Beantwoording beeldvormende vragen CDA, D66, PPN, TROTS en VVD - Ontwerp woonwagen- en standplaatsenbeleid
Tekst van het document
Memo beantwoording beeldvormende vragen
zaaknummer
1551176
berichtnummer
1404401
aan
Raad
van
College
afschrift datum onderwerp status
9 december 2024 Beantwoording beeldvormende vragen over beeldvormende vragen ontwerp woonwagen- en standplaatsenbeleid Informatief
Door de fracties van het CDA, Trots, D66, VVD en PPN zijn vragen gesteld over beeldvormende vragen ontwerp woonwagen- en standplaatsenbeleid Pijnacker-Nootdorp (agendapunt 4a). Hieronder treft u de beantwoording aan. Vraag 1 (CDA) Waarom zijn het aantal standplaatsen in Klapwijk vermindert in de loop van de tijd en niet opnieuw verhuurd geweest? Antwoord Overeenkomstig het in 2007 vastgestelde woonwagenbeleid is ingezet op uitbreiding van het aantal standplaatsen door middel van de realisatie van Vliehors. Deze locatie bood ook ruimte voor bewoners van de destijds bestaande locaties in onze gemeente (zoals de Zonnedauw). Dit beleid bevatte ook de keuze om na de realisatie van de Vliehors (2010-2011) geen nieuwe woonwagenlocaties meer te realiseren in Pijnacker-Nootdorp. Voor de locatie aan de Klapwijkseweg is gekozen om deze stapsgewijs af te bouwen. Zodra een woonwagen vrij komt, wordt deze niet opnieuw verhuurd. Dit onder andere omdat de locatie een hoge geluidsbelasting kent. Vraag 2 (CDA) Waarom heeft het college niet eerder het huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners aangepakt? Antwoord In 1999 is de Woonwagenwet ingetrokken en sindsdien hadden woonwagenbewoners geen uitzonderingspositie meer. Landelijk is echter gebleken dat het huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners heeft geleid tot grote achterstanden.
Daarom heeft het Rijk in juli 2018 een beleidskader uitgebracht waarin de mensenrechten van de woonwagenbewoners zijn geborgd. In onze Woonvisie 2020-2030 hebben we woonwagenbewoners expliciet opgenomen als doelgroep waarvoor extra aandacht moet zijn in ons huisvestingsbeleid. In de Woonvisie is ook opgenomen dat we hiervoor apart beleid zullen opstellen. Dat ligt nu voor. Het beleid is in lijn met het beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid (BZK 2018), wegwijzer woonwagen- en standplaatsenbeleid (VNG 2021) en afgestemd met de regio. Vraag 3 (CDA) Hoeveel mensen, die nu in grondgebonden woning wonen, zouden in aanmerking komen voor het bewonen van een woonwagen? Antwoord Wij kunnen ons voor het antwoord op deze vraag alleen baseren op nu kenbaar gemaakte interesse. Er is nog geen formeel register van standplaatszoekenden. Op dit moment wonen 14 van 36 mensen op de lijst met geïnteresseerden in een woonwagen, meestal als inwonend kind.
pagina
1/5
Memo beantwoording beeldvormende vragen
Vraag 4 (TROTS) Zijn de stroom, water en gas aansluitingen nog aanwezig voor de drie niet gebruikte plaatsen? Antwoord Er zijn alleen nog nutsaansluitingen voor de twee woonwagens die er nu nog staan. Vraag 5 (TROTS) Wat zijn de ervaringen van de huidige bewoner(s) met betrekking tot geluidsoverlast? Antwoord Daar hebben we geen informatie over. Wij baseren ons voor de beoordeling van een goed woon - en leefklimaat voor een locatie op de daarvoor door het rijk opgestelde waarden. Vraag 6 (TROTS) Hoe ervaren de huidige bewoner(s) het wooncomfort? Antwoord Daar hebben wij geen informatie over. Vraag 7 (TROTS) Voor wat betreft de Dwarskade wordt gesproken over de middellange termijn. In welk jaar is het dan de bedoeling dat het gerealiseerd is? Antwoord Het project Dwarskade is in de voorbereidende fase. Op dit moment wordt er gewerkt aan het opstellen van een gebiedsvisie. Het feit dat het project nog in een zo vroeg stadium is, betekent ook dat we nog geen concrete planning hebben voor het jaar van realisatie. Vraag 8 (TROTS) En in welk jaar is de realisatie van de Overgauw? Antwoord De ambitienotitie voor Overgauw wordt u begin volgend jaar aangeboden. Bij dit voorstel wordt ook een planning worden opgenomen. Vraag 9 (D66) In 1999 is de Woonwagenwet ingetrokken. Heeft het nu geldende decentrale beleidskader een dwingend karakter, d.w.z. kunnen gemeenten tot prestaties (bijv.
uitbreiding van het aantal standplaatsen) op dit terrein worden gedwongen? Antwoord Het beleidskader zelf is niet dwingend. Het Rijk heeft het beleidskader opgesteld als handreiking voor gemeenten (en woningcorporaties) omdat sinds de intrekking van de Woonwagenwet het aantal standplaatsen steeds verder is teruggelopen. Uit diverse uitspr aken en rapportages blijkt dat dit niet in overeenstemming is met mensenrechtelijke uitgangspunten. De mensenrechten hebben invloed op de beleidsvrijheid die een gemeente heeft bij het ontwikkelen en uitvoeren van woonwagenbeleid. Wij moeten rekening houden met de specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners en voorzien in voldoende standplaatsen zodat woonwagenbewoners binnen een redelijke termijn een standplaats kunnen krijgen. Een recente uitspraak van de rechtbank in Den Haag illustreert dit: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:7830 Vraag 10 (D66) Hoe hoog is de geschatte gemiddelde onrendabele investering in onze gemeente in 2024 van een nieuw te bouwen eengezinswoning van circa 100 m2 in de sociale huur?
pagina
2/5
Memo beantwoording beeldvormende vragen
Antwoord Dat is ons niet bekend. Op dit moment worden er geen eengezinswoningen bijgebouwd door woningcorporaties. Ook zijn de oppervlakten kleiner dan 100m2. Vraag 11 (D66) Hoe hoog is de geschatte gemiddelde onrendabele investering in onze gemeente in 2024 van een nieuw te bouwen sociaal huurappartement van circa 80 m2? Antwoord Zowel de woningcorporatie als de gemeente streven naar een haalbare businesscase. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat er geen onrendabele top zit op een nieuwbouwontwikkeling. Met de gestegen bouwkosten staat dit wel onder druk. Vraag 12 (D66) Wat kost naar schatting het realiseren van een bouwrijpe kavel (standplaats) van circa 250 m2 voor een woonwagen op een kleine locatie (minder dan 10 woonwagens)? Antwoord De civieltechnische werkzaamheden en de kosten voor de grondverwerving zijn sterk afhankelijk van de locatie. Companen (2022) geeft in het “onderzoek kosten woonwagenstandplaatsen” een schatting van de overige kosten voor de inrichting van de standplaats. Denk hierbij aan de kosten voor de fundering waarop de woonwagen wordt geplaatst, het bestraten van de standplaats, het plaatsen van de berging en het aanleggen van erfafscheiding, de aansluiting op riolering, nutsvoorzieningen en afwatering van het terrein onder.
Uit dat onderzoek blijkt dat bij de meeste standplaatsen de inrichtingskosten tussen de € 50.000 en € 75.000 per standplaats bedragen. Daarbovenop komen dan nog de civieltechnische werkzaamheden en de kosten voor de grondverwerving. Bij het projectplan voor de Klapwijkseweg verwachten we straks een beter inzicht te krijgen in de totale kosten. Vraag 13 (D66) Hoe hoog is de totale geschatte gemiddelde onrendabele investering in onze gemeente in 2024 van een nieuw te ontwikkelen huur woonwagen op een in erfpacht uitgegeven kavel van circa 250 m2 op een kleine locatie (minder dan 10 woonwagens)? Antwoord Companen (2022) geeft in het “onderzoek kosten woonwagenstandplaatsen” een antwoord op de vraag: “is realisatie van een woonwagenstandplaats kostendekkend?”. Geschat wordt (vanuit de bedrijfswaardeberekening) dat er altijd wel sprake is van een onrendabele exploitatie. Bij een huurprijs van € 630 per maand gaat het om een onrendabele investering van ruim € 165.000 en bij een huurprijs van € 760 per maand bedraagt deze ruim € 130.000. Wel zijn er variabelen zoals het verlengen van de levensduur, afschaffen van de verhuurdersheffing en de energieprestatievergoeding niet meegenomen. In deze berekening is dan nog geen rekening gehouden met erfpacht.
Vraag 14 (VVD) Welke kosten moeten de gemeente en/of woningcorporatie maken om een woonwagenstandplaats tegen sociale huurtarieven aan te kunnen bieden, in vergelijking met een vergelijkbare oppervlakte aan ‘reguliere’ sociale huurwoningen? Met andere woorden: hoeveel duurder of goedkoper is huisvesting van een persoon of een gezin in een tegen sociaal tarief verhuurde woonwagen ten opzichte van huisvesting in een ‘reguliere’ sociale huurwoning? Antwoord Zie antwoord vraag 13.
pagina
3/5
Memo beantwoording beeldvormende vragen
Vraag 15 (VVD) Welke grondprijs/canon wordt gerekend als grond voor woonwagens wordt verkocht of in erfpacht wordt gegeven? Is die grondprijs/canon hetzelfde als voor ‘reguliere’ woningen? Antwoord In de Nota Grondprijzen 2024-2025 gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen specifieke grondprijzen voor een woonwagenstandplaats opgenomen. Bij uitgifte van grond in erfpacht wordt erfpachtcanon afgestemd op de grondwaarde die de grond in het geval van verkoop heeft. De grondwaarde wordt bepaald op basis van de grondprijsmethode in de nota. Vraag 16 (PPN) In de aanbiedingsnota staat bij de kanttekeningen: “Vanwege de verwachtte toekomstige vraag willen we niet gelijk alle plekken uitgeven. Zo blijft er op lange termijn ruimte voor het blijvend wonen in familieverband”. Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze kanttekening? Antwoord Wij zetten ons met dit beleid in voor woonwagenbewoners met binding aan onze gemeente. Waarbij het blijven wonen in familieverband van belang is. Voor deze doelgroep willen wij ons committeren aan de eis dat zij een reële kans op een standplaats binnen onze gemeenten hebben. Door ruimte voor uitbreiding van een locatie als optie te houden voorkom je dat je deze ambitie niet waar kan maken.
Vraag 17 (PPN) Is gezien het aantal geïnteresseerden in relatie tot de termijn die nodig is om tot realisatie van extra plekken te komen, nodig om plekken nog niet uit te geven? Antwoord In de praktijk zullen de eerste locaties inderdaad, vanwege de grote groep met binding waarschijnlijk wel uitgegeven worden. Dit uitgangspunt wordt pas van belang als het aanbod en de vraag weer met elkaar in balans zijn. Vraag 18 (PPN) Kunt u de uitkomsten van het gesprek met de klankbordgroep met ons delen? Antwoord De groep kon zich vinden in de uitgangspunten, blijven wonen in familieverband en binding met de gemeente. Ook het uitgangspunt om kleinschalige locaties toe te voegen wordt toegejuicht. Ook is de groep vooral blij dat er “eindelijk” wat zicht komt op nieuwe locaties. Wel is er nog wat verdeeldheid over de volgordebepaling en de wachtlijst. Zo kan de wachtduur pas worden opgebouwd vanaf het moment dat ons beleid wordt vastgesteld. Terwijl sommige standplaatszoekenden al langere tijd aandacht vragen voor een standplaats. De angst bestaat dat standplaatszoekenden die nu geen lijntje hebben met een bestaande woonwagenlocatie in onze gemeente straks geen kans maken. Aan de andere kant wordt er juist aandacht gevraagd voor inwonende kinderen onder de 21 jaar op onze eigen woonwagenlocaties. Beide groepen hebben binding met onze gemeente.
En met ons beleid zetten we ons in om die doelgroep binnen 9 jaar te helpen aan een standplaats. In januari is de volgende sessie gepland. Dan hebben de leden van de klankbordgroep ook een beter beeld binnen welke groep ze vallen binnen de wachtlijst straks. Wij stellen voor om bij de vaststelling van het beleid en bijbehorende stukken een reactie mee te sturen naar de raad namens de klankbordgroep. Vraag 19 (PPN) Welke aanbevelingen deden zijn ten aanzien van het ontwerp?
pagina
4/5
Memo beantwoording beeldvormende vragen
Antwoord Het kunnen blijven wonen in familieverband is van groot belang en ook als zodanig erkend door het EHRM. Maar sommige families zijn groot en door het land verspreid. Daarom is toegevoegd dat bij de volgordebepaling ook binding met de gemeente van belang is. Ook is nog toegevoegd dat kinderen die zijn meeverhuist vanaf een standplaats naar een woning kunnen vallen onder spijtoptanten. Vraag 20 (PPN) Om het afstammingsbeginsel vorm te geven moeten een aantal gegevens worden aangeleverd. In hoeverre kan van een aanvrager worden verwacht dat hij/zij deze gegevens heeft, en op welke wijze wordt getoetst indien deze gegevens niet of niet volledig beschikbaar zijn? Antwoord Alle echte woonwagenbewoners hebben tussen 1968 en 1980 gewoond op een van de 50 regionale woonwagenkampen. Daarna werden deze ontmanteld en verspreid naar omliggende gemeenten die woonwagenlocaties van maximaal 15 woonwagens moesten gaan inrichten. Een woonwagenbewoner is iemand die van generatie op generatie in een woonwagen heeft gewoond en deze cultuur als zodanig intensief heeft beleefd. Onze standplaatszoekende woonwagenbewoners moeten aantonen dat hun ouders en grootouders ook op een woonwagenlocatie hebben gewoond en waar men verbleef tussen 1968 en 1980. Dit omdat de kosten voor aanleg van standplaatsen erg hoog zijn en deze ook erg veel ruimte vragen.
Wij adviseren daarom alleen voor afstammelingen van woonwagenbewoners standplaatsen aan te leggen. Dit kan o.a. worden aangetoond via een BRPuittreksel met adreshistorie. Vraag 21 (PPN) Als redelijke termijn waarop iemand kans maakt om een standplaats toegewezen te krijgen, staat een periode van 8 jaar en 11 maanden genoemd. Vindt het college dit een redelijke termijn, ook in relatie tot het feit dat er een achterstand is ontstaan in het aantal standplaatsen in de sociale huur-categorie? Antwoord Het is een maximale periode. We zetten ons in, om een groot deel van de achterstand eerder in te lopen. Door bijvoorbeeld de locaties aan de Klapwijkseweg of bij de Dwarskade te ontwikkelen.
pagina
5/5