CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

- Beantwoording beeldvormende vragen TROTS, PvdD, CDA, EA en D66 - Kaderstellende notitie Omgevingsprogramma Leefkwaliteit

Raad Besluitvorming 26 juni 2025, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 15850295.232 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo beantwoording beeldvormende vragen

zaaknummer

1588578

berichtnummer

1443444

aan

Raad

van

College

afschrift datum onderwerp status

12 juni 2025 Beantwoording beeldvormende vragen over de kaderstellende notitie van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit Informatief

Door de meerdere partijen zijn beeldvormende vragen gesteld over de kaderstellende notitie van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit (agendapunt 4c). Hieronder treft u de beantwoording aan. Beeldvormende vragen van de fractie van Trots: Vraag 1 (Trots) Er wordt aangegeven dat: “Tijdens het proces van het opstellen van het Omgevingsprogramma zullen we steeds oog hebben voor het evenwicht tussen de benodigde en de beschikbare financiële middelen. De keuzes die wij hierbij maken zullen invloed hebben op het tempo waarin de gestelde ambities kunnen worden gerealiseerd.” a. Stel het tempo is langzamer dan verwacht. Op welke moment informeert het college de raad hierover? b. En komt het college dan met een voorstel naar de raad voor meer financiële middelen om het gestelde tempo wel te halen? Antwoord Tijdens het op te stellen van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zullen we goed kijken welke ambities gewenst zijn en in welk tempo deze, gelet op de beschikbare financiële middelen, gerealiseerd kunnen worden. Het ontwerp Omgevingsprogramma Leefkwaliteit wordt ook met de gemeenteraad gedeeld in de zienswijzeprocedure, dan kan de gemeenteraad ervoor kiezen om het Omgevingsprogramma met het college te bespreken. Ook zorgen we ervoor dat de uitvoering daarna conform het tempo van het programma gerealiseerd kan worden. Het instrument Omgevingsprogramma is nieuw.

De komende periode zal een evaluatie van de ervaring tot nu worden uitgevoerd. Hierin zal ook aandacht besteed worden aan de wijze waarop de gemeenteraad betrokken is bij de opstelling van de Omgevingsprogramma's en over de uitvoering geïnformeerd zal worden. Wij zijn in elk geval voornemens om de uitvoering van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit na vaststelling tweejaarlijks te monitoren en hierover de gemeenteraad te informeren. Dit gebeurt naast de reguliere informatievoorziening in de P&C- documenten. Vraag 2 (Trots) Waarom is ervoor gekozen om niet te differentiëren met het niveau van participatie voor de verschillende stakeholders? Antwoord Wij zien geen grote verschillen in belangen van de verschillende stakeholders. Daarom kiezen we voor een gelijk niveau van participatie. Bij het uitvoeren van maatregelen (dus na vaststelling van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit) is het wel mogelijk dat bepaalde stakeholders intensiever betrokken zullen worden bijvoorbeeld in de uitvoering, zoals de Omgevingsdienst Haaglanden en GGD Haaglanden of in een adviesrol zoals het Milieuplatform.

pagina

1/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Vraag 3 (Trots) Wat is de afweging geweest om “Afval” op te nemen als deelonderwerp in het omgevingsprogramma? Antwoord Om verbinding te maken tussen het onderwerp afval en de overige deelonderwerpen in het programma Leefkwaliteit. Integraal werken is een centraal thema bij het opstellen van Omgevingsprogramma’s. Daarnaast willen we onderzoeken of er naast afvalscheiding (waar het nieuwe afvalbeleid zich op richt) nog andere aspecten met betrekking tot afval aandacht behoeven. Vraag 4 (Trots) Komt het college met een plan om assimilatieverlichting uit te faseren in onze gemeente? Antwoord Voor assimilatiebelichting gelden landelijk regels. Het is niet mogelijk om verder te gaan dan landelijke wetgeving. Wel gaan we onderzoeken wat binnen de wettelijke regels mogelijk is om lichthinder tegen te gaan. Ook hebben we in het Omgevingsprogramma Vitale Glastuinbouw aangegeven te willen onderzoeken of we maatwerk, waarmee een aantal tuinders extra lichtuitstoot mogen veroorzaken, kunnen beëindigen. Vraag 5 (Trots) Wat is de afweging geweest om Natuurlijk Delfland niet op te nemen als stakeholder als het gaat om bijvoorbeeld het deelonderwerp “Licht/donker”? Antwoord De lijst met stakeholders is niet geheel uitputtend. Wij zullen ook Natuurlijk Delfland betrekken bij dit onderwerp.

Vraag 6 (Trots) Er wordt aangegeven dat: "De gemeente kan zelf regels opstellen over lichthinder, en mag dit gebiedsspecifiek doen, bv. via een “lichtkaart” waarin gebieden worden ingedeeld in verschillende lichtzones" a. Komt hier ook een mogelijkheid om toekomstige situaties in op te nemen? Bijvoorbeeld doelstellingen op het gebied van lichthinder, etc. Antwoord Ja, dit is mogelijk. Per gebiedstype kan een doelstelling en/of kunnen regels worden opgenomen. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met landelijke regelgeving, zoals bijvoorbeeld voor assimilatiebelichting. Vraag 7 (Trots) Wij lezen: "Binnen de gemeente zijn geen locaties met acute risico’s aanwezig waarbij op korte termijn beheersmaatregelen vereist zijn." Zijn er locaties welke op de lange termijn een risico vormen en dient daarvoor niet een saneringsplan te worden gemaakt met bijbehorende financiële reservering? Antwoord Voor alle locaties met ernstige bodemverontreiniging die nu bekend zijn, zijn de risico’s bepaald. De provincie is bevoegd gezag voor locaties met spoed en neemt beheermaatregelen om bijvoorbeeld verspreiding te voorkomen. De gemeente heeft geen financiële verplichtingen in dit kader. De locaties zonder spoed worden in de toekomst (vaak als gevolg van gebiedsontwikkeling) een keer aangepakt.

pagina

2/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Beeldvormende vragen van de fractie van de PvdD: Vraag 1 (PvdD) 1) Welke concrete ambities en doelen uit de omgevingsvisie gelden voor dit omgevingsprogramma; kunt u deze expliciet maken? Antwoord De ambities en doelen die betrekking hebben op dit omgevingsprogramma zijn vooral opgenomen in paragraaf 4.3. (bladzijde 40) een goede omgevingskwaliteit. De ambities en doelen zijn veelal niet heel concreet en er zijn ook niet voor alle deelonderwerpen ambities en doelen opgenomen. Hieronder volgt een opsomming: - In 2050 is het nog steeds druk in de Randstad. In Pijnacker-Nootdorp hebben we daarom veel aandacht besteed aan het bereiken van een evenwicht in de omgevingskwaliteit zodat de gemeente een gezonde en veilige plek is om te wonen en leven; - Daarvoor houden we ons aan wettelijke regels voor geluid, water, externe veiligheid, lucht en bodem; - Binnen deze kaders stellen we waar nodig gebiedsgericht beleid op (op sommige plekken meer, op andere plekken minder zoals geluid, licht of geur); - Er is aandacht voor (externe) veiligheid, waarbij we onderzoeken of de Omgevingswet meer mogelijkheden biedt voor bescherming; - We betrekken de Veiligheidsregio tijdig bij veiligheidsaspecten van nieuwe energiebronnen en/of opslag; - We maken richting 2050 bewuste keuzes over rust versus drukte en donkerte versus licht; - De luchtkwaliteit is in 2050 verbetert, naast nationaal beleid

hebben wij ook hier onze bijdrage aan geleverd bijvoorbeeld door reductie van C02 als gevolg van toename duurzame energiegebruik; - Meer functiemenging (kleinschalige bedrijvigheid en wonen); - De kwaliteit van de bodem heeft niet geleden onder deze toenemende drukte. Door sanering en monitoring is de bodemkwaliteit verbeterd en er is geen sprake meer van ernstig vervuilde locaties. Vraag 2 (PvdD) Waarom staan er geen kwantitatieve kaders in deze notitie voor te behalen doelen op het gebied van (reductie van) de verschillende vormen van milieuvervuiling? Antwoord Om kwalitatieve kaders voor doelen te kunnen stellen is het nodig om in de eerste plaats te weten waar we nu staan voor de verschillende deelonderwerpen. Wat is de huidige kwaliteit op het gebied van bodem, water, lucht etc. In stap 3 van het proces om te komen tot het omgevingsprogramma (bladzijde 15) zijn we dit in beeld aan het brengen. Daarnaast is het ook nodig om te weten welke mogelijkheden de gemeente heeft om de (milieu) kwaliteit te beïnvloeden. Ook dit vindt in stap 3 van het proces om te komen tot het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit plaats. Vraag 3 (PvdD) Er staat: ‘De gemeente is ondertekenaar van het Schone Lucht Akkoord (SLA).

Hierin wordt gezamenlijk gestreefd naar een landelijke gezondheidsverbetering van 50% uit binnenlandse bronnen in 2030 ten opzichte van 2016.’ Gaan we dit in onze gemeente halen? Antwoord We hebben de ambitie om deze doelstelling te halen. Er wordt gewerkt aan een regionale aanpak om de luchtkwaliteit in Haaglanden te verbeteren. Deze regionale aanpak is gebaseerd op de resultaten van het

pagina

3/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

onderzoek 'Luchtverontreiniging in de regio Haaglanden' dat GGD Haaglanden heeft uitgevoerd (zie ingekomen stukken van de gemeenteraad op 23-11-2023). In de regionale aanpak worden gezamenlijke maatregelen opgesteld en afgestemd om- met name- de bronnen van luchtvervuiling aan te pakken. Om de luchtvervuiling vanuit de glastuinbouw tegen te gaan is in de kaderstellende notitie voor het Omgevingsprogramma Vitale Glastuinbouwgebieden (pagina 9) de verbetering van de luchtkwaliteit ook opgenomen. De energietransitie in de glastuinbouw heeft in de afgelopen jaren een belangrijke bijdrage in de verbetering van de luchtkwaliteit opgeleverd en hier zetten we ook in toekomst op in. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zullen we verder concreet uitwerken hoe we aan de doelstelling van het SLA kunnen gaan voldoen. Vraag 4 (PvdD) Er staat: ‘In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit onderzoeken en bepalen we welke ambitie en maatregelen gewenst en haalbaar zijn om de luchtkwaliteit lokaal te verbeteren.’ Wat is er al bekend uit eerdere onderzoeken ((verkeer, glastuinbouw, houtstook, consumenten is al bekend)? Waarom is aanvullend onderzoek nodig? Waarom worden er geen concrete maatregelen genomen in het Omgevingsprogramma? Antwoord Zoals op bladzijde 15 staat aangegeven gaan we in fase 3 de huidige stand van zaken goed in beeld brengen.

Daarbij maken we uiteraard gebruik van reeds eerder uitgevoerde onderzoeken. In deze fase onderzoeken we ook welke mogelijkheden wij als gemeente hebben de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Deze zullen vertaald worden in concrete maatregelen die in het Omgevingsprogramma Vraag 5 (PvdD) Er staat: ‘Bij piekbelasting van het rioolstelsel stort het riool over op het oppervlaktewater. Er is nog geen inzicht hoe vaak dit voorkomt en welke effecten dit heeft op de waterkwaliteit. Bij piekbelasting van het rioolstelsel stort het riool over op het oppervlaktewater.’ Gaat dit nader onderzocht worden? Zo nee, waarom niet? Antwoord Ja, dit zal zeker nader onderzocht worden. Omdat dit geen lokaal probleem is, wordt in regionaal verband (waterketen Delfland) al een pilot naar dit onderwerp uitgevoerd. wij zullen gebruik maken van de kennis en ervaring die in deze pilot wordt opgedaan. Vraag 6 (PvdD) Er staat: ‘In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit onderzoeken en bepalen we welke maatregelen nodig zijn om de KRW-doelen te halen.

Ook onderzoeken we of verdergaande ambities en maatregelen gewenst en haalbaar zijn om de waterkwaliteit te verbeteren en in overeenstemming te brengen met de functie van het gebied waar het water zich bevindt.’ Wat komt er uit de reeds gedane onderzoeken al naar voren? Waarom is er nog meer onderzoek nodig? Welke maatregelen kunnen nu al getroffen worden (bijvoorbeeld intensivering van toezicht en handhaving)? Antwoord Uit de jaarlijkse rapportage van het Hoogheemraadschap van Delfland over 2023 blijkt dat in het hele gebied van Delfland de KRW richtlijn niet gehaald wordt. De rapportage over 2024 wordt binnenkort verwacht, maar de verwachting is dat deze geen ander beeld zal geven. Het afgelopen jaar hebben we samen met Delfland de waterkwaliteit in de gemeente en de mogelijke maatregelen om deze te verbeteren in beeld gebracht (de staat van ons water). Op basis hiervan zullen in het Omgevingsprogramma bepalen wat nodig is om de KRW doelen te halen en of op termijn (in bepaalde gebieden) nog verdergaande ambities mogelijk zijn. Ondertussen blijven we doorgaan met reeds ingezette aanpakken zoals het project Emissieloze kas (waarover u via raadsinformatiebrieven geïnformeerd bent) en het Waternetwerk Delfland, waarin we met alle partijen binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland onder andere werken aan een betere waterkwaliteit.

pagina

4/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Vraag 7 (PvdD) Lichtvervuiling is een groot probleem in onze gemeente. Welke mogelijkheden heeft de gemeente zelf om lichtvervuiling tegen te gaan, zoals straatverlichting (waarbij de veiligheid als toetsing wordt meegenomen)? Antwoord De gemeente heeft op grond van de Omgevingswet mogelijkheden om eigen gebiedsgericht beleid te voeren op een lokaal thema zoals lichthinder. In het omgevingsprogramma gaan we onderzoeken hoe dit exact kan. Ook gaan we hierbij integrale afweging tussen lichthinder enerzijds en andere aspecten zoals veiligheid maken. Dit vertalen we vervolgens in concrete ambities en maatregelen. Vraag 8 (PvdD) Kan wat meer worden uitgelegd over PFAS in relatie tot bodemkwaliteit en hoe hiermee om te gaan? Antwoord In de gemeentelijke Nota bodembeheer (2021) is het grondstromenbeleid geactualiseerd voor PFAS. Hierin heeft de gemeente toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen in grond gedefinieerd. Als uit historisch onderzoek blijkt dat er op een locatie mogelijk PFAS is gebruikt, dan zal bij nieuwe ontwikkelingen de bodem op PFAS worden onderzocht.

Vraag 9 (PvdD) Er staat: ‘Beperking van de toepassing van kunstlicht draagt bij aan de duurzaamheidsambities van de gemeente’ Op welke manier wil de gemeente dit op hoofdlijnen gaan aanpakken? Antwoord In het omgevingsprogramma Leefkwaliteit gaan we de mogelijkheden voor beperking van lichthinder in kaart brengen om vervolgens keuzes te maken. In het Omgevingsprogramma Energie worden de duurzaamheidsambities ten aanzien van het verbruik van elektriciteit opgenomen, verlichting is daar een onderdeel van. Tussen beide programma’s vindt afstemming plaats. Vraag 10 (PvdD) Er staat: Pijnacker-Nootdorp heeft net als andere glastuinbouwgemeenten in West-/Oostland maatwerk verleend aan enkele specifieke rozenkwekerijen. Hiermee hoeven deze bedrijven op bepaalde momenten en bij bepaalde omstandigheden de toegepaste verlichting minder af te schermen. Zowel in de Omgevingsvisie als in de kaderstellende notitie voor het Omgevingsprogramma Vitale glastuinbouwgebieden is de wens uitgesproken om het maatwerk op termijn te beëindigen.’ Wordt er nog weer opnieuw een maatwerkontheffing afgegeven of niet meer? Wanneer wordt dit beëindigd? Antwoord Eén van de doelstellingen die benoemd zijn in de kaderstellende notitie voor het Omgevingsprogramma Vitale Glastuinbouwgebieden is het beëindigen van het maatwerk uitstraling assimilatiebelichting in de nacht.

Onderdeel van het omgevingsprogramma is het heroverwegen van het maatwerk. Daarnaast zijn we met de Omgevingsdienst Haaglanden in gesprek over dit onderwerp. Doordat veel tuinders zijn overgeschakeld naar LED verlichting is, is de vraag of maatwerk nog nodig is. Overigens zal na beëindiging van het maatwerk nog steeds lichthinder optreden, omdat er op grond van landelijke regelgeving geen verplichting is voor 24/7 afschermen van verlichting. Vraag 11 (PvdD) Wordt er onderzocht op welke manier de gemeente zelf (straatverlichting, reclameverlichting e.d.) kan bijdragen om de lichtvervuiling tegen te gaan?

pagina

5/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Antwoord Ja, dit zal nadrukkelijk onderzocht worden en deel uitmaken van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit. Vraag 12 (PvdD) De uitstoot en het geluid van oudere bromfietsen en de snelheid van bromfietsers is vaak hoog. Is de gemeente bereid om hier meer toezicht en handhaving op te gaan houden om het geluid en de uitstoot te verminderen? Antwoord In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit richten we ons bij het thema geluid vooral op het bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zorgdragen voor een goede leefkwaliteit voor het onderdeel geluid. Hierbij is verkeersgeluid van auto’s en railverkeer de belangrijkste bron. Geluid afkomstig van brommers kan lokaal overlast veroorzaken, maar handhaving kan maar heel beperkt een bijdrage leveren aan het terugdringen van overlast. Daarnaast beschikken BOA’s niet over kennis en apparatuur om geluidmetingen uit te voeren en hebben zij geen bevoegdheid om op dit aspect te controleren. Wel kunnen ze in voorkomende gevallen de politie inschakelen. Vraag 13 (PvdD) Bosmaaiers veroorzaken veel geluidsoverlast. Het groenbeheer van de gemeente wordt uitbesteed.

Is het mogelijk om met de beheerders te overleggen om (geleidelijk) over te gaan tot het gebruik van stille elektrische bosmaaiers, waardoor ook wordt bijgedragen aan de verbetering van de luchtkwaliteit, omdat er hierdoor ook geen uitstootgassen in de lucht komen? Antwoord Zoals bij antwoord 12 aangegeven richten we ons qua geluid in dit Omgevingsprogramma vooral op de belangrijkste bron (verkeerslawaai). Dit is een zeer specifiek onderwerp dat meer thuishoort in het gemeentelijke (duurzame) aanbestedingsbeleid. Vraag 14 (PvdD) Welke normen worden er gehanteerd qua geluidsbelasting bij evenementen? Antwoord In het evenementenbeleid zijn geluidsnormen opgenomen voor de evenementen. Dit is gebaseerd op landelijk aanbevolen normen. We willen echter toewerken naar maatwerk voor de verschillende evenementenlocaties in de gemeente. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit gaan we onderzoeken hoe we hier het beste vorm aan kunnen geven om ervoor te zorgen dat evenementen ook prettig verlopen voor de omgeving. Vraag 15 (PvdD) Kan iets meer toegelicht worden over de kaders die gehanteerd gaan worden bij geuroverlast in het Omgevingsprogramma? Antwoord Om geuroverlast tegen te gaan is afstand creëren tussen bron en ontvanger een goede oplossing. Hiervoor zijn landelijke richtlijnen. In sommige gevallen is lastig om deze afstand aan te houden.

In die gevallen kan een geuronderzoek worden uitgevoerd waaruit blijkt of geur van een activiteit acceptabel is of niet. Vraag 16 (PvdD) Externe veiligheid. Er staat: ‘De gemeente mag voor sommige onderwerpen strenger beleid formuleren.’ Om welke onderwerpen gaat het dan?

pagina

6/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Antwoord De gemeente moet gebouwen en locaties onder verdelen in categorieën variërend van zeer kwetsbaar gebouw tot beperkt kwetsbare locatie. De gemeente mag gebouwen en locaties in een “hogere” categorie plaatsen en daardoor meer bescherming geven. Er is een vaste afstand (vaak niet meer dan 5 meter) vanaf een risicobron waarbinnen niets gebouwd mag worden. Daaromheen ligt een gebied waarbinnen we moeten onderzoeken of en zo ja hoe hoog het risico vanwege de aanwezigheid van mensen is. We kunnen de norm daarvoor strenger maken dan wettelijk is vastgelegd. Als de gemeente binnen dit gebied nieuwe gebouwen met de hoogste bescherming wil toelaten, worden aan dit gebouw aanvullende bouweisen gesteld. De gemeente kan kiezen voor de wettelijk voorgeschreven bouweisen of ervoor kiezen te volstaan met (ook wettelijk erkende) gelijkwaardige maatregelen. Dit biedt meer flexibiliteit met eenzelfde mate van veiligheid. De aanvullende bouweisen zijn in principe niet nodig voor nieuwe gebouwen uit een “lagere” categorie als er in de omgeving van de risicobron en het toe te laten nieuwe gebouw al voldoende bescherming is. De hoge kosten wegen dan niet op tegen de zeer geringe of niet te realiseren veiligheidswinst. Maar de gemeente mag hier wel voor kiezen. Kortom: WAT MOET

WAT MAG

Gebouwen en locaties minimaal zoals voorgeschreven categoriseren Voorkomen nieuwe overschrijding van de norm voor het risico bij de aanwezigheid van mensen Aanvullende, wettelijk vastgelegde bouweisen stellen voor bij de bouw van nieuwe gebouwen in de "hoogste” categorie Aanvullende, wettelijk vastgelegde bouweisen stellen voor bij de bouw van nieuwe gebouwen in de "hoogste” categorie. Minimaal gelijkwaardige maatregelen treffen

Een "strengere” categorie toekennen aan een gebouw of locatie De norm nog meer begrenzen Aanvullende bouweisen ook stellen bij de bouw van nieuwe gebouwen van een “lagere” categorie Bepalen dat bij nieuwbouw in de “lagere "categorieën ook aanvullende bouweisen gelden Bepalen dat strikt voldaan moet worden aan de wettelijke aanvullende bouweisen

Gezien de geringe risico's binnen de gemeente is het niet nodig om strenger te zijn dan wettelijk bepaald is. Wel nuttig is, in het kader van ETFAL, om te kijken of bepaalde risicovolle activiteiten in/nabij bepaalde gebieden expliciet moeten worden toestaan dan wel verboden. Vraag 17 (PvdD) Sociale veiligheid. Hebben zich in de afgelopen jaren incidenten in onze gemeente voorgedaan met betrekking tot racisme bedreiging van mensen uit de LHBTIQ+ gemeenschap of van antisemitisme? Zo ja, kan, voor zover mogelijk, inzicht worden gegeven waar dat over ging? Antwoord Het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit gaat over het veilig inrichten van de fysieke leefomgeving en niet over sociale veiligheid, waar zaken als racisme en bedreiging, onder vallen. Vraag 18 (PvdD) Brandveilige leefomgeving. Worden bij de controles van de brandweer ook jaarlijks steekproefsgewijs controles uitgevoerd naar de brandveiligheid van stallen waar dieren worden gehouden? Antwoord Nee, de brandweer voert niet jaarlijks steekproefsgewijs controles uit naar de brandveiligheid van stallen. Dierenverblijven voor het bedrijfsmatig houden van dieren vallen in de categorie ‘lichte industrie functie’. Deze functie valt in de risicoklasse ‘laag’ en wordt daarom niet periodiek gecontroleerd.

pagina

7/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Vraag 19 (PvdD) Er staat: ‘Voor het opstellen van het Omgevingsprogramma zijn reeds financiële middelen beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn bedoeld voor participatie en advies en ondersteuning bij het opstellen van het Omgevingsprogramma. Er is nog geen inzicht in eventueel benodigde financiële middelen voor de uitvoering van maatregelen die opgenomen worden in het programma.’ Wanneer komt er zicht op de benodigd financiële middelen? Antwoord Er komt zicht op de eventueel benodigde financiële middelen zodra de ambities en vooral de concrete maatregelen bekend zijn. Gelet op de financiële toekomst van de gemeente zullen we vooral inzetten op maatregelen die uitgevoerd kunnen worden binnen de bestaande budgetten. Zoals reeds in de kaderstellende notitie staat aangegeven zal dit mogelijk gevolgen hebben voor het tempo waarin de gestelde ambities behaald kunnen worden. Vraag 20 (PvdD) Zijn de in de notitie beschreven ambities wel haalbaar? Zo niet, hoe vindt dan prioriteitstelling plaats (wat wel en wat niet)? Antwoord Zoals bij vraag 19 beschreven zijn de beschikbare financiële middelen de komende jaren beperkt. Dit heeft geen gevolgen te hebben voor de ambities, wel voor het tempo waarin ze kunnen worden behaald. In het uitvoeringprogramma dat onderdeel zal zijn van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zullen prioriteiten gesteld moeten worden.

We zullen een beschrijving van de prioriteitstelling opnemen ter onderbouwing van de gemaakte keuzes (wat eerst, wat later en wat niet)

pagina

8/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Beeldvormende vragen van de fractie van het CDA: Vraag 1 (CDA) 3.1 Luchtkwaliteit (blz. 5) We lezen dat voor NO2 en fijnstof vanaf 2030 een strengere norm geldt en dat de prognose is dat Pijnacker-Nootdorp daaraan kan voldoen. Hoeveel zitten we er nu nog boven? Antwoord In 2024 waren er geen overschrijdingen van de huidige normen. De hoogste concentraties waren 22,8 μg/m³ voor NO₂ en 16,45 μg/m³ voor PM₁₀ – beide ruim onder de grenswaarden van nu. Als de uitkomsten van 2024 worden afzet tegen de toekomstige grenswaarden zit de 22,8 μg/m³ voor NO₂ net boven de grenswaarde van 2030 (20 μg/m³), voor PM₁₀ wordt met 16,45 μg/m³ al wel voldaan aan de grenswaarde van 2030 (20 μg/m³). Vraag 2 (CDA) 3.2 Waterkwaliteit (blz. 6) Waarom wordt bij waterkwaliteit niet gekeken naar zwemwaterkwaliteit? Antwoord Ook zwemwaterkwaliteit zal meegenomen worden bij het onderwerp waterkwaliteit. De problematiek van zwemwater is anders dan voor waterkwaliteit algemeen en ook alleen relevant voor de Dobbeplas (dit is de enige locatie in de gemeente waar de zwemwaterkwaliteit gemonitord wordt door het Hoogheemraadschap van Delfland). Er wordt gemeten of bepaalde bacteriën (intestinale enterokokken (IE) en Escherichia Coli (E. coli)) in het water voorkomen.

Ook wordt bij de inspectie de zwemwaterplekken ook op andere soorten van vervuiling, zoals blauwalgen of andere giftige algen en veiligheid gecontroleerd. Vraag 3 (CDA) Op blz. 7 lezen we: " waarbij uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit overall binnen de gemeente niet mag verslechteren." Wat wordt bedoeld? Dat het nergens mag verslechteren, of dat het over het geheel genomen niet mag verslechteren? Antwoord De Nota Bodembeheer Pijnacker-Nootdorp (2021) en Bodemkwaliteitskaart Gemeente PijnackerNootdorp zijn gericht op gebiedsgericht grondverzet met als uitgangspunt dat bodemkwaliteit binnen het beheergebied niet mag verslechteren. Bij het nuttig toepassen van grond hanteert de gemeente Pijnacker-Nootdorp het standstill principe op bodembeheergebiedsniveau, het gemeentelijke grondgebied. Het standstill principe betekent dat de bodemkwaliteit in de gemeente gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Vraag 4 (CDA) Op blz. 15 wordt gerefereerd aan het Advies Milieuplatform. Kunnen wij dit document krijgen? Antwoord Het advies van het Milieuplatform en onze schriftelijke reactie hierop treft u als bijlage aan. Vraag 5 (CDA) Participatie; zie de tabel op blz. 17.

Waarom worden ondernemersverenigingen niet betrokken (op het niveau van meedenken) bij luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, geur en afval? Antwoord De lijst met stakeholders is niet geheel uitputtend, Wij zullen de ondernemersverenigingen ook betrekken bij de participatie in het kader van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit.

pagina

9/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Beeldvormende Vragen Eerlijk Alternatief: Vraag 1 (Eerlijk Alternatief) Deze notitie heeft als uitgangspunten een gebiedsgerichte aanpak en streeft verbinding met veiligheidsbeleid en ruimtelijk beleid na. Waarom worden soms specifiek gebiedsgerichte risico’s genoemd , terwijl bij andere onderdelen deze niet uitputtend worden vermeld? Om mijn vraag te verduidelijken geeft ik hieronder enkele voorbeelden. 3.1 luchtkwaliteit blz 5 Welk beleid is er om lokale emissies te beperken? Waterkwaliteit blz 6 Hier is wel duidelijke risicogestuurde aanpak aangegeven Bodemkwaliteit. Ook hier worden duidelijke acties aangegeven. licht/donkerblz 7 Is hiervoor al lokaal vastgelegd beleid? Geluid blz 8 Is hiervoor al lokaal vastgelegd beleid Antwoord Op een aantal thema’s is al beleid en/of worden al maatregelen uitgevoerd. Deze zijn daarom al benoemd (bijvoorbeeld de risicogestuurde aanpak waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden). Voor andere thema’s is dat niet het geval, zoals bij licht/donker. Dit veroorzaakt de verschillen per deelthema. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit willen we voor alle deelthema’s ambities en bijbehorende maatregelen vastleggen. Vraag 2 (Eerlijk Alternatief) Onder deze notitie liggen tal van beleidsstukken of beleid in wording.

Is het college van mening dat voor de volledigheid deze middels een link of verwijzing toegevoegd kunnen worden? Antwoord In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zal concreet worden aangegeven- net als bij de andere omgevingsprogramma's- welke nota's in dit omgevingsprogramma zijn opgenomen. We nemen uw suggestie mee om voor de volledigheid goed te verwijzen, door bijvoorbeeld een link naar Notubiz waar de nota's te vinden zijn. Ook worden deze nota's bij vaststelling van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit door het college actief ingetrokken. Vraag 3 (Eerlijk Alternatief) Bij de risico’s externe veiligheid worden een aantal concrete plekken genoemd. Tankstations die door uitbreidingen van woonwijken steeds meer in en bebouwde kom zijn komen te liggen worden niet genoemd . Waarom is dit niet nodig? Antwoord Binnen onze gemeente zijn in de openbare ruimte geen tankstations aanwezig waar LPG, LNG en/of waterstof getankt kan worden. Deze type tankstations kennen wel een vaste aan te houden veiligheidsafstand en een zone eromheen waarin, vanwege externe veiligheid, gekeken moet worden naar het risico vanwege de aanwezigheid van mensen. Bij de tankstations in onze gemeente kan alleen benzine en diesel worden getankt. De (mogelijke) effecten van een incident worden tot een korte afstand beperkt.

Deze typen tankstations kennen daarom geen vaste veiligheidsafstanden en geen zone waarin rekening moet worden gehouden met risico’s. Vandaar dat deze tankstations wel relatief dicht in de buurt van (woon)bebouwing mogen staan maar tankstations met bijvoorbeeld LPG niet. Vraag 4 (Eerlijk Alternatief) Als het gaat om veiligheid in en nabij woningen worden niet expliciet de volgende risico’s vermeld;

pagina

10/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

*productie van natuurlijke en synthetische drugs in schuren en woningen. *gevaar van branden en explosies, al of niet drugs gerelateerd. Waarom wordt dit niet vermeld? Antwoord De productie van drugs is bij wet verboden en landelijke wet- en regelgeving biedt de mogelijkheid om hier bestuursrechtelijk tegen op te treden. Hier wordt zowel proactief als meldingsgestuurd op gecontroleerd en gehandhaafd. De gemeente heeft hier verder geen regulerende taken in. Daarom hoeven hiervoor geen aanvullende zaken te worden opgenomen in het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit. Vraag 5 (Eerlijk Alternatief) Er is regelgeving mbt klimaatduurzame wijken. Waarom is hier de regelgeving bij kortstondige hevige neerslag met overstromingen niet meegenomen? Antwoord Voor het onderwerp klimaatbestendigheid zal een separaat Omgevingsprogramma Klimaatbestendige gemeente worden opgesteld. Hierin zal het onderwerp wateroverlast worden opgenomen. Vraag 6 (Eerlijk Alternatief) Het illegaal lozen van afval in en nabij milieuparkjes wordt niet genoemd. Verwacht het college dat dit probleem op de langere termijn verdwijnt? Antwoord Nee, het is niet de verwachting dat dit probleem zal verdwijnen. Het onderwerp afval zal via het traject zoals opgenomen in de startnotitie doorontwikkeling van het afvalbeleid worden uitgewerkt. Maatregelen om bijplaatsingen tegen te gaan maakt hier expliciet onderdeel van uit.

Vraag 7 (Eerlijk Alternatief) Waarom wordt in de notitie niet ingegaan op de verkeersveiligheid bij scholen Antwoord Het onderwerp verkeersveiligheid zal worden opgenomen in het Omgevingsprogramma Duurzame Mobiliteit en is daarom niet in deze kaderstellende notitie opgenomen.

pagina

11/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Beeldvormende vragen van de fractie van D66 Vraag 1 (D66) D66 zou graag willen weten of er voor het omgevingsprogramma kaarten worden gemaakt (per aspect van fysieke leefomgeving) waarin de kwaliteit in beeld wordt gebracht, zodat voor de inwoners (en stakeholders) ook duidelijk wordt waar doelen m.b.t. fysieke leefomgeving nog niet zijn gerealiseerd. Antwoord Over de vorm van het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zijn nog geen keuzes gemaakt. Kaartmateriaal kan hierbij ondersteunend zijn, hoewel dit niet voor elk thema mogelijk zal zijn (zie ook beantwoording vraag 2) Vraag 2 (D66) Onder 4.3 wordt genoemd dat doelen worden uitgewerkt. Worden dit kwantificeerbare, objectief te meten doelen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of het beleid ook daadwerkelijk voldoende is om deze doelen binnen de gestelde periode te halen? Antwoord Voor zover dit mogelijk is zullen we kwantificeerbare doelen opnemen, maar dit zal niet voor alle deelonderwerpen (bijvoorbeeld geur, externe veiligheid, brandveiligheid) mogelijk zijn. Voor deze deelonderwerpen geldt dat er tijdens planvorming getoetst wordt of aan eisen wordt voldaan. Indien dit het geval is kan toestemming /vergunning voor een activiteit verleend worden.

Vraag 3 (D66) De raad heeft geen directe rol bij het vaststellen van het omgevingsprogramma, terwijl de gemeente via de Omgevingswet meer ruimte krijgt om eigen afwegingen te maken met betrekking tot milieudoelen op terrein van fysieke leefomgeving. Er wordt aangegeven dat raadsleden aanwezig mogen zijn bij de bijeenkomsten met burgers en stakeholders (zij mogen meedenken). Op wat voor manier zou de raad betrokken kunnen worden bij het daadwerkelijk vaststellen van gekwantificeerde doelen? Antwoord Gemeenteraadsleden zijn inderdaad welkom bij de bijeenkomsten met stakeholders. Na het vaststellen van het ontwerp Omgevingsprogramma Leefkwaliteit is het voor de gemeenteraad mogelijk om in de zienwijzeprocedure het ontwerp te agenderen. Dan is het mogelijk om met elkaar in gesprek te gaan over de gekwantificeerde doelen. Vraag 4 (D66) Er wordt in de notitie gesproken over afstemming tussen het omgevingsprogramma en andere programma’s met een relatie tot de fysieke leefomgeving, omwille van samenhang. Hoe vindt die afstemming plaats en hoe kan de raad zien dat alle aspecten van de fysieke leefomgeving straks goed zijn uitgewerkt (in samenhang) in de verschillende programma’s? Antwoord De afstemming vindt vooral ambtelijk plaats tussen projecttrekkers van de verschillende Omgevingsprogramma’s. Zij bewaken ook de samenhang.

Indien dit dillema’s tussen programma’s oplevert wordt er opgeschaald richting portefeuillehouders/college. Vraag 5 (D66) Luchtkwaliteit; de kwaliteit zou voldoen aan wettelijke normen, echter niet aan die van de gezondheidsraad; wordt de ambitie met betrekking tot luchtkwaliteit afgestemd met de andere gemeenten uit Haaglanden (en metropoolregio) die dezelfde uitdaging kennen?

pagina

12/13

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Antwoord Via de GGD Haaglanden en de Omgevingsdienst Haaglanden werken we op dit thema al samen met gemeenten in de regio, waarbij we zoveel mogelijk af zullen stemmen. We zien wel dat de ambities tussen gemeenten op dit thema verschillen. Vraag 6 (D66) Waterkwaliteit; realisatie van de KWR-doelen in 2027 is voor Nederland bijna onmogelijk. Heeft dit aspect de prioriteit van het college en is ze bereid om met het Hoogheemraadschap en Milieuplatform (en NMP) een ambitieus plan met doelen op te stellen om de waterkwaliteit in de watergangen binnen onze gemeente sterk te verbeteren? Antwoord Het realiseren van de KRW doelen heeft voor het college zeker prioriteit, om deze reden zijn in deze collegeperiode extra middelen beschikbaar gesteld voor de risicogestuurde aanpak. Via regionale projecten, zoals de Emissieloze kas en de waterketen Delfland werken we nu hier aan. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit zullen we aanvullend beleid en aanvullende maatregelen afwegen. Hierbij zal het Hoogheemraadschap zeker nauw betrokken worden. Ook met het Milieuplatform en het NMP zullen we over dit thema spreken.

Vraag 7 (D66) Licht/donker; hoeveel prioriteit geeft het college aan dit aspect van de fysieke leefomgeving? Wordt hiervoor een meer ambitieuze doelstelling geformuleerd en nagestreefd dan in de afgelopen jaren, waarbij ontheffing zijn verstrekt aan veroorzakers van lichtverontreiniging Antwoord De ontheffing waar u over spreekt betreft maatwerkvoorschriften die binnen de wettelijke kaders zijn toegestaan (en ook in andere glastuinbouwgemeenten zijn verleend). In de kaderstellende notitie van het Omgevingsprogramma Vitale Glastuinbouwgebeden hebben we aangegeven dat we willen onderzoeken hoe we dit maatwerk kunnen beëindigen. Daarnaast zijn we met de Omgevingsdienst Haaglanden, die het maatwerk namens ons heeft verleend, in overleg over dit onderwerp. Doordat veel tuinders overschakelen op LED verlichting is maatwerk waarschijnlijk niet meer nodig.

pagina

13/13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15667056/1