Beeldvormende vragen Pijnacker-Nootdorp Vooruit – Actualisatie subsidiebeleid
Tekst van het document
Beeldvormende vragen Pijnacker-Nootdorp Vooruit – Actualisatie subsidiebeleid
Actualisatie Subsidiebeleid Vragen Fractie Pijnacker-Nootdorp Vooruit 1. Hoe zijn de voorgestelde subsidieplafonds tot stand gekomen? Is er een onderbouwing op basis van historische uitgaven of behoefteonderzoek? 2. Art. 19 van De Algemene Subsidieverordening gemeente Pijnacker-Nootdorp 2026: Kan het college uitleggen waarom het in tijden van financiële schaarste, waarin de gemeente zelf geen ruimte heeft om reserves op te bouwen, toch toe zou kunnen staan dat gesubsidieerde instellingen bestemmingsreserves vormen uit publieke middelen? Is het college van mening dat het maatschappelijk verdedigbaar is dat instellingen geld oppotten terwijl de gemeentelijke begroting onder druk staat? Of erkent het college dat artikel 19 in deze context niet langer wenselijk is en feitelijk haaks staat op het principe van doelmatige besteding van gemeenschapsgeld? 3. Kan het college een overzicht aanleveren van het gebruik van de subsidieregelingen zoals genoemd in het besluit (activiteiten en evenementen vrijwilligersorganisaties, bewonersinitiatieven Buurtknip, Cultuurknip) over de afgelopen drie jaar? Het overzicht bevat per regeling: − het jaarlijks gereserveerde bedrag (subsidieplafond), − het aantal ingediende aanvragen, − het aantal toegekende aanvragen, − het totaal toegekende bedrag.
Graag in een overzichtelijke tabel per jaar en per regeling, zodat inzichtelijk wordt in hoeverre de beschikbare middelen zijn benut en wat de vraagontwikkeling is geweest. 4. Klopt het dat in het besluit “subsidieregeling voor activiteiten en evenementen van vrijwilligersorganisaties 2026”, “subsidieregeling cultuurknip Pijnacker-Nootdorp 2026” daar waar gesproken wordt van “Pijnacker-Nootdorp” bedoeld wordt “gemeente PijnackerNootdorp” (de omissie begint al in de aanhef, dat is op zicht niet erg, maar wel daar waar in de artikelen gesproken wordt van alleen Pijnacker-Nootdorp, zie art. 1, 3, 4, 5, 12). 5. Waarom is ervoor gekozen om alleen vernieuwende culturele activiteiten te subsidiëren, en niet ook terugkerende activiteiten die aantoonbaar bijdragen aan sociale cohesie of cultuurparticipatie (art. 3 cultuurknip)? 6. Art. 11 sub e cultuurknip: Hoe wordt onderscheid gemaakt tussen een culturele activiteit met religieuze elementen en een activiteit die een religieuze boodschap uitdraagt?
7. Uitsluitingsgronden subsidies: Waarom is in de Cultuurknip gekozen voor het woord “boodschap” en in de Buurtknip voor “doelstelling” bij het uitsluiten van politieke of religieuze activiteiten? Hoe voorkomt het college dat deze terminologische verschillen leiden tot inconsistentie in beoordeling en uitvoering? 8. Subsidieregeling activiteiten en evenementen vrijwilligersorganisaties: Als een organisatie als hoofddoel heeft om een religie actief te verspreiden, kan zij dan in aanmerking komen voor subsidie onder deze regeling, gezien het feit dat in de regelingen Buurtknip en Cultuurknip expliciet uitsluitingsgronden voor religieuze doelstellingen of boodschappen zijn opgenomen, maar in deze regeling niet? 9. ASV: Waarom is in artikel 12 gekozen voor een kan-bepaling (“kan de verplichting worden opgelegd”) bij subsidies hoger dan € 50.000 voor activiteiten die langer dan een jaar duren, in plaats van een verplichting? − Zou het niet wenselijk zijn om dit standaard verplicht te stellen, zodat tussentijdse verantwoording altijd plaatsvindt bij langdurige en omvangrijke subsidies? − Hoe wordt nu geborgd dat er voldoende controle is op voortgang en besteding van middelen als deze bepaling niet verplicht is? − Welke argumenten zijn er om dit niet als harde verplichting op te nemen?