze nota’s zijn onder de Omgevingswet niet één op één toepasbaar. De gemeente krijgt (binnen een bandbreedte) meer 8

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

ruimte voor maatwerk. Het is belangrijk om in beleid vast te leggen hoe de gemeente met deze ruimte om wil gaan. De omgevingswet heeft ook een ruimere normstelling (hogere geluidbelastingen zijn toegestaan). Ook hierbij is het belangrijk om in beleid vast te leggen hoe de gemeente hiermee om wil gaan. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is een geactualiseerd gebiedsgericht geluidbeleid een goed instrument om een goede leefkwaliteit qua geluid te waarborgen. Bij bouw- en onderhoudsactiviteiten (bijvoorbeeld aan Randstadrail) en evenementen kan ook geluidoverlast optreden. We onderzoeken of hier separaat beleid voor nodig is. 3.6 Geur Belang Uitstoot van geur kan overlast veroorzaken in de nabije omgeving. De ervaren hinder is afhankelijk van het type en de aard van de geur en de concentratie en duur van de blootstelling. Langdurige blootstelling en hinder kan effect hebben op de gezondheid van omwonenden. Huidige stand van zaken In Pijnacker-Nootdorp zijn drie typen bedrijvigheid te onderscheiden die geuroverlast kunnen veroorzaken: industriële bedrijvigheid, horeca en dierhouderijen. Bij industriële bedrijven kan hierbij gedacht worden aan afvalverwerkende bedrijven en autospuiterijen. Bij horeca kan geuroverlast optreden als gevolg van het bereiden van eten. Bij dierhouderijen is de opslag van mest een belangrijke bron van potentiële geuroverlast.

Voor de komst van de Omgevingswet golden voor industriële bedrijven en horeca veelal landelijke eisen om geuroverlast te voorkomen of zijn vergunningen verleend waarin eisen zijn opgenomen om geuroverlast te voorkomen. Bij mestopslag was bepalend of de opslag deel uitmaakt van een bedrijf (het begrip inrichting onder de Wet milieubeheer). Indien dit het geval was, golden landelijke eisen. Indien dit niet het geval was, golden er geen eisen. De Omgevingsdienst voert namens de gemeente de taken op het gebied van bedrijfsgerichte milieutaken (vergunningverlening, toezicht en handhaving) uit. De omgevingsdienst ontvangt weinig geurklachten vanuit Pijnacker-Nootdorp Keuzes in Omgevingsprogramma De landelijke regels (de zogenaamde bruidsschat) zijn van rechtswege opgenomen in het tijdelijk Omgevingsplan van de gemeente. Omdat geuroverlast een lokaal probleem is, biedt de Omgevingswet meer ruimte voor eigen beleid van de gemeente ten aanzien van dit thema. De gemeente mag zelf, binnen een bandbreedte, beslissen of ze de landelijke regels in het definitieve Omgevingsplan wil opnemen of dat zij eigen regels wil opnemen. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zal dit uitgewerkt worden. 3.7 Afval In de “startnotitie doorontwikkeling afvalbeleid” die in december 2023 door de gemeenteraad is vastgesteld, wordt het proces beschreven om in stappen te komen tot een nieuw afvalbeleid.

Dit traject blijven we vervolgen. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit onderzoeken we of dit traject kan landen in het programma. Daarnaast onderzoeken we of er nog onderwerpen zijn die betrekking hebben op afval en die niet opgenomen zijn in de doorontwikkeling van het afvalbeleid en nog uitgewerkt moeten worden in het Omgevingsprogramma. 3.8 Milieuzonering Belang Milieuzonering is een vorm van ruimtelijke planning, die wordt gebruikt om voldoende afstand te creëren tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (zoals wonen). Milieuzonering is een instrument dat gebruikt wordt bij nieuwe ontwikkelingen, waardoor overlast van geluid, geur of andere zaken kan worden voorkomen.

9

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

Huidige stand van zaken De Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) heeft een handreiking opgesteld in 2009. Deze is in het verleden altijd gebruikt. In 2024 is er een nieuwe versie verschenen. Deze nieuwe versie wordt op dit moment gebruikt als pilot voor het nieuwe Omgevingsplan voor het bedrijventerrein de Boezem. Keuzes in Omgevingsprogramma In de Omgevingsvisie is opgenomen dat we in de kernen streven naar meer (kleinschalige) functiemenging. Hierbij speelt milieuzonering ook een belangrijke rol. Bij functiemenging moet goed gekeken worden welke minimale afstanden nodig zijn om overlast te voorkomen. De gemeente mag zelf haar beleid op het gebied van milieuzonering vormgeven en hierbij kiezen of zij gebruik maakt van de oude of nieuwe handreiking. De belangrijkste verschillen tussen de oude en nieuwe handreiking zijn: - De nieuwe handreiking heeft minder thema’s en richt zich vooral op het voorkomen van overlast door geur en geluid; - De nieuwe handreiking zal periodiek worden geactualiseerd bij nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. De oude wordt niet meer geactualiseerd. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zal de keuze nader uitgewerkt worden. 3.9 Externe Veiligheid Belang Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer via weg en buisleidingen van gevaarlijke stoffen.

Opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen, alsook transport over wegen en door (ondergrondse) buisleidingen nabij kwetsbare locaties en gebouwen (bv. woonkernen, beschermde natuur) vormen een risico voor ongevallen of rampen. Via ruimtelijke planning kan ervoor gezorgd worden dat de leefomgeving wordt beschermd door bijvoorbeeld de afstand tussen risicovolle en kwetsbare locaties en gebouwen te waarborgen. Huidige stand van zaken In Pijnacker-Nootdorp zijn de belangrijkste risicobronnen: - Wegen waarover gevaarlijke stoffen vervoerd mogen worden. De Rijkswegen zijn landelijk aangewezen, de provincie heeft de N470 aangewezen en de gemeente heeft N470 en bepaalde wegen als route gevaarlijke stoffen aangewezen. Indien vervoerder over andere weg wil is ontheffing van de gemeente nodig. - Ondergrondse buisleidingen die onder hoge druk (16 Bar en hoger) gevaarlijke vloeistoffen en gassen vervoeren. In Pijnacker-Nootdorp gaat het om aardgas, CO2 en kerosine.

- Bedrijven (stationaire activiteiten): een LNG-tankstation op het terrein van het AH-distributiecentrum; een ammoniak-koelinstallatie in het AH-distributiecentrum; een PGS 15 opslag van Gall & Gall op het terrein van het AH-distributiecentrum; kleine vuurwerkopslagen en –verkooppunten - Overig (stationaire activiteiten) verspreid liggende propaantanks in het buitengebied Gemeenten zijn verplicht de risico’s te inventariseren in het Registratiesysteem Externe Veiligheid (REV). De omgevingsdiensten voeren dit namens de gemeenten uit. Ook moet de omgeving worden geïnventariseerd. Per gebouw en/of locatie moet worden aangegeven of het om een zeer kwetsbaar gebouw gaat (bijvoorbeeld een kinderdagverblijf), een kwetsbaar gebouw (woning) of een beperkt kwetsbaar gebouw (kleine gebouwen waarin personen maar een beperkt deel van de dag aanwezig zijn). De geïnventariseerde risicobronnen en de omgeving zijn te zien op www.atlasleefomgeving.nl

10

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

Keuzes in Omgevingsprogramma Voor externe veiligheid gelden landelijke eisen, waar de gemeente aan moet voldoen. De gemeente mag voor sommige onderwerpen strenger beleid formuleren. Ook heeft de gemeente afwegingsruimte hoe zij binnen de landelijke eisen met risico’s om wil gaan. Om te voorkomen dat bij elke ruimtelijke ontwikkeling waar externe veiligheid een rol speelt ad hoc onderbouwd moet worden hoe in het specifieke geval met risico’s omgegaan wordt, is het verstandig om algemeen beleid te formuleren. Regionaal is een bouwstenennota ontwikkeld, dat als basis kan dienen voor gemeentelijk beleid. Op grond van de nota moet de gemeente een lokale keuzes maken. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit wordt dit uitgewerkt en vastgelegd. 3.10 Veiligheid fysieke leefomgeving Belang Bij dit thema kijken we naar twee vormen van veiligheid: - Sociale veiligheid: de bescherming of het zich beschermd voelen tegen gevaar dat veroorzaakt wordt door of dreigt van de kant van menselijk handelen in de openbare ruimte. Het gaat hier om zichtbaarheid, eenduidigheid, toegankelijkheid en aantrekkelijkheid. - Veiligheid van de fysieke leefomgeving: kwaliteiten van de gebouwde omgeving die veiligheidsaspecten beïnvloeden. Er is voor gekozen om verkeersveiligheid niet in dit programma onder te brengen maar op te nemen in het Omgevingsprogramma duurzame mobiliteit.

Sociale veiligheid en veiligheid van de openbare ruimte dragen bij aan het welbevinden van de mens in de openbare ruimte. Voelt men zich veilig op straat, dan is men eerder geneigd om naar buiten te gaan. Dit draagt weer bij aan een goede gezondheid. Daarnaast draagt een veilige fysieke leefomgeving onder andere bij aan sociale cohesie, preventie van criminaliteit, overlast en verloedering, toegankelijkheid en mobiliteit. Huidige stand van zaken In het Integraal veiligheidsbeleid 2023-2026 komt het onderwerp veilige fysieke leefomgeving wel aan de orde, maar wordt het niet verder uitgewerkt. Deze uitwerking zal plaatsvinden in het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit. Voor dit onderwerp zijn er geen wettelijke eisen waar de gemeente aan moet voldoen. Wel zijn er landelijke hulpmiddelen zoals de ZETA-richtlijnen (zichtbaarheid, eenduidigheid, toegankelijkheid en aantrekkelijkheid), die gebruikt kunnen worden voor het ontwerpen van een omgeving die door mensen als prettig en veilig wordt ervaren. Keuzes in Omgevingsprogramma In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit gaan we uitwerken hoe we bij de ontwikkeling van nieuwbouwwijken het onderwerp fysieke veilige leefomgeving mee willen nemen in de planvorming. Behalve bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kijken we hierbij ook hoe het onderwerp bij herinrichting van bestaande gebieden gebruikt kan worden.

3.11 Brandveilige leefomgeving Belang

Bij dit thema gaat het over brandveiligheid van de omgeving, inclusief bereikbaarheid van de brandweer en eisen aan bluswater-voorzieningen. De impact van een brand op de omgeving is ook een onderdeel om in ogenschouw te nemen. Gebouwveiligheidsaspecten zijn al geregeld in landelijke wetgeving en behoeven daarom geen verdere uitwerking. Huidige stand van zaken Afstemmen van toegang voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen helpen branden tijdig aanpakken. Dit dient afgestemd te worden met de Veiligheidsregio Haaglanden. Ook willen we inzicht krijgen in de opslag van brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en de kans op maatschappij ontwrichtende rookverspreiding.

11

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

Keuzes in Omgevingsprogramma Bij het in werking treden van de Omgevingswet hebben alle gemeenten Rijksregels op dit gebied meegekregen (de zogenaamde bruidsschat). Deze regels zijn van rechtswege opgenomen in het tijdelijk Omgevingsplan. De gemeente mag zelf beslissen of zij deze regels wil behouden of aanpassen. Samen met de veiligheidsregio Haaglanden gaan we onderzoeken op welke wijze de brandveiligheid binnen de gemeente het beste geborgd kan worden. Hierbij betrekken we ook nieuwe brandveiligheidsrisico’s die de energietransitie met zich meebrengt.

12

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

4. Doel van het omgevingsprogramma Het Omgevingsprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie. Met dit Omgevingsprogramma willen we uitvoering geven aan de ambities die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie op het gebied van een gezonde en veilige leefomgeving. Daarom bevat het Omgevingsprogramma concrete doelen voor de komende 10 jaar en een overzicht van de wijze waarop we die doelen gaan bereiken. Het Omgevingsprogramma maken we niet alleen en ook niet voor de gemeente alleen. Het is de basis voor samenwerkingen en moet richting geven hoe we een gezonde en veilige leefomgeving kunnen creëren in een veranderende omgeving. Bovendien is het Omgevingsprogramma de basis voor het opstellen van regels in het omgevingsplan. 4.1 Aanleiding 1. Implementatie van de Omgevingswet; 2. Uitvoering van de Omgevingsvisie; 3. Ambitie voor een gezonde en veilige leefomgeving; 4. Noodzaak actualiseren bestaand beleid voor met name milieu; 5. Aanbrengen van samenhang tussen verschillende thema’s op het gebied van Leefkwaliteit 4.2 Doel 1. Uitwerken Omgevingsvisie; 2. Burgerparticipatie goed borgen; 3. Bijdragen aan een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving; 4. Bijdragen aan integraal handelen interne organisatie; 5. Bijdragen aan het ontwikkelen van het kerninstrument omgevingsprogramma.

4.3 Resultaat Kaderstelling Op basis van uitgewerkte doelen en analyse formuleren van beleidsuitgangspunten en beleidsregels. Maatregelen Aansluiten bij de behoefte van inwoners en gericht op versterking van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Resultaatgericht Basis voor uitvoering, gebiedsontwikkeling, beheer en Omgevingsplan.

13

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

5. De Omgevingsvisie is de basis De Omgevingsvisie bevat doelen en ambities voor de lange termijn (2050) voor de gehele fysieke leefomgeving en is daarmee ook de basis voor het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit. Het bereiken van evenwicht in de omgevingskwaliteit zodat de gemeente een gezonde en veilige plek is om te wonen en leven staat hierbij voorop. In Pijnacker-Nootdorp zullen in de toekomst meer mensen wonen, werken en recreëren. Het is daarom belangrijk dat we hierbij zorgen dat er blijvend aandacht is voor alle aspecten die bijdragen aan de gezonde en veilige leefomgeving. Dit geldt zowel bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen als in bestaande gebieden. Het voldoen aan wettelijke regels voor de verschillende milieuaspecten vormt de basis van waaruit we werken aan een gezonde en veilige leefomgeving. Voor een aantal onderwerpen zoals luchtkwaliteit voldoen we al aan de wettelijke normen, maar is het belangrijk dat we dit ook in de toekomst blijven doen. Voor andere onderwerpen zoals waterkwaliteit is dat nog niet het geval en zullen we nog stappen moeten zetten om te gaan voldoen. Daarmee is niet gezegd dat de wettelijke eisen ook het eindpunt van de ambities vormen. Steeds zullen we onderzoeken welk handelingsperspectief we hebben om verdergaande ambities te kunnen realiseren om vervolgens de haalbaarheid hiervan te bepalen.

Voor onderwerpen met vooral een lokale impact zoals geluid, licht en geur kan de gemeente, binnen landelijke bepaalde bandbreedtes, eigen keuzes maken. Dit kan voor de hele gemeente maar ook gebiedsgericht. De Omgevingswet biedt hiervoor ruimte.

14

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

6. Het proces Om te komen tot een Omgevingsprogramma Leefkwaliteit volgen we het onderstaande proces. Per processtap wordt aangegeven welke producten worden opgeleverd. Ook wordt een indicatie van de planning weergegeven: Fase Bestuursopdracht

Document(en) Advies Milieuplatform

Planning 12-2024 t/m 3- 2025

Bestuursopdracht Kaderstellende notitie Waar staan we nu Keuzes maken Ontwerpomgevingsprogramma Definitief omgevingsprogramma

Kaderstellende notitie ‘Waar staan we nu’ document Keuze notitie Participatieverslag deel 1 Ontwerpomgevingsprogramma Participatieverslag deel 2 Definitief omgevingsprogramma Definitief participatieverslag

3-2025 t/m 6 2025 3-2025 t/m 7-2025 8-2025 t/m 10-2025 10-2025 t/m 12-2025 1-2026 t/m 3-2026

Stap 1: bestuursopdracht (gereed) De bestuursopdracht is vastgesteld door het college. De raad is daarover via de actieve informatieplicht geïnformeerd. In de voorbereiding om te komen tot een bestuursopdracht heeft het Milieuplatform een advies uitgebracht. Ook het advies van het Milieuplatform is gedeeld met de gemeenteraad. Stap 2: kaderstellende notitie Op basis van de bestuursopdracht en het bestaande beleid op gebied van milieu en fysieke veiligheid is vervolgens de voorliggende kaderstellende notitie opgesteld. De notitie wordt vastgesteld door de gemeenteraad en vormt de basis waarlangs het Omgevingsprogramma zowel op inhoud als qua proces zal worden gemaakt. In de kaderstellende notitie is tevens een participatieparagraaf opgenomen. Hierin wordt op hoofdlijnen beschreven welke partijen we willen betrekken bij het opstellen van het omgevingsprogramma en welke rol de verschillende partijen in de verschillende fasen hebben. Stap 3: waar staan we nu In deze fase brengen we in beeld waar we nu staan. Dit doen we door de beschikbare data en beleidsdocumenten die voor de verschillende deelonderwerpen beschikbaar zijn te inventariseren. Ook brengen we de eventuele hiaten en knelpunten in beeld. Ook wordt in deze fase gekeken naar aanpalend beleid van andere Omgevingsprogramma’s die de meeste raakvlakken hebben met het programma Leefkwaliteit.

Deze fase levert het tussenproduct “waar staan we nu” op, waarin per deelonderwerp het belang van het onderwerp, de huidige kwaliteiten, het huidige beleid en de mogelijkheden voor het stellen van nieuwe ambities worden opgenomen. Omdat deze fase inventariserend van aard is kan de fase parallel lopen aan de fase kaderstellende notitie. Indien de raad bij vaststelling van de kaderstellende notitie wijzigingen aanbrengt in bijvoorbeeld de deelonderwerpen kan dit nog verwerkt worden in het tussenproduct.

15

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

Stap 4 keuzes maken In deze fase bepalen we de te maken keuzes en leggen deze voor aan interne en externe stakeholders. Zo creëren we eigenaarschap en draagvlak. Nadat de kaderstellende notitie door de gemeenteraad is vastgesteld stellen we het raamwerk voor het concept-programma op. Omdat een gezonde en veilige leefomgeving bijna alle domeinen raakt organiseren we daarna een ambitie dialoog voor beleidsmedewerkers van de gemeente en externe partners zoals het Hoogheemraadschap van Delfland, Veiligheidsregio Haaglanden, GGD Haaglanden, Politie PijnackerNootdorp en de Omgevingsdienst Haaglanden. Met de opgehaalde informatie wordt het raamwerk voor het eerste concept omgevingsprogramma gevuld. Zodra dit eerste concept gereed is halen we de wensen en verwachtingen op bij inwoners, bedrijven (waaronder glastuinbouw) en organisaties, zoals de NMP (vereniging Natuur- en Milieubescherming Pijnacker) en buurt- en wijkverenigingen. Ook het Milieuplatform wordt in deze fase geconsulteerd. De keuzes om pas in deze fase de genoemde groepen te betrekken is een bewuste keuzes. Alle betrokkenen zullen voor een thema zoals bijvoorbeeld luchtkwaliteit kiezen voor de best mogelijk kwaliteit. Pas als over de maatregelen die hier dan bij horen gesproken wordt ontstaan discussies. Dit sluit aan bij het advies van het Milieuplatform om dilemma’s in te brengen in het participatieproces.

Raadsleden kunnen als toehoorder bij deze gesprekken aanwezig zijn. De opbrengsten van de gesprekken verwerken we weer in het raamwerk. De huidige situatie, de doelstellingen (beleidsuitgangspunten en beleidsregels) per deelonderwerp, themakaarten en een integrale kaart met gebiedsdifferentiatie zijn opgenomen. Ook alle te maken keuzes zijn scherp. Dit kunnen keuzes zijn ten aanzien van gebiedsdifferentiatie, ambitieniveau, maar ook de rol van de gemeente (realiserend, stimulerend, regulerend, samenwerkend). De uiteindelijke keuzes leggen we vast in een keuzedocument met onderbouwing zodat de keuzes transparant en herleidbaar zijn. Stap 5: ontwerp omgevingsprogramma Op basis van de opbrengsten uit de eerdere fasen is het raamwerk voor het ontwerp omgevingsprogramma al voor een belangrijk deel geladen. Tijdens deze stap wordt hier de uitvoeringsagenda voor komende jaren aan toegevoegd. Met interne stakeholders en indien nodig ook externe stakeholders wordt bekeken welk acties voor de komende jaren nodig zijn om invulling te geven aan de ambities. Dit kunnen zowel fysieke maatregelen, als niet fysieke maatregelen (beleidsregels, subsidieregelingen) zijn. Bijzondere aandacht in deze fase zal er zijn voor de vertaling van beleid(regels) naar het omgevingsplan.

Indien de maatregelen betrekking hebben op normen die bindend moeten zijn voor inwoners en/of bedrijven is het omgevingsplan het instrument waarin dit onder de Omgevingswet moet worden vastgelegd. De opgehaalde acties worden via feedbackrondes, waarvan de vorm later bepaald gaat worden, teruggelegd bij zowel interne als externe stakeholders. Samen met de opgehaalde feedback worden de acties ook voorgelegd aan het college. De uitkomsten worden verwerkt in een concept omgevingsprogramma, dat gereed is voor bestuurlijke vaststeling. Stap 6: bestuurlijke vaststelling omgevingsprogramma Een omgevingsprogramma wordt vastgesteld door het college. De gemeenteraad is hiertoe niet bevoegd. Het college en de raad hebben afgesproken samen op te trekken bij omgevingsprogramma’s. Door de raad in de vorige fasen te betrekken wordt hier al invulling aangegeven. Het omgevingsprogramma zal in elk geval ter informatie aan de raad worden aangeboden. Wellicht dat een presentatie aan de raad daar een aanvulling op kan zijn, maar dat bepalen we op het moment dat het omgevingsprogramma bijna gereed is. Na de vaststelling van het omgevingsprogramma start een herziening van het omgevingsplan.

16

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

7. Participatie De keuzes die gemaakt worden in het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit hebben invloed op onze inwoners en bedrijven. Daarom willen en kunnen we dit programma niet opstellen zonder de betrokkenheid van hen. Door middel van een participatietraject willen we ervoor zorgen dat het omgevingsprogramma breed gedragen wordt door de samenleving. De uitvoering van het Omgevingsprogramma kunnen we niet alleen. Behalve burgers en bedrijven hebben we hier ook onze partners zoals de Omgevingsdienst Haaglanden, het Hoogheemraadschap van Delfland, de GGD Haaglanden, de Veiligheidsregio Haaglanden en de politie bij nodig. 7.1 Doel van de participatie Eerder werd gesteld dat voor de uitvoering van dit omgevingsprogramma de inzet en samenwerking van andere partijen noodzakelijk is. Als gemeente nemen we het initiatief om het programma op te stellen, maar we doen dit in samenspraak met de samenleving. Stakeholders worden dus gedurende het proces betrokken, met als doel dat de daadwerkelijke uitvoering en implementatie van het programma in de toekomst soepel verloopt. Dit leidt tot de volgende doelen: - Ophalen van kennis, nieuwe inzichten en ideeën bij de verschillende stakeholders, zodat het Omgevingsprogramma zo compleet mogelijk is; - Helder in beeld krijgen welke belangen er spelen bij stakeholders, zodat er weloverwogen en goed onderbouwde afwegingen gemaakt kunnen worden.

Daarnaast kan er geanticipeerd worden op eventuele knelpunten; - Verbinden van verschillende stakeholders om kennis en begrip onder stakeholders te verbreden. Daarnaast moet het traject ook zorgen voor meer verbinding tussen stakeholders en de gemeente. 7.2 Niveau van participatie In de gemeentelijke participatie verordening staan vier verschillende niveaus van participatie opgenomen: mee-weten, meedenken, meewerken en meebeslissen. Voor dit omgevingsprogramma is er voor een mix van mee-weten (door actief benutten van het gemeentelijk participatieplatform) en meedenken (zie onderstaand schema) gekozen. Dit zorgt voor het volgende overzicht van relevante stakeholders: Onderwerp Lucht(kwaliteit)

Stakeholders GGD, ODH, Milieuplatform, NMP, bewonersverenigingen

Rol Meedenken

Waterkwaliteit

Hoogheemraadschap, ODH, Glastuinbouw Nederland, GGD, Milieuplatform, NMP, bewonersverenigingen ODH, Hoogheemraadschap NMP, bewonersverenigingen, ODH, Glastuinbouw Nederland, GGD, ondernemersverenigingen, bewonersverenigingen, NMP ODH, GGD, Milieuplatform, bewonersverenigingen, ondernemersverenigingen ODH, bewonersverenigingen, Milieuplatform Bewonersverenigingen, Avalex

Meedenken

Bodemkwaliteit Licht/donker

Geluid Geur Afval

17

Meedenken Meedenken

Meedenken Meedenken Meedenken

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

Milieuzonering Externe veiligheid Veilige fysieke leefomgeving Brandveilige leefomgeving

ODH, Veiligheidsregio Veiligheidsregio Politie, Veiligheidsregio, bewonersverenigingen, ondernemersverenigingen Veiligheidsregio

Meedenken Meedenken Meedenken Meedenken

Bij de beschrijving van de stappen in het proces is beschreven aan welke participatievorm we denken. De uitgangspunten (doelen, stakeholders en rollen) zijn in deze kaderstellende notitie beschreven en vormen de hoofdlijn voor de invulling van het verdere participatietraject.

18

KADERSTELLENDE NOTITIE OMGEVINGSPROGRAMMA LEEFKWALITEIT

8. Financiën Voor het opstellen van het Omgevingsprogramma zijn reeds financiële middelen beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn bedoeld voor participatie en advies en ondersteuning bij het opstellen van het Omgevingsprogramma. Er is nog geen inzicht in eventueel benodigde financiële middelen voor de uitvoering van maatregelen die opgenomen worden in het programma. Gelet op de toekomstige financiële situatie van de gemeente is het uitgangspunt dat maatregelen gefinancierd moeten worden uit bestaande budgetten en landelijke subsidieregelingen. Qua bestaande budgetten is er momenteel ca. 100.000 euro per jaar beschikbaar voor adviezen en onderzoeken op het vlak van leefkwaliteit. Daarnaast is er jaarlijks budget voor de Omgevingsdienst Haaglanden van ruim 950.000 euro. Dit laatste bedrag is grotendeels bestemd voor VTH (vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken). Het werken met bestaande budgetten zal consequenties hebben voor de keuzes qua maatregelen. Regulerende en samenwerkende maatregelen zullen over het algemeen geen of weinig kosten met zich meebrengen. Voor uitvoerende en stimulerende maatregelen zijn vaak wel (incidentele) financiële middelen nodig. Tijdens het proces van het opstellen van het Omgevingsprogramma zullen we steeds oog hebben voor het evenwicht tussen de benodigde en de beschikbare financiële middelen.

De keuzes die wij hierbij maken zullen invloed hebben op het tempo waarin de gestelde ambities kunnen worden gerealiseerd.

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15513549/2