Beantwoording beeldvormende vragen met bijlage - Evaluatie Nota sturing fysieke leefomgeving
Tekst van het document
Memo beantwoording beeldvormende vragen
zaaknummer
1626178
berichtnummer
1487322
aan
Raad
van
College
afschrift datum onderwerp status
20 november 2025 Beantwoording beeldvormende vragen over evaluatie nota sturing fysieke leefomgeving Informatief
Door enkele raadsfracties zijn vragen gesteld over evaluatie nota sturing fysieke leefomgeving (agendapunt ). Hieronder treft u de beantwoording van de vragen per fractie aan. Beeldvormende vragen CDA Vraag 1 Met welke reden is ervoor gekozen om de volgende evaluatie over 5 jaar te doen en niet per raadsperiode (per 4 jaar) waarbij ervaringen van de raad meer gewaarborgd zijn? Antwoord Er is gekozen voor een termijn van vijf jaar, gelet op de beschikbare capaciteit binnen de desbetreffende ambtelijke vakdiscipline die de evaluatie dient uit te voeren. Vraag 2 Monitoring van de omgevingsvisie (beleidsdoelen) en omgevingsprogramma’s (maatregelen). a) Wanneer kunnen wij de 1e monitoring ontvangen? b) Hoe vaak (structureel)/ per welke periode gaat de monitoring opgesteld worden? c) Hoe vaak dienen de omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s , volgens wettelijke kader, aangepast te worden? d) Bestaat er de mogelijkheid, indien het nodig is, om de omgevingsvisie per onderdeel tussentijds aan te passen zonder de gehele omgevingsvisie opnieuw te maken? Zo ja, volgens welke werkwijze dan? Antwoord a) Wij werken momenteel aan het opstellen van de eerste monitor van de omgevingsvisie. Wij streven ernaar deze in het eerste kwartaal van 2026 u via de actieve informatieplicht aan te bieden. b) De omgevingsvisie is een visie voor de periode tot 2050. Daarmee gaat het dus over de lange termijn.
Nu wij werken aan een monitor over de afgelopen vier jaar, ervaren wij dat dit een passende periode is. Lang genoeg om de eerste ontwikkelingen te monitoren en kort genoeg om, indien nodig, te kunnen bijsturen. Uiteraard kunnen we hierover met u van gedachten wisselen om samen te bepalen wat de frequentie zou moeten zijn. c) De Omgevingswet stelt verplicht dat iedere gemeente (maar ook provincie en rijk) voor januari 2027 een omgevingsvisie heeft vastgesteld. In de Omgevingswet is niet bepaald wanneer en hoe vaak de omgevingsvisie geactualiseerd moet worden. Voor de omgevingsprogramma’s geldt dat een aantal daarvan verplicht zijn, zoals bijvoorbeeld voor geluid en voor warmte. Voor het overige zijn het vrijwillige programma’s waar geen wettelijke termijnen voor vaststelling en actualisatie voor gelden. d) Ja, dat kan zeker. Daarbij is het wel afhankelijk van wat er aangepast wordt. De omgevingsvisie gaat immers over de gehele fysieke leefomgeving en hangt onderling met elkaar samen. De werkwijze voor aanpassing is dat we starten met een kaderstellende notitie. Daar geeft u als
pagina
1/7
Memo beantwoording beeldvormende vragen
raad vervolgens de kaders mee aan ons college. Vervolgens moet een ontwerp ter inzage worden gelegd, waarna vaststelling door de raad wordt gedaan. De mate van participatie is afhankelijk van de impact van de aanpassing. Participatie moet altijd plaatsvinden. Bij grote aanpassingen kan een omgevingseffectrapportage verplicht zijn. Vraag 3 Bij de Nen-normen komen vele dubbele regels/artikelen voor. Bestaat de mogelijkheid dat het niet alleen enkel een kleine technische aanpassing is, maar eventueel gevolgen kan hebben voor bijvoorbeeld bedrijven, die bij afloop van een vergunning, bij een nieuwe aanvraag aan veel strengere eisen moeten voldoen? Antwoord De wijziging van het omgevingsplan waarop hier wordt gedoeld heeft geen invloed op de inhoud van de regels of van de NEN-normen. In het omgevingsplan wordt nu verwezen naar NEN-normen. Deze verwijzingen komen te vervallen en worden vervangen door verwijzing naar rijksnormen (gebaseerd op NEN). Deze wijziging voorkomt dat wij als gemeente toekomstige aanpassingen van de NEN-normen moeten volgen en bekendmaken. Dat een bedrijf bij het aanvragen van een nieuwe vergunning te maken kan krijgen met strengere regels dan de regels die voorheen van kracht waren is niet uit te sluiten. Maar dit staat los van deze wijziging van het omgevingsplan. Vraag 4 Ten aanzien voor het delegatiebesluit m.b.t.
Beperkingsgebied lokale spoorwegen de volgende vragen: a) Wordt de reeds bestaande situatie vastgesteld? b) Vallen nieuwe ontwikkelingen zoals: station vergroten of aantal sporen te vergroten ook hieronder? c) Wordt dit eenmalig delegatiebesluit of voor altijd? Graag nadere toelichting hierop. Antwoord a) Ja. Op dit moment geldt er op basis van het overgangsrecht Omgevingswet al een beperkingengebied. Dit gebied is nu niet zichtbaar in het omgevingsplan. Door het beperkingengebied op te nemen in het omgevingsplan wordt het voor eenieder duidelijk waar welke regels gelden. b) Nee. Het gaat alleen om beperkingen in de activiteiten in de directe omgeving van de spoorweg. Het gaat niet om nieuwe infrastructuur of voorzieningen. c) Het is een eenmalige delegatie namelijk het opnemen van het beperkingengebied in het omgevingsplan. Vraag 5 Bij de geknipte BOPA heeft het CDA de volgende vragen: a) In welk deel van de geknipte BOPA wordt waterpeil (t.a.v. “droge voeten”) bepaald? b) En bij 2e deel is er geen adviesrecht meer van de raad nodig. Gaat dit o.a. om de welstandseisen of nog andere eisen/ zaken? Kunt u dit nader toelichten? Antwoord a) Het reguleren van het waterpeil is een bevoegdheid van het hoogheemraadschap. De gemeente kan hier geen regels over stellen; niet in het omgevingsplan en ook niet bij een bopa.
Het omgevingsplan bepaalt de goot- en bouwhoogte van de woning en ook de wijze van meten van het peil van de woning. Deze laatste heeft invloed op de drooglegging die bij een bouwplan kan worden verkregen. Deze elementen kunnen worden bepaald in het eerste deel van een geknipte bopa.
pagina
2/7
Memo beantwoording beeldvormende vragen
NB. Voor het verkrijgen van de gewenste drooglegging is het wellicht ook noodzakelijk om een omgevingsvergunning te verlenen voor het ophogen van gronden rondom het gebouw. Deze vergunning wordt dan separaat verleend. b) Bij het tweede deel van de bopa wordt een bouwplan ingediend met gedetailleerde uitwerkingen. Hierbij zal veelal alleen een welstandstechnische beoordeling nodig zijn aangezien de andere aspecten (bouwvolume, locatie, functie, bereikbaarheid, parkeren , etc.) zijn afgewogen in het eerste deel van de aanvraag. Vraag 6 Over de hardheidsclausule die vervalt: a) Welke andere mogelijkheden zijn er om ontwikkelingen, die politiek of maatschappelijk gevoelig zijn te voorkomen? b) Indien er geen andere mogelijkheden zijn, waar kunnen wij dit in de omgevingswet eventueel wel voorkomen? (bijv. in omgevingsplan of?) Antwoord a) In geval de gemeenteraad geen adviesrecht heeft is het een bevoegdheid van het college om zelfstandig te beslissen over de aanvraag. Het college zal dan beoordelen of zij een ontwikkeling politiek en maatschappelijk aanvaardbaar acht. b) Het is niet mogelijk om in het omgevingsplan regels op te nemen die voorwaarden stellen aan het verlenen van een bopa of die het verlenen van een bopa onmogelijk maken. Een bopa heeft immers als oogmerk af te wijken van het omgevingsplan.
Beeldvormende vragen Pijnacker-Nootdorp Vooruit Vraag 1 Artikel 5: Valt hieronder ook het omzetten van bedrijfswoning naar burgerwoning? Antwoord Ja. Het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning leidt tot het toevoegen van een burgerwoning. Daarom valt dit onder deze regel. Vraag 2 Artikel 6 lid 1: In hoeveel bestemmingsplannen heeft de raad nog een wijzigingsbevoegdheid bepaling opgenomen? Alles is toch overgegaan in een omgevingsplan? Hoe verhoudt deze bepaling zich tot het omgevingsplan. Zijn daarin ook wijzigingsbevoegdheden opgenomen? Antwoord Onze bestemmingsplannen kennen verschillende wijzigingsbevoegdheden. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de vigerende bestemmingsplannen “bevroren” en onderdeel uit gaan maken van het omgevingsplan. Alle wijzigingsbevoegdheden zijn van rechtswege vervallen. Vraag 3 Is het mogelijk om het adviesrecht van de raad zwaarder te verankeren, bijvoorbeeld door een beleidsregel waarin het college aangeeft adviezen van de raad altijd te volgen, tenzij zwaarwegende redenen? Antwoord
pagina
3/7
Memo beantwoording beeldvormende vragen
Het advies van de gemeenteraad is in beginsel bindend voor het college. Als de gemeenteraad adviseert om de vergunning te weigeren, dan mag het college de omgevingsvergunning niet verlenen. Geeft de gemeenteraad het advies om de vergunning te verlenen, dan mag het college de omgevingsvergunning niet weigeren. Er geldt hier wel één nuancering. Het college hoeft het bindend advies van de gemeenteraad alleen in acht te nemen voor zover het advies is gebaseerd op en in overeenstemming is met de beoordelingsregels voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (zie artikel 16.15b Omgevingswet). Adviseert de gemeenteraad om de omgevingsvergunning te verlenen of te weigeren vanwege redenen die geen deel uitmaken van de beoordelingsregels of daarmee in strijd zijn, dan moet het college dit advies negeren. Vraag 4 In de aanbiedingsnota staat: “Wij bekijken of en hoe we kunnen komen tot een verbeterde rolverdeling in het proces voor het omgevingsprogramma”, waar denkt het college aan. Indien mogelijk een verduidelijking met voorbeelden. Antwoord De wetgever heeft bepaald dat het college het omgevingsprogramma vaststelt. Daarin zoeken we het samenspel met uw raad op, bijvoorbeeld door de vaststelling van de kaderstellende notitie.
Met de ervaring van de afgelopen periode, willen we onderzoeken of er nog andere mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de verschillende verantwoordelijkheden van ons college en uw raad. Beeldvormende vragen TROTS Vraag 1 In Bijlage 1 staat: Evaluatiedocument Nota sturing fysieke leefomgeving: "Gewenst is bij herziening van de Nota de bevoegdheid tot besluitvorming over deze aanpassingen te delegeren aan het college." Gaat het hier alleen om deze aanpassing of ook om andere aanpassingen van de bruidsschat? Antwoord Het voorstel is alleen de besluitvorming over de bijgevoegde aanpassingen te delegeren. Vraag 2 Kunt u een onderbouwing geven van de gewenste aanpassingen aan de bruidsschat? Antwoord De regels waarvan wij voorstellen om deze te schrappen zijn regels welke in onze gemeente niet van toepassing zijn. Door het schrappen van deze regels wordt de regeldruk verminderd. Vraag 3 Kunt u aangeven wat de financiële en maatschappelijke effecten zijn van de gewenste aanpassingen aan de bruidsschat? Antwoord Wij voorzien geen negatieve financiële en maatschappelijke effecten van de voorgestelde aanpassingen. Het schrappen van regels zal eerder kunnen leiden tot vermindering van de regeldruk. Vraag 4 Kunt u een was/wordt lijst aanbieden van bijlage 4 en 5?
pagina
4/7
Memo beantwoording beeldvormende vragen
Antwoord Ja. Deze is opgenomen in de bijlage. Vraag 5 Hoe kunnen we als raad de bruidsschat aanpassen? Antwoord Aanpassing van de bruidsschat is mogelijk door een regel in hoofdstuk 22 (het tijdelijk deel van het omgevingsplan) te laten vervallen, een regel in hoofdstuk 22 aan te passen of een regel te verplaatsen van hoofdstuk 22 naar een andere locatie van het omgevingsplan. Beeldvormende vragen D66 Vraag 1 In de evaluatie onder Omgevingsplan wordt omschreven dat het door de software niet mogelijk is om het ontwerp Omgevingsplan te publiceren t.b.v. participatie, zoals we gewend waren met bestemmingsplannen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Als het ontwerp niet kan worden gepubliceerd, hoe worden de bewoners dan geïnformeerd, hoe kunnen ze de stukken inzien? Antwoord De publicatie van een ontwerp-omgevingsplan geeft geen problemen. De software voorziet in de mogelijkheid om deze te publiceren. De wet heeft dit ook verplicht gesteld. Het gaat om de voorfase, voorafgaand aan het ontwerp. Bij een bestemmingsplan werd veelal een voorontwerp in de inspraak gebracht. Deze werkwijze is landelijk verlaten bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voordat een omgevingsplan als ontwerp in procedure wordt gebracht dient hierover participatie plaats te vinden.
De wijze waarop we deze vormgeven is afhankelijk van de aard van de ontwikkeling die in het omgevingsplan wordt voorzien. Wij kiezen ervoor bij een eenvoudige technische omzetting van regels te volstaan met informeren en bij grootschaliger ontwikkelingen een intensievere wijze van participatie gewenst. Zoals bijvoorbeeld rondom de ontwikkeling van het Oranjepark waar een uitgebreid participatietraject in gang is gezet. Het omgevingsplan vormt dan het sluitstuk waarmee de formele regels worden bepaald. Vraag 2 Voor de voorgestelde aanpassingen m.b.t. de gebiedsvisie hebben we twee vragen. 1) Wanneer de raad ervoor kiest dat het college o.b.v. de gebiedsvisie omgevingsvergunningen (bopa’s) kan verlenen, moeten deze gebiedsvisies dan niet meer uitgewerkt zijn om een helder kader te vormen voor het college? 2) Is het mogelijk deze gebiedsvisies op te nemen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet, zodat bewoners deze kunnen inzien? Antwoord 1) Bij het verlenen van een bopa moet worden onderbouwd of de beoogde ontwikkeling voorziet in een zogenoemde evenwichtige toedeling van functies aan locaties en of er wordt voldaan aan de rijks- en provinciale beoordelingsregels. Een gebiedsvisie hoeft hier geen antwoord op te geven. Een gebiedsvisie geeft de beleidsmatige onderbouwing van een beoogde ontwikkeling.
Een gebiedsvisie kan naar onze mening een goede beleidsmatige onderbouwing vormen wanneer er inzicht wordt gegeven in de beoogde indeling van een gebied, de ontsluiting, groen- en waterstructuren, en bijvoorbeeld zaken zoals bouwhoogtes of aantal bouwlagen, een beschrijving van het woningbouwprogramma en de eventuele andere functies. Verdere uitwerking is dan niet noodzakelijk.
pagina
5/7
Memo beantwoording beeldvormende vragen
2) Nee, het Digitaal Stelsel Omgevingswet biedt hiervoor geen mogelijkheid. Vraag 3 Aangegeven wordt dat de hardheidsclausule niet mogelijk is. Het voorstel is deze te schrappen. Het wordt met de uitleg echter niet duidelijk waarom deze niet meer smart kan worden geformuleerd. Zou u nader kunnen toelichten waarom hiervoor niet is gekozen? Antwoord Wanneer een aanvraag wordt ingediend moet het vooraf duidelijk zijn wie over deze aanvraag gaat oordelen. Met een hardheidsclausule zoals eerst was opgenomen kan het gebeuren dat na de indiening van een aanvraag niet het college maar de raad wordt aangewezen als het orgaan dat de beslissing neemt. Een dergelijke regel is niet toegestaan. Het meer smart formuleren van deze regel betekenen daarmee het concreet beschrijven van andere gevallen waarin de raad advies wenst te geven over een ontwikkeling, ofwel uitbreiding van het besluit. Hiervoor zien wij geen aanleiding. Vraag 4 Op pagina 10 van de evaluatie wordt bij woningen verduidelijkt welke woningen het betreft. Moeten bedrijfswoningen ook niet worden toegevoegd? Antwoord Dit onderdeel van de evaluatie werkt door in leden a en b van artikel 3, 4 en 5 van het besluit lijst adviesplichtige ontwikkelingen. Bedrijfswoningen worden nu niet genoemd omdat dit in de praktijk niet tot nauwelijks zal voorkomen.
Beeldvormende vragen Progressief PN Vraag 1 In de verschillende stadia van planvorming -omgevingsvisie, -programma, -plan en gebiedsvisie vindt ook participatie plaats. - Hoe reflecteert het college op de participatie van inwoners, ondernemers en organisaties binnen de Omgevingswet? - Kan het college inzicht geven in de samenstelling van de participanten? - Worden verschillende groepen inwoners en organisaties ook bereikt en betrokken in de participatie? - Zijn er groepen die minder of niet bereikt worden of minder participeren? - Op welke manier wil het college ervoor zorgen dat de participatie een afspiegeling van de inwoners is? Antwoord Wij begrijpen de wens van uw fractie om te reflecteren op deze wijze waarop de participatie rondom de Omgevingswet nu verloopt. Het is, gelet op de inwerkingtreding van de wet vorig jaar, nu relatief vroeg om hier nu al uitspraken over te doen. Daarbij gaat de voorliggende Nota sturing fysieke leefomgeving slechts op hoofdlijnen in op het thema participatie. Het beperkt zich tot een beschrijving van de plaats van participatie in het proces van elk instrument en het geeft de rolverdeling tussen raad en college weer die we bij een participatietraject hanteren. Het participatiebeleid wordt op een later moment geëvalueerd. Het lijkt ons gepast om dan nader in te gaan op dit onderwerp.
pagina
6/7
Memo beantwoording beeldvormende vragen
Bijlage: Vergelijk oude en voorgestelde besluiten
pagina
7/7