Beeldvormende vragen Fractie Graafland - Aanvullende kaders wonen in het glastuinbouwgebied
Tekst van het document
Beeldvormende vragen Fractie Graafland - Aanvullende kaders wonen in het glastuinbouwgebied
Vergadering dd. 8 mei 2025 Aanvullende kaders wonen in het glastuinbouwgebied Vragen Fractie Graafland 1. Wat is de overweging geweest om de Delftsestraatweg, Overgauwseweg,Rijskade, Nieuwkoopseweg en Strikkade los te koppelen van de glastuinbouw? En welke zones langs deze historische wegen worden bedoeld om anders te gebruik dan glastuinbouw (burgerwoningen). 2. Het college geeft aan de “politieke haalbaarheid” van scenario 2 verder te willen onderzoeken. Tegelijkertijd wordt de raad gevraagd om op basis van het conceptkader al richting te geven. Kan het college nader toelichten wat precies wordt verstaan onder ‘politieke haalbaarheid’. Wordt hiermee gedoeld op het draagvlak binnen de raad, of betreft het bredere bestuurlijke of maatschappelijke overwegingen? 3. Er wordt voorgesteld om onder voorwaarden huisvesting te bieden aan de eigen arbeidsmigranten. In hoeverre is het afwijkend van geldend beleid. En wat zijn de voorwaarden? 4. Het college koppelt de “financiële neutraliteit” van de regelingen aan de voorwaarde dat er ‘voldoende ruimte beschikbaar komt binnen het huidige glastuinbouwgebied”.
- Kan het college toelichten wat daar precies onder wordt verstaan? Gaat het om fysieke ruimte, planologische ruimte of iets anders? Waarop baseert het college de aanname dat die ruimte daadwerkelijk beschikbaar zal komen, gezien de bestaande functies, eigendomsverhoudingen en belangen in het gebied? - Wat gebeurt er als die ruimte er niet blijkt te zijn? Betekent dit dat de gemeente dan alsnog financieel moet bijspringen? En zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de stelling dat nu geen zware overheidsinvesteringen wenselijk zijn? Met andere woorden: is financieel neutraal hier een reëel scenario of eerder een best case?" 5. (1.3 aanbiedingsnota) wat wordt er bedoeld met een ‘gebiedsfonds”. 6. Op welke wijze denkt het college recht te doen aan de provinciale omgevingsverordening die stuurt op behoud van het bruto glastuinbouwareaal, nu in het voorliggende voorstel wordt gekozen voor sturing op netto areaal — en hoe voorkomt het college daarmee strijdigheid met provinciaal beleid en mogelijke juridische consequenties? (aanbiedingsnota 1.5). 7. Het college geeft aan dat de juridische uitvoerbaarheid van de conceptkaders voor wonen in het glastuinbouwgebied nog nader wordt uitgewerkt. Ik begrijp dat dit een
complex traject is waarin veel belangen samenkomen. Tegelijk valt op dat in de aanbiedingsnota (kopje “juridische uitvoerbaarheid”) geen expliciete reflectie is opgenomen op de verhouding tot het provinciale beleid, dat stuurt op behoud van het bruto glastuinbouwareaal. Kan het college toelichten op welke wijze dit spanningsveld in de verdere uitwerking wordt meegenomen, en welke risico’s of aandachtspunten daarbij een rol spelen? 8. P. 9: In de conceptkaders wordt gesteld dat de gemeente in het verleden medewerking heeft verleend aan de omzetting van bedrijfswoningen naar burgerwoningen, mits voldaan werd aan de eisen van een evenwichtige toedeling van functies. Deze toetsingsgrond komt echter pas voort uit de Omgevingswet, die pas sinds 2024 van kracht is. Kan het college toelichten op welke juridische grondslag deze afwegingen in het verleden dan wel zijn gebaseerd, en hoe deze passage moet worden geïnterpreteerd in de context van terugwerkende werking of beleidscontinuïteit? 9. P. 9 Het ruimtegebruik binnen de vitale glastuinbouwgebieden is niet optimaal, er is veel onbenutte ruimte. Hoeveel (netto) ruimte is onbenut. 10. P. 11 “De grootste spanning ligt tussen de glastuinbouwsector en de eigenaren van bedrijfswoningen die geen relatie hebben met de glastuinbouw”.
Heeft het college zicht op hoe groot dit aantal is (hoeveel van de 190 bedrijfswoningen worden er gebruikt door eigenaren zonder een relatie net de glastuinbouw). Huidige situatie. 11. P. 10 Het college geeft aan dat er vanuit de sector verzoeken zijn ontvangen om op te treden tegen strijdig gebruik in het glastuinbouwgebied, terwijl het in de praktijk juist regelmatig sectorleden zelf zijn die verantwoordelijk zijn voor dat strijdige gebruik. Kan het college toelichten hoe het deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid duidt, en op welke wijze wordt gewaarborgd dat handhaving objectief, consequent en met draagvlak binnen de sector plaatsvindt? In het verlengde daarvan horen wij graag hoe het college dit ziet in relatie tot de voorgestelde mogelijkheid om eigen arbeidsmigranten toe te staan in de bedrijfswoningen, aangezien het risico reëel is dat deze woningen in de toekomst ook gebruikt gaan worden voor huisvesting van anderen dan eigen arbeidsmigranten, waarmee de handhaafbaarheid verder onder druk kan komen te staan. In het verlengde hiervan, hoe kijkt het college aan tegen handhaving na de overgangsperiode (omzettingsregeling en verplaatsingsregeling). 12. P.
11 Het college geeft aan dat het ontbreken van heldere beleidskeuzes leidt tot juridische en planologische onzekerheid voor zowel glastuinbouwondernemers als bewoners van strijdig gebruikte bedrijfswoningen, met risico op maatschappelijke onrust. Tegelijk wordt gesteld dat er ruimte is om bij te sturen. Kan het college toelichten in hoeverre er al sprake is van bijsturing, welke concrete keuzes hierin zijn of worden gemaakt, en in hoeverre deze bijsturing ook daadwerkelijk
handelingsperspectief biedt aan de eigenaren van bedrijfswoningen die nu verkeren in een situatie van onzekerheid. 13. Ambitieniveau 3 en 4 (onderwijs en personeel) krijgen in scenario 2 een -waardering. Terwijl deze ambities in scenario 1 een ++ waardering krijgen, Hoe moet dit gelezen worden, in scenario 2 is hoewel minder, maar ook nog steeds ruimte voor grootschalige, efficiënte en moderne glastuinbouw. 14. P. 25 omzettingsregeling: Het college stelt voor om bij omzetting van een bedrijfswoning naar een reguliere woning langs de doorgaande historische wegen 50% van de toegenomen meerwaarde als vergoeding aan de gemeente te vragen. Kan het college toelichten op welke wijze deze meerwaarde wordt vastgesteld, welke juridische en uitvoeringsgrondslag hiervoor geldt, en hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot langdurige discussies, onzekerheid of rechtsongelijkheid tussen eigenaren? 15. P. 27 De gemeente koopt woningen aan tegen de huidige marktwaarde, sloopt deze en verkoopt de gronden vervolgens als tuinbouwgrond tegen een lagere waarde. Kan het college inzicht geven in de financiële consequenties van deze werkwijze voor de gemeentelijke begroting, inclusief de verwachte omvang van het aantal aankopen en het daarmee gemoeide bedrag? En op welke wijze worden eventuele tekorten gedekt of financieel onderbouwd binnen de meerjarenbegroting. 16. P.
22 Het college noemt als vijfde voorwaarde voor het slagen van de voorgestelde aanpak de 'bereidheid van de gemeente om handhavend op te treden'. Kan het college toelichten waarom er gesproken wordt over 'bereidheid', terwijl handhaving bij strijdig gebruik een wettelijke taak is? Roept deze formulering niet ten onrechte het beeld op dat handhaving een bestuurlijke keuze is in plaats van een verantwoordelijkheid/plicht.