Beantwoording vragen fracties PvdD en Graafland ontwerpbestemmingsplan Verzamelplan 2022-2023
Tekst van het document
Informatienota raad
beeldvorming op oordeelvorming op besluitvorming op
invullen organisatie
zaaknummer
1387330
berichtnummer
1231005
onderwerp reden portefeuillehouder behandeld in college
Beantwoording vragen ontwerpbestemmingsplan Verzamelplan 2022/2023 Toezegging / schriftelijke vragen Bart van Straten 22 november 2022
afdeling
Ruimte, Belastingen en Gegevensbeheer
bijlagen
-
pagina
1/5
Informatienota raad
Geachte leden van de raad, Naar aanleiding van een tweetal toezeggingen van plaatsvervangend portefeuillehouder Frank van Kuppeveld tijdens de raadsvergadering van 17 november jongstleden en nadien ingediende schriftelijke vragen van de Fractie Graafland en de fractie Partij voor de Dieren treft u onderstaand de antwoorden aan. Toezeggingen: 1. De passage bij deelplan Boezemweg 18 over milieucategorie 3.2 aan te passen naar categorie 3.1 en eveneens de eis omtrent de voorgevelrooilijn aan te passen. Reactie college: De maximale milieucategorie bij de locatie Boezemweg 18 wordt aangepast van 3.2 naar 3.1. Het betreft bij nader inzien een vergissing. In de staat van wijzigingen wordt dit aangepast. Met de voorgevelrooilijn wordt – naar wij aannemen – de verplichte bouwgrens aan de zijde van Ackerswoude bedoeld. Deze aanpassing staat reeds verwoord in de staat van wijzigingen (pagina’s 9 en 10 van de Nota van beantwoording en staat van wijzigingen) en zal als zodanig in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen worden. 2. Schriftelijk terug te komen op de richtafstand bij Industrieweg 12 in Nootdorp en de raad hierover voor de besluitvorming van 24 november te informeren. Reactie college: Onderstaande schriftelijke vragen gaan over hetzelfde onderwerp. Zie aldaar.
Schriftelijke vragen: Fractie Graafland Het college geeft in de plantoelichting aan dat de bestemming alleen veranderd kan worden, mits de omliggende bedrijfsvestigingen hiervoor geen belemmering opleveren. Verder staat er dat “door een deskundige op het gebied van milieuzonering is beoordeeld of het toekennen van een reguliere woonbestemming toelaatbaar is. Uit die beoordeling blijkt dat daartegen (belemmering voor omliggende bedrijven) geen bezwaren bestaan”. Vraag 1 Deelt het college het standpunt van de onderzoeker dat de functiewijziging vanuit twee perspectieven beoordeeld moet worden, namelijk vanuit de milieubelastende functie (de omliggende bedrijven) en vanuit de milieugevoelige functie (woning) en niet alleen vanuit de milieubelastende functie? Antwoord Jazeker, vanuit beide perspectieven wordt naar de eventuele functiewijziging gekeken. De onderzoeker geeft om de hierboven genoemde reden aan om nader onderzoek te doen om te beoordelen of er vanuit het perspectief van de milieugevoelige functie geen bezwaren zijn. Vraag 2 Kan het college aangeven op welke wijze onderzoek is gedaan naar de woon- en leefklimaat? Antwoord Zoals de onderzoeker aangeeft, dient gekeken te worden naar de feitelijke situatie tussen de woning en de naastgelegen bedrijven. De naastgelegen bedrijven betreffen detailhandel en opslag.
Deze functies veroorzaken in de regel zo weinig overlast dat geen nader onderzoek in de zin van metingen of iets dergelijks is verricht. Van een onverantwoorde situatie is daarom naar het oordeel van ons college geen
pagina
2/5
Informatienota raad
sprake. Overigens worden de omliggende bedrijven in hun activiteiten reeds beperkt door de aanwezigheid van de woning, omdat deze woning niet tot een ter plaatse gevestigd bedrijf behoort. Vraag 3 Heeft het college, zoals de onderzoeker aangeeft, de omgevingsdienst Haaglanden gevraagd of er in de directe omgeving van de woning specifieke meldingen of vergunningen zijn afgegeven met specifieke maatwerkvoorschriften. Hiermee kunnen aanvullende eisen/rechten gelden ten opzichte van de algemene regels? Antwoord Dat is nagevraagd bij de omgevingsdienst Haaglanden. Van specifieke meldingen of van maatwerkvoorschriften was niets bekend. Vraag 4 Kan het college, indien zij van mening is dat de onderzoeker aangeeft dat er ook geen bezwaren bestaan vanuit het perspectief van de milieugevoelige functie aangeven welke motivering door de onderzoeker hiervoor gegeven wordt (graag aanduiden passage rapport)? Antwoord In die tweede alinea onder het kopje ‘Goed woon- en leefklimaat’ geeft de onderzoeker aan dat niets een omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning in de weg staat, indien de milieubelasting vanuit de omliggende bedrijven onder de wettelijke normen blijft. Dat is naar ons oordeel het geval.
Fractie Partij voor de Dieren In het bestemmingsplan Oostambacht 2017 staat het volgende over richtafstanden: ‘De VNG-publicatie kent twee omgevingstypen: 1) een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 2) een gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk, ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied. Naast deze omgevingstypen kent de VNGpublicatie ook het omgevingstype gemengd gebied. Dit is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Hieronder vallen ook de lintbebouwing in het buitengebied (met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid) en gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. De aan de milieucategorie gerelateerde richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd (zie onderstaande tabel).
Milieucategorie Richtafstand tot gemengd gebied (waarvan sprake is bij Industrieweg 12 in Nootdorp) milieucategorie 2.’ In de stukken van het verzamelplan 2022-2023 bij de omzetting van ‘bedrijfswoning’ naar ‘burgerwoning’ van Industrieweg 12 staat het volgende: ‘De gemeente Pijnacker-Nootdorp zou graag een advies ontvangen op basis waarvan men kan besluiten om aan de woning een ‘gewone’ bestemming ‘wonen’ toe te kennen. Daarbij is het de bedoeling om de toegestane milieucategorie van omliggende bedrijven af te stemmen op de feitelijke bedrijfsactiviteiten en de toelaatbare milieucategorie op termijn naar dat niveau terug te brengen.’ In het advies van Aveco De Bondt staat het volgende: ‘Wanneer de ‘bedrijfswoning’ als ‘burgerwoning’ wordt bestempeld zal de woning vanwege de ‘nieuwe’ functie weer strikt aan de richtafstanden van omliggende bedrijven getoetst moeten worden. Met name de direct omliggende locaties waar bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 2 (richtafstand 10 meter in
pagina
3/5
Informatienota raad
gemengd gebied) is toegestaan, vormen hierbij een knelpunt omdat deze op minder dan 10 meter van de woning zijn gelegen. Toekennen van woonbestemming aan bedrijfswoningen. In de stukken staat: ‘Zoals gezegd biedt de VNG handreiking ‘Bedrijven & milieuzonering’ op deze specifieke situatie geen uitkomst omdat het hier om een historisch gegroeide situatie gaat. De woning kan dus niet volledig worden beschermd tegen de omliggende bedrijven als bedrijfswoning. Vraag is of dit bij het omzetten naar een burgerwoning op deze locatie dan wel zo zou moeten zijn. Goed woon- en leefklimaat Naast het beoordelen of de omzetting naar burgerwoning een belemmering oplevert voor omliggende bedrijven moet ook worden beoordeeld of bij en in de woning kan worden voldaan aan een goed woonen leefklimaat. Hiermee is niet de planologische en theoretische situatie aan de orde, maar moet ook worden gekeken naar de feitelijke situatie tussen woning en bedrijven. Hierbij mag uit worden gegaan van de richtlijnen van de VNG waardoor alleen de direct omliggende bedrijven van milieucategorie 2 onderzocht moeten worden. Indien de milieubelasting vanuit de naastgelegen bedrijven onder de wettelijke normen blijft staat niks een omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning in de weg.
Indien de waarden worden overschreden zal er of een bouwkundige oplossing moeten worden gezocht om de woning en de bedrijfsactiviteiten nog beter te scheiden in verband met milieubelasting (geluid, geur, stof, veiligheid) of er moet handhavend worden opgetreden tegen de geconstateerde overschrijding. In beide gevallen zou je daarmee een goed woon- en leefklimaat kunnen creëren. De wethouder heeft aangegeven dat het college zelf kan beslissen of ze op een bepaalde locatie tot omzetting van een ‘bedrijfswoning’ naar ‘burgerwoning’ en qua regels maatwerk kan toepassen. De schijn van willekeur moet voorkomen worden en daarom is het belangrijk dat helder kan worden aangegeven welke afwegingen en beoordelingen zijn gemaakt bij keuzes om wel of niet te voldoen aan de gestelde richtlijnen van de VNG. Naar aanleiding van de bespreking in de oordeelsvormende raad en de bovenstaande toelichting heb ik nog de volgende vragen. Vraag 1 Welke inhoudelijke zorgvuldige afwegingen en beoordelingen zijn gemaakt en hoe verantwoordt het college dat de bedrijfswoning aan de Langelandseweg 18 in Nootdorp WEL aan de richtlijn van 10 meter moet voldoen en de Industrieweg 12 in Nootdorp NIET, terwijl de naastliggende bedrijven onder dezelfde milieucategorie vallen? Antwoord Of een bedrijfswoning omgezet kan worden naar een reguliere woonbestemming is afhankelijk van de specifieke situatie en locatie.
De bedrijfswoning aan de Langelandseweg 18 in Nootdorp is midden in het glastuinbouwgebied gesitueerd. De woning aan de Industrieweg 12 in Nootdorp is gelegen aan de rand van een bedrijventerrein. De naastgelegen bedrijvigheid vormt naar ons oordeel aan de Industrieweg geen belemmering aan de bedrijfswoning (die reeds tientallen jaren feitelijk niet meer als zodanig in gebruik is) een reguliere woonbestemming toe te kennen, te meer omdat de feitelijke bedrijfsactiviteiten op de locatie naast de woning aan de Kruisweg op verzoek van de eigenaar zijn teruggebracht naar detailhandelsactiviteiten. De situatie aan de Langelandseweg is niet vergelijkbaar met de locatie aan de Industrieweg. In het advies van de milieudeskundige staat uitgelegd waarom de richtafstand in dat geval niet hoeft te worden gehanteerd en op basis van het feitelijke gebruik (detailhandels- en opslagactiviteiten) tot het oordeel kan worden gekomen dat het omzetten van de woning naar een reguliere woonbestemming mogelijk is. Vraag 2 Blijft de milieubelasting vanuit de naastgelegen bedrijven onder de wettelijke normen en zo ja, op basis waarvan is dat vastgesteld? Zo nee, is de conclusie juist dat niet wordt voldaan aan de eisen? Wordt er
pagina
4/5
Informatienota raad
in dat geval een bouwkundige oplossing gezocht of wordt er dan handhavend opgetreden? En als ervoor een bouwkundige oplossing wordt gekozen, waar bestaat die dan uit? Antwoord 2 Met verwijzing naar het antwoord op vraag 2 van de fractie Graafland geeft de onderzoeker aan dat gekeken dient te worden naar de feitelijke situatie tussen de woning en de naastgelegen bedrijven. De naastgelegen bedrijven betreffen detailhandel en opslag. Deze functies veroorzaken in de regel zo weinig overlast dat geen nader onderzoek in de zin van metingen of iets dergelijks is verricht. Van een onverantwoorde situatie is daarom naar ons oordeel geen sprake. Overigens worden de omliggende bedrijven in hun activiteiten reeds beperkt door de aanwezigheid van de woning, omdat deze woning niet tot een ter plaatse gevestigd bedrijf behoort. Gelet op de geringe overlast die – wanneer wordt gekeken naar het Activiteitenbesluit – kan optreden, zien wij voorshands geen problemen. De onderzoeker geeft in de aangehaalde passage slechts aan, aan welke oplossingen (maatregelen of handhavend optreden) gedacht kan worden indien zich onverhoopt toch juridisch onaanvaardbare overlast zal voordoen. Daarop willen wij niet vooruitlopen. Vraag 3 En een verhelderende vraag over de bestemming ‘tuin’.
De wethouder heeft tijdens de oordeelsvormende vergadering aangegeven dat binnen de bebouwde kom tuin als ‘tuin’ kan worden bestemd en buiten de bebouwde kom als ‘woning’. Zuideindseweg 37 ligt buiten de bebouwde kom, maar daar is wel de tuin als ‘tuin’ bestemd. Hoe zit het nu? Antwoord Het middengebied van het nieuwe hofje aan de Zuideindseweg 37 is in het oorspronkelijke Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021 voorzien van de bestemming ‘Tuin’. In de binnen de gemeente gebruikte plansystematiek voor het buitengebied is een dergelijke bestemming niet gebruikelijk – en als deze al terug wordt gebracht – alleen in voorkomende gevallen voor gronden voor de voorgevel (voortuin). Daarnaast is het juist omwille van de openheid van dit middengebied, belangrijk om te regelen dat er ook geen (vergunningvrije) bouwwerken kunnen worden opgericht. Om misverstanden hierover te voorkomen, ligt het meer voor de hand om niet de bestemming ‘Tuin’, maar de bestemming ‘Agrarisch-Weide’ te hanteren. Daarom is in het ontwerpbestemmingsplan gekozen voor deze, meer passende en duidelijkere, agrarische bestemming. De overeenkomst en de bestemmingssystematiek sluiten dan echter niet meer op elkaar aan. Betrokkene hecht er aan om de bestemming ‘Tuin’ te behouden.
Om enerzijds recht te doen aan de overeenkomst en anderzijds een zo goed mogelijke juridisch-planologische regeling te maken, is bij de vaststelling van de correctieve herziening bij wijze van uitzondering een specifiek op deze plek toegesneden bestemming ‘Tuin-2’ (inclusief een specifieke aanduiding waardoor geen bouwwerken zijn toegestaan) opgenomen. Wij vertrouwen erop de vragen naar tevredenheid te hebben beantwoord en u hiermee voor nu voldoende geïnformeerd te hebben. Het college van Pijnacker-Nootdorp,
Edwin Wernke secretaris
pagina
5/5
Björn Lugthart burgemeester