CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Concept notitie standplaatsenbeleid 2022

Raad Oordeelvorming 17 februari 2022, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Concept notitie standplaatsenbeleid 2022; agenderingsverzoek Trots5.611 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notitie standplaatsenbeleid Pijnacker-Nootdorp 2022

Inhoudsopgave

1.

Inleiding .................................................................................................................................... 4

1.1 Aanleiding ................................................................................................................................. 4 Schaarse vergunningen ............................................................................................................. 4 Standplaatslocaties ................................................................................................................... 4 1.2 Beleidsdoelen ............................................................................................................................ 4 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................. 5 2.

Juridisch kader .......................................................................................................................... 5

2.1 Algemene Plaatselijke Verordening ......................................................................................... 5 2.2 Winkeltijdenwet ....................................................................................................................... 5 2.3 Warenwet ................................................................................................................................. 6 2.4 Wet milieubeheer en afvalstoffenverordening ........................................................................ 6 2.5 Europese Dienstenrichtlijn ....................................................................................................... 7 Voorzieningenniveau bij standplaatsen ................................................................................... 7 2.6 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) .............................................. 8 2.7 Grondwet ................................................................................................................................. 8 2.8 Privaatrecht .............................................................................................................................. 8 2.9 Schaarse vergunningen ............................................................................................................ 8 3.

Beleidsuitgangspunten ............................................................................................................. 9

3.1 Standplaatsen als toegevoegde waarde ................................................................................... 9 3.2 Maximumstelsel ....................................................................................................................... 9 3.3 Ambulant karakter ................................................................................................................... 9 3.4 Begripsomschrijving vaste-, seizoensgebonden- en incidentele standplaatsen .................... 10 Vaste standplaatsen ............................................................................................................... 10 Seizoensgebonden standplaatsen.......................................................................................... 10 Incidentele standplaatsen ...................................................................................................... 10 Verkoop van eigen geteelde producten ................................................................................. 10 3.5 Standplaatsen op openbaar particulier terrein ...................................................................... 10 3.6 Brancheverdeling ................................................................................................................... 10 Standplaatsen met niet dagelijks noodzakelijke producten ..................................................

11 3.7 Eerlijk verdelingsbeleid .......................................................................................................... 12 3.8 Geldigheidstermijn standplaatsvergunning ........................................................................... 12 3.9 Vergunningprocedure vaste standplaats ............................................................................... 12 3.10 Vergunningsprocedure seizoensgebonden standplaats ........................................................ 13 3.11 Voorschriften ......................................................................................................................... 13 3.12 Intrekken standplaatsvergunning .......................................................................................... 13 3.13 Onmiddellijke ontruiming ...................................................................................................... 14 3.14 Gebruik aggregaten ................................................................................................................ 14 pagina 2/17

3.15 Financiële vergoeding ........................................................................................................ 14 3.16 Standplaatslocaties ............................................................................................................ 14 3.17 Afmeting en opstelling standplaats.................................................................................... 15 3.18 Overgangsregeling huidige standplaatshouders ................................................................ 16 3.19 Inherente afwijkingsbevoegdheid ...................................................................................... 16 3.20 Citeertitel ........................................................................................................................... 16 3.21 Inwerktreding ..................................................................................................................... 16 Bijlage I - Locatietekeningen vaste standplaatsen Bijlage II - Locatietekeningen seizoensgebonden standplaatsen

pagina 3/17

1. Hoofdstuk: Inleiding 1.1 Aanleiding De Notitie Standplaatsenbeleid 2012 is voor het laatst gewijzigd in 2015. Sinds die tijd zijn er verschillende ontwikkelingen geweest die vragen om een actualisatie van het standplaatsenbeleid. De belangrijkste ontwikkelingen hebben zich voorgedaan op de gebieden van schaarse vergunningen en de standplaatslocaties. Schaarse vergunningen In november 2016 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het fenomeen ‘schaarse vergunningen’. Het gevolg van deze uitspraak is dat vergunningen waar een maximumstelsel voor geldt als schaars moeten worden getypeerd en dat het gemeentebestuur aan potentiële gegadigden gelijke kansen moet bieden om in aanmerking te komen voor deze vergunningen. De standplaatsen in Pijnacker-Nootdorp zijn tot een maximum aantal beperkt door het aantal standplaatslocaties. Dit maakt de standplaatsenvergunning dan ook een schaarse vergunning. Wanneer er een standplaatsvergunning beschikbaar komt dient het bestuur alle potentiële gegadigden een gelijke kans op de vergunning te bieden. De regel ‘Wie het eerst komt, wie het eerst maalt’ mag niet langer worden toegepast. Dit vraagt dan ook om nieuw beleid dat in overeenstemming is met de jurisprudentie over schaarse vergunningen.

Standplaatslocaties In de afgelopen jaren is gebleken dat een aantal standplaatslocaties erg gewild zijn onder de standplaatshouders, maar dat er ook standplaatslocaties zijn waar niet of nauwelijks gebruik van wordt gemaakt. Daarnaast komt één standplaatslocatie te vervallen vanwege ruimtelijke ontwikkelingen en is onderzocht of er voor die standplaatslocatie een alternatief beschikbaar is. Ook zijn er twee nieuwe standplaatsen bijgekomen op initiatief van standplaatshouders zelf en worden twee standplaatslocaties samengevoegd tot één standplaatslocatie. Vanwege deze ontwikkelingen is het noodzakelijk dat de standplaatslocatietekeningen worden aangepast en dat deze worden vastgesteld in een nieuw standplaatsenbeleid. 1.2 Beleidsdoelen • Het bieden van voldoende plaatsen voor (ambulante) detailhandel in aanvulling op de detailhandel in de winkelcentra en op de warenmarkten, teneinde te kunnen bijdragen aan het op peil houden van het voorzieningenniveau in buurten en wijken waar minder aanbod is en voor het aanbod van branches die in de reguliere centra niet (meer) haalbaar zijn.

• Voorzien in de gelegenheid dat standplaatshouders handel kunnen drijven binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp; • Het waarborgen van de openbare orde en (verkeers)veiligheid op standplaatslocaties; • Duidelijkheid scheppen over de gevolgen van de recente jurisprudentie over schaarse vergunningen voor het standplaatsenbeleid. • Duidelijke kaders stellen voor standplaatshouders over de mogelijkheden voor- en voorwaarden aan standplaatsvergunningen.

pagina 4/17

1.3 Leeswijzer Het volgende hoofdstuk (2) gaat in op het juridisch kader dat van toepassing is op de standplaatsvergunningen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de beleidsuitgangspunten. In de bijlagen zijn de tekeningen van alle standplaatslocaties terug te vinden.

Hoofdstuk 2: Juridisch kader 2.1 Algemene Plaatselijke Verordening De plaatselijke wetgeving voor standplaatsen is vermeld in de Algemene Plaatselijke Verordening Pijnacker – Nootdorp 2017 (verder: APV). De APV legt de gang van zaken met betrekking tot het innemen van een standplaats uit. In artikel 5:17 is bepaald wat onder een standplaats wordt verstaan. In het eerste lid van artikel 5:18 wordt bepaald dat het verboden is zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. In artikel 1:8 zijn de algemene weigeringsgronden voor een vergunning of ontheffing opgenomen. Deze zijn ook op de standplaatsvergunningen van kracht. Daarnaast kan een standplaatsvergunning op grond van artikel 5:18, tweede lid worden geweigerd indien de standplaats, hetzij op zichzelf of hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan de eisen van redelijke welstand, vanwege strijd met het geldend bestemmingsplan of door de gemeente vastgestelde beleidsregels.

Men dient zich bij het innemen van een standplaats niet alleen te houden aan de gemeentelijke regelgeving, maar ook aan de bepalingen uit de Winkeltijdenwet en Winkeltijden Verordening (de openingstijden van de kraam), de Warenwet (hygiëne van producten) en de Wet milieubeheer (voor standplaatsen die tevens een “inrichting” in de zin van die wet zijn, zoals bak- en frituurkramen, waarop het Activiteitenbesluit van toepassing is met normen op het gebied van onder andere afval en geluidproductie) en de Europese Dienstenrichtlijn. 2.2 Winkeltijdenwet De Winkeltijdenwet en de Verordening winkeltijden Pijnacker-Nootdorp 2013 regelen een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden en het leveren van goederen aan particulieren. Deze bepalingen gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst – Economische controledienst (FIOD-ECD). De Winkeltijdenwet regelt in artikel 2 het volgende: Artikel 2 1. Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:

a. op zondag; b. Op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur pagina 5/17

c. op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur 2. Het is voorts verboden op de in het eerste lid bedoelde dagen en tijden in de

uitoefening van een bedrijf, anders dan in een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren. Op basis van artikel 3, eerste lid van de Winkeltijdenwet kan de Gemeenteraad ontheffing verlenen van de in artikel 2 vermelde verboden. Op 27 juni 2013 heeft de Gemeenteraad de Verordening winkeltijden Pijnacker-Nootdorp 2013 vastgesteld. In artikel 2 van deze verordening is opgenomen: Artikel 2 – Vrijstelling openingsverbod zon- en feestdagen 1. Van de verboden vervat in artikel 2, eerste lid onder a en b, en tweede lid van de wet

wordt met deze verordening voor de gehele gemeente een vrijstelling verleend op zon- en feestdagen tussen 6 uur en 22 uur. 2. Geen vrijstelling van de in artikel 2 van de wet vervatte verboden wordt verleend

voor de navolgende (feest)dagen: a. eerste Paasdag; b. eerste Pinksterdag; c. eerste Kerstdag; d. 4 mei na 19 uur; e. 24 december na 19 uur. Dit betekent dat ook standplaats kan worden ingenomen op alle zon- en feestdagen tussen 06.00 uur en 22.00 uur met uitzondering van de in het 2e lid van deze Verordening vermelde dagen. In principe mag elke standplaatshouder indien hij dat verzoekt, net als een winkel, alle zondagen geopend zijn. 2.3 Warenwet De Warenwet stelt regels met betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het toezicht en de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk regime van toepassing. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften die door het College gesteld kunnen worden in een standplaatsvergunning. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) is bevoegd om op de Warenwet te controleren. 2.4 Wet milieubeheer en afvalstoffenverordening Snackwagens, viskramen e.d. zijn “inrichtingen” in de zin van de Wet Milieubeheer, die vallen onder categorie 18 van bijlage 1 onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (verder: Bor). Deze snackwagens, viskramen en dergelijke hebben de SBI code 553, met bijbehorende milieuzoneringscategorie 1. Dit betekent dat de minimale afstand tot gevoelige objecten 10 meter moet zijn in verband met geur, geluid en gevaar.

In de voorschriften van het Activiteitenbesluit ontbreken regels over het niet mogen lozen van afvalwater op het schoonwater riool. Dit kan ook niet met maatwerkvoorschriften worden geregeld in het Activiteitenbesluit. Daarom is in overleg met de Omgevingsdienst Haaglanden (verder: ODH) afgesproken dat een verbod voor het lozen van afvalwater op het schoonwater riool en oppervlakte water wordt opgenomen in de voorschriften van de standplaatsvergunning. Daarnaast wordt bij het in behandeling nemen van een aanvraag om standplaatsvergunning de aanvrager verzocht contact op pagina 6/17

te nemen met team milieu in verband met het doen van een melding Activiteitenbesluit. Bovendien zullen de gegevens van de aanvrager worden doorgegeven aan de ODH. 2.5 Europese Dienstenrichtlijn De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van een dergelijk gevaar daadwerkelijk sprake is. De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel 9 juncto artikel 10 van die richtlijn dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn. Het maximum aantal te verlenen standplaatsvergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van het beleid wordt overgegaan. De locaties waar standplaats mag worden ingenomen moeten zorgvuldig worden geselecteerd. Het innemen van een standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen of dagen aan te wijzen wanneer een standplaats mag worden ingenomen.

Een verdeling naar dagen van de week kan een nadere invulling geven aan het maximum aantal standplaatsvergunningen. Een verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen kan worden bereikt door een onderverdeling naar aantal branches in te stellen. Per branche kan dan een maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald. Een dergelijk maximum aantal vergunningen wordt slechts door de rechter toegelaten indien het aantal aanvragen per branche het totaal aantal af te geven vergunningen overtreft. Indien voor een branche niet het maximum aantal vergunningen wordt afgegeven, acht de rechter geen noodzaak tot handhaving van dit stelsel aanwezig. In dit beleid wordt uitgegaan van één standplaatshouder per branche per locatie. Dit betekent dat er op een standplaatslocatie niet twee verschillende standplaatshouders in dezelfde branche een vergunning kunnen krijgen. Iedere aanvraag tot het innemen van een standplaats moet afzonderlijk beoordeeld worden. Aan de hand van de in de APV vastgestelde weigeringsgronden en het beleid moet een afweging plaatsvinden of de aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden. Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.

De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Echter uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van concurrentieverhoudingen (economische ordening) nadrukkelijk niet is toegestaan (ECLI:NL:RVS:2016:1421 en ECLI:NL:RVS:2015:3955). Hierop is slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de pagina 7/17

boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. Ook de Europese Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe omdat dit wordt beschouwd als een economische niet toegestane belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing. Hier geldt echter de uitspraak van de Raad van State, zodat ook hier economische gronden geen weigeringsgrond mogen zijn. Als uitgangspunt is een maximumbeleid ten aanzien van standplaatsvergunningen door de rechter aanvaard. Bij toepassing van een dergelijk beleid kan een beleidsstuk een belangrijk hulpmiddel zijn. 2.6 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) Het kan voorkomen dat standplaatslocaties zich bevinden in gebieden waar normaliter niet gereden mag worden, waar een blauwe parkeerschijfzone geldt of waar helemaal niet geparkeerd mag worden (stoep). In deze gevallen is er op basis van artikel 87 RVV 1990 ontheffing van de gestelde verboden mogelijk. Indien dit het geval is zal deze ontheffing worden geïntegreerd in de standplaatsvergunning.

2.7 Grondwet Artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting) brengt met zich mee dat voor het aanbieden van gedrukte stukken geen vergunning kan worden geëist. Als dit echter gebeurt vanaf een standplaats, is voor het innemen van de standplaats een vergunning vereist en valt de standplaats onder het regime van de incidentele standplaatsen als opgenomen in deze notitie. 2.8 Privaatrecht De gemeente kan op basis van het publiekrecht tevens optreden als eigenaar van gronden die bij de gemeente in eigendom zijn. Immers, de gemeente is overheid maar ook rechtspersoon naar burgerlijk recht. Van de daaruit voortvloeiende rechten en bevoegdheden kan de gemeente gebruik maken ter uitoefening van haar publieke taak. Het is een misverstand te denken dat er geen standplaatsvergunning is vereist voor kramen of verkoopwagens wanneer deze vanaf particuliere grond wordt geëxploiteerd. Ook dan is naast de schriftelijke toestemming van de eigenaar, rechthebbende, tevens een vergunning van het college nodig op basis van de APV. 2.9 Schaarse vergunningen De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2016 een uitspraak gedaan over schaarse vergunningen.

Omdat er in Pijnacker-Nootdorp een beperking is op het aantal standplaatslocaties en een branche één keer per locatie mag voorkomen, bestaat de mogelijkheid dat het aantal gegadigden het aantal beschikbare vergunningen overstijgt. De gemeente volgt daarom de regels die uit de jurisprudentie met betrekking tot schaarse vergunningen voortvloeit. Een gemeentelijke verordening kan niet dusdanig worden opgesteld dat er van te voren maar één beoogde ondernemer voor de vergunning in aanmerking komt. Bij verordening kan de mededingingsruimte wel worden beperkt, maar niet worden uitgesloten. Indien er sprake is van een beperkt pagina 8/17

aantal vergunningen waarbij het aantal gegadigden het aantal vergunningen overtreft, zijn vergunningen voor onbepaalde tijd in beginsel niet toegestaan. Bij schaarse vergunningen is openbaarheid en transparantie verplicht, zodat alle potentiële gegadigden een eerlijke kans hebben om mee te dingen naar de vergunning. Echter, in Pijnacker-Nootdorp zijn meerdere standplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd verleend. Voor deze standplaatsvergunningen is er sprake van overgangsrecht, zodat de rechtszekerheid van de vergunninghouders niet wordt geschaad. Alle nieuwe vergunningen worden voor bepaalde tijd (vijf jaar) verleend.

Hoofdstuk 3: Beleidsuitgangspunten 3.1 Standplaatsen als toegevoegde waarde Standplaatsen kunnen bijdragen aan behoud en versterking van de detailhandelstructuur van winkelcentra, winkels en warenmarkten. Standplaatsen worden beschouwd als een (ambulante) aanvulling op het winkel- en marktaanbod en zijn beleidsmatig gewenst als ze een toegevoegde waarde hebben voor de consument. Daarnaast kunnen standplaatsen in gebieden met een beperkt draagvlak bijdragen aan het op peil houden van het voorzieningenniveau en kan zodoende een gevarieerd aanbod worden geboden in buurten en wijken waar minder aanbod is vanuit de detailhandel. Doordat met standplaatsen verschillende verzorgingsgebieden kunnen worden bereikt, zijn standplaatsen soms ook in staat te functioneren op locaties waar een winkel in diezelfde branche niet (meer) haalbaar is. 3.2 Maximumstelsel In het belang van de openbare orde is het niet wenselijk om een onbeperkt aantal standplaatsvergunningen te verlenen. Pijnacker-Nootdorp hanteert een maximumstelsel naar aantal beschikbare standplaatslocaties, het aantal standplaatsen op die locaties en de branche. Om de variatie in branches in stand te houden is er een maximum gesteld aan het aantal in te nemen dagen per locatie door één standplaatshouder. Dit maximum is gesteld op drie dagen per week per locatie. Daarnaast mag per locatie een branche maar één keer voorkomen.

Als op dinsdag een standplaatshouder met vis een standplaats in neemt mag op donderdag niet iemand anders met vis de standplaats innemen. Dit stelsel wordt ingegeven door het feit dat het beleid erop is gericht ambulante handel vanaf een standplaats mogelijk te maken en het aanbod per standplaats gevarieerd te houden. Volgens de jurisprudentie kan de gemeente beleid voeren om te voorkomen dat verzamelingen van standplaatsen feitelijk als markt gaan fungeren zonder aan de vereisten daarvoor te voldoen. Om die reden wordt in de gemeente Pijnacker-Nootdorp per locatie, gelet op de jurisprudentie, in geen enkel geval aan meer dan vijf standplaatshouders een vaste standplaatsvergunning afgegeven voor dezelfde dag. 3.3 Ambulant karakter Uitgangspunt voor standplaatsen is dat dat deze een ambulant karakter hebben. Dit betekent dat de aanwezige inrichting, zoals een tafel, kraam of verkoopwagen mobiel zijn en dat de standplaats dagelijks na sluiting leeggemaakt wordt, tenzij hierover andere afspraken zijn gemaakt of voorwaarden over zijn opgenomen in de vergunning. Dit is belangrijk om de openbare ruimte beschikbaar te houden voor andere functies, zoals parkeren en om te voorkomen dat de standplaats in de loop der tijd een permanent karakter krijgt. Het is wel toegestaan om de (afgesloten) verkoopwagen op de locatie te pagina 9/17

laten staan wanneer meerdere dagen achtereen standplaats wordt ingenomen. De verkoopwagen moet na de laatste opeenvolgende dag dat de standplaats is ingenomen, worden verwijderd. 3.4 begripsomschrijving Vaste-, seizoensgebonden en incidentele standplaatsen De gemeente Pijnacker-Nootdorp maakt onderscheid tussen vaste standplaatsen, seizoensgebonden standplaatsen en incidentele standplaatsen. Vaste standplaatsen Een vaste standplaats is een verkooppunt op een terrein die aan het begin van de toegestane verkoopperiode door de standplaatshouder wordt ingenomen en die onmiddellijk na afloop ervan weer wordt ontruimd. Een vergunning voor een standplaats als deze wordt verleend voor een of meerdere dagen met een maximum van drie dagen per week per locatie. Per locatie wordt een aparte vergunning verleend. Seizoensgebonden standplaatsen Deze standplaatsen worden slechts een gedeelte van het jaar ingenomen (maximaal 12 weken) en zijn bedoeld voor seizoensgebonden producten. Voorbeelden van seizoensgebonden producten zijn oliebollen en kerstbomen. Incidentele standplaatsen Een incidentele standplaats wordt maximaal vijf dagdelen per week met een maximum van twaalf dagdelen per kalenderjaar gebruikt. Over het algemeen wordt de incidentele standplaats voor een dag ingenomen.

Standplaatsen op de weekmarkten, standplaatsen op incidentele snuffel- en rommelmarkten en standplaatsen tijdens evenementen zoals braderieën en kermissen vallen buiten het toepassingsbereik van deze notitie. Een permanente standplaats in de zin van een vast/permanent verkooppunt dat 's avonds niet wordt verwijderd door de standplaatshouder is in de gemeente PijnackerNootdorp niet toegestaan. Verkoop van eigen geteelde producten Dit beleid is niet van toepassing op de onbemande verkoop door bedrijven van eigen geteelde en onbewerkte producten, mits maximaal 10% van de totale eigen productie voor verkoop wordt aangeboden op het eigen terrein. 3.5 Standplaatsen op openbaar particulier terrein Standplaatsen op openbare particuliere terreinen die de gemeente niet toebehoren, zijn niet opgenomen als standplaatslocaties in dit beleid. Het is wel mogelijk voor een standplaatshouder om een vergunning te krijgen voor een standplaats op een dergelijke locatie. Vergunningaanvragen voor standplaatsen op openbaar particulier terrein worden, net als standplaatsen op gemeentegrond, getoetst aan de APV en de in dit beleid vervatte toetsingscriteria. Voor het doen van zo’n aanvraag bij de gemeente is schriftelijke toestemming van de grondeigenaar noodzakelijk om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen.

De eigenaar kan op grond van het eigendomsrecht zijn eigen criteria hanteren voor het al dan niet toelaten van een standplaatshouder op zijn terrein. 3.6 Brancheverdeling Om de variatie in branches in stand te houden is er een maximum gesteld aan het aantal in te nemen dagen (drie) per locatie door een standplaatshouder. Daarnaast mag een pagina 10/17

branche per locatie maar één keer voorkomen. In Pijnacker-Nootdorp onderscheiden we de volgende branches: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o.

Aardappelen, Groenten & Fruit Brood, Koek en Banket Zuivelproducten Vis Vleeswaren Poelierswaren Noten & Vruchten Stroopwafels Bloemen en planten Reform Griekse/Turkse specialiteiten Loempia’s Chocolade, drop, snoep Koffie, thee en aanverwante producten Frites en snacks

Niet dagelijks noodzakelijke producten: p. Ondergoed en nachtkleding q. Stoffen r. Beenmode s. Bijouterie (sieraden) t. Damesbovenkleding u. Kinderkleding v. Fournituren w. Beddentextiel x. Dierbenodigdheden y. Hobbyartikelen en wenskaarten z. Speelgoed aa. Herenkleding bb. Klassieke damesmode cc. Lederwaren dd. Schoenen ee. Drogisterij-artikelen ff. Wol en brei-waren gg. Autoruitreparatie en kentekengraveren hh. Goudinkoop Standplaatsen met niet dagelijks noodzakelijke producten Voor branches met niet dagelijks noodzakelijke producten en diensten zoals kleding, speelgoed en sieraden. autoruitreparatie, goudinkoop, schoeisel en ledenwaren is het niet toegestaan een vaste standplaats in te nemen. Deze branches voorzien slechts in een behoefte indien zij niet elke week op een bepaalde locatie aanwezig zijn. De vaste standplaatslocaties zijn bedoeld voor branches die voorzien in de dagelijkse behoefte zoals vis, brood/banket en aardappelen, groente en fruit. Voor de branches met niet dagelijks noodzakelijke producten is het wel mogelijk om incidenteel een standplaats in te nemen. Hierbij geldt zoals eerder vermeld het maximum van 12 keer per jaar. pagina 11/17

3.7 Eerlijk verdelingsbeleid Naar aanleiding van de rechtspraak over schaarse vergunningen, beoogd de gemeente dat alle potentiële gegadigden voor een standplaatsenvergunning gelijke mededingingskansen naar die vergunningen wordt geboden. Dit betekent dat wanneer er een of meerdere standplaats-vergunningen beschikbaar komen de gemeente dit bekend maakt en gegadigden een vergunningaanvraag kunnen indien binnen een aanvraagtijdvak van twee weken. Als er meerdere gegadigden zijn voor een zelfde standplaatsvergunning wordt er door middel van loting bepaald welke aanvrager de vergunning krijgt. Als er binnen het aanvraagtijdvak geen vergunningaanvraag binnenkomt wordt de vergunning voor die standplaats op die specifieke dag(en) niet langer als schaars beschouwd. De standplaats wordt dan als beschikbare standplaats op een lijst op de gemeentelijke website geplaatst. De eerstvolgende die een (complete) vergunningaanvraag indient komt dan in aanmerking voor de vergunning. 3.8 Geldigheidstermijn standplaatsvergunning In artikel 1:7 APV is opgenomen dat een vergunning op basis van de APV geldt voor onbepaalde tijd tenzij de bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich er tegen verzet.

De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. In het geval van de standplaatsvergunning geldt dat de aard van de vergunning zich hier tegen verzet, omdat de standplaatsvergunning een schaarse vergunning is. Bij het bepalen van de vergunningstermijn dienen we als gemeente wel rekening te houden met het feit dat de standplaatshouder een financiële investering moet doen en daarom ook behoefte heeft aan de zekerheid om die investering (gedeeltelijk) terug te verdienen. De (maximale) termijn waarvoor wij met ingang van dit beleid een vaste standplaatsenvergunning verlenen is daarom gesteld op vijf jaar. De seizoensgebonden standplaatsvergunning wordt verleend voor de duur van maximaal 12 weken per jaar. Echter, ook deze vergunning kan worden aangevraagd voor jaarlijks dezelfde periode van maximaal 12 weken en locatie voor maximaal vijf jaar achter elkaar. De standplaatshouder dient wel ieder jaar de standplaats in te nemen. Doet de standplaatshouder dit een jaar niet dan wordt de vergunning door het college ingetrokken en komt deze weer beschikbaar. 3.9 Vergunningprocedure vaste standplaats Per persoon wordt slechts een vergunning afgegeven voor één artikelgroep.

Beschikbare standplaatsen worden één keer gepubliceerd in de gemeentelijke voorlichtingsrubrieken in de Telstar en de Eendracht en via de gemeentelijke website. De standplaatshouder die op dat moment vergunninghouder is van een standplaats op de betreffende locatie wordt hierover per brief door de gemeente geïnformeerd. Het streven is om zes maanden voordat de vergunning van rechtswege verloopt bekend te maken dat de vergunning beschikbaar komt. Op die manier is er voor de vergunninghouder tijdig duidelijkheid of hij de vergunning opnieuw krijgt of dat de vergunning naar een andere standplaatshouder gaat. Belangstellenden voor de standplaats kunnen zich vanaf de dag van publicatie tot en met twee weken na de dag van publicatie inschrijven voor de vrijkomende standplaats(en). Bij meer dan één gegadigde voor een standplaatsenvergunning op een bepaalde locatie wordt via loting de standplaats toegewezen. Indien gegadigden een plaats willen innemen terwijl die branche reeds op die standplaatslocatie is vertegenwoordigd, worden zij in beginsel uitgesloten van de in lid 4 genoemde loting. Indien er na het sluiten van het aanvraagtijdvak blijkt dat er geen gegadigden voor de beschikbaar gekomen standplaats zijn, is de standplaatsvergunning beschikbaar voor degene die als eerstvolgende een vergunningaanvraag indient. Alle (beschikbare) vaste pagina 12/17

standplaatsen in de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn te vinden in een overzicht op de gemeentelijke website. 3.10 Vergunningsprocedure seizoensgebonden standplaats Per persoon wordt slechts een vergunning afgegeven voor één artikelgroep. De beschikbare seizoensgebonden standplaatsen worden in september voorafgaand aan het jaar dat de standplaatsen beschikbaar komen openbaar gemaakt via de gemeentelijke voorlichtingsrubrieken in de Telstar en de Eendracht en via de gemeentelijke website. Belangstellenden voor de beschikbare seizoensgebonden standplaatsen kunnen zich tijdens het bekendgemaakte aanvraagtijdvak van twee weken inschrijven voor de beschikbare seizoensgebonden standplaats(en). Bij meer dan één gegadigde voor een seizoensgebonden standplaatsenvergunning op eenzelfde locatie en periode wordt via loting de standplaats toegewezen. Indien gegadigden een plaats willen innemen terwijl die branche reeds op die standplaatslocatie is vertegenwoordigd, worden zij in beginsel uitgesloten van de loting. Indien er na het sluiten van het aanvraagtijdvak blijkt dat er geen gegadigden voor de beschikbaar gekomen seizoensgebonden standplaats zijn, is de standplaatsvergunning in het daaropvolgende kalenderjaar beschikbaar voor degene die als eerstvolgende een complete vergunningaanvraag indient.

Alle (beschikbare) seizoensgebonden standplaatsen in de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn te vinden in een overzicht op de gemeentelijke website. 3.11 Voorschriften Aan een vergunning kunnen op basis van artikel 1:4 APV voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. De voorschriften die gesteld worden hebben onder andere betrekking op de geldigheid van de vergunning, de dagen dat de standplaats mag worden ingenomen, de wijze waarop de standplaats dient te worden schoongehouden, het karakter van de vergunning (persoonsgebonden), de eisen die de brandweer aan een vergunning stelt en de basisregel dat de standplaats aan het einde van de dag leeg moet worden achtergelaten (met uitzondering van seizoensgebonden standplaatsen en vaste standplaatsen die op achtereenvolgende dagen worden ingenomen). Voor de meeste standplaatsen gelden dezelfde (standaard)voorschriften. Deze zijn als bijlage opgenomen bij dit beleid. Daarnaast worden de (standaard) voorschriften meegezonden met de standplaatsvergunning en worden ze op de website gepubliceerd. De verleende vergunning is niet overdraagbaar (zie art. 1:5 APV), wat betekent dat alleen de vergunninghouder de standplaats mag innemen.

Bij het overlijden van de vergunninghouder wordt de vergunning overgeschreven op de overblijvende echtgenoot, samenwonende partner of een van de meewerkende kinderen, als daartoe een strekkende aanvraag binnen acht weken na het overlijden bij het college wordt ingediend. Het college is in bijzondere situaties bevoegd hiervan af te wijken. Een vergunning die op basis hiervan wordt overgeschreven is geldig voor de duur van maximaal vijf jaar. 3.12 Intrekken standplaatsvergunning Bij klachten die door het college als gegrond worden beschouwd, verkeerstechnische problemen, gevaar voor de bereikbaarheid voor de hulpdiensten of de brandveiligheid, het niet naleven van de vergunningsvoorschriften, het niet innemen van de standplaats zonder gegronde reden, het herhaaldelijk niet of niet tijdig betalen van de facturen van pagina 13/17

de gemeente, het niet opvolgen van aanwijzingen van de toezichthouder, het herhaaldelijk niet naleven van het beleid, uitschrijving uit de Kamer van Koophandel of het vervallen van de standplaatslocatie kan de vergunning door het college worden ingetrokken. Daarnaast kan de vergunning op verzoek van de vergunninghouder zelf worden ingetrokken. 3.13 Onmiddellijke ontruiming De vergunninghouder die in strijd handelt met het in de in dit beleid gestelde regels of het in de vergunningvoorschriften bepaalde of zich aan wangedrag of bedrog op de standplaats schuldig maakt, dan wel direct of indirect de orde verstoort of in gevaar brengt, kan door de toezichthouder namens het college mondeling dan wel schriftelijk worden gelast zijn standplaats onmiddellijk te ontruimen. 3.14 Gebruik aggregaten Op de meeste vaste standplaatslocaties is een stroomvoorziening aanwezig. Indien er geen stroomvoorziening aanwezig is of de stroomvoorziening buiten werking is, is een fluisteraggregaat toegestaan. Hierbij wordt wel rekening gehouden met de locatie van de standplaats. In de standplaatsentabellen in dit beleid is opgenomen op welke locatie een (fluister)aggregaat wordt toegestaan. 3.15 Financiële vergoeding De financiële tegenprestatie voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een standplaatsvergunning is opgenomen in de Legesverordening.

Daarnaast worden de kosten voor stroomverbruik en standgeld aan de houder van de standplaats in rekening gebracht op basis van de Legesverordening. Hierin is opgenomen dat een bedrag voor standgeld per kwartaal per m2 is verschuldigd. Hierbij geldt dat niet het daadwerkelijke aantal m2 wordt berekend, maar wordt uitgegaan van een ½ of een hele standplaats. Dit betekent concreet 15m2 of 30m2. Daarnaast wordt, indien meer dan 1.000W stroom wordt afgenomen van de gemeente een bepaald bedrag per extra 1.000 W berekend. Voor verdere details wordt verwezen naar voornoemde verordening. 3.16 Standplaatslocaties Vaste standplaatsen mogen uitsluitend worden ingenomen op de volgende en in de bijlage “Notitie Standplaatsenbeleid 2022, vaste standplaatsen” aangegeven locaties: Kern

Locatie

Aantal

DG1

Gouden Rijderplein Oostzijde1 Delfgauw Gouden Rijderplein Zuidzijde Delfgauw Dorpsstraat2 Nootdorp Gildeweg Nootdorp Het Baken Pijnacker Plein aan het Vrouwenrecht Pijnacker

2

N1 N2 P1 P2

1 2

3 1 1 1 2

Dagen beschikbaar Hele week (S1 en S2) Zaterdag (S3, S4, S5) Hele week Hele week Hele week Hele week

Bakken en braden is op de standplaats DG1.S1 niet toegestaan. Bakken en braden is op deze standplaatslocatie niet toegestaan.

pagina 14/17

Afmetingen in m² 30

Stroom

30

Ja

30 30 30 30

Ja Ja Ja Ja

Ja

P3 P4 P5

Nobellaan Pijnacker Raaigras3 Pijnacker Molenlaan/Oude Polderpad Pijnacker

1 1 1

Hele week Hele week Hele week

30 30 30

Ja Ja Nee Aggregaat toegestaan

Seizoensgebonden standplaatsen mogen uitsluitend worden ingenomen op de volgende en in de bijlage “Notitie Standplaatsenbeleid 2022, seizoensstandplaatsen” aangegeven locaties: Kern

Locatie

Aantal

DGS1

Gouden Rijderplein Noordzijde Delfgauw

DGS2

Gouden Rijderplein Zuidzijde Delfgauw Markt (beneden) Nootdorp Het Baken Pijnacker Raadhuisplein Pijnacker

NS1 PS1 PS2

1

Dagen beschikbaar Hele week

Afmetingen in M² 60

Stroom

1

Hele week

30

Nee Aggregaat toegestaan Ja

1

Hele week

30

Ja

1 1

Hele week Ma, di, do t/m zo

60 30

Ja Ja

Voor de locaties voor incidentele standplaatsen geldt dat indien mogelijk er gebruik wordt gemaakt van vaste- of seizoensgebonden standplaatslocaties. Als er geen geschikte bestaande standplaatslocatie beschikbaar is voor een incidentele standplaats kan de standplaats elders worden ingenomen, maar dient de incidentele standplaats, naast hetgeen is bepaald in de APV, te voldoen aan de volgende voorwaarden: • • • •

Er is een vrije doorgang voor passerend publiek van minimaal 1,80 meter; De standplaats wordt geplaatst op minimaal 2,00 meter van de weg; In de directe nabijheid dient voldoende parkeergelegenheid te zijn; De standplaats mag geen hinder opleveren voor verkeersdeelnemers. Onder verkeersdeelnemer wordt verstaan: een deelnemer aan het verkeer op de openbare weg, als voetganger of als gebruiker (bestuurder of passagier) van een vervoermiddel; • De standplaats mag het uiterlijk aanzien van de omgeving niet schaden; Het college kan op grond van dringende redenen bepalen dat de incidentele standplaats tijdelijk op een andere locatie moet worden ingenomen. 3.17 Afmeting en opstelling standplaats Het college bepaalt ten aanzien van vaste, seizoensgebonden en incidentele standplaatsen de afmeting en opstelling. Het uitgangspunt is dat een hele standplaats 30 vierkante meter bedraagt en een halve standplaats bedraagt 15 vierkante meter. Er is per standplaats ongeveer 40 vierkante meter beschikbaar, zodat de standplaats geschikt is voor verschillende soorten afmetingen van de verkoopwagens en op verschillende wijzen kan worden ingenomen. De vergunninghouder is vrij om te bepalen hoe de standplaats wordt ingenomen, tenzij anders is bepaald in de vergunningsvoorschriften. Voor een tweetal seizoensgebonden standplaatsen (Delfgauw en Pijnacker) is 60 vierkante meter beschikbaar.

Deze standplaatsen zijn voornamelijk bedoeld voor de verkoop van kerstbomen. 3

Vanaf 2022 wordt de standplaatslocatie Tolhek op de parkeerplaats nabij de randstadrailhalte Pijnacker-Zuid verplaatst naar het park aan het Raaigras aan de andere kant van de randstadrailhalte. pagina 15/17

3.18 Overgangsregeling huidige standplaatshouders Huidige vaste standplaatshouders kunnen hun activiteiten op de huidige standplaats onder de huidige voorschriften voortzetten. Voor standplaatshouders met een vergunning voor onbepaalde tijd wordt een uitsterfconstructie gehanteerd. Dat houdt in dat hun vergunning voor onbepaalde tijd ook met ingang van dit nieuwe beleid voor onbepaalde tijd geldig blijft. Standplaatshouders die in afwachting van het nieuwe beleid een standplaatsvergunning voor één jaar hebben gekregen, krijgen bij ingang van dit beleid een vergunning voor vijf jaar. Voor nieuwe vergunningaanvragen geldt na de inwerkingtreding van dit beleid de procedure zoals beschreven in 3.9 en 3.10 van dit beleid. 3.19 Inherente afwijkingsbevoegdheid Ingevolge de inherente afwijkingsbevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, kan het college op basis van belangenafweging zowel in positieve als negatieve zin van dit beleid afwijken. 3.20 Citeertitel Deze nadere regels worden aangehaald als ‘Standplaatsenbeleid 2022 gemeente Pijnacker-Nootdorp’. 3.21 Inwerkingtreding Dit beleid treedt de dag na publicatie in werking.

pagina 16/17

pagina 17/17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11067701/1