CConstaterende datPijnacker-Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording vragen over ontwerp Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer

Raad Besluitvorming 28 oktober 2021, gemeente Pijnacker-NootdorpBij agendapunt: Ontwerp-bodemkwaliteitskaart en ontwerp-Nota bodembeheer2.352 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Informatienota raad

beeldvorming op oordeelvorming op besluitvorming op

invullen organisatie

zaaknummer

1287209

berichtnummer

1153360

onderwerp reden portefeuillehouder behandeld in college

Beantwoording vragen over ontwerp Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer Vraag/Toezegging Frank van Kuppeveld 14 oktober 2021

afdeling

WKZ

bijlagen

n.v.t.

pagina

1/7

Informatienota raad

Geachte leden van de raad, Tijdens de gecombineerde beeld- en oordeelvormende vergadering van 7 oktober 2021 heeft de portefeuillehouder de schriftelijk vragen van de Partij voor de Dieren en D66 over ons voorstel inzake de ontwerp Bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer mondeling beantwoord. Op verzoek van deze partijen heeft hij toegezegd dat de beantwoording van die vragen ook nog schriftelijk zou worden toegestuurd aan de raad. Tijdens de vergadering zijn enkele gestelde vragen niet beantwoord. Hieronder treft u de beantwoording van de vragen aan. Beantwoording vragen van Partij van de Dieren: Vraag 1 Klopt het dat bij grondverzet buiten de genoemde uitzonderingen altijd een onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van vervuilende stoffen als PFOA en PFAS? Antwoord Binnen het beheergebied (gemeente Pijnacker-Nootdorp) geldt de grondstromenmatrix (Nota bodembeheer, bijlage 4). Afhankelijk van de locatie van herkomst of locatie van toepassen is vrij grondverzet mogelijk of is een onderzoek nodig. Voorafgaand aan grondverzet dient minimaal historisch onderzoek plaats te vinden zoals omschreven in de Nota bodembeheer, paragraaf 6.1.2 conform de vragenlijst in bijlage 5. Indien sprake is van een lokale (verontreinigings)bron dient bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Voor partijen grond afkomstig van buiten het beheergebied is geen sprake van vrij grondverzet en dient een partijkeuring te worden aangeleverd (Nota bodembeheer, paragraaf 4.7). Vraag 2 De initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Hoe vaak komt dit voor in onze gemeente? Antwoord PFAS-verbindingen zijn in de huidige Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer niet meegenomen en dienen altijd te worden onderzocht. In deze geactualiseerde Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer zijn de beschikbare onderzoeksresultaten voor PFAS-verbindingen meegenomen, deze leiden niet tot beperkingen voor vrij grondverzet binnen het beheergebied (gemeente PijnackerNootdorp). Indien sprake is van een lokale (verontreinigings)bron dient bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Vraag 3 Met baggeren mag toch niet zomaar de bagger langs de kant van de sloten worden gedumpt? Wanneer mag dit nu wel en wanneer niet? Dat is ons nog niet duidelijk. Antwoord Op basis van een waterbodemonderzoek moeten de verwerkingsmogelijkheden van de baggerspecie worden bepaald.

Vraag 4 Hoe vaak wordt er gekeurde grond van buiten de gemeente in onze gemeente geplaatst en waar is dat dan? Antwoord Het toepassen van grond moet daaraan voorafgaand via het landelijk meldpunt bodemkwaliteit worden gemeld. De meldingen worden door de Omgevingsdienst Haaglanden namens de gemeente beoordeeld. Het aantal meldingen varieert per jaar. Er wordt geen onderscheid gemaakt voor meldingen van partijen afkomstig van buiten en binnen de gemeente. Een voorbeeld van grond van buiten de

pagina

2/7

Informatienota raad

gemeente is bijvoorbeeld ophoogzand. Vraag 5 Welk effect hebben kassen nu op de bodemkwaliteit. Kan dit wat meer worden toegelicht? Antwoord Het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan invloed hebben op de bodem. Bij grondverzet is hiervoor aandacht. Dit volgt uit de grondstromenmatrix (Nota bodembeheer, bijlage 4). Vraag 6 De eerder vastgestelde bodemfunctieklassenkaart is aangepast. Onder ‘wonen’ wordt begrepen: (Toekomstige) Percelen in het buitengebied met de bestemming ‘Wonen’. Hoezo toekomstig in het buitengebied? Waar moeten we dan aan denken? Antwoord Dit betreft percelen waarvan bekend is dat deze de gebruiksvorm wonen hebben gekregen, maar op dit moment nog niet (volledig) als wonen in gebruik zijn genomen. Vraag 7 Waarom zijn de bijgaande locaties uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart? Aangewezen gemeentelijke wegen: Langelandseweg, Nieuwkoopseweg, Laakweg, Overgauwseweg, Zuideindseweg, Oude Leedeweg, Wilgenweg, Verlengde Komkommerweg (tussen N470 en Delftsestraatweg) en Zijdeweg? Dat is ons niet geheel duidelijk. Antwoord Onverharde wegbermen worden door het gebruik belast met verontreinigende stoffen, zoals omschreven in de Nota bodembeheer, paragraaf 4.2.4. Vrij grondverzet is niet wenselijk en derhalve zijn deze wegen uitgesloten van de Bodemkwaliteitskaart.

Vraag 8 Welke locaties in onze gemeente vallen onder locaties met, of die verdacht zijn voor, een lokale, sterke bodemverontreiniging, inclusief locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende2 en verwerkende bedrijven3 ), inzet blusschuim4 en secundaire bronnen5 ) én locaties die verdacht zijn op het diffuus voorkomen van bestrijdingsmiddelen? Antwoord Voorafgaand aan grondverzet dient minimaal historisch onderzoek plaats te vinden zoals omschreven in de Nota bodembeheer, paragraaf 6.1.2 conform de vragenlijst in bijlage 5. Uit het historisch onderzoek blijkt of (deel)locaties verdacht zijn voor bodemverontreiniging. Vraag 9 De bodemlaag dieper dan 1 meter is vooralsnog niet verdacht voor PFAS-verbindingen Waarom niet? Uit onderzoek is nl gebleken dat er dan wel degelijk PFAS aanwezig kan zijn, zelfs tot het grondwaterniveau. Als in de bovengrond geen PFAS wordt aangetoond is dat geen absolute garantie dat in de onderliggende lagen ook geen PFAS aanwezig is. Zeker bij locaties waar grondverzet of ophoging heeft plaatsgevonden is het goed mogelijk dat de ondergrond wel PFAS bevat terwijl dit niet in de bovengrond aanwezig is. Kan dit nader worden uitgelegd? Antwoord Op basis PFAS-gegevens in de gemeente nemen de PFAS-concentraties af in de diepere bodemlagen.

De gemeten concentraties in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn aangetoond beneden de landelijke normen voor achtergrondwaarden en dus schoon. De gemeten concentraties in de bodemlaag 0,5-1,0 m-mv zijn nog lager dan de gemeten concentraties in de bovengrond. Op basis van bekende PFAS-gegevens in de

pagina

3/7

Informatienota raad

gemeente nemen de gehalten aan PFAS-verbindingen af in de diepere bodemlagen. Gezien dit gegeven is het aannemelijk dat de bodemlaag dieper dan 1,0 meter van een vergelijkbare of betere kwaliteit is als de bodemlaag 0,5-1,0 m-mv. Voorafgaand aan grondverzet dient minimaal historisch onderzoek plaats te vinden zoals omschreven in de Nota bodembeheer, paragraaf 6.1.2 conform de vragenlijst in bijlage 5. Locatie specifieke eigenschappen volgen uit het historisch onderzoek. Vraag 10 Waarom wordt de aanwezigheid van GenX niet meegenomen bij de beoordeling van chemische middelen in de bodem of hebben wij dat verkeerd begrepen? Antwoord De advieslijst van Rijkswaterstaat Bodem+ geeft aan dat GenX niet hoeft te worden onderzocht tenzij hier aanleiding voor is. Uit landelijk onderzoek (RIVM) blijkt dat GenX stoffen voorkomen op de plekken waar de GenX technologie wordt gebruikt (bijvoorbeeld door het bedrijf Chemours in Dordrecht). Wel wordt op basis van de Nota bodembeheer, bijlage 5 onder punten 17 en 39 van de vragenlijst navraag gedaan of een locatie verdacht is voor GenX. Vraag 11 De gemeente stelt dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van invasieve exoten (flora).

Er wordt een voorbeeld gegeven, maar wat zijn nu de voorwaarden, die hierbij gesteld worden en om welke aandacht gaat het dan precies? Antwoord De aandacht bestaat uit een visueel terreininspectie voorafgaand aan graafwerkzaamheden en/of het aantreffen van invasieve exoot. Verspreiding moet worden voorkomen. Op basis van de Nota bodembeheer, bijlage 5 onder punt 43 van de vragenlijst wordt navraag naar invasieve soorten gevraagd. In de Nota bodembeheer onder 4.17 wordt beschreven dat, als een invasieve exoot (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen en moet hierover met de gemeente contact worden opgenomen. Als een invasieve exoot (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te gebruiken. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Beantwoording vragen D66: Vraag 1 Waarom zijn er 9 gemeentelijke wegen uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart? Antwoord Vanwege het gebruik kunnen diffuse verontreinigingen ontstaan. Vrij grondverzet is niet wenselijk en derhalve zijn deze wegen uitgesloten van de Bodemkwaliteitskaart. Vraag 2 “B3.

Kassen 1945-1970 en wonen na 1990.” zijn van industrie naar wonen gegaan. Betekent dat grond uit glastuinbouwgebied (wat verdacht is voor bestrijdingsmiddelen) nu vrijelijk door de gemeente verplaatst kan worden? Antwoord Het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan invloed hebben op de bodem. Bij grondverzet is hiervoor aandacht. Dit volgt uit de grondstromenmatrix (Nota bodembeheer (Nota bodembeheer), bijlage 4). Uw vraag komt voort uit het verschil van de verwachte ontgravingsklasse op basis van de eerder vastgesteld Bodemkwaliteitskaart in 2014 en deze Bodemkwaliteitskaart, zoals weergegeven in tabel 3.5. De gemiddelde gehalten worden gebruikt bij de classificatie van de kwaliteit. Een relatief klein

pagina

4/7

Informatienota raad

verschil kan er voor zorgen dat een bodemkwaliteitszone in een andere kwaliteitsklasse valt. Omdat bij deze bodemkwaliteitskaart veel meer meetgegevens beschikbaar zijn dan bij de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart, wordt de bodemkwaliteit beter onderbouwd. Vraag 3 In het overzicht van wijzigingen staat niet vermeld wat er met paragraaf 4.2.4 gebeurd is. Antwoord In de tabel van de samenvatting van de Nota bodembeheer moet voor paragraaf 4.2.4 worden aangegeven ‘aanpassing beleid’. Dit zal in de Nota bodembeheer worden aangepast. De aanpassing houdt in dat in deze Nota bodembeheer met gebiedsspecifiek beleid is geregeld dat in de bovengrond grond tot 0,5 meter beneden maaiveld van onverharde (spoor/metro/weg)bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ en ‘Wonen’ gebiedseigen grond met respectievelijk maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’ kan worden toegepast. In de huidige Nota bodembeheer was dit tot 2,0 meter diepte.

Vraag 4 Kan het college toelichten wat er voor nieuw gemandateerde bevoegdheid wordt gevraagd, en waarom? Antwoord Nieuw beleid voor de gemandateerde bevoegdheid ten opzichte van het tot nu toe gevoerde beleid betreft het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke grondstromenbeleid. Om praktische redenen worden enkele bevoegdheden van de gemeenteraad met een uitvoerend karakter gemandateerd aan het college. Wij rapporteren jaarlijks over de uitvoering van de gemandateerde bevoegdheden aan de gemeenteraad. Vraag 5 Kan het college toelichten waar de meldingsgrens van 50 kuub grondverzet vandaan komt? Antwoord De meldingsgrens van 50 kuub komt voort vanuit de meldingsplicht van het (landelijke) Besluit Bodemkwaliteit. Beantwoording openstaande vragen gesteld tijdens de vergadering: Vraag 1: Ten aanzien van de mandatering van bevoegdheden van de raad naar het college is gevraagd om voor het nieuw beleid aangemerkte besluit te verduidelijken en waar mogelijk met een voorbeeld.

Dit betreft de mandatering van het besluit voor het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke grondstromenbeleid. Antwoord: In de Nota bodembeheer hoofdstuk 10 wordt de mandatering van bevoegdheden van de raad naar het college beschreven. Op deze manier kan de werkdruk van de raad beheerst worden en kunnen besluiten die enkel uitvoerend van karakter zijn, worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. De mandatering van het besluit voor het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart wordt in paragraaf 10.5 van de Nota bodembeheer beschreven. De bodemfunctieklassenkaart zal worden aangepast als conform een vastgesteld bestemmingsplan de bestemming of gebruik van een locatie wijzigt. Hiervan is sprake als de bestemming bijvoorbeeld wijzigt van agrarisch naar wonen.

pagina

5/7

Informatienota raad

De bodemkwaliteitskaart zal moeten worden gewijzigd als uit de evaluatie van de kaart blijkt dat op basis van bodemkwaliteitsgegevens vanuit toekomstige bodemonderzoeken de kwaliteitsindeling op zone niveau moet worden aangepast. Door meer meetgegevens wordt de bodemkwaliteit beter onderbouwd. Van een wijziging van de bodemkwaliteitskaart is sprake als bijvoorbeeld uit de evaluatie blijkt dat de ontgravingsklasse wijzigt van Industrie naar Wonen. Vraag 2: Kunnen de uitvoering en de aantallen van controle en handhaving bij grondstromen nader worden toegelicht? Antwoord: In hoofdstuk 8 van de Nota bodembeheer wordt de controle en handhaving tijdens het ontgraven, tijdelijk opslaan en toepassen van grond op of in de bodem beschreven. In tabel 8.1 worden de verschillende verantwoordelijkheden van betrokkenen beschreven. Voor de uitvoerende taken van de gemeente in het kader van het Besluit bodemkwaliteit geldt de verplichting dat conform het basistakenpakket voor Regionale uitvoeringsdiensten deze taken door de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) worden uitgevoerd. De rapportage van de uitvoering van deze taken worden aangegeven in het jaarlijkse werkplan ODH/Gemeente. Hieruit kunnen de aantallen worden herleidt. Uit de jaarrapportage 2020 van de ODH is op te maken dat iedere toepassing van grond dient te worden gemeld via het meldpunt Bodemkwaliteit.

Deze meldingen worden binnen de ODH beoordeeld door de afdeling Toetsing en Vergunningverlening. Meldingen die niet in overeenstemming zijn met het Besluit bodemkwaliteit worden doorgegeven aan de afdeling Toezicht en Handhaving, waarop een controle wordt ingepland. Daarnaast komen bij de ODH ook meldingen rechtstreeks binnen van mogelijke illegale werkzaamheden met grond of bodemvreemd materiaal. Daarop wordt direct actie ondernomen door ter plaatse een controle uit te voeren. Ook bij een gebiedsgerichte controle – specifiek gericht op bodem – komen de toezichthouders situaties tegen die niet conform wet- en regelgeving zijn. Daartegen wordt handhavend opgetreden. In bijlage I van de jaarrapportage wordt onder toetsingen en vergunningverlening taak ‘Behandeling melding Besluit bodemkwaliteit’ aangegeven dat er in 2020 92 meldingen zijn behandeld. In bijlage II van de jaarrapportage wordt onder toezicht en handhaving onderdeel Besluit bodemkwaliteit aangegeven, dat er 17 controles ‘toepassing grond en bouwstoffen’ zijn uitgevoerd. Het percentage naleving na de eerste controle bedraagt 94%. Vraag 3: Zijn de bestrijdingsmiddelen in de bodemkwaliteitskaart opgenomen? Antwoord: In de bodemkwaliteitskaart zijn alleen de parameters vanuit het standaard stoffenpakket (NEN) opgenomen. De somparameter OCB voor bestrijdingsmiddelen is niet in het stoffenpakket opgenomen.

Voorafgaand aan grondverzet is aandacht voor bestrijdingsmiddelen in de grondstromenmatrix (Nota bodembeheer, bijlage 4) en dient minimaal historisch onderzoek plaats te vinden conform de vragenlijst (Nota bodembeheer, paragraaf 6.1.2 (bijlage 5). Indien sprake is van een lokale (verontreinigings)bron of van een verdachte zone voor bestrijdingsmiddelen dient voorafgaand aan grondverzet bodemonderzoek naar bestrijdingsmiddelen te worden uitgevoerd voor de vrijkomende grond en/of de ontvangende bodem. Het college van Pijnacker-Nootdorp,

pagina

6/7

Informatienota raad

J.P.R. Woudstra secretaris

pagina

7/7

mw. F. Ravestein burgemeester

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10674085/1