CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording beeldvormende vragen EA, Progressief PN, TROTS, VVD en CDA - Wwoonwagenbeleid en standplaatsenbeleid Pijnacker-Nootdorp 2025

Raad Oordeelvorming 22 mei 2025, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 15793482.564 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo beantwoording beeldvormende vragen

zaaknummer

1585810

berichtnummer

1440084

aan

Raad

van

College

afschrift datum onderwerp status

15 mei 2025 Beantwoording beeldvormende vragen over woonwagenbeleid en standplaatsenbeleid Pijnacker-Nootdorp 2025 Informatief

Door de fracties van Eerlijk Alternatief, Progressief Pijnacker-Nootdorp, Trots, VVD en CDA zijn beeldvormende vragen gesteld over het woonwagenbeleid en standplaatsenbeleid Pijnacker-Nootdorp 2025 (agendapunt 4a). Hieronder treft u de beantwoording aan. Eerlijk Alternatief Vraag 1 In bovengenoemde beleid, richt het college zich op 2 standplaatsen op middellange termijn. Kunt u hierbij een indicatie geven wat u met middellange termijn bedoelt? Antwoord Zowel voor de ontwikkeling van Overgauw als de Dwarskade wordt er gewerkt aan een gebiedsvisie met ruimte voor in totaal 2 locaties. Het feit dat het project nog in een zo vroeg stadium is, betekent ook dat we nog geen concrete planning hebben voor het jaar van realisatie. Vraag 2 Is dit termijn gekoppeld aan de ontwikkeling van de betreffende nieuwbouwwijken? Of kan er ook een keus gemaakt worden deze standplaatsen eerder en los van de ontwikkeling van de nieuwbouwwijken te realiseren? Antwoord Het uitgangspunt is dat de woonwagenlocaties onderdeel zijn van de kernen en wijken. De locaties moeten dus wel passen bij de betreffende nieuwbouwwijken. Het kan daarbij wel zijn dat de standplaatsen eerder worden gerealiseerd. Ook vanuit draagvlak voor de locatie wordt dat aanbevolen. Maar bij de uitwerking van de gebiedsvisies moet blijken waar in de planning de woonwagenlocaties kunnen worden gerealiseerd.

Vraag 3 Vanuit zienswijzen en informatie vooraf, hebben wij begrepen dat voormalig woonwagenbewoners noodgedwongen een woning buiten de gemeente moesten aanvaarden. Hierdoor komen ze nu niet direct in aanmerking voor een standplaats. Zij worden waarschijnlijk ingedeeld in categorie 8 van de standplaats zoekenden. Acht het college het desondanks mogelijk om met deze kandidaten in overleg te gaan op basis van historisch gegroeide verwachting om een op maat gerichte oplossing te vinden? Antwoord Er zijn op dit moment geen voormalige bewoners van een woonwagenlocatie binnen onze gemeente bekend die noodgedwongen een woning buiten onze gemeente moesten aanvaarden. Maar mocht iemand zich melden met deze achtergrond dan valt deze persoon onder categorie 6: standplaatszoekenden met binding. Ook voor deze categorie zetten we ons in om binnen negen jaar een standplaats te vinden.

pagina

1/7

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Progressief Pijnacker-Nootdorp Vraag 4 Welke regionale samenwerking is er met de omliggende gemeente om er gezamenlijk voor te zorgen dat er voldoende woonwagens en standplaatsen zijn voor de doelgroep? Antwoord Op de Vliehors in Nootdorp hebben wij eerder al zeven gezinnen vanuit Nootdorp gevestigd, maar ook zeven gezinnen van een overvolle woonwagenlocatie in Rijswijk. Op dit moment wordt er gewerkt aan de regionale Woonzorgvisie. Hierin wordt ook iets opgenomen over de doelgroep woonwagenbewoners en de regionale opgave. De samenwerking bestaat tot nu toe met name uit het delen van kennis. Maar mogelijk wordt de samenwerking in de toekomst verder uitgebreid. Vanwege het belang van wonen in familieverband zijn we binnen de gemeente en regio nog wel terughoudend met het huisvesten van nieuwe families van buiten de gemeente. Vraag 5 Hoe wordt het besluit tot toewijzing van een plaats transparant gemaakt voor zowel de bewoners als andere belanghebbenden? Antwoord Bewoners dienen zich eerst officieel te registreren als standplaatszoekende. Daarna worden zij ingedeeld in een bepaalde categorie. Bij de toewijzing werken we de categorieën netjes af. Dus eerst categorie 1 dan 2 dan 3 enz. Na inschrijving op de lijst geregistreerde standplaatszoekenden ontvangt men een brief met officiële inschrijfdatum en in welke categorie men is geplaatst.

Wij als gemeente doen geen uitspraken over de status van iemand op de lijst wegens de AVG. Op het moment dat een locatie wordt aangelegd, worden voor het aantal standplaatsen hetzelfde aantal mensen van de wachtlijst benaderd of zij nog interesse hebben. De toewijzing gebeurt middels een collegebesluit. Vraag 6 Hoe blijven jullie in contact met de doelgroep en andere belanghebbende na vaststellen van dit beleid en hoe meten jullie de effecten van dit beleid op de doelgroep? Antwoord Wij hebben een klankbordgroep en willen deze periodiek bij elkaar laten komen. Vanuit zowel deze groep als van personen op de wachtlijst kunnen aandachtspunten naar voren komen. Als dit aanleiding vormt voor een aanpassing, dan komen we hiermee terug naar de gemeenteraad. De klankbordgroep wordt straks ook geïnformeerd en betrokken bij de uitwerking van de beoogde nieuwe locaties. Daarnaast wordt onze ambtenaar woonwagenzaken heel vaak direct benaderd door leden van de doelgroep. Hij is goed bereikbaar voor hen en stuurt hen regelmatig een emailbericht met aanvullende informatie of vragen. Trots Vraag 7 Om hoeveel nieuwe standplaatsen gaat het in totaal? Antwoord Uitgegaan wordt van drie kleinschalige locaties met zes tot tien plekken per locatie. Het aantal standplaatsen is uiteindelijk ook afhankelijk van het aantal inschrijvingen op de wachtlijst.

Vraag 8 Hoe verhoudt dit zich binnen de economische binding werken in loondienst en ondernemerschap?

pagina

2/7

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Antwoord Het is niet duidelijk wat er gevraagd wordt, voorgesteld wordt om deze vraag mondeling te behandelen tijdens beeldvormende vergadering. Vraag 9 Waarom is de toevoeging derdegraads op basis van zienswijze 6 toegevoegd en deze casus niet behandeld als uitzondering? Antwoord In de klankbordgroep is dit vraagstuk naar voren gebracht. Het bleek dat bijvoorbeeld ooms en tantes (derdegraads) van bewoners op een woonwagenlocatie in onze gemeente nu in dezelfde groep terecht kwamen als woonwagenbewoners die nu in bijvoorbeeld in Wassenaar of Westland wonen. Gesteld werd dat als wonen in familieverband van belang is, dat zij dan wel voorrang moesten krijgen op deze groep. Zij hebben dan wel geen binding zoals beschreven is in de definities, maar ze zijn wel familie. Vandaar dit onderscheid. Vraag 10 Hoe groot is de impact van derdegraads op de kenmerken lijst met geïnteresseerden? Antwoord De verwachting is dat de impact beperkt is. Het toevoegen van deze categorie zorgt er alleen voor dat de groep woonwagenbewoners uit de regio zonder binding een categorie lager terecht komen. We verwachten dat het aantal inschrijvingen uit deze groep beperkt zal zijn. Maar dat weten we pas zeker als er een wachtlijst is. Vraag 11 Hoeveel geïnteresseerden derdegraads zijn er van buiten de regio? Antwoord Op dit moment staan er geen derdegraads geïnteresseerden van buiten de regio.

Vraag 12 Hoe groot is de kans dat door deze methode alle locaties door één familie bewoont zullen gaan worden? Antwoord Die kans is klein, want we willen alle families met binding aan onze gemeente binnen negen jaar huisvesten. We verwachten inschrijvingen van meerdere families met binding. Zo wonen er op de Vliehors in Nootdorp verschillende families. Daarom kijken we niet naar de achternaam, maar aan welke woonwagenlocatie binnen onze gemeente men verbonden is. Dus de Klapwijkseweg, Vliehors of geen. Wij verwachten dat de drie nieuw beoogde locaties voldoende ruimte bieden om iedereen een plek te bieden. Maar als blijkt uit de wachtlijst dat er meer families met binding zijn, dan beoogde standplaatsen, zullen we op zoek moeten naar extra plekken. Vraag 13 Aan welke verhoudingen in percentages per familie en locatie moet dan ingeschat worden? Antwoord Dat kunnen we niet goed voorspellen, omdat er sprake is van verschillende families met binding, zie ook vraag 12. De benodigde standplaatsen en verschillende locaties weten we pas zeker als er een wachtlijst is.

pagina

3/7

Memo beantwoording beeldvormende vragen

VVD Vraag 14 Kan het college inschatten wat de financiële gevolgen van dit standplaatsbeleid zijn? Hoeveel publiek geld is er nodig om dit uit te voeren, als je bedenkt dat het gaat om woonplekken waar veel publiek geld bij moet (grote oppervlakten, lage huur- of koopprijzen). Antwoord Companen (2022) geeft in het “onderzoek kosten woonwagenstandplaatsen” een schatting van de overige kosten voor de inrichting van de standplaats. Denk hierbij aan de kosten voor de fundering waarop de woonwagen wordt geplaatst, het bestraten van de standplaats, het plaatsen van de berging en het aanleggen van erfafscheiding, de aansluiting op riolering, nutsvoorzieningen en afwatering van het terrein onder. Uit dat onderzoek blijkt dat bij de meeste standplaatsen de inrichtingskosten tussen de € 50.000 en € 75.000 excl. btw per standplaats bedragen. In deze berekening is dan nog geen rekening gehouden met eventuele opbrengsten vanuit erfpacht. Daarbovenop komen dan nog wel de civieltechnische werkzaamheden, de uit te voeren onderzoeken en de kosten voor de grondverwerving. De civieltechnische werkzaamheden en de kosten voor de grondverwerving zijn sterk afhankelijk van de locatie. Verder is het afhankelijk van de situatie wie welke kosten draagt. Bij een bestaande locatie kan dit anders zijn dan bij een locatie die onderdeel is van een nieuwe gebiedsontwikkeling. E.e.a.

zal bij een nieuwe gebiedsontwikkeling in een anterieure overeenkomst moeten worden vastgelegd. Vraag 15 Aan veel zienswijzen is tegemoetgekomen. Maar niet aan de zienswijze van de familie die bij ons in de fractie is geweest. Deze familie is al sinds 2016 bezig met aandacht vragen voor hun behoefte aan standplaatsen. Nu, 9 jaar later, komt er beleid, maar vissen zij achter het net omdat ze geen binding (meer) hebben met Pijnacker-Nootdorp. - De reden dat ze geen binding meer hebben, is dat ze noodgedwongen langer geleden zijn verhuisd wegens gebrek aan plekken. - Vindt het college dit niet van erg weinig gevoel voor de menselijke maat getuigen? Deze familie is al 9 jaar lang aan het leuren, en staat nu achteraan in de rij. Antwoord Vanuit zowel de woonwagenbewoners als de gemeente is er een voorkeur aan kleinschalige locaties. Dat betekent dat niet iedereen tegelijk gehuisvest kan worden. Er moet dus wel een volgorde worden gemaakt in de kandidatenlijst. Ook onder de groep met binding. In ons beleid stellen we voor om inwonende volwassen kinderen en eerste- tweedegraads familie van woonwagenbewoners uit onze gemeente voorrang te geven op de groep die hier woont, werkt of spijtoptant is. En daarna komen nog de verschillende groepen zonder binding met onze gemeente.

Vraag 16 Wat is de wettelijke minimale metrage voor een standplaats? Antwoord Die metrage van de standplaats wordt bepaald door de grootte van de woonwagen. Wij leggen dit uit aan de hand van de afmetingen van gangbare huurstandplaatsen, die op dit moment elders in het land worden gerealiseerd.

pagina

4/7

Memo beantwoording beeldvormende vragen

De woningcorporatie levert een woonwagen van 5 x 15 meter met drie volwaardige slaapkamers = 75 m2. De woonwagen is daarmee geschikt voor zowel alleenstaanden als voor een gezin met kinderen Een woonwagen heeft altijd overstekken van zo’n 50 cm. Dan is het bouwvlak inclusief de overstek rondom niet 5 x 15 maar 6 x 16 meter. Vanuit de Bbl1 (voormalig Bouwbesluit 2012) moet er tussen het meest uitstekende deel van de ene woonwagen tot aan het meest uitstekende deel van de naastgelegen woonwagen minimaal 5 meter onbebouwde ruimte zitten. Vanuit de Wkb2 geldt de eis dat de wand van het hoofdbouwwerk (woonwagen) op 2 meter van de erfafscheiding aan de zijkant staat = 1,5 m + 0,5 m (overstek) = 2 meter links. De gekozen woonwagen resulteert bij een brandveilige plaatsing volgens het Bbl en de regels van de Wkb in een standplaats van 11 x 22 meter = 242 m2 in totaal. Vraag 17 Hoe zit het met de bouwhoogte versus kavelgrootte, zijn woonwagens met een tweede woonlaag toegestaan en maakt dit dan niet dat er meer wagens geplaatst kunnen worden in een gebied? Antwoord De bouwhoogte wordt opgenomen in het omgevingsplan. Het kan per locatie verschillen wat wenselijk is. Maar vanuit de woonwagenbewoners weten we dat de behoefte aan een tweede woonlaag bestaat. Met name bij koopstandplaatsen wijken gemeenten wel eens af en wordt ook een kapverdieping mogelijk gemaakt.

Hiervoor moet de kavel wel iets breder zijn.

1 Bbl = Besluit bouwwerken leefomgeving (01-01-2018 // wijziging per 01-07-2025) 2 Wkb = Wet kwaliteitsborging (01-01-2024)

pagina

5/7

Memo beantwoording beeldvormende vragen

Ter indicatie: - Huurwoonwagen = 5 x 15 meter enkellaags = goothoogte 3,5 – 4 m / bouwhoogte max 5,5 m. - Eigen woonwagen = 6 x 15 meter met kapverdieping = goothoogte 3,5 – 4 m / bouwhoogte max 7 m. CDA Vraag 18 Over de nieuwe volgorde toewijzing woonwagenstandplaats: het nieuwe criterium (7) luidt "Familie (eerste-, tweedegraads of derdegraads) van een hoofdbewoner op een woonwagenlocatie binnen de gemeente woonachtig binnen de regio." Wordt hier bedoeld: "Familie (eerste-, tweedegraads of derdegraads) van een hoofdbewoner op een woonwagenlocatie woonachtig binnen de regio?" Antwoord Nee, het gaat om de familieleden van bewoners van een woonwagenlocatie uit onze gemeente. Dus op dit moment alleen de Vliehors of de Klapwijkseweg. De voorwaarde daarbij is dat deze familieleden nu wel al binnen de regio Haaglanden moeten wonen. Vraag 19 In de toewijzingsvolgorde wordt nu gehanteerd dat eerste- en tweedegraads familie van een hoofdbewoner voorrang heeft op familie (eerste-, tweede- of derdegraads) van een hoofdbewoner op een woonwagenlocatie woonachtig binnen de regio.

Betekent dit dat spijtoptanten (lees: woonwagenbewoners die door schaarste naar een reguliere woning zijn verhuisd) die buiten PijnackerNootdorp (maar binnen Haaglanden) zijn gaan wonen, geen voorrang hebben op familie (eerste-, tweedegraads of derdegraads) van een hoofdbewoner die binnen de regio woonachtig is? Antwoord Nee, spijtoptanten vallen onder categorie 6: standplaatszoekenden met binding met de gemeente. Deze komen daarmee voor de groep familie (eerste-, tweedegraads of derdegraads) uit de regio zonder verdere binding (categorie 7). Vraag 20 Onder spijtoptanten wordt verstaan: "een standplaatszoekende die in het verleden vanuit een woonwagenstandstandplaats in de gemeente Pijnacker-Nootdorp is verhuisd naar een reguliere woning, maar graag opnieuw een woonwagen wenst te betrekken." Wanneer de spijtoptant een woning elders in de regio Haaglanden heeft geaccepteerd, valt zij dan ook onder deze definitie? Antwoord Ja. Vraag 21 In de aanbiedingsnota staat op blz. 5 dat [e]r [geen] sociale huurwoonwagens [zijn] in onze gemeente. We hebben de ambitie om de kans om een standplaats en/of woonwagen met een sociale huur te huren, te verhogen. Waarom wordt hier nadrukkelijk op de sociale huursector ingezet? Antwoord Dit omdat er op dit moment helemaal geen sociale huurwoonwagens zijn en wel 4 particuliere huurwoningen.

De kans op een sociale huurwoning is dus 0% in onze gemeente en dat is niet toegestaan. Maar vanwege het belang van wonen in familieverband bestaan de locaties straks uit een mix sociale huur, vrije sector huur en koop. Vraag 22 Er valt te lezen dat 'een woonwagen in verhouding veel ruimte in beslag [neemt].' Zo heeft een standplaats een oppervlakte van ongeveer 240 tot 260 m². Dit betekent dat de kosten hoog zijn - en dat

pagina

6/7

Memo beantwoording beeldvormende vragen

geldt bij sociale huur nog meer. Welke consequenties heeft de inzet op sociale huur voor de realiseerbaarheid van het voorgestelde beleid? Antwoord Dat moet nog blijken bij het realiseren van de locaties. Hierbij spelen ook andere factoren zoals grondverwerving en de inzet van de woningcorporaties een rol. Vraag 23 Het college stelt, gelet op het landelijke en regionale tekort, bij de toewijzing van standplaatsen voorrang aan inwonende kinderen en familie van hoofdbewoners op de woonwagenlocatie waar een plek vrijkomt. Ook wil men daarnaast rekening houden met maatschappelijke of economische binding met onze gemeente. Is hier bewust gekozen voor of? Zou het te overwegen zijn om het woordje 'of' in deze te vervangen naar 'en'? Wat zouden daar evt. consequenties van zijn? (Bijv. qua aantal mensen dat voorrang kan krijgen?) Antwoord Het gaat ons om de binding. Dus óf een bepaalde periode werkzaam in onze gemeente, óf woonachtig. Als de standplaatszoekenden zowel moeten wonen en werken in onze gemeente, dan vallen 1 tot 2 personen uit categorie 6, naar categorie 7 of 8. Hoewel de gevolgen beperkt zijn, lijkt ons dat niet wenselijk.

pagina

7/7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15580338/1