CConstaterende datPijnacker-Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording beeldvormende vragen - Nota visie financieel beleid

Raad Oordeelvorming 4 december 2025, gemeente Pijnacker-NootdorpBij agendapunt: Beeldvormende vragen5.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo beantwoording beeldvormende vragen

zaaknummer

1626172

berichtnummer

1487315

aan

Raad

van

College

afschrift datum onderwerp status

20 november 2025 Beantwoording beeldvormende vragen over de Nota financieel beleid Informatief

Door verschillende partijen zijn vragen gesteld over de Nota financieel beleid (agendapunt 4b.). Hieronder treft u de beantwoording aan. Vragen Partij voor de Dieren Vraag 1 Een nota geeft kaders (uitgangspunten). Een visie geeft een richting om heen te bewegen in de toekomst. Waarom heeft u een nota opgesteld in plaats van een visie zoals eerder aangekondigd? Antwoord Een visie is gebaseerd op politieke richtinggevende principes. De gemeenteraad kan deze opnemen in een raadsprogramma aan het begin van een raadsperiode. Deze nota is bedoeld om de raad inzicht te geven in (tot nu toe vooral ongeschreven) regels, kaders en uitgangspunten die worden gehanteerd bij het opstellen van de P&C documenten. Door deze kaders nu expliciet te beschrijven kan de raad aan de voorkant hierop sturen richting het college en komt de raad beter in positie. Vraag 2 Kunt u aangeven welke beleidskeuzes in deze nota nieuw of significant veranderd zijn ten opzichte van het huidige (in bestaande documenten vastgelegde) beleid? Antwoord Onderstaande uitgangspunten zijn nieuw of significant gewijzigd (incl. toelichting). De nieuwe uitgangspunten hebben vooral betrekking op de reserves en komen voort uit de adviezen van de Rekenkamer Pijnacker-Nootdorp.

- Uitgangspunt 8: de notie van het zoveel mogelijk beperken van stelposten is nieuw; - Uitgangspunt 11a: de uitgangspunten voor de vorming van reserves zijn aangescherpt, bijvoorbeeld ‘nut en noodzaak van de vorming’. Hierin staat dat een bestemmingsreserve uitsluitend wordt gevormd wanneer het beoogd doel niet op korte termijn via de exploitatie kan worden gefinancierd. - Uitgangspunt 11b: reserves die meer dan 3 jaar geen activiteit vertonen, worden opgeheven (tenzij beargumenteerd kan worden waarom deze toch moet blijven bestaan). Dit is een nieuw uitgangspunt; doel hiervan is grip krijgen op het vormen van ‘potjes’; - Uitgangspunt 12: de voorwaarden voor de vorming en inzet van afschrijvingsreserves zijn aangescherpt en komen voort uit het ‘investerings- en financieringsplan 2020’ dat naar aanleiding van de verkoop van de Eneco-aandelen door de raad is vastgesteld. - Uitgangspunt 13: in de Kadernota wordt een langetermijnoverzicht van aflopende reserves gepresenteerd, inclusief handelingskader voor aflopende reserves. Dit is een nieuw uitgangspunt dat als doel heeft om de raad meer inzicht te geven in de (afloop van de) afschrijvingsreserves

pagina

1/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

-

-

Uitgangspunt 14: In de Kadernota en jaarrekening wort een actueel overzicht van de reserves gepresenteerd. Het bedoelde overzicht is aangescherpt om de raad meer inzicht te bieden in o.a. het doel per reserve. Uitgangspunt 15: voor nieuwe en uitbreidingsinvesteringen dient eerst ruimte binnen de begroting te worden gevonden (een dekkingsvoorstel is altijd onderdeel van de aanvraag). Dit uitgangspunt is aangescherpt op het onderdeel dat een dekkingsvoorstel een eis is als onderdeel van het voorstel; Uitgangspunt 21: als de weerstandsratio onder de norm van 1,0 dreigt uit te komen, stelt het college van B&W een verbeterplan op met maatregelen om de Algemene Reserve op normhoogte te krijgen. Dit is een nieuw uitgangspunt.

Vraag 3 Op p. 10 staat onder de spelregels: “Voorstellen met een financiële impact buiten de reguliere P&C-cyclus worden zoveel mogelijk vermeden.” a. Betekent dit in praktijk dat deze voorstellen allemaal besproken gaan worden tijdens de behandeling van de P&C stukken? b. Zo nee, hoe wordt dit dan in praktijk uitgevoerd? c. Wordt bij toekomstige voorstellen ook aangegeven of het voorstel een wettelijk of nietwettelijke taak betreft? d. Wordt bij toekomstige voorstellen die een wettelijke taak betreffen voortaan ook aangegeven of het voorstel het absolute minimum van die taak realiseert of een hogere ambitie kent? Antwoord A en b. Nee, nieuwe beleidsvoornemens (doelen, opties, keuzes, etc.) kunnen apart worden geagendeerd. Bij de Kadernota kan de raad deze in samenhang, binnen de beschikbare financiële ruimte, wegen (zogenoemde integrale afweging). De middelen komen dus pas vrij na vaststelling van de Kadernota door de raad. Ditzelfde geldt voor bijstellingen gedurende het jaar. Deze worden vastgesteld/ vrijgegeven bij de tussentijdse rapportages (voorjaarsnota/ najaarsnota). C en d. Dit is geen onderdeel van de nota Financieel beleid. Dit kan wel onderdeel zijn van de afwegingen in het kader van toekomstbestendige gemeentefinanciën. Vraag 4 Stel er is in de toekomst een financiële meevaller waardoor de begrotingsruimte in zijn geheel groter wordt.

In de spelregels staat niet wat er dan moet gebeuren. a. Tot op heden lijkt het beleid hiervoor te zijn geweest dat degene die het eerst komt met een goed voorstel, de bestedingsruimte hiervoor krijgt. Klopt dit beeld (en zo nee waarom niet)? b. Hoe staat het college er tegenover om voor deze situatie een spelregel op te nemen? c. Zo ja, wat vindt het college dan van een ‘wachtlijst’ met voorstellen, waarbij de raad de volgorde op de wachtlijst bepaald? Antwoord a. Aangezien tot op heden (de afgelopen jaren) veelal sprake was van een toereikend begrotingssaldo klopt het beeld dat de eerste deze bestedingsruimte krijgt/ kreeg. In principe geldt voor zowel structurele mee- als tegenvallers hetzelfde principe; gedurende het jaar worden voorstellen gedaan met het besluit “af te wegen bij de kadernota”, waarbij de raad bij de besluitvorming van de kadernota bepaalt welke middelen waar naartoe gaan. b. Uitgangspunt 10 geldt voor alle mee- en tegenvallers. Bij de kadernota wordt bepaald waar geld naartoe gaat en waar dekking vandaan komt. Dit kan zijn vanuit vrijgekomen middelen (meevallers) of vanuit beleidswijzigingen (iets anders niet meer doen). c. In het kader van toekomstbestendige gemeentefinanciën is het zeer wenselijk dat de gemeente wendbaar is/ wordt. Afgelopen kadernota- en begrotingsprocessen is al getracht de raad meer mee te

pagina

2/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

nemen in het afwegingskader (mede door ‘niet door te voeren maatregelen’ te presenteren). Het is een nadrukkelijke wens dit verder uit te breiden, echter is beheersbaarheid een belangrijke randvoorwaarde. Het college is in het kader van “verbetering P&C-cyclus” graag bereid de raad mee te nemen in de (on)mogelijkheden. Vraag 5 Op p. 5 staat onder uitgangspunt 1 dat de inzet van 10% van het surplus (vrije ruimte) van de algemene reserve niet zal worden gebruikt om de begroting sluitend te maken. Als argumentatie staat er: “Wij willen niet afhankelijk zijn van reserves voor het dekken van structurele lasten (anders dan afschrijvingslasten, onder vastgestelde voorwaarden). Dit beschouwen wij als risicovol en wij kiezen ervoor om voorzichtig financieel beleid te voeren.” a. Kunt u toelichten waarom u het instellen van ‘bestemmingsreserves afschrijvingslasten’, oftewel nieuwe investeringen direct bekostigen uit de algemene reserve zonder te hoeven afschrijven op de exploitatie, niet (te) risicovol vindt? Kunt u in het antwoord meenemen i) het risico op financiële tegenvallers bij investeringen die op deze wijze gefinancierd worden en ii) waarom het krimpen van de algemene reserve door een bestemmingsreserves afschrijvingslasten geen probleem is en het krimpen door inzet voor ander beleid wel? b.

Wij voorzien dat door toe te staan om investeringen in activa wel uit de algemene reserve te mogen bekostigen via een bestemmingsreserves afschrijvingslasten en ander beleid niet, het in praktijk makkelijker zal zijn om financiële dekking te vinden voor investeringen dan voor ander beleid. Is het college het hiermee eens (en zo nee waarom niet)? c. Hoe wordt geborgd dat deze voorkeurspositie voor investeringen niet leidt tot ongelijkheid bij het maken van politieke keuzes? Dus dat er gekozen wordt voor een investering omdat daar financiële dekking voor is in de vorm van een bestemmingsreserves afschrijvingslasten, terwijl een andere beleidskeuze die een veel groter maatschappelijk effect zou hebben niet doorgaat, omdat er geen dekking voor is. Antwoord a. Bij het toepassen van de 10%-regel wordt “ongemerkt” ingeteerd op de algemene reserve. Dit is een pleister die geen oplossing biedt voor het presenteren van een structureel sluitende begroting. Deze regel kan slechts enkele jaren overbruggen. Voor het instellen van een bestemmingsreserve afschrijvingslasten zijn voorwaarden gedefinieerd, waardoor het gebruik hiervan langdurige (structurele) dekking met zich meebrengt. Oftewel: de 10%-regel is een incidentele oplossing voor een structureel probleem. De reserves afschrijvingslasten zijn, onder de genoemde voorwaarden, een structurele oplossing.

Uiteraard dient hierbij wel rekening gehouden te worden met de afloop van deze reserves (waarvoor ook voorstellen zijn gedaan). b. Nee, aangezien voor het instellen van een bestemmingsreserve afschrijvingslasten scherpere voorwaarden zijn gedefinieerd. Daarnaast wordt in de P&C-cyclus ook over de ontwikkeling van de (algemene) reserve(s) gerapporteerd, waarbij terughoudendheid wordt betracht bij onttrekkingen uit de algemene reserve. c. De raad wordt in de P&C-cyclus expliciet gevraagd investeringsbudgetten, reserves en voorzieningen vast te stellen. Het is aan de raad hier de juiste/ gewenste keuze in te maken. Vraag 6 Waarom is ervoor gekozen dat de raad niet standaard altijd een maximum van een reserve vaststelt? Antwoord Volgens bestaande wet- en regelgeving dient de raad elke reserve vast te stellen. Daarbij is het benoemen van het doel van de reserve verplicht, maar het bepalen van een maximum niet. Daarnaast is het soms niet mogelijk om vooraf een maximum te bepalen. Het is een keuze die de raad kan maken. Het voornemen van het college om bestedingsplannen per reserve op te stellen kan hierbij behulpzaam

pagina

3/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

zijn. Voor reserves afschrijvingslasten schrijft de specifieke BBV-regel voor dat de reserve toereikend moet zijn voor de gehele resterende afschrijvingslast. Vraag 7 Op p. 16, uitgangpunt 14 staat dat in de kadernota en jaarrekening een actueel overzicht van de reserves gepresenteerd wordt. Waarom is er gekozen voor deze twee P&C documenten die vrijwel tegelijk naar de raad komen? Is de najaarsnota of begroting als tweede moment niet veel logischer? Antwoord De te presenteren informatie bij de jaarrekening is grotendeels wettelijk voorgeschreven en kijkt terug op het afgelopen jaar. De kadernota is het moment om richting te geven/ bij te stellen naar de begroting toe. De tussentijdse rapportages (voorjaarnota/ najaarsnota) rapporteren over voortgang van het lopende jaar en worden daarom minder geschikt geacht. Vraag 8 Op p. 16 staat: "Vervangingsinvesteringen waarvoor al structureel budget aanwezig is (door vrijval van kapitaallastenbudget doordat de ‘oude’ investering is afgeschreven)." We snappen deze zin niet. Hoe kan er budget vrijvallen als de oude investering is afgeschreven? Kunt u dit uitleggen met een voorbeeld? Antwoord Op het moment dat een bestaande investering (actief) volledig is afgeschreven, komen deze afschrijvingslasten beschikbaar in de exploitatie.

Wanneer sprake is van vervanging van de (volledig) afgeschreven investering kan dat vrijgekomen (exploitatie)budget worden ingezet voor de afschrijvingslasten van de nieuwe investering. Vraag 9 Op p. 17 staat: "Bij vervangingsinvesteringen wordt op basis van het beheerplan en (eventuele) technische schouw een prioritering aangebracht in de uitvoering van de projecten. Daarbij wordt een balans gezocht tussen ambities, beschikbare capaciteit (mensen) en financiële middelen (geld)." Heeft de raad een rol in deze prioritering en zo ja welke en hoe? Antwoord De rol en bevoegdheid van de raad is het vaststellen van de kaders, middels nota’s, verordeningen en project- en beheerplannen. Het uitvoeren van het beheer binnen het gegeven financiële en beleidsmatige kader en het hierbinnen stellen van prioriteiten is een bevoegdheid van het college. Vraag 10 Op p. 19 staat: “De keuze voor financiering is een uitvoeringsaangelegenheid en daarmee een bevoegdheid van het college.” a. Als dit onderwerp een collegebevoegdheid is, waarom heeft de raad hier dan recent een onderzoeksopdracht toe geven? b. Aangezien de raad budgethouder is, zou hier toch beter kunnen staan: “De keuze voor de financieringsvorm …”? Of is om juridisch/wet-technische redenen voor deze formulering gekozen? Antwoord a.

Omdat er een vraagstuk voorlag of een andere wijze van financieren (projectfinanciering) een instrument zou kunnen zijn in het kader van toerekening van kosten. Dit zou afwijkend zijn op het bestaande beleid en daarmee aan de raad te besluiten. Binnen het vastgestelde beleid is de financiering (of financieringsvorm) aan het college. b. De raad geeft (budgettaire) kaders mee. Het feitelijk aantrekken van financiering (ongeacht of deze als concern- of als projectfinanciering wordt aangetrokken) is een privaatrechtelijke rechtshandeling en die

pagina

4/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

behoort op grond van artikel 160 lid e van de Gemeentewet tot de bevoegdheden van het college. Middels deze passage is getracht daar duidelijkheid in te brengen. Vraag 11 Op p. 20 staat: "Als ratio voor het weerstandsvermogen hanteren wij een streefwaarde van 1,4 en een minimum van 1,0." Dat lijkt niet in overeenstemming met de tekst erboven. Een streefwaarde is immers een hard getal waar men naar streeft. Streven naar een weerstandsvermogen van 1,4 betekent feitelijk de algemene reserve dusdanig later krimpen en/of het risico zo laten groeien dat het weerstandsvermogen 1,4 wordt. Is het college met ons eens dat dit uitgangspunt beter anders geformuleerd kan worden (zonder de term ‘streefwaarde’)? Antwoord De term ‘streefwaarde’ zorgt voor een interpretatie die niet bedoeld is. Dit uitgangspunt dient geïnterpreteerd te worden als: Als ratio voor het weerstandsvermogen hanteren wij een streefwaarde van minimaal 1,4 en een absoluut minimum van 1,0. Vraag 12 Uitgaande van een voorzichtig en reëel financieel beleid (p. 20), waarom is dan bij uitgangspunten 4a en 4b (p. 6) gekozen voor VNG normen waarvan bekend is dat ze structureel te laag zijn en voor niet indexeren van kosten waarvan bekend is dat ze jaarlijks stijgen? Antwoord Er wordt ‘standaard’ geïndexeerd op basis van de VNG-normen.

Indien deze niet toereikend zijn, wordt expliciet bijgesteld voor de tekorten en door de raad daarover besloten. Zo blijft transparant hoe de bedragen worden geïndexeerd én besloten waar aanvullende middelen noodzakelijk zijn.

pagina

5/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Beeldvormende vragen Eerlijk Alternatief Vraag 13 Kunt u concreet uitleggen op welke wijze dit kader de financiële verordening aanvult of verduidelijkt? Antwoord De nota bevat meer context en uitleg over lokale keuzes van onze gemeente, terwijl de financiële verordening een artikelsgewijze opsomming is op hoofdlijnen die met name de wettelijke regels (BBV) bevat. Vraag 14 De meicirculaire komt doorgaans ná het collegebesluit over de concept-Kadernota. Hoe wordt technisch geborgd dat de informatie uit de meicirculaire tóch volledig wordt meegenomen in de uiteindelijke afwegingsruimte? Antwoord Doordat de informatienota vóór behandeling van de Kadernota aan de raad wordt verstrekt, met daarbij de gevolgen ten opzichte van de aangeleverde kadernota. Zo beschikt de raad bij de behandeling van de kadernota over eventuele mee- en/ of tegenvallers vanuit de meicirculaire, die in de afweging door de raad meegenomen kunnen worden. Vraag 15 Zijn er in de afgelopen drie jaar voorbeelden waarbij de verwerking van circulaires aantoonbaar heeft geleid tot afwijkingen in begroting of jaarrekening? Zo ja, welke? Antwoord De effecten van de meicirculaire (bij de kadernota) en de septembercirculaire (bij de begroting) leiden altijd tot wijzigingen in de begroting. Deze wijzigingen worden bij de informatienota in beeld gebracht en bij het daaropvolgende P&C-product verwerkt.

Vraag 16 Hoe zijn de beleidscyclus en de P&C-cyclus op dit moment precies op elkaar afgestemd, en waar constateert u eventuele knelpunten in timing of samenhang? Antwoord Alle bekende besluiten, wijzigingen en afwijkingen in de beleidscyclus worden verwerkt of afgewogen in het eerstvolgende daarvoor bestemde P&C-product. Hier zijn al diverse verbeteringen in de P&C-cyclus voor doorgevoerd, zoals het nog meer expliciet maken van beslispunten door de raad. De uitdaging binnen de gemeente is om nog meer toekomstgericht/ toekomstbestendig te werken, waardoor de afweging, voorspelbaarheid en financiële gevolgen van besluiten nog beter in beeld gebracht kunnen worden. Vraag 17 Wat zijn de belangrijkste risico’s als de aansluiting tussen beide cycli onvoldoende scherp is, bijvoorbeeld voor investeringsplanning of reservevorming? Antwoord - Geen integrale afweging: dit zorgt voor ad hoc investeringen die misschien niet bijdragen aan de doelen die de raad vaststelt in de begroting en die niet in samenhang worden afgewogen; - Tekorten: wanneer beleid wordt vastgesteld dat niet binnen het budgettair kader past, kunnen (structurele) tekorten ontstaan. - Onderbesteding als gevolg van verhouding beleid – mensen – middelen (beleid vaststellen zonder beschikbare capaciteit en/ of middelen, geld beschikbaar stellen zonder uitvoeringscapaciteit, etc.).

pagina

6/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Vraag 18 Welk proces wordt gevolgd om tot een langetermijnvisie op reserves te komen, en welke stappen zijn daarvoor volgens u minimaal noodzakelijk? Antwoord De nota Financieel beleid is een eerste stap om tot een langetermijnvisie op reserves te komen. De beleidsuitgangspunten onder hoofdstuk ‘3.1 Beleid voor reserves: instellen, beheren en opheffen’ bieden een structurele verbetering van het reservebeleid. Vraag 19 Hoe wordt vastgesteld of het huidige aantal bestemmingsreserves doelmatig is in relatie tot sturing, transparantie en flexibiliteit? Antwoord De bestemmingsreserves worden twee keer per jaar beoordeeld. Mutaties binnen de bestaande bestemmingsreserves worden dan voor de raad inzichtelijk gemaakt. Het instellen van nieuwe reserves in een raadsbevoegdheid en wordt altijd met onderbouwing aan de raad voorgelegd. Dit geldt ook voor herijking en vrijval. Vraag 20 Kunt u aangeven welke informatie in de programmabegroting minimaal noodzakelijk is om effectief te kunnen sturen op reserves, inclusief aflopende termijnen? Antwoord Zie advies Rekenkamer Pijnacker-Nootdorp. Tenminste van belang zijn bestedingsdoel (plan), functie, looptijd en/ of afloop, voeding en saldo. Zie de aanzet zoals opgenomen in bijlage 7.2 van de Kadernota 2026.

Vraag 21 Is er een drempelwaarde bepaald waarbij het inzetten van eigen middelen financieel minder efficiënt wordt dan externe financiering? Antwoord Nee, deze drempelwaarde is niet bepaald. Vraag 22 Zijn scenario’s uitgewerkt waarbij projectfinanciering mogelijk efficiënter of transparanter zou kunnen zijn dan concernfinanciering, en zo ja, welke uitkomsten heeft dit opgeleverd? Antwoord Onderzoek naar projectfinanciering is inmiddels uitgevoerd. Conclusie is dat het toepassen op dit moment geen voordelig effect heeft (mede door de sterk teruggelopen banksaldi en rentestanden) en niet wenselijk is. Daarmee wordt voorgesteld het huidige beleid niet te wijzigen. De treasury-functie wordt verder verbeterd en zal signaleren wanneer een dergelijk middel voorgesteld wordt. Vraag 23 Welke opties zijn er voor de inzet van weerstandscapaciteit boven de streefwaarde van 1,4, en hoe wordt bepaald welke optie het meest doelmatig is? Antwoord De algemene reserve boven de vastgestelde (gewenste) weerstandscapaciteit is vrij besteedbaar. Het is aan de raad om te besluiten welke voorstellen (passend binnen de regelgeving) hiervoor worden ingezet.

pagina

7/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Vraag 24 Kunt u aangeven welke indicatoren geschikt zijn om de voortgang en kwaliteit van de uitvoering van het financieel beleid structureel te monitoren? Antwoord De ratio weerstandsvermogen en financiële kengetallen zoals de netto schuldquote, solvabiliteit en structurele exploitatieruimte. Deze worden vermeld in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing in begroting en jaarrekening. Vraag 25 Hoe wordt structureel geborgd dat wijzigingen in BBV-regelgeving tijdig worden gesignaleerd en vertaald naar lokale beleidskaders? Antwoord De BBV-regelgeving vormt de basis voor financieel beleid en de dagelijkse praktijk van het ambtelijk team Financiën. Het op de hoogte blijven van deze regelgeving is een belangrijke rol van dit team. Bij wijzigingen worden wij geïnformeerd door de Commissie BBV. Vraag 26 Welke onderdelen van de nota vragen volgens u nadere uitwerking voordat zij als volledig operationeel kader kunnen fungeren? Antwoord De uitgangspunten in de nota kunnen al als operationeel kader fungeren en doen dat in de meeste gevallen al. De uitgangspunten die significant nieuw zijn (zie antwoorden vraag 2), zijn een verbetering van het beleidskader.

pagina

8/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Beeldvormende vragen Progressief PN Vraag 27 In de aanbiedingsnota staat: "Onze gemeente kiest voor een reëel en structureel evenwicht conform de BBV-richtlijnen en hierbij de inzet van het surplus van 10% van de algemene reserve niet standaard te benutten en deze wettelijke mogelijkheid alleen in te zetten als laatste mogelijkheid. Andere gemeenten kiezen ervoor om dit anders te formuleren. Wat is de reden dat wij dit zo formuleren? En beperken wij ons niet te veel als het op deze manier wordt geformuleerd? Antwoord De BBV laat de gemeenten de ruimte om van deze beleidsregel gebruik te maken. Aangezien hier technisch gezien sprake is van “incidentele middelen inzetten voor structurele lasten”, maar door de BBV een uitzondering voor is gemaakt, is het college van mening dat dit een middel is waarvan alleen in het uiterste geval gebruik gemaakt moet worden. Vraag 28 Verderop staat in de aanbiedingsnota: Wij hanteren géén indexatie van toekomstige investeringsbudgetten in onze begroting. Voor de toekomst zal verkend worden of dit uitgangspunt dient te worden aangepast. Brengt deze werkwijze niet extra financiële risico's met zich mee? Antwoord Vooralsnog zien we jaarlijkse onderuitputting van de investeringen.

Zolang hier sprake van is, leidt het indexeren van investeringsbudgetten tot een extra belasting van de exploitatie (geraamde afschrijvingslast en eventuele financieringskosten), met uiteindelijke meevallers als gevolg. Daarnaast kan meerkosten door vertraging (inflatie) aanleiding zijn om een andere afweging te maken. Als investeringen automatisch worden geïndexeerd valt deze afweging weg. Vraag 29 Waarom heeft onze gemeente dat tot nu toe nooit gehanteerd? Antwoord Omdat het totale investeringsbudget tot op heden jaarlijks toereikend is geweest. Daarbij moet worden aangetekend dat elke nieuwe investering op basis van het huidige prijspeil wordt opgevoerd. Vraag 30 Wat zijn de implicaties voor onze gemeente als wij dat wel gaan doen? Antwoord Het indexeren zou een ophoging van de investeringsbudgetten betekenen en daarmee ook hogere structurele lasten die op het saldo drukken. Vraag 31 Wanneer gaan wij met de genoemde verkenning starten? Antwoord Zodra blijkt dat de jaarlijkse onderuitputting niet meer toereikend is om de prijsstijgingen te dekken. In de dagelijkse sturing en P&C-cyclus wordt continu verbeterd om het verschil kleiner te maken. Zie onder andere eerdere P&C-producten met betrekking tot dit onderwerp.

pagina

9/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Beeldvormende vragen Trots Vraag 32 In de Nota financieel beleid staat: "Wij willen niet afhankelijk zijn van reserves voor het dekken van structurele lasten." a. Kunt u aangeven hoe deze zin zich verhoudt tot het alvast reserveren van structurele lasten omtrent het herstelplan voor personeelsontwikkeling? Antwoord De reserveringen in het kader van het herstelplan betreffen tijdelijke middelen die incidenteel gedekt worden uit de reserve Bedrijfsvoering. In een aantal gevallen betreft dit tijdelijke inzet, in andere gevallen betreft het overbrugging naar structurele dekking (bijvoorbeeld vanuit areaal). Vraag 33 Wat is het voordeel voor onze gemeente om lopende prijzen toe te passen en niet de methode van constante prijzen? Antwoord Het voordeel van lopende prijzen is dat het een getrouwer beeld geeft van prijsniveaus over verschillende jaren. Bij de methode van lopende prijzen vindt inflatiecorrectie plaats over ieder afzonderlijk jaar apart. De methode van constante prijzen uitgaat van het prijsniveau van één jaar (veelal t+1) die constant gehouden wordt over alle jaren daarna. Daarbij is geconstateerd dat het toepassen van lopende prijzen leidt tot een kleinere bijstelling in de begrotingscyclus, doordat al rekening wordt gehouden met een afwijking tussen de gecompenseerde inflatie in de algemene uitkering en werkelijke inflatie.

Bijkomend voordeel van het blijven hanteren van dezelfde methode is de vergelijkbaarheid tussen verschillende jaren. Vraag 34 Wat is het voordeel om géén indexatie van toekomstige investeringsbudgetten in de begroting te hanteren? Antwoord Het indexeren zou een ophoging van de investeringsbudgetten betekenen en daarmee ook hogere structurele lasten die op het saldo drukken. Vraag 35 In de Nota financieel beleid staat: "Indien de korting op de algemene uitkering groter is dan de indexering, zoals benoemd bij het vorige punt, vindt een aanvullende indexering plaats." a. Kan er uitleg worden gegeven wat er met deze zin wordt bedoeld en wat de effecten zijn? Antwoord De OZB wordt geïndexeerd op basis van prijs Nationale Bestedingen (pNB). Tegelijkertijd wordt de gemeente in de algemene uitkering gekort op basis van de eigen belastingcapaciteit. De korting op de algemene uitkering kan hoger uitvallen dan de indexering van de OZB. In dat geval kan een extra bijstelling noodzakelijk zijn om dit verschil op te vangen. Het effect hiervan is een grotere stijging van de OZB. Uiteindelijk wordt de afweging om dit in te zetten door de raad gemaakt.

Vraag 36 In de Nota financieel beleid staat: "Het gebruik van stelposten is toegestaan en wordt vanuit het perspectief van verantwoord financieel beleid zoveel mogelijk beperkt tot de stelpost voor prijs, areaal en taakmutaties." Kunt u voorbeelden geven van prijs, areaal en taakmutaties?

pagina

10/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Antwoord Prijsindex: reservering in de meerjarenraming voor geprognosticeerde inflatie, volgens landelijke cijfers. Zie kadernota’s. Areaal: reservering in de meerjarenraming voor geprognosticeerde areaaluitbreiding, stijging van het aantal woningen in de gemeente. Bijvoorbeeld een nieuwe wijk; dit leidt tot meer opbrengsten (zoals OZB op de woningen), maar ook tot meer kosten voor bijvoorbeeld het beheer van de openbare ruimte. De stelpost houdt rekening met deze meerkosten. Taakmutaties: het Rijk bepaalt aan welke wettelijke taken de gemeente moet voldoen. Indien er in de algemene uitkering een vergoeding wordt opgenomen voor een nieuwe taak waarvoor in de begroting nog geen budget is toegewezen, wordt hiervoor een stelpost opgenomen.

pagina

11/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Beeldvormende vragen CDA Vraag 37 Onze gemeente kiest voor een reëel en structureel evenwicht conform de BBV-richtlijnen en hierbij de inzet van het surplus van 10% van de algemene reserve niet standaard te benutten en deze wettelijke mogelijkheid alleen in te zetten als laatste mogelijkheid. Vragen: - Welke criteria worden gehanteerd bij het bepalen van wat de laatste mogelijkheid is. - Wat is bepalend voor het al dan niet inzetten van deze mogelijkheid. - Is de verwachte financiële situatie vanaf 2028 één van die laatste mogelijkheden? Antwoord - Het gebruik van de algemene reserve is een tijdelijke maatregel en geen duurzame oplossing voor aanhoudende financiële tekorten. Het inzetten is daarom slechts een tijdelijke, laatste stap wanneer structurele tekorten niet anders zijn op te lossen. Het college zal dit afraden zolang er nog ruimte is voor verhogen van opbrengsten en/ of verlagen van kosten. Het is aan de raad om deze afweging te maken. - Gemeenten met een grote algemene reserve mogen jaarlijks maximaal 10 procent van het vrij beschikbare deel inzetten als structurele dekking voor tekorten. Dit is alleen toegestaan als de solvabiliteit minimaal 20 procent bedraagt en het weerstandsvermogen toereikend is.

- Of de situatie vanaf 2028 als “die laatste mogelijkheid” geldt, hangt ervan af of er vanaf dat jaar structurele tekorten worden voorzien die niet op andere wijze zijn op te lossen. Het huidig geprognosticeerd tekort voor het jaar 2028 is overigens hoger dan de 10% surplus. Vraag 38 Er is géén indexatie van toekomstige investeringsbudgetten in onze begroting. Voor de toekomst zal verkend worden of dit uitgangspunt dient te worden aangepast. Vragen: - Wanneer gaat die verkenning plaatsvinden en wanneer wordt de raad hierover geïnformeerd? - In welke orde van grootte liggen de (budgettaire) gevolgen indien wel indexatie van toekomstige investeringsbudgetten in onze begroting wordt toegepast? Antwoord - Zie vraag 31: Zodra blijkt dat de jaarlijkse onderuitputting niet meer toereikend is om de prijsstijgingen te dekken. In de dagelijkse sturing en P&C-cyclus wordt continu verbeterd om dit verschil kleiner te maken. Zie onder andere eerdere P&C-producten met betrekking tot dit onderwerp. In principe is de kadernota het moment om dergelijke voorgestelde wijziging aan te kondigen. - Dat is sterk afhankelijk van meerdere factoren; prognose van de inflatie, omvang van de totale investeringsplanning, soort investeringen (afschrijvingstermijnen), dekking uit exploitatie of reserve. Vraag 39 Tarieven OZB worden geïndexeerd conform gehanteerde percentage in de Meicirculaire gemeentefonds.

Vraag: Wat is de reden dat voor de indexering niet de rekentarieven van het Rijk worden gehanteerd? Wat dat zijn de budgettaire gevolgen als die wel worden gehanteerd? Antwoord De rekentarieven die het Rijk hanteert voor de algemene uitkering worden op een andere manier berekend dan de OZB-tarieven. De gehanteerde werkwijze wordt daarmee het meest transparant geacht. Het is een politieke keuze om aanvullend/ afwijkend daarop een ander besluit te nemen. Om dat perspectief in beeld te brengen is afgelopen jaren in de P&C-cyclus de vergelijking tussen de gehanteerde tarieven gepresenteerd.

pagina

12/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Vraag 40 Integrale afweging van toekenning van middelen voor nieuw beleid vindt plaats bij de behandeling van de Kadernota. Hoe de gemeente omgaat met nieuw beleid en de verwerking in de Kadernota is een lokale keus. Vraag: Graag een toelichting op de wijze waarop de gemeente hiermee omgaat. Antwoord Gezien de beperkte ruimte in de begroting beoogt het college bij de kadernota zo veel mogelijk inzicht en afweging mee te geven bij de kadernota, zodat dit in de begroting ‘kan landen’. Daarmee wordt de druk op de begroting beperkt tot ‘voortschrijdend inzicht’ tussen de kadernota en begroting. “nieuw of gewijzigd beleid” heeft structurele gevolgen en is in het kader van de integrale afweging gewenst bij kadernota – begroting. De tussentijdse rapportages (voorjaarnota/ najaarsnota) zijn bedoeld voor het incidenteel bijstellen van budgetten (afwijkingen). Vraag 41 De gemeente hanteert een realistische planning voor de investeringsagenda waarbij de prioritering past binnen de balans tussen ambities en de beschikbare mensen en middelen. Dit is een lokaal uitgangspunt. Vragen: - Jaarlijks wordt een omvangrijk bedrag van de investeringen doorgeschoven. Is dat geen reden om dit lokale uitgangspunt te verlaten - Welke andere uitgangspunten kunnen hierbij worden gehanteerd? Antwoord - Nee; dit is juist een reden om het lokale uitgangspunt aan te scherpen.

Doorschuiven van investeringen is vaak het gevolg van het ontbreken van de genoemde balans; een investering kan budgettair geregeld zijn, maar als de uitvoeringscapaciteit (zowel intern als extern) ontbreekt, worden de middelen niet uitgegeven (en dus doorgeschoven). - Afgelopen P&C-documenten is een aantal stappen gezet richting genoemd uitgangspunt. Dit behoeft echter nog verdere ontwikkeling. Gezien de financiële uitdagingen is de verwachting dat binnen afzienbare tijd het kader mogelijk zal moeten verschuiven van ambities naar beschikbare middelen. Vraag 42 Als ratio voor het weerstandsvermogen hanteren wij een streefwaarde van 1,4 en een minimum van 1,0. Dit is een lokale keus. Vragen: - Heeft het college overwogen om een maximum voor deze ratio te hanteren? - Als er een maximum gesteld zou worden is dan een ratio van 2 een verantwoorde keuze en zo niet welk percentage dan wel? - In samenhang met onze eerste vraag: is de omvang van deze ratio een criterium voor de inzet van de algemene reserve en zo nee, waarom niet en zou dit niet wenselijk zijn bij een omvangrijk negatief saldo? Antwoord - Nee; de algemene reserve is ‘vrij besteedbaar’, met uitzondering van het minimale weerstandsvermogen. - Nee, bij het inzetten van de algemene reserve is de afweging “(maatschappelijk) nut en noodzaak”.

Maximeren van de weerstandsratio kan leiden tot ongewenst inzetten van de(ze) middelen. - Nee; de inzet van de algemene reserve voor het exploitatietekort is gebaseerd op de algemene reserve minus het weerstandsvermogen (ratio 1,0). De regel schrijft voor maximaal 10% hiervan in te mogen zetten. Op het moment dat de algemene reserve (substantieel) daalt, daalt ook het in te zetten vermogen. Dus als er onttrokken wordt uit de algemene reserve en/ of wanneer gebruik gemaakt wordt van deze regel is het volgende jaar al minder beschikbaar.

pagina

13/14

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Vraag 43 De inflatiecompensatie vanuit het Rijk is de afgelopen jaren te laag geweest. Dit komt doordat die compensatie in mei wordt berekend en daarna niet meer wordt aangepast, ook niet als de inflatie uiteindelijk hoger uitvalt. Vraag: Is dat geen reden voor het hanteren van een meer realistische raming, bijvoorbeeld de (bijgestelde) CPB-raming? Antwoord Op de inflatiecompensatie vanuit het Rijk (via de algemene uitkering) heeft de gemeente geen invloed. Kosten worden, middels lopende prijzen, gebaseerd op realistische(re) ramingen. Dit verschil wordt echter niet gecompenseerd en moet in de begroting van de gemeente worden opgelost. Vraag 44 In de nota staan uitgangspunten vastgelegd voor instellen, aanwenden, muteren en afsluiten van reserves en voorzieningen. Vraag: Kan een uitgangspunt opgenomen worden die betrekking heeft op een overschot in de reserve, bijv. in het geval dat de reserve een hoger bedrag bevat dat redelijkerwijs en voorzienbaar nodig is? Zo nee, waarom niet? Zie ook vraag 1 bij de Nota Reserves en voorzieningen 2026-2029 Antwoord In de nota is een uitgangspunt opgenomen onder thema ‘Herijking en vrijval’ die hierin voorziet: “Bij afronding van het doel of bij structurele onderbenutting vindt vrijval plaats naar de algemene reserve”.

pagina

14/14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16262667/1