CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Beeldvormende vragen fractie Graafland over herziening van de huisvestingsverordening Pijnacker

Raad Oordeelvorming 13 oktober 2022, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Beeldvormende vragen874 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vragen fractie Graafland over herziening van de huisvestingsverordening PijnackerNootdorp 2019-2023 (agendapunt 5a Beeld en oordeelvorming 13 oktober 2022) 1. Waarom geldt er t.a.v. “toeristisch verhuur” niet dezelfde regel op hospita verhuur voor wat betreft aantal % bewoning door aanvrager, nu de aanvrager zelf ook zijn hoofdverblijf moet hebben in het pand? (bij de hospita verhuur geldt dat de eigenaar of huurder zelf minimaal 50% van de woonruimte zelf moet blijven gebruiken. 2. Kunnen woningen in een woonwijk onder het voorgestelde beleid als “toeristisch verhuur” worden verhuurd aan arbeidsmigranten? Zowel short stay als long stay? (Onder 5.15 c staat verhuur tweede woning voor een periode van meer dan zes maanden voor iemand die zijn hoofdverblijf elders heeft en daar als ingezetene is ingeschreven) 3. Hoe verhoudt art. 5.16 (nachtencriterium) zich tot artikel 5.15 lid 1 sub b en c en e. (in het ene artikel is slechts een beperkt aantal nachten van 30 dagen toegestaan en in het andere is het zelfs mogelijk om langer dan 6 maanden te verblijven) 4. Wat is het belang van artikel 5.15 (toeristische woningverhuur/kamerverhuur lang/kort) gelet op het nachtencriterium? 5. Is het in onze gemeente mogelijk om een woning/kamer op grond van de woonverordening toeristische verhuur langer dan 6 maanden te verhuren? 6.

Hoe zal er toezicht gehouden worden op de norm dat de vergunninghouder zijn hoofdverblijf heeft in de woning? (zie ook art. 5.17 lid 3) 7. Kan een vergunning voor toeristische verhuur worden verlengd? Hoeveel keer? 8. In artikel 5.20 sub b staat dat de vergunning verlening ingetrokken wordt als niet voldaan wordt aan de voorschriften uit art. 5.18. In dit artikel staan een aantal normen die niet objectief vast te stellen zijn zoals het verbod tot overlast (art. 5.18 lid 2 d). Hoe wordt hierop toezicht gehouden. En hoeveel meldingen van overlast moet er zijn tot er wordt overgegaan tot intrekken vergunning. 9. Komt er nader beleid over “toeristisch verhuur”? 10. Hoe staat het college tegenover “three strikes out” op te nemen in art. 5.18 sub e, met dien verstande als er 3 jaren achtereen een vergunning ingetrokken is op grond van overlast, de aanvrager niet meer in aanmerking komt voor een vergunning (zwarte lijst) 11. Wat zijn de toetsingsgronden van een “onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon-en leefmilieu” (art. 5.19 sub a) 12. Wat wordt er bedoeld met art. 5.19 sub g? “een ontheffing met een geldige termijn”, zijn er gevallen waarin een eigenaar/gebruiker van een woning een woonruimte zonder vergunning mag verhuren? 13.

De woningwet biedt gemeenten ook mogelijkheden om een wijk of gebied in te stellen waarin woningen enkel verhuurd mogen worden met een (tijdelijke) vergunning wat is de overweging geweest van het college om dat in onze gemeente niet te doen? 14. De woningwet biedt gemeenten ook mogelijkheden, wanneer de gemeente dit noodzakelijk acht, een maximaal aantal vergunningen per gebied in te stellen voor toeristische verhuur. Kan het college aangeven waarom die noodzaak niet wordt gevoeld gelet op de schaarste van de woningen binnen onze gemeente en de

onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu die toeristisch verhuur met zich mee kan brengen binnen woonwijken 15. Welke voorwaarden en voorschriften worden er verbonden ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat van de woonruimte dan wel de omgeving van de woonruimte, waar de aanvraag betrekking op heeft in art. 5.3 lid 1 sub b? Ik begrijp dat het om een fysieke en een algemene leefbaarheidstoets gaat, maar zijn deze voorwaarden ook beschreven in de beleidsregels woningvoorraad, zo ja waar (de voorwaarden onder e hebben betrekking op goed verhuurderschap en die zijn wel beschreven in de beleidsregels woningvoorraad) 16. Kan het college concrete voorbeelden geven van gevallen waarin geoordeeld zou kunnen worden dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming gediende belang (volkshuisvestelijke toets) zie artikel 5.4 sub a weigeringsgrond vergunning. 17.

Kan het college concrete voorbeelden geven van gevallen waarin geoordeeld zou kunnen worden dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders een onaanvaardbare inbreuk plaatsvindt op een geordend woon- en leefmilieu van de woonruimte dan wel de omgeving van de woonruimte, waar de aanvraag betrekking op heeft (is dit de afstandstoets/50 meter toets)? Zie artikel 5.4 18. Kan het college aangeven wat verschil is tussen sub c en sub d van artikel 5.4, nu er in sub c ook gesproken wordt van “onaanvaardbare inbreuk plaatsvindt op een geordend woon- en leefmilieu van de woonruimte dan wel de omgeving van de woonruimte” 19. Wanneer gaat het college over tot het doen van een bibob toets (zie ook vraag van PvdD) 20. In artikel 5.7 staan de intrekkingsgronden voor de vergunning. Een van die gronden is “dat het gebruik van de vergunning leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon-en leefmilieu van de woonruimte dan wel de omgeving van de woonruimte waar de vergunning voor verleend is”. Hoe/waar is dit uitgewerkt in de beleidsregels woningvoorraad. Kan een aanvrager nadat zijn vergunning is ingetrokken weer een aanvraag indienen voor hetzelfde pand?

Hartelijk dank. Groeten, Nita Graafland

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11925290/1