Beeldvormende vragen fractie Graafland Correctieve Herziening Verzamelplan 2020-2021
Tekst van het document
Vragen fractie Graafland Beeldvormende vergadering 1 september Correctieve Herziening Verzamelplan 2020-2021. 1. In de aanbiedingsnota spreekt het college over “omgevingsvergunning, vergunning, aanlegvergunning, bouwvergunning” en “aanvraag ontvangen” (voor welke van de hiervoor genoemde vergunning?). Kan het college de aanbiedingsnota aanpassen en concreet aangeven per perceel over welke vergunning het gaat. Immers al deze vergunningen zijn ‘omgevingsvergunningen’. 2. Onder “staand van zaken” valt te lezen “We kunnen u berichten dat voor ongeveer de helft van de locaties de vergunning is verleend”, ook hier geldt weer de vraag: welke vergunning is hier verleend: een bouwvergunning, een aanlegvergunning, een watervergunning, een saneringsvergunning of een omgevingsvergunning (overkoepelend begrip, maar aangezien dit door het college ook als een zelfstandige vergunning wordt genoemd, weet ik ook niet meer wat hiermee wordt bedoeld). 3. Daarnaast wordt per perceel aangegeven dat er “een principe verzoek is ontvangen” waarvoor is het principe verzoek? In de besluitvormende vergadering van 21 april heeft de raad een amendement aangenomen. De globale strekking van het amendement is dat er geen stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteitseisen, zoals beschreven in de beeldkwaliteitsparagraaf, opgenomen wordt voor de nieuw te bouwen woningen.
Alleen op de locaties waar dit eerder al was gedaan, zijn deze kwaliteitseisen behouden. Dit amendement is verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. In de aanbiedingsnota is desalniettemin te lezen dat er een balans is gevonden tussen de individuele belangen en wensen van eigenaren enerzijds en algemene belangen zoals landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit anderzijds. 4. Het voorgaande lezende kan geconstateerd worden dat er ondanks het feit dat in het amendement is aangegeven dat de landschappelijke eisen niet zullen gelden op locaties waar dit niet afgesproken was toch gezocht is naar landschappelijke inpassingseisen. Kan het college reflecteren op deze constatering? Ervan uitgaande dat hiermee niet de percelen Zuideindseweg 37 en Oude Leedeweg 5 worden bedoeld waarop wel de landschappelijke inpassings eisen van toepassing is1. 5. Klopt het dat beleid rondom het waterpeil niveau van de Hoogheemraadschap al geldend is sinds 1999? 6. In hoeverre heeft het college de kaveleigenaren in de “voorbereidende gesprekken” rondom de bouwvergunning (dus voor april 2021) gewezen op het beleid van Hoogheemraadschap, waarbij een waterpeilniveau van 2.10 geldend is voor dijkwoningen sinds 1999? 7.
Kan het college aangeven hoe het vergunningstelsel zich tot elkaar verhoudt, wie het bevoegd gezag is en wat de hiërarchie is tussen de verschillende vergunningen, langs de beantwoording van de verschillende vragen: a. Kaveleigenaren worden geconfronteerd met het aanvragen van verschillende vergunningen: een bouwvergunning, een aanlegvergunning, een watervergunning, een saneringsvergunning. In hoeverre hangen deze vergunningen met elkaar samen.
1
Met verwijzing naar het betreffende artikel 4.3.3 is de aanvullende eis van landschappelijke inpassing alleen van toepassing op die locaties waar een specifieke aanduiding op de verbeelding is opgenomen, te weten Zuideindseweg 37 en Oude Leedeweg 5. Voor deze specifieke locaties was in het ‘Verzamelplan PijnackerNootdorp 2020/2021’ al een eis inzake de landschappelijk inpassing in de regels opgenomen => nota van beantwoording bij zienswijze 1 onder b.
b. Kan een kaveleigenaar die bezit over een bouwvergunning bouwen, zonder een watervergunning/saneringsvergunning/aanlegvergunning? c. Hoe moet de kaveleigenaar in het hele bestemmingsplanproces weten welke vergunningen er vereist zijn en bij wie ze daarvoor moeten zijn. d. Wat heb je aan een bouwvergunning zonder aanlegvergunning? e. Wat heeft een kaveleigenaar aan een reeds afgegeven omgevingsvergunning (bouwvergunning?) indien er daarna nog een aanlegvergunning vereist is? De hoogheemraadschap heeft voor dijkwoningen het beleid om te bouwen op 2.10 m boven waterpeil. In de voorgesprekken met de gemeente is in een aantal gevallen een waterpeil van -2,75 afgesproken. Het voorbereidingsbesluit is zelfs genomen om te voorkomen dat er terpen gebouwd zouden worden. Bij elke verhoging van meer dan 20 cm is er een aanlegvergunning nodig. Kan de gemeente in dit kader de volgende vragen beantwoorden: f.
Wie is het hoogst bevoegde orgaan wat betreft boven boven/onder het waterpeil niveau: Hoogheemraadschap of de gemeente? g. Kan het college een afwijkende waterpeilniveau aanwijzen dan het Hoogheemraadschap. En krijgt de kaveleigenaar dan nog wel een watervergunning van de hoogheemraadschap? 8. In de nota van beantwoording bij zienswijze 2 geeft het college aan “dat nergens is bepaald dat bestemmingsplannen niet eerder dan na vijf jaar kunnen worden veranderd”. Het college begrijpt toch ook wel dat de zienswijze indiener hiermee voor ogen heeft dat de rechtszekerheid hiermee niet gediend is en zoals indiener aangeeft neigt naar “onbehoorlijk bestuur’ Kan het college hierop reageren? 9. In het voorbereidingsbesluit is de raad te kennen gegeven dat percelen waarvoor al een ‘bouwvergunning” was verleend, het voorbereidingsbesluit niet van toepassing zou zijn. Hoe verhoudt dit zich tot zienswijze nr. 8. Nieuwkoopseweg nr. 8. 10. In de nota van beantwoording bij zienswijze 8 geeft het college het volgende aan “Wij stellen inderdaad vast dat op basis van de aangeleverde onderzoeken de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’ op het woonperceel kan worden verwijderd. Voor een deel (voorste deel van het perceel) dient wel een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3.
Kan het college aangeven wat de overwegingen zijn om aan dit perceel een waarde-archeologie 3 toe te kennen nu uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarde “laag tot nihil zijn”. Wat zijn de criteria voor waarde-archeologie 3 en in hoeverre verhoudt dit zich tot de bevindingen in het archeologische rapport? 11. In vooroverleggen met het Hoogheemraadschap van Delfland in 2020 is reeds kenbaar gemaakt dat voor de Nieuwkoopseweg 8 aanvullende regels gelden nu er gebouwd wordt op een waterkering (beleidsregels Medegebruik waterkering), deze regels houden in dat er 2.10 boven nap gebouwd zou moeten worden. In de nota van beantwoording heeft het college aangegeven deze regels mee te nemen. Echter bij het uitgeven van de “omgevingsvergunning’ zijn geen nadere eisen gesteld voor het ophogen van het bouwperceel. Hoe verhoudt dit zich in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel tot de eis van de “aanlegvergunning” in dit traject dat al 2,5 jaar duurt? Fractie Graafland