CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Belangrijkste inhoudelijke wijzigingen Verordening jeugdhulp P-N 2024

Raad Besluitvorming 19 december 2024, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 15458302.812 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Belangrijkste inhoudelijke wijzigingen Verordening jeugdhulp gemeente Pijnacker-Nootdorp 2024 HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de lijst met begripsbepalingen zijn de volgende begrippen gewijzigd, toegevoegd of verwijderd: Het begrip ‘eigen kracht’ is toegevoegd conform artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet, zie de toelichting bij artikel 4.1. Het begrip ‘gebruikelijke hulp’ is gewijzigd. Hierbij is aangesloten bij de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zie de toelichting bij artikel 4.2. Het begrip ‘inclusief uurtarief’ is geschrapt omdat het pgb-tarief voor niet professionele jeugdhulp nu wordt gebaseerd op het minimum uurloon, zie de toelichting bij artikel 6.3. Het begrip ‘ouder’ is ter verduidelijking toegevoegd conform artikel 1.1 van het begrip 'ouder' van de Jeugdwet. Het begrip ‘overige voorziening’ is gewijzigd. Hieraan is toegevoegd dat een overige voorziening voorgaat op een individuele voorziening waarvoor het college geen beschikking afgeeft. Dit ter verduidelijking dat deze voorziening vrij toegankelijk is. Het begrip ‘richtlijn gebruikelijke hulp voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel’ is toegevoegd. Deze richtlijn wordt door het college gebruikt om te bepalen welke hulp de gebruikelijke hulp overstijgt, zie de toelichting bij artikel 4.2.

Het begrip ‘zelfredzaamheid’ is toegevoegd. Hieruit volgt wat het college onder zelfredzaamheid verstaat. HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 2.1 Overige voorzieningen Voor de volledigheid zijn de overige voorzieningen ‘ondersteuning bij echtscheidingsproblematiek’ en ‘preventieve ondersteuning’ aan de lijst met overige voorzieningen toegevoegd. Artikel 2.2 Individuele voorzieningen In dit artikel zijn de individuele voorzieningen toegelicht met een productomschrijving. De productomschrijvingen zijn gebaseerd op de Jeugdwet en de productomschrijvingen van het Servicebureau jeugdhulp Haaglanden (SBJH). De productomschrijving van ‘vaktherapie’ is gebaseerd op informatie van de VNG en Federatie Vaktherapeutische Beroepen (FVB). HOOFDSTUK 3. PROCEDUREREGELS Artikel 3.3 Onderzoek In het eerste lid, onderdeel b, is het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek opgenomen. Ter bevordering van de leesbaarheid staan de 4 onderzoeksstappen nu vermeld bij onderdeel b.

Het tweede lid over de kwaliteitseisen van de medewerkers van het Kernteam die het onderzoek uitvoeren is ingevoegd in artikel 3.3. Deze bepaling is toegevoegd naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB van 29 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1097). Hierin is onder andere opgenomen dat de deskundigheidseisen van de adviseur die het jeugdhulponderzoek verricht moeten worden opgenomen in de verordening. Artikel 3.5 Gezinsplan In het tweede lid is opgenomen dat de ondertekening van het gezinsplan zowel met een fysieke handtekening als met een akkoord per e-mail kan plaatsvinden. Dit ter bevordering van de doorlooptijden van het onderzoek en voor het gemak voor zowel de jeugdige en ouders als de medewerker van het Kernteam. Artikel 3.6 Aanvraag In dit artikel is toegevoegd dat een aanvraag voor een pgb kan worden ingediend met een ondertekend gezinsplan plus een ondertekend bestedingsplan. HOOFDSTUK 4. TOEGANG JEUGDHULP VIA DE GEMEENTE Artikel 4.1 Criteria voor een individuele voorziening De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en ouders als bedoeld in artikel 2.3 eerste lid van de Jeugdwet worden samen ook wel eigen kracht genoemd. Ter verduidelijking en bevordering van de leesbaarheid is in het eerste lid, onderdeel a, ‘binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ vervangen door ‘eigen kracht’.

Inhoudelijk betreft dit geen wijziging. Het tweede lid is ingevoegd. Het college is alleen verantwoordelijk voor de inzet van noodzakelijke en passende voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Hierbij wordt ook uitgegaan van de dichtstbijzijnde en de meest tijdig beschikbare voorziening. Als de ouders of jeugdige toch een duurdere voorziening willen die ook passend is, komen de meerkosten voor rekening van de ouders. In het derde lid is nu opgenomen dat de kosten die de jeugdige of ouders voorafgaand aan de melding heeft gemaakt niet meer door het college worden vergoed. Dit is een wijziging ten opzichte van de vorige verordening waarin het wel mogelijk was om onder voorwaarden de kosten voor jeugdhulp met terugwerkende kracht te vergoeden over een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag. De vorige bepaling was gebaseerd op Wmo jurisprudentie en de modelverordening jeugdhulp van Schulinck. Op grond van de Jeugdwet en jurisprudentie i.h.k.v. de Jeugdwet is het echter geen verplichting om jeugdhulp met terugwerkende kracht te vergoeden. Als ouders of een jeugdige zelf hulp hebben ingeschakeld en deze hulp loopt nog op het moment van de melding bij de gemeente, dan moet het college onderzoek doen.

Als hieruit blijkt dat op het moment van melding (nog) opgroei- of opvoedingsproblemen of psychische stoornissen bestaan, dan moet het college ook onderzoeken of de reeds ingezette hulp noodzakelijk en passend is. Kan het college die beoordeling niet meer maken (door bijvoorbeeld tijdsverloop), dan komt dat voor risico van de jeugdige of ouders. Maar is die beoordeling nog wel mogelijk en wordt de ingezette ondersteuning passend en nodig geacht, dan moet het college alsnog een jeugdhulpvoorziening inzetten. Het college zal dan de noodzakelijke hulp vergoeden vanaf het moment dat de jeugdige/ouders zich bij de gemeente hebben gemeld. Artikel 4.2 Gebruikelijke hulp Dit betreft een nieuw artikel. Op 29 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) drie uitspraken gedaan over de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht) als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet, zie ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en

ECLI:NL:CRVB:2024:1097. De CRvB heeft geoordeeld dat de gemeenten in de verordening moeten regelen wat de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht inhoudt en wanneer er gelet op deze plicht sprake is van eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp. Op basis van de uitspraken van de CRvB is de jeugdhulpverordening aangepast. In artikel 1.1 lid 1 onderdeel f en artikel 4.2 is uitgewerkt wat het college verstaat onder gebruikelijke hulp. Hierbij is aangesloten bij de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Richtlijn gebruikelijke hulp voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel. Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ-indicatiewijzer versie 7.0 januari 2014 en de hierin opgenomen richtlijnen voor gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel. De richtlijn bevat een omschrijving van de hulp en zorg die elk kind bij het opgroeien van zijn ouders nodig heeft tijdens de verschillende ontwikkelfasen. In het vierde lid zijn 4 factoren opgenomen. Aan de hand van deze factoren wordt beoordeeld welke hulp substantieel de gebruikelijke hulp overstijgt. In het vijfde lid is opgenomen wanneer geen of in mindere mate sprake is van gebruikelijke hulp. Artikel 4.3 Bovengebruikelijke hulp Dit betreft een nieuw artikel.

Hierin is opgenomen wat het college onder bovengebruikelijke hulp verstaat en dat ouders ook bij bovengebruikelijke hulp verplicht zijn om hun minderejarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Bij bovengebruikelijke hulp wordt van ouders verwacht dat zij vergaande aanpassingen doen om hun kind gezond en veilig te laten opgroeien. Bovengebruikelijke hulp kan namelijk in beginsel van ouder(s) worden verwacht. Dat kan ook worden afgeleid uit een uitspraak van de CRvB van 17 juli 2019, zie ECLI:NL:CRVB:2019:2362. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan uit eigen beweging had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, beschikbaar was om deze zorg aan haar kind te bieden. Dat deze ouder de zorg ook aankon en bekwaam verleende en dat daarom de zorg van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen kracht. Verder heeft de rechtbank Den Haag op 9 juli 2020 (zie: ECLI:NL:RBDHA:2020:6249) geoordeeld dat het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt. Als uit onderzoek blijkt dat sprake is van bovengebruikelijke hulp, wordt onderzocht of en in welke mate deze hulp redelijkerwijs door ouder(s) geboden kan worden.

Hiervoor wordt vastgesteld of de ouders bekwaam en beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te kunnen bieden en er geen sprake is van (dreigende) overbelasting door het bieden van de noodzakelijke hulp. Afbakening Jeugdwet met andere wetten (artikel 4.4 t/m 4.7) De artikelen 4.4 t/m 4.7 zijn toegevoegd. Het college hoeft geen voorziening te verstrekken als een jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. Dit volgt overigens ook uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook in de verordening opgenomen. Voor de volledigheid is in de artikelen 4.5 t/m 4.7 de afbakening tussen de Jeugdwet en de Wet passend onderwijs, de Wlz en de Zvw nader uitgewerkt op basis van de betreffende wetten en jurisprudentie. Artikel 4.8 Criteria voor vaktherapie Dit betreft een nieuw artikel. In artikel 2.2 lid 2 onderdeel p van de verordening is vaktherapie als individuele voorziening opgenomen. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van

doen en ervaren. Onder vaktherapie vallen de volgende behandelvormen: beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische (kinder)therapie en speltherapie. Deze omschrijving is conform de omschrijving van vaktherapie van de VNG en de Federatie Vaktherapeutische beroepen. In onderdeel a is conform de productomschrijving van het SBJH (p. 46) en de Handreiking afbakening jeugdhulpplicht van mr. Robbe (p. 40) opgenomen dat vaktherapie alleen kan worden ingezet als de hoofd- of regiebehandelaar van de jeugdige heeft vastgesteld dat de vaktherapie ondersteunend en/ of onderdeel is van een individuele voorziening voor ggz-behandeling of begeleiding. Omdat vaktherapeuten zich niet kunnen registeren in het SKJ-register, is ter kwaliteitsborging in onderdeel b opgenomen dat de vaktherapeut moet zijn geregistreerd in het Register Vaktherapeuten, zie https://www.registervaktherapie.nl/ Artikel 4.9 Criteria voor behandeling scheidingsproblematiek Dit betreft een nieuw artikel. Hierin is opgenomen onder welke voorwaarden het college een individuele voorziening voor de behandeling van scheidingsproblematiek inzet. Hierbij ligt de nadruk op het bieden van hulp aan kinderen die door de echtscheidingsproblematiek van hun ouders in hun ontwikkeling worden belemmerd.

In het kader van kwaliteitsborging worden alleen behandelingen ingezet die worden geboden op basis van landelijk erkende methodische programma’s. Het vierde lid is opgenomen conform de afspraken over het Uniform hulpaanbod tussen de H9 gemeenten, de rechtbank Den Haag, Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdhulpaanbieders die interventies bieden in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Op 1 februari 2019 is het Uniform Hulp Aanbod (UHA) in het arrondissement Den Haag gestart. Het UHA komt voort uit het Visiedocument Rechtspraak (echt)scheiding ouders met kinderen, waarbij het voornemen is uitgesproken om in ieder arrondissement te komen tot een Uniform Hulp Aanbod voor scheidende ouders en hun kinderen. 4.10 Criteria voor diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie In dit nieuwe artikel zijn de criteria voor de inzet van diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie opgenomen. Deze criteria zijn van onze beleidsregels jeugdhulp overgeheveld naar de verordening. Volgens de uitspraak van de CRvB van 24 oktober 2018 (ECLINL:CRVB:2018:3454) is het college alleen verantwoordelijk voor de inzet van diagnostisch onderzoek en behandeling van ernstige dyslexie van kinderen in de leeftijd vanaf 7 jaar die basisonderwijs volgen. Bij de bepaling van de toegang tot dyslexiezorg wordt gebruik gemaakt van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling.

Artikel 4.11 Aanvullende criteria kortdurend verblijf Dit nieuwe artikel is toegevoegd conform artikel 2.3 lid 3 van de Jeugdwet. De omvang van het kortdurend verblijf is afgeleid van de productomschrijving van het SBJH (p. 69). 4.12 Criteria voor vervoer In dit artikel staat beschreven onder welke voorwaarden een individuele voorziening in de vorm van vervoer wordt toegekend. Hierbij is het uitgangspunt dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van hun kind naar en van de jeugdhulpaanbieder. In het derde lid in opgenomen dat het vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder alleen mogelijk is als de afstand van een enkele reis tussen het woon- of verblijfadres van de jeugdige

en de locatie van de jeugdhulpaanbieder meer dan zes kilometer bedraagt. Dit sluit aan bij ons beleid van leerlingenvervoer. Uit artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet volgt dat het vervoer onderdeel kan zijn van een individuele voorziening voor jeugdhulp als het vervoer noodzakelijk is vanwege een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. In het vierde en vijfde lid is uitgewerkt wat het college hieronder verstaat. Hierin is onder andere opgenomen dat jeugdigen jonger dan 12 jaar niet voldoende zelfredzaam zijn om zelfstandig te kunnen reizen. Dit is afgeleid uit de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet, zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 141. HOOFDSTUK 5. TOEGANG JEUGDHULP VIA HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF JEUGDARTS Artikel 5.1 Doorverwijzing naar een gecontracteerde aanbieder Aan het eerste lid is toegevoegd dat de jeugdhulpaanbieder zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag na een verwijzing dient te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in deze verordening. Dit betreft een schakelbepaling. Hierdoor zijn ook de regels uit de verordening van toepassing verklaard op de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. . Het tweede lid is toegevoegd. Deze bepaling volgt uit het administratieprotocol van het SBJH (p. 12).

HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 6.1 Regels pgb In het vijfde lid zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. Aan deze opsomming is toegevoegd dat ook de reis- en parkeerkosten niet vanuit het pgb gefinancierd mogen worden. Als de hoogte van het pgb toereikend is voor de inkoop van passende jeugdhulp is er geen aanleiding het pgb te verhogen voor reiskosten van de jeugdhulpverlener. Ook niet als deze reiskosten hoger zijn geworden. Dit volgt uit Wmo-jurisprudentie, die naar verwachting ook voor de Jeugdwet geldt, zie de uitspraak van de CRvB van 10 februari 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:269). Het zesde lid is nieuw. Hieruit volgt dat er geen recht bestaat op een pgb voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor verleent. Dit ter waarborging van een goede kwaliteit van de jeugdhulp. Aan het zevende lid is toegevoegd dat het inhuren van personen uit het sociaal netwerk gebeurt op basis van een lager tarief dan het vastgestelde tarief voor professionele jeugdhulp. Dit is toegestaan volgens vaste jurisprudentie.

Artikel 6.2 Onderscheid professionele en niet-professionele jeugdhulp In het eerste lid is aan de onderdelen ‘a’ en ‘b’ toegevoegd dat de medewerkers van een instelling en zzp’ers dienen te beschikken over een SKJ- of BIG registratie. Dit ter waarborging van een goede kwaliteit van de jeugdhulp. Onderdeel ‘c’ is komen te vervallen omdat de SKJ- en BIG registratie nu zijn toegevoegd aan de eerste twee onderdelen. Artikel 6.3 Hoogte pgb In de verordening moet ook worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (zie artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociaal netwerk.

In het derde lid is de vaststelling van de hoogte van het pb voor niet-professionele jeugdhulp gewijzigd. Het pgb-tarief voor niet-professionele jeugdhulp wordt nu vastgesteld op basis van het wettelijk minimumuurloon. Dit naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Zeeland-WestBrabant van 20 juni 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:4238). Volgens deze uitspraak volstaat voor het informele pgb tarief het minimum uurloon. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor wat betreft de Jeugdwet aan te sluiten bij de uitspraak van de CRvB over het tarief van het informele pgb onder de Wmo 2015. Omdat het bij niet-professionele jeugdhulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociaal netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, wordt een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend geacht. HOOFDSTUK 8. KWALITEIT Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit van voorzieningen geleverd door derden Op 1 juli 2024 is de Algemene Maatregel van behoorlijk Bestuur (AMvB) reële prijzen Jeugdwet in werking getreden. Deze AMvB wijzigt het Besluit Jeugdwet. Artikel 2.3 van het Besluit Jeugdwet verplicht gemeenten nu om tenminste kostprijselementen m.b.t. de kosten van beroepskrachten, cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, overheadkosten en kosten voor indexering in de verordening op te nemen.

Op basis hiervan is het kostprijselement ‘kosten voor indexering’ toegevoegd. Indexering vindt plaats conform de afspraken met de gecontracteerde zorgaanbieders. Het tweede lid is verwijderd omdat de eisen m.b.t. de kostprijselementen voor individuele- en overige voorzieningen gelijk zijn. HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN Artikel 11.3 Overgangsrecht Het overgangsrecht is aangepast conform het overgangsrecht uit de Wmo verordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14783446/3