CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanvullend ecologisch advies van Tauw over de Omgevingsvisie

Raad Besluitvorming 25 november 2021, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Vaststelling Omgevingsvisie met bijbehorende Plan MER4.721 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Omgevingsvisie 2050 en planMER Pijnacker Nootdorp Aanvullende vragen van raadsfracties over het thema natuur aanvulling thema natuur 16 november 2021

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Verantwoording Titel

Opdrachtgever

Colofon Omgevingsvisie 2050 en planMER Pijnacker Nootdorp

TAUW bv

Aanvullende vragen van raadsfracties over het thema

Zekeringstraat 43g

natuur

Postbus 20748

gemeenteraadsfracties van de Partij voor de Dieren,

1001 NS Amsterdam

Eerlijk Alternatief, Progressief Pijnacker-Nootdorp,

T +31 20 60 63 22 2

D66 en het CDA in Pijnacker-Nootdorp

E info.amsterdam@tauw.com

Projectleider

Maurice Tijm MSc.

Auteur(s)

Jeroen Reimerink, Wendy Liefting

Tweede lezer

Martijn Gerritsen

Meet- en inspectiewerk

n.v.t.

Projectnummer

1283999

Aantal pagina’s

15

Datum

16 november 2021

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

2/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Inhoud 1

Beantwoording vragen thema natuur ........................................................................................................................................................................................ 4 1.1

Inleiding .............................................................................................................................................................................................................................. 4

1.2

Beantwoording vragen 1 & 2 .............................................................................................................................................................................................. 4

1.2.1

Methode ...............................................................................................................................................................................................................................4

1.2.2

Ecologische kwaliteit Pijnacker en effect van de visie .........................................................................................................................................................4

1.2.3

Ecologische kwantiteit Pijnacker en effect van de visie .......................................................................................................................................................6

1.2.4

Conclusie vraag 1&2 en doorkijk..........................................................................................................................................................................................7

1.3

Beantwoording vraag 3 ...................................................................................................................................................................................................... 7

1.3.1

Methode ...............................................................................................................................................................................................................................8

1.3.2

Analyse verbindingen ...........................................................................................................................................................................................................8

1.3.3

Conclusies en doorkijk .........................................................................................................................................................................................................8

1.4

Beantwoording vraag 4 ...................................................................................................................................................................................................... 9

1.4.1

Methode ...............................................................................................................................................................................................................................9

1.4.2

Analyse effecten glastuinbouw.............................................................................................................................................................................................9

1.4.3

Conclusies en doorkijk .......................................................................................................................................................................................................10

1.5

Beantwoording vraag 5 .................................................................................................................................................................................................... 11

1.5.1

Methode .............................................................................................................................................................................................................................11

1.5.2

Analyse effecten woningbouw............................................................................................................................................................................................11

1.5.3

Conclusies en doorkijk .......................................................................................................................................................................................................14

1.6

Bronnen ............................................................................................................................................................................................................................ 15 3/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

1 Beantwoording vragen thema natuur 1.1

Inleiding

In deze notitie beantwoorden wij de vragen van de diverse gemeenteraadsfracties over het thema natuur in de omgevingsvisie en het planMER wat eerder door TAUW en de gemeente Pijnacker-Nootdorp is gemaakt. Het gaat om de volgende documenten: • Omgevingsvisie Pijnacker- Nootdorp Verbonden met Elkaar (link) • PlanMER bij de omgevingsvisie inclusief bijlagen (link) We hebben ons in deze notitie gericht op de hoofdzaken en het geven van een beknopt antwoord op de vragen. Voor alle onderwerpen geldt dat desgewenst meer nuancering en detaillering mogelijk is.

1.2

Beantwoording vragen 1 & 2

1. Wordt Pijnacker-Nootdorp er op ecologisch vlak kwalitatief en kwantitatief beter van deze visie en zo ja, waar blijkt dat uit? De beantwoording van deze vraag hebben wij samengevoegd met het antwoord op de tweede vraag: 2.

Kan worden aangegeven wat de ecologische effecten (inclusief beschermde flora en fauna) van de Omgevingsvisie zijn die nog niet genoemd zijn in het PlanMER, behorende bij de Omgevingsvisie?

1.2.1 Methode Voor het beantwoorden van beide vragen hebben wij ons in eerste instantie gericht op de tekst in de visie en het planMER met bijbehorende factsheet natuur (bijlage 1). We vatten deze kort samen en verwijzen in onderstaande beantwoording naar relevante tekstpassages. Als eerste aanvulling lichten we het belang van verschillende typen natuur voor biodiversiteitherstel toe en geven we de randvoorwaarden aan die essentieel zijn voor hogere ecologische kwaliteit. Daarbij is aangegeven hoe dit nu in de visie en planMER staat en welke effecten dit heeft en welke garanties dit geeft. Als tweede aanvulling beoordelen we het aspect kwantiteit met een GIS-analyse die inzicht geeft in de verdeling van de bestemming (recreatief)groen/natuur/landbouw in de relevante groengebieden. Tot slot wordt ook een beknopte doorkijk gemaakt naar de belangrijkste aspecten die nodig zijn om ecologische herstel te garanderen. 1.2.2

Ecologische kwaliteit Pijnacker en effect van de visie

In de visie hebben groen en natuur een prominente rol in de gekozen ontwikkellijnen en bijbehorende ambities (met name ontwikkellijn 1 en deels ook 4). De groenambities zijn zowel op (klimaatadaptieve)leefomgeving van de mens als op verbetering voor natuur gericht. 4/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Effecten beschreven in het planMER In het planMER en factsheet in bijlage 1 zijn voor natuur drie criteria beoordeeld: biodiversiteit, weidevogelgebieden en Natura 2000. Het herstel van biodiversiteit is niet eenvoudig in onze huidige samenleving. In het planMER is vooral gekeken naar biodiversiteit op bovenregionale schaal en is beoordeeld dat de omgevingsvisie beperkt effect heeft op de autonome trend. Omdat de ambitie voor herstel in het verleden lastig realiseerbaar is gebleken en sprake is van klimaatverandering en blijvende grote druk op natuur en groengebieden. Plannen om het weidevogelkerngebied op te nemen in het NNN zijn in een gevorderd stadium en moeten de huidige negatieve weidevogeltrend ombuigen. Met de omgevingsvisie wordt beleid van de visie 2040 voorgezet en binnenkort afgerond. Dit is in het planMER als beperkt effect beoordeeld. Door het wegvallen van de emissies vanuit de glastuinbouw wordt netto een afname in stikstofuitstoot berekend wat op termijn zorgt voor een licht positief effect. Samengevat is het ecologisch effect van de omgevingsvisie nu dus als neutraal of licht positief beoordeeld in het planMER. Voorwaarden ecologische kwaliteit Algemeen zijn voor hoge ecologische kwaliteit, naast voldoende omvang en verbinding (zie 1.2.3 en verder), een aantal zogenaamde ‘abiotische’ randvoorwaarden (invloeden uit de niet-levende natuur) van belang.

Dit zijn: • • •

Voldoende rust, stilte en donkerte Juiste (grond)water condities Juiste bodem condities

De omgevingsvisie heeft aandacht voor deze aspecten, met name als het gaat om de kwetsbare (weidevogel)natuur in de zuid polder van Delfgauw en Bieslandse polder. Vernatting, natuurgerichte landbouw en recreatie vanaf de randen en stiltegebieden worden genoemd (pagina 18,19,22,41,54) en zijn allen essentieel voor het behalen van de ambities. Tegelijkertijd zijn de ontwikkelkaarten ‘veerkrachtige leefomgeving’ en ‘onderscheidend groen’ niet heel precies en gedetailleerd en blijft het onbekend of op alle plaatsen waar dat (om de ambitie te halen) nodig is, de in de tekst genoemde maatregelen ook daadwerkelijk gepland zijn. Dit wordt ook door enkele insprekers gesignaleerd. Als voorbeeld: natuurgerichte landbouw en stille en donkere plekken zijn nu in de ontwikkelkaarten alleen weergegeven in de zuid polder van Delfgauw en de Bieslandse polder, maar niet voor de overige groengebieden, zoals bijvoorbeeld NNN gebied de Ackerdijkse plassen. De omgevingsvisie biedt daardoor weinig concrete belofte en houvast als het aankomt op het geografisch toepassen van de tekst uit visie. Daarmee is borging op het aspect kwaliteit nog in grote mate afhankelijk van verdere detaillering in een nog uit te werken omgevingsprogramma.

Op het aspect kwaliteit en effecten van de nieuwe omgevingsvisie kan iets verder worden ingegaan: Ten aanzien van het aspect kwaliteit staat in de factsheet bij het planMER dat twee derde van de bedreigde zoogdieren op het platteland voorkomt. Voor boerenlandvogels is dat ook het geval, veruit de meeste bedreigde vogels zijn boerenlandsoorten. 5/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Uit recent onderzoek is bekend dat ook voor andere soortgroepen geldt dat de meeste bedreigde soorten buiten het stedelijk gebied voorkomen (Lahr et al.,2016). Als meer wordt ingezoomd op biodiversiteit lokaal in Pijnacker is het dus van groot belang te realiseren dat bij deze soorten en type leefgebied de grootste herstelopgave ligt. De grootste impact op het nationale en regionale biodiversiteitherstel kan om dezelfde reden bereikt worden door herstel van gebiedseigen (cultuur)natuur op het platteland. Dit zijn met name de natte graslanden met bijbehorende soorten en met de weidevogels als belangrijke gidssoorten. Van de drie gekozen indicatoren in het planMER heeft de indicator ‘weidevogels’ om deze reden het meest ‘gewicht’ als het om biodiversiteitherstel gaat en is een kwalitatieve verbetering vooral op dit vlak mogelijk/hiervan afhankelijk. Wat betreft kwaliteit is een focus op het buitengebied ook terecht omdat het daar beter mogelijk is systeemingrepen te doen (bijvoorbeeld herstellen van hogere waterpeilen, verschralen van gronden of toestaan van spontane processen, zoals verlanding in waterpartijen) waardoor meer complexe interacties tussen een grote hoeveelheid soorten hersteld kan worden. De stedelijke en recreatieve groenstructuur draagt, ondanks de grote waarde voor de mens, in meer beperkte mate bij aan biodiversiteitherstel.

Ecologische waarden in het stedelijk gebied moeten niet vergeten worden, maar systeemherstel en spontane ecologische processen zijn hier logischerwijs vaak moeilijker. Men heeft hier vaak te maken met een gebiedsvreemde ondergrond (door ophogen) en natuurinclusieve maatregelen zijn sneller ‘technisch’ van aard. Dit resulteert in habitat wat vaak voor minder, meer algemene en vooral mobiele soorten geschikt is. Groene recreatieve gebieden zitten tussen deze uitersten in. Meestal is hier sprake van een hoge recreatieve druk (verstoring) en is de parkachtige inrichting voor specifieke soorten geschikt. Deze redenatie en benadering levert een ander beeld van de (potentiële) ecologische kwaliteit op van de gemeente Pijnacker-Nootdorp dan nu in het planMER is weergegeven in figuur 6.3 van de factsheet (die gebaseerd is op aantal voorkomende soorten ongeacht de mate van zeldzaamheid of bedreiging). Een beeld dat van belang is als het gaat om het verhogen van de ecologische kwaliteit tot 2050. 1.2.3

Ecologische kwantiteit Pijnacker en effect van de visie

Buytenhout, de Groenzoom en het Oude Leedegebied zijn de drie grotere herkenbare groengebieden. Uit paragraaf 1.1 blijkt dat een vaste groene contour ervoor moet zorgen dat het groen in de gemeente niet verder afneemt. Een overzicht van de groene contour en groengebieden is opgenomen in de ontwikkelkaart onderscheidend groen (pagina 23). Bij een goede uitvoering kan dit effectief zijn bij het behoud van groene ruimte. Als gekeken wordt naar de bestemmingen in de genoemde groengebieden kan geconcludeerd worden dat circa 1539 ha bestaat uit landbouwgrond, 1261 ha de bestemming recreatie heeft en 535 ha de bestemming natuur. Deze verdeling maakt gelijk duidelijk dat, wat betreft de hoeveelheid ruimte, natuur ook in de toekomst sterk afhankelijk is van een ander hoofdgebruik. In de visie wordt niet duidelijk op deze verdeling, en wat dit betekent voor natuur tot 2050, ingegaan. Het effect van de visie op kwantiteit is wel positief, omdat een aantal percelen provinciaal weidevogelgebied, circa 120 ha, als weidevogelkerngebied wordt toegevoegd aan het NNN en daarmee ook de bestemming natuur krijgt. Anderzijds is dit een ontwikkeling die zeer binnenkort wordt afgerond en lijkt er dus tot 2050 tijd te zijn voor aanvullende ambities op het gebied van weidevogels en boerenlandnatuur.

Uit de omgevingsvisie blijft onduidelijk wat de toekomstvisie is op het gebied zuidelijk van de Oude Leede wat grenst aan het NNN in Lansingerland. 6/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Wat ook een effect op de kwantiteit kan hebben is de Europese greendeal, het nieuw Europees beleid voor het terugdringen van CO2 uitstoot. Daarin zitten ook landbouwafspraken zoals verminderen van mestgift en gebruik van bestrijdingsmiddelen. De omgevingsvisie legt geen relatie met de green deal. In verdere uitwerkingen is het nuttig te kijken of deze ontwikkeling in Pijnacker-Nootdorp kansen voor toename van natuurareaal biedt. 1.2.4 Conclusie vraag 1&2 en doorkijk • Op basis van de tekst in de omgevingsvisie lijkt kwalitatieve winst mogelijk. In de kaarten is de visie echter maar voor een klein aantal locaties geborgd. Waardoor de kwalitatieve en kwantitatieve verbetering nu beperkt lijkt

•

Wat betreft het aspect kwaliteit is belangrijk dit vanuit potentieel systeemherstel te bekijken en bij verdere uitwerking focus te houden op het maken van het meeste impact/effect op biodiversiteitherstel Wat betreft kwantiteit is het belangrijk te realiseren dat de natuur in Pijnacker-Nootdorp in grote mate afhankelijk is van agrarische activiteiten en

•

recreatiegebieden. Om ambities op gebied van natuur waar te maken is bereidheid nodig ook bij deze bestemmingen natuur zwaar mee te wegen en moet dit geborgd worden Verwacht mag worden dat de ecosysteemdiensten (klik voor toelichting) die het groengebied van Pijnacker - Nootdorp aan de regio Rotterdam - Den Haag

•

levert in de toekomst van steeds groter belang worden. Het kan daarom ook verwacht worden dat de rol van het boerenbedrijf (en recreatiegebied) meer verschuift naar het leveren van deze diensten. In de omgevingsvisie staat al de rol van agrariërs als landschapsbeheerder genoemd (onder andere pagina 19). De stikstofcrisis, Europese Greendeal en biodiversiteit afname zorgen voor versnelling op dit punt. Agrariërs met extra nevenactiviteiten kunnen hun veranderende rol waarschijnlijk niet helemaal zelf financieren. Het lijkt dan ook logisch als de regionale gebruikers van deze ecosysteemdiensten een grotere (financiële) bijdrage gaan leveren aan de instandhouding. Het nieuwe weidevogelkerngebied wat beheerd gaat worden door agrariërs met beheervergoeding van de Provincie is hier al een mooi voorbeeld van. Aanbevolen wordt te zoeken naar meer van dergelijke constructies voor hogere natuurkwaliteit.

1.3

Beantwoording vraag 3

De ecologische verbindingen worden in de Omgevingsvisie met pijlen aangegeven. Is met de huidige Omgevingsvisie voldoende geborgd dat de pijlen als kwalitatieve ecologische verbindingen gerealiseerd worden? Zo nee, op welke punten zou de Omgevingsvisie moeten worden aangepast om dit wel te borgen (breedte en inrichting)?

7/15

Kenmerk

1.3.1

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Methode

Om deze vraag precies te beantwoorden is een hoog detailniveau noodzakelijk (de geschiktheid en vormgeving van een verbinding is sterk afhankelijk van de doelsoort). Dit detailniveau is niet erg passend in een omgevingsvisie. Op hoofdlijn is wel te beoordelen of passage door verschillende soortgroepen (zoogdieren, vogels, vlinders, libellen, reptielen, amfibieën, zoogdieren et cetera) mogelijk lijkt. Ook kan aangeven worden welke uitwerking nodig is om een goede passage te borgen in nog op te stellen omgevingsprogramma en andere uitvoeringsplannen. 1.3.2

Analyse verbindingen

In de bijlage bij het planMER is beschreven hoe de gemeente met partners werkt aan een samenhangende groenstructuur om de kernen en bedrijventerreinen heen. Samengevat is sprake van een hoefijzervormige groenstructuur (pagina 46 bijlage 1 planMER) die deels gezamenlijk met buurgemeente Lansingerland in stand moet worden gehouden. Op meer stedelijk niveau in de woonkernen zorgt een fijne vertakking van verbindingen ervoor dat een deel van de natuurwaarden uit het buitengebied ook de woonwijken kan bereiken (pagina 51 bijlage 1 planMER). Positief is dat, na vaststelling van het beleid over de stedelijke groenstructuur, dit ook planologisch is vastgelegd in de opvolgende bestemmingsplannen (planMER bijlage 1). Ook duidelijk is dat dat nog niet overal geldt en dat nog infrastructurele knelpunten van formaat bestaan door snelwegen, provinciale wegen en spoorwegen die verbinding voor soorten hinderen, met name de minder mobiele. In de omgevingsvisie wordt voornamelijk ingezet op groenstructuren tussen het buitengebied en de bebouwde kom. In aanvulling hierop liggen er ook kansen in het zoeken naar een robuuste verbinding van het noordelijk groengebied, Buytenhout en Groenzoom, met de Ruyven - Zuidpolder.

Door het verbinden van deze gebieden ontstaat een groter aaneengesloten buitengebied waarbij soorten gemakkelijker kunnen migreren, kolonisatie van (nieuw) leefgebied mogelijk is en populaties minder gevoelig zijn voor ziekten en de genetische diversiteit wordt vergroot. In het burgerinitiatief ‘Visie op het groen in het buitengebied’ is deze verbinding ook geschetst. 1.3.3

Conclusies en doorkijk

Geconcludeerd kan worden dat: • De huidige omgevingsvisie op kaart een heel positief beeld schetst waarbij nauwelijks barrières aanwezig lijken te zijn • Positief is dat de groenstructuur voor een deel al planologisch geborgd is • •

In de huidige situatie de mogelijkheden voor uitwisseling tussen grotere groengebieden nog beperkt zijn. Toevoegen van een meer robuuste groenverbinding (indien mogelijk geacht) kan dit verbeteren De verbindingen in het stedelijk gebied kunnen op hoofdlijn goed voldoen voor de gebruikelijke stadssoorten, dat zijn mobiele (vliegende) soorten zoals insecten, vlinders, libellen, vogels en meer mobiele zoogdiersoorten (zoals vleermuizen). 8/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Maar soorten die zich moeilijker verspreiden (amfibieën, reptielen) zullen hinder ondervinden van de nog bestaande knelpunten en kwetsbaar zijn voor

•

bijvoorbeeld kruisend verkeer. Voor meer kritische soorten zullen de verbindingen in stedelijk gebied veelal te beperkt van omvang en kwaliteit zijn (zie ook argumentatie onder 1.2.2). Voor betere verbinding en borging is de beste start het aanwijzen van doelsoorten of natuurtypen voor een verbinding en aan de hand daarvan eventuele knelpunten te identificeren en op te lossen. Dit vraagt om een detailniveau wat passend is bij nadere uitwerkingsplannen.

1.4

Beantwoording vraag 4

Glastuinbouwgebieden grenzen aan natuurgebieden. Zijn er ecologische effecten van de glastuinbouw op de nabijgelegen natuur? Zo ja, welke maatregelen kunnen getroffen worden om negatieve effecten te mitigeren? Zouden deze maatregelen ter mitigatie ook een negatieve invloed kunnen hebben op ondernemerschap of zijn er mogelijkheden beide belangen onaangetast naast elkaar te laten bestaan? 1.4.1 Methode Bij het beantwoorden van deze vraag leggen we de focus bij het op een rij zetten van de (wetenschappelijke) kennis en metingen over ecologische effecten van lichtvervuiling en lozingen van bijvoorbeeld gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater en mitigatiemogelijkheden hierbij. Invloeden op bedrijfseconomische aspecten behandelen we alleen vanuit de context van Europees en Nederlands natuurbeleid en natuurwetgeving. 1.4.2 Analyse effecten glastuinbouw In de omgevingsvisie zijn wensen opgenomen voor ontwikkelingen in glastuinbouw. In het planMER is beoordeeld dat de huidige situatie en autonome ontwikkeling met betrekking tot lichtvervuiling slecht zijn, maar dat door de visie een kleine verbetering verwacht wordt. Ruimtelijk gezien is er geen sprake van overlap tussen ontwikkelingen in de glastuinbouw en gebieden welke een functie hebben voor natuur, recreatie of landbouw (anders dan glastuinbouw).

Wel kan door ontwikkelingen in de glastuinbouw sprake zijn van ecologische effecten op nabijgelegen natuur. Uit literatuuronderzoek blijkt dat (kunstmatig) licht een veelzijdige invloed kan hebben op mens en dier. Hier is echter geen eenduidig beeld over wegens het ontbreken van voldoende langjarige onderzoeken. Bij vogels kan de aanwezigheid van licht gedurende de nacht een positieve invloed hebben op het foerageersucces terwijl andere vogelsoorten een foerageergebied waar te veel licht is juist vermijden (Ysebaert et al., 2009). Daarnaast worden kassen verwarmd, in sommige gevallen door stookinstallaties welke stikstofemissies tot gevolg hebben. Hierdoor kan tot in de ruime omgeving van de kas sprake zijn van depositie van stikstof. Stikstofemissies is een belangrijke voedselbron in ecosystemen, maar een teveel kan leiden tot schade door eutrofiëring en verzuring.

9/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

De overmatige aanvoer van deze voedingsstof, onder meer via depositie van stikstofemissies, kan vooral bedreigend zijn voor soorten van voedselarme milieus en/of situaties met een zwakke buffering tegen verzuring. Door verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van voedselarme milieus verdwijnen. Uit de Waterkwaliteitsrapportage van het Hoogheemraadschap van Delfland blijkt dat er in 2020 in het beheergebied te hoge hoeveelheden van bestrijdingsmiddelen gevonden in het water. De norm van 18 bestrijdingsmiddelen werd overschreden in het beheergebied. Uit de metingen van waterkwaliteit in het glastuinbouwgebied blijkt dat (on)bewuste lozingen op het oppervlaktewater de belangrijkste bron van bestrijdingsmiddelen zijn binnen het beheergebied van Delfland. Andere bronnen zijn bijvoorbeeld van overige partijen uit de agrarische sector en particulier gebruik van middelen. Op veel plaatsen belemmert de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen de ontwikkeling van een gezond ecosysteem. Er zijn twee meetpunten binnen het glastuinbouwgebied van Pijnacker-Nootdorp aanwezig, een ter hoogte van het Zwarte pad en een aan de Meloenstraat. Beiden scoren matig voor wat betreft bestrijdingsmiddelen, fosfaat en stikstof. Ook is er te weinig vegetatie aanwezig (Hoogheemraadschap van Delfland, 2020). 1.4.3 • •

• •

Conclusies en doorkijk

Er is sprake van heel ongunstige emissies uit de glastuinbouw Deze kunnen voorkomen worden door een meer zorgvuldige of andere werkwijze. Te verwachten is dat een meer duurzame wijze van glastuinbouw (biologisch, kringloop), voortkomend uit verandering en innovatie van de sector zelf, maar ook door bijvoorbeeld de Kader Richtlijn Water (KRW) en mogelijk Europese greendeal, voor verbetering kan en moet zorgen Dit kan verder onderzocht worden in het programma glastuinbouw wat wordt opgesteld. In het planMER zijn aanbevelingen voor een integraal programma glastuinbouw opgenomen (pagina 75) Mitigatie van ongunstige emissies is van belang daar waar glastuinbouw aan natuurgebied grenst en kan gedaan worden door het scheiden van watersystemen en zoveel mogelijk afschermen van licht met dichte beplanting of wellicht met behulp van technische innovatie die de lichtemissie helemaal voorkomt. Dergelijke oplossingen zijn maatwerk. Een hoge bosschage (met allerlei roofdieren) kan ongunstiger uitpakken voor weidevogels dan een kasgevel

10/15

Kenmerk

1.5

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Beantwoording vraag 5

Kan op hoofdlijnen een indicatie worden gegeven van de ecologische effecten van de nieuwe transformatiegebieden woningbouw (Rijskade, Overgauwseweg, Balijade) en onderzoeksgebieden voor woningbouw (bufferzone Delfgauw en Groene Wijdte, Katwijkerlaan), die in de Omgevingsvisie zijn aangegeven (Het gaat in een groot deel om gebieden met bestemming recreatie, duurzame glastuinbouw, maar die in werkelijkheid nu nog groen zijn en mogelijk van waarde zijn voor de natuur). Met andere woorden wat zijn de ecologische waarden in deze gebieden en wat is het effect van woningbouw op deze waarden? 1.5.1 Methode Op basis van onze gebiedskennis, bodemopbouw, watersysteem, luchtfoto’s en bekende waarnemingen in landelijke databanken maken wij een inschatting van de ecologische kwaliteit van de transformatiegebieden en schatten wij in wat de effecten zijn van woningbouw. Suggesties voor minimalisatie van effecten en verdere uitwerkingsmogelijkheden worden ook opgenomen. 1.5.2

Analyse effecten woningbouw

Algemeen De transformatiegebieden liggen buiten de robuuste groengebieden. Er zijn groene percelen tussen de glastuinbouw die nu een bedekking heeft van circa 50 %. Op basis van NDFF (nationale databank voor flora en faunagegevens van afgelopen 5 jaar) lijken de percelen over het algemeen een beperkte waarde voor beschermde soorten, rode lijst soorten en broedvogels te hebben. Vanwege de geïsoleerde en versnipperde ligging en het veelal intensieve landbouwkundig gebruik (met ongunstige voedselrijke grond) is dit ook te verwachten. Toch speelt ook een waarnemerseffect mee. Deze terreinen worden waarschijnlijk nauwelijks geïnventariseerd. Dekkende gegevens over voorkomende soorten zijn daarom niet beschikbaar en de exacte ecologische waarde is dus onbekend. Nader onderzoek is daarvoor nodig. Ondanks het gebrek aan gegevens van de soorten die er broeden of permanent voorkomen, is waarschijnlijk dat de belangrijkste waarde van deze percelen bestaat uit het feit dat ze niet opgehoogd en bebouwd zijn. De percelen hebben zodoende nog potentie om, als bijvoorbeeld de voedselrijke toplaag verwijderd wordt, stadsnatuur aan te leggen met een rietland of moeraskarakter. Door slim nieuw ruimtegebruik kan de bufferwerking behouden blijven en kan de ecologische kwaliteit ook toenemen ten opzichte van de huidige situatie.

Belangrijk daarbij is dat eerder gemaakte fouten in stedenbouw niet opnieuw gemaakt worden. Dit betekent bijvoorbeeld niet integraal ophogen, behoud van bestaand watersysteem en groenstructuren, slim ruimtegebruik (de hoogte in en niet op maaiveld), minimaal verharden en maximaal natuurinclusief bouwen gebaseerd op de oorspronkelijk in het (cultuur)landschap voorkomende soorten. In de omgevingsvisie is natuurinclusief bouwen opgenomen en in het planMER is hier ook aandacht aan besteed (onder andere pagina 72).

11/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Figuur 1.1 Transformatielocaties en algemeen kaartbeeld van bekende waarnemingen van beschermde en zeldzame soorten (rode lijst). Bron NDFF.

Voor percelen die direct aan het open groengebied grenzen, bijvoorbeeld het gronddepot en omgeving, geldt dat deze door die ligging een grotere waarde hebben dan door glastuinbouw ingesloten percelen. Grenspercelen kunnen tussen stad en buitengebied als buffer functioneren voor diverse verstoringen. Voor elk van de transformatiegebieden is hieronder een korte samenvatting van de bekende waarnemingen opgenomen in en direct rond het transformatiegebied. Effecten van woningbouw zijn sterk afhankelijk van hoe groene en blauwe waarden worden ingepast (of verbeterd bij inpassing). Algemeen kan gezegd worden dat soorten die gevoelig zijn voor verstoring of strikt gebonden zijn aan open gebied en grasland zoals haas, negatief beïnvloed zullen worden op deze plekken. Of dat voor de soort op populatieniveau voor negatieve effecten zorgt, hangt af van veel factoren, zoals de hoeveelheid leefgebied wat overblijft (en het beleid op die plaatsen, natuurinclusieve landbouw etc.) en stabiliteit van de populatie op regionale schaal.

12/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Dwarskade Het gebied is voor een groot deel in gebruik als glastuinbouw. Er zijn ook een aantal graspercelen aanwezig die intensief worden gebruikt. De bosschages ten zuiden van het transformatiegebied zijn mogelijk van waarde voor Wnb-beschermde en Rode lijstsoorten. Waarnemingen hier zijn de voor dit habitat typische soorten zoals egel, huismus, ringmus, grasmus, winterkoning, zwartkop, spotvogel, bosrietzanger, tuinfluiter, nachtegaal, bosuil, koekoek, groene en grote bonte specht. Onbekend is of deze soorten hier langer verblijven of broeden. Alleen van algemene broedvogels zoals kraai, merel en houtduif zijn broedgevallen bekend. Ook soorten van meer open (grasland)gebied met sloten zijn waargenomen: haas, blauwe reiger, kokmeeuw, wulp, torenvalk net als algemene amfibieën kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad. Groene wijdte/Sportvelden Dit terrein bestaat uit tennis- en voetbalveld in combinatie met een paar intensief beheerde graslanden met daaromheen laanstructuren bosschages met bomen en struweel. De ecologische waarde en potentie zit vooral in sloten, bermen, bomen en bosschages. Waarnemingen zijn hier egel, veldleeuwerik, keep, kramsvogel, koekoek, heggenmus, winterkoning, roodborst, sijs, torenvalk, ooievaar, haas, gewone dwergvleermuis.

En enkele aan water gebonden soorten meerkoet, fuut, krabbenscheer (wordt als waardplant door de groene glazenmaker (een libel) gebruikt. Onbekend is of deze (vogel)soorten hier langer verblijven of broeden. Onderzoekslocatie gronddepot Extensiever beheerd grasland en gronddepot in combinatie met een paar meer intensief gebruikte graslanden. Ook bosschages en lijnvormige structuren van bosschages. Mogelijk is het hier relatief rustig door minder intensief gebruik. Samen met de ligging aan de rand van bebouwd gebied zorgt dit voor relatief hoge ecologische potentie. Bekende waarnemingen passend bij dit halfopen gebied zijn haas, spotvogel, bosrietzanger, heggenmus, winterkoning, roodborst, tjiftjaf, fitis, zanglijster, sijs, groene specht, graspieper, boerenzwaluw, torenvalk. En enkele aan water gebonden soorten meerkoet, fuut, smient, krabbenscheer. Onbekend is of deze (vogel)soorten hier langer verblijven of broeden. Rijskade Overwegend glastuinbouw in combinatie met enkele graslanden in agrarisch gebruik (bestemming agrarisch met waarden). Op basis van luchtfoto’s worden de graslanden intensief gebruikt. Waarnemingen zijn egel, fazant, huismus, koolmees, zwartkop, winterkoning, vink, tjiftjaf, putter, zanglijster, groenling, houtduif, groene specht, torenvalk, huiszwaluw, boerenzwaluw, scholekster, gewone dwergvleermuis.

En enkele aan water gebonden soorten waterhoen, meerkoet, wilde eend, krakeend, watersnip, aalscholver, blauwe reiger, kleine watersalamander. Onbekend is of deze vogelsoorten hier langer verblijven of broeden. De blauwzwarte houtbij een zeldzame bijensoort die vaker in stedelijk gebied voorkomt is hier waargenomen. De watervogels zoals watersnip (rode lijst) en krakeend wijzen op de mogelijke aanwezigheid van ecologisch waardevolle oevers.

13/15

Kenmerk

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Overgauw Overwegend glastuinbouw met graslanden. Op basis van luchtfoto’s lijken de graslanden intensief gebruikt. Waarnemingen zijn. Kamgras, beemdkroon, korenbloem (wellicht is sprake van een ingezaaide berm of rand). Tjiftjaf, putter, roodborst, huismus, heggenmus, koolmees, zanglijster, boerenzwaluw, huiszwaluw, gierzwaluw, spreeuw, scholekster, witte kwikstaart, kokmeeuw, gaai, holenduif, kleine mantelmeeuw. En enkele aan water gebonden soorten wilde eend, meerkoet, fuut, waterhoen, krakeend, visdief, blauwe reiger. Onbekend is of deze vogelsoorten hier langer verblijven of broeden. Katwijkerlaan/Balijade Overwegend glastuinbouw met een paar graslandpercelen. Op basis van luchtfoto’s lijken de graslanden intensief gebruikt. Langs de randen van dit gebied liggen bosschages waar een groot deel van onderstaande waarnemingen zijn gedaan. Waargenomen soorten zijn: de zoogdieren egel, haas, vos en veldmuis. Nachtkoekoeksbloem, fazant, huismus, fitis, zwartkop, bosrietzanger, zanglijster, groenling, roodborst, vink, kramsvogel, boerenzwaluw, bosuil, ransuil, torenvalk, graspieper, tureluur, gele kwikstaart, grutto, koekoek, torenvalk blauwe kiekendief, tapuit, tuinfluiter, grasmus, spotvogel.

En aan water gebonden soorten bruine kikker, kleine watersalamander, watersnip, wintertaling, rietzanger, rietgors, kleine karekiet, kuifeend, waterral, roerdomp, kleine zilverreiger, visdief, oeverloper, knobbelzwaan, fuut, slobeend. De aantallen bijzondere watervogels vallen op. Net als de (waarschijnlijk overvliegende) weidevogelsoorten. Onbekend is of deze vogelsoorten hier langer verblijven of broeden. Delfgauw Parkachtige omgeving omsloten door bebouwing en de snelweg. Waargenomen soorten zijn: de zoogdieren egel, veldmuis, gewone dwergvleermuis. En vogels grauwe vliegenvanger, ringmus, huismus, grasmus, tjiftjaf, zwartkop, groenling, winterkoning, bosrietzanger, torenvalk en steenuil. Er zijn geen noemenswaardige aan water gebonden soorten waargenomen. De waarneming van steenuil is bijzonder als deze soort ook broedt op deze plek. 1.5.3 Conclusies en doorkijk Samengevat zijn de exacte waarden, als het om de permanent aanwezige soorten gaat, niet precies bekend. Op basis van de beschikbare NDFF-waarnemingen, ligging en karakteristieken, zoals hierboven toegelicht, zijn de ecologische waarden relatief laag in vergelijking met de omgeving. Het effect van woningbouw, mist op een juiste wijze uitgevoerd kan de natuurwaarden verhogen en zorgen voor betere verbinding.

Voor enkele waargenomen soorten die aan het open buitengebied gebonden zijn kan de woningbouw ook negatief zijn. Ten aanzien van de bebouwing kan de vuistregel gehanteerd worden dat het bebouwde oppervlak min of meer evenredig is met de ecologische kwaliteit. Hoe lager het % bebouwing, hoe hoger de ecologische kwaliteit kan worden).

14/15

Kenmerk

1.6

R001-1283999JRE-V01-aao-NL

Bronnen

Hoogheemraadschap van Delfland, 2020. Waterkwaliteit op de kaart. Geraadpleegd op 11-11-2021 op: https://hhdelfland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=9c6c97487c8443d698d293565f999d19 Lahr et al.,2016 link Ysebaert, T., I. de Mesel, M. de Jong, E. Brummelhuis, C. Smit & M. Baptist, 2009. Effecten van groeilicht afkomstig van glastuinbouw in de Eerste Bathpolder (Rilland) op natuurwaarden van het Natura 2000-gebied Oosterschelde. Wageningen IMARES, Rapport C097/09, Yerseke. NDFF: https://www.ndff.nl/ geraadpleegd op 16 november 2021

15/15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10795320/1