CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Quick scan Wet natuurbescherming Katwijkerlaan 37

Raad Besluitvorming 23 november 2023, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 146157211.530 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Katwijkerlaan 37, Pijnacker

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum v2

: : :

Katwijkerlaan 37, Pijnacker A4298-03/KMI/qs1 28 september 2023

Auteur Vrijgave Email Telefoon

: : : :

Mevr. K. Mirck Dhr. D. van der Meer kmirck@idds.nl 06 57312876

Opdrachtgever

:

Maatschap DFM Tack en H van Leeuwen Mevr. E. Tack

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van Maatschap DFM Tack en H van Leeuwen is op 22 augustus 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Katwijkerlaan 37 te Pijnacker. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 8 Conclusie en advies.

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied De Wilck zijn op voorhand uitgesloten. Binnen tien kilometer van het plangebied zijn geen stikstofgevoelige beschermde natuurgebieden aanwezig. Derhalve wordt geadviseerd om bij de gemeente navraag te doen of een stikstofberekening doelmatig is. Soortbescherming In de opstal grenzend aan het plangebied (pinkenstal) zijn potentieel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijven. Wanneer in het actieve seizoen (1 april t/m 31 oktober) van vleermuizen gewerkt wordt met (bouw)verlichting en deze verlichting op de omliggende opstal geschenen wordt, kan verstoring ontstaan van vleermuizen. In de periode 1 november t/m 31 maart zijn vleermuizen inactief en heeft verlichting geen effect, in deze periode zijn dan ook geen beperkingen. Het advies luidt daarom om in de actieve periode (1 april t/m 31 oktober) niet met (bouw)verlichting op de omliggende opstal te schijnen om verstoring van vleermuizen te voorkomen.

Tevens mag in de toekomstige situatie niet met (extra) verlichting om de omliggende panden geschenen worden. Algemene broedvogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Als dit niet mogelijk is, dienen alle struiken en heggen rondom de te slopen opstallen vóór het broedseizoen verwijderd te zijn en continu door te werken tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Tabel 1 geeft een overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is

Diverse algemene vogelsoorten

Mitigerende maatregelen

Baardvleermuis (Myotis mystacinus)

Mitigerende maatregelen

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

Mitigerende maatregelen

Brandts vleermuis (Myotis brandtii)

Mitigerende maatregelen

Vleermuizen

Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Franjestaart (Myotis nattereri)

Mitigerende maatregelen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mitigerende maatregelen

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Mitigerende maatregelen

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mitigerende maatregelen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mitigerende maatregelen

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Mitigerende maatregelen

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mitigerende maatregelen

Inhoudsopgave

1.1 1.2 1.3

Inleiding ........................................................................................................................ 6 Aanleiding ...................................................................................................................... 6 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 6 Leeswijzer ...................................................................................................................... 6

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 7 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 7 Veldonderzoek ............................................................................................................... 7 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 7

3.1 3.2

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen .............................................. 9 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied .................................................. 9 Planvoornemen ............................................................................................................ 16

4.1 4.2

Gebiedsbescherming ................................................................................................ 19 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 19 Effectbeoordeling en deelconclusie gebiedsbescherming ........................................... 20

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Soortbescherming ..................................................................................................... 21 Broedvogels ................................................................................................................. 21 Vleermuizen ................................................................................................................. 25 Vlinders ........................................................................................................................ 27 Zoogdieren ................................................................................................................... 28 Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied ......... 29 Vrijgestelde soorten ..................................................................................................... 29

6.1 6.2

Effectbeoordeling ...................................................................................................... 30 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt ............................................ 30 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt .......................................... 30

7.1 7.2

Advies en vervolg soortbescherming ...................................................................... 33 Nader onderzoek ......................................................................................................... 33 Mitigerende maatregelen ............................................................................................. 33

8.1 8.2

Conclusie en advies .................................................................................................. 35 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 35 Soortbescherming ........................................................................................................ 35 Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 37

Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 38 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 43

Inleiding Hoofdstuk 1 bestaat uit een korte uitleg waarom dit onderzoek noodzakelijk is. Tevens wordt het doel van het onderzoek toegelicht en als laatste volgt de leeswijzer van deze rapportage. 1.1

Aanleiding

Maatschap DFM Tack en H van Leeuwen (hierna: opdrachtgever) is voornemens enkele opstallen aan de Katwijkerlaan 37 te Pijnacker te slopen en te vervangen voor één grote loods. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzocht te worden of de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, kwalificerende waarden van Natura 2000gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en/of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). De opdrachtgever heeft IDDS gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • In het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • Het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • De ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • De ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden en NNN); • Door het treffen van mitigerende maatregelen negatieve effecten op beschermde planten diersoorten kunnen worden voorkomen; • Op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is; en • Op basis van bovenstaande bevindingen mogelijk een ontheffing en/of vergunning nodig is. 1.3

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en het planvoornemen. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb. De resultaten van het bureau- en veldonderzoek in het kader van de soortbescherming worden in Hoofdstuk 5 beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling van de soortberscherming uiteen gezet en in Hoofdstuk 7 volgt het advies en mogelijke vervolgstappen in het kader van de soortbescherming. Ten slotte worden in Hoofdstuk 8 conclusies getrokken. Een overzicht van de gebruikte literatuur is terug te vinden in Hoofdstuk 9. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wnb staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer voor natuurinclusief bouwen.

Opzet van het onderzoek In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het onderzoek is opgezet. Hierbij wordt het bureauonderzoek, het veldbezoek en de effectbeoordeling toegelicht. 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast wordt (vrij beschikbare) informatie geraadpleegd, zoals relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 9 voor de literatuurlijst). Hierbij wordt in een straal van drie kilometer rond het plangebied gekeken welke beschermde soorten voorkomen. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Indien nodig worden gebiedsspecifieke documenten geraadpleegd om beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied in kaart te brengen. 2.2

Veldonderzoek

Tevens wordt een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied, wordt een indicatie gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt globaal geïnventariseerd welke biotopen en welke (beschermde) soorten (mogelijk) in en in de directe omgeving van het gebied aanwezig zijn. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom worden de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier wordt het belang van het plangebied beoordeeld voor (beschermde) flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3

Effectenbeoordeling

Gebiedsbescherming Op basis van de voorgenomen werkzaamheden, de resultaten van het veldbezoek en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en NNN, wordt bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op beschermde gebieden. Indien negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals aanvullende toetsing en/of vergunningsaanvraag) noodzakelijk zijn. Een stikstofberekening is geen onderdeel van dit rapport. Indien stikstofeffecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, kan wel geadviseerd worden om een stikstofberekening op te (laten) stellen. Soortbescherming Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van

betekenis kan zijn. Vervolgens wordt getoetst of de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot (negatieve) effecten op de potentieel aanwezige soorten. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wnb. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming. Indien (negatieve) effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, wordt in kaart gebracht welke verbodsbepalingen worden overtreden. Indien mogelijk worden mitigerende maatregelen benoemd om de effecten te voorkomen of te verzachten om te voldoen aan de Wnb. Indien mitigerende maatregelen niet mogelijk zijn, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals nader onderzoek en/of ontheffingstraject) noodzakelijk zijn. Soorten die geen strikte bescherming genieten, worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten, bij een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikel 3.10 van de Wnb. Wel geldt ten alle tijden de Zorgplicht op grond van artikel 1.11 van de Wnb.

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Tevens wordt een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1

Ligging en algemene beschrijving van het plangebied

In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied ten westen van Zoetermeer en ten noordoosten van Pijnacker ligt. De omgeving van het plangebied bestaat uit boerderijen met weilanden, een recreatiebos, een sloopbedrijf, een manege, woningen en een drukke verkeersader (Katwijkerlaan). In de directe omgeving van het plangebied zijn veel kassen aanwezig. Verder lopen sloten tussen de percelen door.

Figuur 1: Onderzoeksgebied quickscan binnen het blauwe kader.

Het volledige eigendom bestaat uit een monumentale boerderij ‘Vredelust’ met diverse schuren en daar omheen een stuk grond. Voor onderliggend rapport is het plangebied binnen dit eigendom van belang. Het plangebied heeft betrekking op de opstallen en locaties waar werkzaamheden worden uitgevoerd. Onderstaand figuur geeft een overzicht van alle opstallen binnen het eigendom weer en de blauwomlijnde opstallen zijn onderdeel van het plangebied voor onderliggende rapportage.

Figuur 2: Overzicht van de bestaande opstallen. Het volledige eigendom is aangeduid met een zwarte stippellijn. Het plangebied, waar onderliggend rapport betrekking op heeft, is aangeduid met een blauwe lijn. Bron: Houwelingen Architecten.

Opstallen binnen het plangebied De stal is één bouwlaag hoog, bestaande uit baksteen met daarop een zadeldak bedekt met golfplaten (Figuur 3). De tractorschuur is één bouwlaag hoog, bestaande uit betonplaat met deels houten bekleding en een zadeldak bedekt met golfplaten. De aangrenzende loods is

eveneens één bouwlaag hoog, bestaande uit betonplaat en damwand en heeft een golfplaten dak (Figuur 4). Tenslotte is de aardappelschuur één bouwlaag hoog, bestaande uit betonplaat met deels damwand bekleding en heeft een dak van golfplaten (Figuur 5). Geen van de opstallen in het plangebied heeft een spouwmuur. In de noordoostelijke hoek van het plangebied is een betonnen sleufsilo aanwezig waar mest, hout en stenen tijdelijk worden opgeslagen (Figuur 6).

Figuur 3: De stal is opgetrokken uit baksteen en heeft een golfplaten dak.

Figuur 4: De tractorschuur met aangrenzende loods zijn opgetrokken uit betonplaat en damwand en hebben een golfplaten dak. De schuifpuien (aan de oost- en zuidzijde) van de tractorschuur bestaan uit hout en het nokdeel is met hout bekleedt.

Figuur 5: De nieuwe aardappelschuur is opgetrokken uit betonplaat en heeft een golfplaten dak.

Figuur 6: De betonnen sleufsilo in de noordoostelijke hoek van het plangebied.

Opstallen buiten het plangebied op hetzelfde terrein De monumentale boerderij dient als woning, is twee bouwlagen hoog en opgetrokken uit

baksteen, zonder open stootvoegen. De boerderijwoning heeft deels een pannendak en deels een rieten dak met dakramen (Figuur 7). De kapschuur is aan de westzijde open en heeft een dak en gevels uit damwandplaat. Het hoge gebinte bestaat uit hout (Figuur 8). De wagenschuur is één bouwlaag hoog, opgetrokken uit hout en heeft een pannendak (Figuur 9). De pinkenstal is één bouwlaag hoog met daarop een zadeldak bedekt met dakpannen (Figuur 10). Rondom de woning is aan de zuid- en westzijde een tuin aanwezig met gazon en aanplant. Langs de pinkenstal, in het noorden en oosten van het plangebied, is een weiland aanwezig, omzoomd door knotwilgen en een sloot. Het weiland wordt begraasd door schapen (Figuur 11). Aan de zuidzijde ligt de toegangsweg met lindebomen (Figuur 12).

Figuur 7: De boerderijwoning. De woning heeft grotendeels een rieten dak. Enkel het dwarse deel, gelegen aan de straatzijde, heeft een pannendak.

Figuur 8: De kapschuur is open aan de westzijde, heeft een houten gebinte en is volledig bekleedt met damwandplaat.

Figuur 9: De wagenschuur is opgetrokken uit hout en heeft een pannendak.

Figuur 10: De pinkenstal is opgetrokken uit baksteen en heeft een dakpannen dak.

Figuur 11: Het weiland, gelegen aan de noord- en oostzijde in het plangebied wordt begraasd door schapen. De achterliggende watergang en bomenrij behoren niet tot het terrein.

Figuur 12: De toegangsweg met tuin en lindebomen. Links is de boerderijwoning te zien, rechts de wagenschuur en de kapschuur. Midden achteraan op de foto zijn delen van de overige opstallen zichtbaar.

3.2

Planvoornemen

De opdrachtgever is voornemens een aantal opstallen te slopen en te vervangen voor een nieuwe loods welke dienst zal doen als caravanstalling voor ‘Caravanstalling Van Leeuwen’. Op dit moment worden er caravans gestald op het erf in de bestaande drie schuren (de tractorschuur, de loods en de nieuwe aardappelschuur) achter op het erf en in de grote kapschuur. Het doel is om de caravans in één gebouw te stallen, waardoor het erf meer gestructureerd kan worden. Veel van de verharding en de betonnen sleufsilo worden verwijderd en vervangen door vegetatie. Voor de uitvoering van de werkzaamheden dient beperkt vegetatie verwijderd te worden. Aan watergangen vinden geen werkzaamheden plaats. Onderstaande figuren geven een impressie van de bestaande en de beoogde situatie. Enkel de drie opstallen binnen het blauwe kader worden gesloopt, dit zijn de aardappelschuur, tractorschuur met loods en de stal. De rest van de opstallen op het terrein, de huidige boerderijwoning, de kapschuur, de pinkenstal en de wagenschuur blijven behouden. Vanwege de aanwezigheid van gevoelige veengrond, de monumentale boerderij en oude lindebomen langs de toegangsweg worden de wijze van uitvoering van de werkzaamheden en het gebruik van vervoersmiddelen hierop aangepast. De vervoersmiddelen worden beperkt qua grootte en gewicht en rijden stapvoets om trilling te beperken.

Zodoende wordt de impact op de omgeving sterk beperkt.

Figuur 13: Schets van de bestaande situatie. Enkel de drie opstallen binnen het blauwe kader worden gesloopt. De rest van de opstallen blijven behouden. Bron: Houwelingen Architecten.

Figuur 14: Ontwerpschets van de beoogde situatie. De stal, tractorschuur met loods en de aardappelschuur zijn gesloopt en vervangen door één loods. Een groot deel van de verharding en de betonnen sleufsilo zijn vervangen door vegetatie. De overige opstallen en vegetatie blijven behouden. Bron: Houwelingen Architecten.

Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk wordt weergegeven welke beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de bureaustudie en het veldbezoek wordt bepaald of (negatieve) effecten op deze beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. 4.1

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebieden, NNN, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 15. In Figuur 16 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied

Afstand tot het plangebied in meters

Natura-2000 gebied

10.500 – De Wilck (weinig gevoelig voor stikstof)

Natuur Netwerk Nederland (NNN)

3.280

Belangrijk weidevogelgebied

2.960

Strategische reservering natuur

8.550

Figuur 15: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde natuurgebieden.

Figuur 16: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.

4.2

Effectbeoordeling en deelconclusie gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied De Wilck zijn op voorhand uitgesloten. Binnen tien kilometer van het plangebied zijn geen stikstofgevoelige beschermde natuurgebieden aanwezig. Derhalve wordt geadviseerd om bij de gemeente navraag te doen of een stikstofberekening doelmatig is.

Soortbescherming In dit hoofdstuk wordt per soortgroep weergegeven of en zo, ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek. Het veldonderzoek is op 22 augustus 2023 uitgevoerd door deskundig ecoloog K. Mirck. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 3: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline). Datum

Temperatuur (℃)

Overheersende windrichting (Bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

22-08-2023

21

ZW 3

Half bewolkt

Geen

5.1 Broedvogels Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van verschillende vogels met jaarrond beschermd nest categorie 1 t/m 5 (bron: NDFF). Daarnaast zijn kerkuil en steenuil toegevoegd aangezien deze soorten redelijkerwijs in de omgeving kunnen voorkomen. In de tabel hieronder wordt weergegeven om welke soorten het gaat. Tabel 4: Waargenomen en te verwachten vogelsoorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 5) in de omgeving van het plangebied. Soort (Wetenschappelijke soortnaam)

Beschermingscategorie

Boomvalk (Falco subbuteo)

4

Bosuil (Strix aluco)

5

Buizerd (Buteo buteo)

4

Gierzwaluw (Apus apus)

2

Havik (Accipiter gentilis)

4

Huismus (Passer domesticus)

2

Kerkuil (Tyto alba)

3

Ooievaar (Ciconia ciconia)

3

Ransuil (Asio otus)

4

Sperwer (Accipiter nisus)

4

Steenuil (Athene noctua)

1

Torenvalk (Falco tinnunculus)

5

Veldbezoek De te slopen opstallen binnen het plangebied bieden geen geschikte broedlocaties zoals een toegankelijke dakrand, losliggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en gevels voor vogels zoals huismus en gierzwaluw. De damwandplaten bieden nergens ruimte (Figuur 17) en onder de golfplaten zit geen dakbeschot waartussen een nest kan worden gebouwd. In de te slopen opstallen zijn tevens geen nesten, nestmateriaal of poepsporen van vogels aangetroffen (Figuur 18).

Figuur 17: Aan de opstallen met damwandplaat (te slopen aardappelschuur) zijn geen ruimten aanwezig waar vogels toegang tot een broedplaats kunnen hebben.

Figuur 18: In de opstallen met golfplaat (te slopen tractorschuur met loods en de stal is geen dakbeschot aanwezig waar vogels een nest tussen kunnen maken. In de te slopen opstallen zijn tevens geen nesten, nestmateriaal of poepsporen aangetroffen.

Het pannendak van de pinkenstal, buiten het plangebied, is potentieel wel geschikt voor huismussen om tot broeden te komen (Figuur 19). Binnen het plangebied is functioneel leefgebied voor huismus aanwezig in de vorm van groenblijvende struiken, zanderige stukjes en drinkplaats. Huismussen zijn niet waargenomen in het plangebied en de directe omgeving daarvan. Deze worden ook niet verwacht vanwege de aanwezigheid van hoge bomen grenzend aan het plangebied. Hoge bomen worden door roofvogels gebruikt als uitkijkpunt om te jagen. Het risico op predatie is daarmee te hoog voor huismussen. De gierzwaluw is een koloniebroeder. Vanwege het beperkte aantal aanwezige openingen zijn te weinig nestmogelijkheden beschikbaar en wordt gierzwaluw hier niet verwacht.

Figuur 19: Onder enkele nokpannen van de pinkenstal is ruimte waar vogels tot broeden kunnen komen.

Grenzend aan het plangebied is weiland aanwezig waarop schapen grazen. Hier kunnen diverse algemene vogels broeden zoals bijvoorbeeld graspieper. Binnen het plangebied staan

bomen en struiken waar vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen broeden. In deze bomen zijn geen (jaarrond beschermde) nesten of holten aangetroffen. Buiten het plangebied, langs de toegangsweg, zijn in twee lindebomen holten aanwezig. In één van de twee holten was ten tijde van het veldbezoek een hoornaarnest aanwezig (Figuur 20).

Figuur 20: Eén van de holten in de lindebomen, buiten het plangebied, werd ten tijde van het veldbezoek gebruikt als hoornaarsnest.

In de andere holte broedt tijdens het broedseizoen al enkele jaren een koppel bosuilen. Deze boom bevindt zich op 8 meter van een drukke verkeersader (Katwijkerlaan) waar dagelijks zwaar vrachtverkeer passeert. Buiten deze periode gebruiken ze onder andere een plataan vlak naast de boerderijwoning als roestplaats. Langs deze boom passeren bijna dagelijks caravans, busjes of een tractor. De uilen zijn tijdens het veldbezoek waargenomen in de plataan. Onder de boom liggen braakballen. Deze boom bevindt zich eveneens buiten het plangebied (Figuur 21).

Figuur 21: Tijdens het veldbezoek zijn twee bosuilen waargenomen in de plataan (oranje pijl) aan de boerderijwoning. Deze boom wordt al enkele jaren gebruikt als roestplaats door bosuilen. Deze boom bevindt zich buiten het plangebied.

Binnen het plangebied worden boomvalk, buizerd, sperwer en havik niet verwacht door het ontbreken van horsten en kraaien- of eksternesten. Ransuil wordt uitgesloten door het ontbreken van zeer dichte coniferen die als winterroestplaats kunnen dienen en het ontbreken van oude kraaien- of eksternesten die de ransuil gebruikt als nest. Binnen het plangebied zelf is voor steenuil geen geschikt biotoop aanwezig in de vorm van holtebomen, knotwilgen, toegankelijke schuren, zolders of uilenkasten. Steenuilen gebruiken hun nest ook buiten het broedseizoen als vaste rust- en verblijfplaats. Aan de holtebomen aan de toegangsweg (buiten plangebied) zijn geen braakballen, poepsporen of nestmateriaal aangetroffen. Dit betekent dat de holte niet in gebruik is door steenuil. Door het ontbreken van uilenkasten, toegankelijke zolders of schuren met rustige, donkere schuilhoekjes kan tenslotte de aanwezigheid van kerkuil worden uitgesloten. Ooievaar wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van hoge plekken, zoals telefoonpalen, zeer hoge bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform. Buiten het plangebied, boven in de zuidoostelijke hoek in de kapschuur, is een nestkast voor torenvalken aanwezig welke ook gebruikt wordt door torenvalk (Figuur 22).

Langs de kapschuur passeren bijna dagelijks caravans, busjes of een tractor. In deze kapschuur vinden herstelwerkzaamheden plaats.

Figuur 22: In de kapschuur is een nestkast (oranje pijl) aanwezig welke door torenvalk wordt gebruikt.

5.2

Vleermuizen

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande vleermuissoorten voorkomen. Tabel 5: Waargenomen beschermde vleermuissoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Bosvleermuis (Nyctalus leisleri) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Veldbezoek Binnen het plangebied zijn geen boomholten aangetroffen. Daarmee worden boom bewonende vleermuissoorten, zoals rosse vleermuis en watervleermuis, hier niet verwacht. Buiten het plangebied, aan de toegangsweg, zijn lindebomen aanwezig met holten (Figuur 23). Eén van deze holten was tijdens het veldbezoek in gebruik door hoornaar (Figuur 20). In de andere holte broeden al jaren bosuilen. De holten bevinden zich onder 2,5 m hoogte, waardoor te weinig vrije

uitvalruimte voor vleermuizen aanwezig is om uit te vliegen. Tijdens het veldbezoek konden de holten goed visueel geïnspecteerd worden en zijn geen vleermuizen aangetroffen.

Figuur 23: De boomholten in de lindebomen aan de toegangsweg bevinden zich onder 2,5 meter hoogte waardoor weinig vrije uitvalruimte beschikbaar is voor vleermuizen om uit te vliegen. Vleermuizen waren niet aanwezig tijdens het veldbezoek en worden niet verwacht in deze holten.

Geen van de opstallen in het plangebied heeft een spouwmuur waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen hebben. De aardappelschuur heeft geen openingen waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen bereiken. De damwand aan de aardappelschuur sluit aan op het dak. Het materiaal is ongeschikt voor vleermuizen vanwege de gladheid en snelle opwarming of afkoeling van het materiaal. Zowel de tractorschuur met aangrenzende loods en de stal hebben geen dakbeschot, waardoor geen holtes aanwezig zijn om weg te kruipen en afscherming van daglicht is eveneens niet aanwezig voor vleermuizen. In de muur van de stal is een opening aanwezig waar vleermuizen zouden kunnen invliegen (Figuur 24). Echter komt deze opening, vanwege het ontbreken van een spouwmuur, uit in een open ruimte. In deze ruimte zijn geen plekken aanwezig waar vleermuizen weg kunnen kruipen in een afgesloten verblijfplaats. Daarmee zijn de te slopen opstallen in het plangebied ongeschikt voor vleermuizen.

Figuur 24: In de muur van de stal is een ruime opening aanwezig waar grotere vleermuissoorten, zoals laatvlieger, kunnen invliegen om een verblijfplaats in de stal te hebben.

Buiten het plangebied heeft enkel de pinkenstal potentie voor vleermuisverblijfplaatsen. Onder enkele nokpannen van de pinkenstal is voldoende ruimte aanwezig waar gebouwbewonende vleermuizen, zoals dwergvleermuizen, kunnen invliegen om toegang tot een verblijfplaats onder het dak te hebben (Figuur 19). Deze openingen zijn tevens van voldoende grootte voor grotere vleermuissoorten als de laatvlieger en meervleermuis. Vleermuissoorten als baardvleermuis, bosvleermuis, Brandt’s vleermuis, franjestaart en gewone grootoorvleermuis kunnen niet worden uitgesloten in deze opstal vanwege een bosrijke omgeving. De tweekleurige vleermuis wordt niet verwacht, aangezien in de omgeving geen hoge gebouwen aanwezig zijn. Een functie als massawinterverblijf wordt uitgesloten wegens de beperkte hoogte en volume van de opstal en het onverwarmde karakter. De pinkenstal bevindt zich buiten het plangebied en blijft behouden. Binnen het plangebied zijn geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute voor vleermuizen kunnen fungeren. De vegetatie in het plangebied kan een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Echter wordt dit niet als essentieel gezien vanwege de hoeveelheid alternatief in de directe omgeving. 5.3

Vlinders

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soort in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Tabel 6: Waargenomen beschermde vlindersoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Grote vos (Nymphalis polychloros)

Veldbezoek De grote vos heeft als waardplant hoge vrijstaande iepen, zoete kersen en wilgensoorten. Binnen het plangebied zijn geen waardplanten en geen geschikt biotoop, namelijk vochtige, open bossen en bosranden met hoge vrijstaande bomen, aanwezig. De aanwezigheid van de

grote vos binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. De soort kan wel voorkomen in de omgeving van het plangebied. 5.4

Zoogdieren

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten in de directe omgeving van het plangebied zijn waargenomen (bron: NDFF). Steenmarter is hieraan toegevoegd aangezien deze redelijkerwijs kan voorkomen in de omgeving. Tabel 7: Waargenomen en mogelijk voorkomende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in de omgeving van het plangebied. Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Bever (Castor fiber) Boommarter (Martes martes) Eekhoorn (Sciurus vulgaris) Otter (Lutra lutra) Steenmarter (Martes Foina)

Veldbezoek Voor bever ontbreken watergangen omzoomd door broekbos. Voor otter ontbreekt waterrijk gebied met voldoende beschutting in de vorm van struwelen of bosschages. Het plangebied biedt geschikt habitat, in de vorm van tuinen in de buurt van bos, voor eekhoorn. Eekhoornnesten in bomen of nestmateriaal in de holten zijn niet aangetroffen. De lindebomen met holten, buiten het plangebied, bevinden zich bij de toegangsweg en een drukke verkeersader, waardoor voor boom- en steenmarter teveel verstoring aanwezig is om deze holte als vaste verblijfplaats te gebruiken. De te slopen opstallen binnen het plangebied bieden geen geschikte rust- of verblijfplaatsen. De hoop stenen, de houtstapels en de afgedekte hoop materiaal aan de betonnen sleufsilo binnen het plangebied vormen geschikt habitat (Figuur 25). Echter wordt hier bijna dagelijks hout weggehaald voor gebruik bij de herstelwerkzaamheden aan de kapschuur en het verzagen tot stookhout. De stenen worden gereinigd en gebruikt als afwerking van de binnenmuur van de boerderij. Door de regelmatige menselijke activiteit op deze locatie is het onwaarschijnlijk dat hier vaste voortplantings- of rustplaatsen van steenmarter of boommarter aanwezig zijn. Prooiresten of latrines zijn tevens niet aangetroffen.

Figuur 25: De houtstapel, steenhopen en de afgedekte hoop aan de betonnen sleufsilo. Omdat bijna dagelijks materiaal hier wordt weggenomen is het onwaarschijnlijk dat hier rust- of voortplantingsplaatsen van steenmarter en boommarter aanwezig zijn.

5.5

Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied

Bureaustudie en veldbezoek Uit de bureaustudie is gebleken dat van de soortgroep flora, amfibieën, reptielen, vissen, weekdieren, libellen en overige insecten, binnen een straal van 3 kilometer, geen beschermde soorten zijn waargenomen. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt ook binnen het plangebied. Beschermde soorten van deze soortgroepen worden daarom binnen het plangebied niet verwacht. 5.6

Vrijgestelde soorten

In de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht in het kader van de Wnb.

Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een (negatief) effect kunnen hebben op de beschermde soorten die volgens het (bureau- en veld)onderzoek in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst komen de soorten aan bod waarop een negatief effect niet uitgesloten kan worden. Vervolgens komen de soorten aan bod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1

Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Tabel 8: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep)

Reden optreden mogelijke effecten

Artikel en lid Wnb

Vogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en broedende vogels aanwezig zijn, worden broedende vogels verstoord. Wanneer bomen en struiken langs de te slopen opstallen binnen het broedseizoen verwijderd worden, kunnen individuen worden gedood en nesten worden vernietigd. Negatieve effecten op broedende vogels kunnen daarom niet uitgesloten worden.

§3.1, lid 1, 2 en 4

Tijdens de werkzaamheden kan gebruik gemaakt worden van bouwverlichting. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijf. Als de lichtbundels op de aangrenzende bebouwing (de pinkenstal) schijnen, kunnen vleermuizen verstoord worden en kan een negatief effect optreden voor vleermuizen.

§3.5, lid 2

Broedvogels

Algemene broedvogels

Vleermuis Bosvleermuis, Baardvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis

6.2

Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer welke soorten niet verwacht worden en/of op welke soorten geen negatief effect verwacht worden. Tabel 9: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Broedvogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik

Horsten ontbreken binnen het plangebied. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.

Bosuil

Bosuil broedt in de holte van één van de lindebomen bij de toegangsweg buiten het plangebied. De broedplek wordt niet fysiek aangepast en er is geen kans dat bosuilen worden gedood door de werkzaamheden. De aanwezige bosuilen zijn enige mate van verstoring gewend (i.v.m. zwaar vrachtverkeer langs de Katwijkerlaan, de bewoners, de verplaatsing en stalling van caravans en langsrijdende busjes). Het werkverkeer dat langs deze weg moet passeren om de werkzaamheden uit te kunnen voeren is aangepast vanwege de gevoelige veenbodem en de monumentale boerderij. De vervoersmiddelen zijn beperkt qua grootte en gewicht en dienen stapvoets te rijden om trilling te voorkomen. Dit heeft geen bijkomende verstoring tot gevolg.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten

Gierzwaluw

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen. Buiten het plangebied, in de pinkenstal, is een potentiële broedlocatie aanwezig. Echter is de gierzwaluw een koloniebroeder en biedt de pinkenstal te weinig nestmogelijkheden. Gierzwaluw wordt niet verwacht.

Huismus

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals een toegankelijke dakrand, losliggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en schuren. Functioneel leefgebied, in de vorm van groenblijvende struiken, is wel aanwezig. Buiten het plangebied, in de pinkenstal, zijn potentiële broedlocaties aanwezig. Echter zijn huismussen tijdens het veldbezoek niet waargenomen en worden vanwege het hoge predatierisico door roofvogels niet verwacht.

Kerkuil

Binnen het plangebied zijn geen kasten aanwezig voor uilen. Ook zijn geen toegankelijke schuren of zolders aanwezig.

Ooievaar

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, zeer hoge bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform.

Ransuil

Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen (zeer dichte coniferen) die als winterroestplaats kunnen dienen. Tevens zijn geen sporen (braakballen) van uilen aangetroffen. Ook zijn geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.

Steenuil

Binnen het plangebied zijn geen holtebomen, knotwilgen, toegankelijke schuren, zolders of uilenkasten afwezig. Steenuilen gebruiken hun nest ook buiten het broedseizoen als vaste rust- en verblijfplaats. Aan de holtebomen aan de toegangsweg (buiten plangebied) zijn geen braakballen, poepsporen of nestmateriaal aangetroffen. Dit betekent dat de holten niet in gebruik zijn door steenuil.

Torenvalk

Torenvalk broedt in de valkenkast boven in de kapschuur buiten het plangebied. De broedplek wordt niet fysiek aangetast en er is geen kans dat torenvalken worden gedood door de werkzaamheden. De aanwezige torenvalken zijn enige mate van verstoring gewend (i.v.m. de bewoners, herstelwerkzaamheden en de verplaatsing en stalling van caravans). De kast bevindt zich op een hoogte en wordt afgeschermd van de weg door de kapschuur zelf. Het werkverkeer dat langs deze schuur moet passeren om de werkzaamheden uit te kunnen voeren bestaat, vanwege de gevoelige veenbodem en de monumentale boerderij, uit aangepaste vervoersmiddelen qua grootte en gewicht en dient stapvoets te rijden om trilling te beperken. Dit zal geen bijkomende verstoring veroorzaken.

Vleermuizen

Grijze grootoorvleermuis

De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied. Deze biotopen zijn niet aanwezig. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap.

Rosse vleermuis

Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien geen holtebomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.

Tweekleurige vleermuis

Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied of de omgeving. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen. Foerageergebied: half open agrarisch gebied, boven water en open plaatsen in het bos (zowel tussen als boven de boomkruinen).

Vale vleermuis

Negatieve effecten op de vale vleermuis worden niet verwacht, aangezien een warme zolder ontbreekt binnen het plangebied en geen holtebomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: Kraamverblijven in warme (kerk)zolders, groeven en grotten.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten Solitair ook in kasten en boomholten. Winterverblijfplaats: grotten, groeven en kelders. In de winter vaak in grote groepen. Foerageergebied: open landschap met bomen, zoals parken, boven velden en weilanden, ook bij bebouwing. Prooi bestaat ook vooral uit bodemdieren.

Watervleermuis

Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien geen holtebomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.

Vlinders

Grote vos

De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Binnen het plangebied zijn geen waardplanten en geschikt biotoop aanwezig waardoor negatieve effecten op grote vos uitgesloten zijn. De grote vos is een trekvlinder en kan daarom overal opduiken. Waarnemingen van deze soort betreffen vaak losse waarnemingen van vlinders die op trek zijn.

Zoogdieren Bever

Er is geen geschikt habitat aanwezig, namelijk het overgangsgebied tussen land en water, zoals moerassen. Rustige beken, rivieren en meren omzoomd door broekbossen zijn niet aanwezig.

Boommarter

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop in de vorm van bos aanwezig. De holtebomen, net buiten plangebied, staan aan de toegangsweg en een drukke verkeersader waardoor teveel verstoring aanwezig is. De takkenhopen aan de sleufsilo, in het plangebied, zijn ongeschikt als rust- of voortplantingsplaats vanwege de regelmatige aanwezige menselijke verstoring. Tevens zijn geen prooiresten of latrines aangetroffen.

Eekhoorn

Binnen het plangebied is geschikt biotoop aanwezig in de vorm van tuinen in de buurt van bos. De aanwezige holtebomen bevatten geen nestmateriaal. Eekhoornnesten in bomen zijn niet aangetroffen binnen het plangebied.

Otter

De otter wordt niet verwacht wegens het ontbreken van een waterrijk habitat. Daarnaast ontbreken geschikte rustplaatsen in de vorm van dichtbegroeide oevers met riet en struwelen en bosschages of (kunstmatige) holten.

Steenmarter

Binnen het plangebied zijn schuilplaatsen aanwezig, zoals takkenhopen en steenhopen. Deze zijn ongeschikt als rust- of voortplantingsplaats vanwege de regelmatig aanwezige menselijke verstoring. De holtebomen, net buiten plangebied, staan aan de toegangsweg en een drukke verkeersader waardoor eveneens teveel verstoring aanwezig is. Ook zijn geen prooiresten of latrines aangetroffen.

Advies en vervolg soortbescherming In dit hoofdstuk wordt een advies gegeven betreffende de soortbescherming welke voortvloeit uit de bevindingen van het vorige hoofdstuk. Het gaat hierbij om soortgericht nader onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen. 7.1

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied geen potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. Derhalve is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. Direct grenzend aan het plangebied zijn wel potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. In het plangebied kunnen algemene broedvogels tot broeden komen. Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten voorkomen worden. (Figuur 26).

Figuur 26: Potentie voor beschermde soorten en gedane waarnemingen binnen en buiten het plangebied.

7.2

Mitigerende maatregelen

Vogels zonder jaarrond beschermd nest: diverse algemene broedvogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Als dit niet mogelijk is, dienen alle struiken en heggen rondom de te slopen opstallen vóór het broedseizoen verwijderd te zijn en continu door te werken tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een

broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Vleermuizen: in de opstal grenzend aan het plangebied (pinkenstal) zijn potentieel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijven. Wanneer in het actieve seizoen (1 april t/m 31 oktober) van vleermuizen gewerkt wordt met (bouw)verlichting en deze verlichting op de omliggende opstal geschenen wordt, kan verstoring ontstaan van vleermuizen. In de periode 1 november t/m 31 maart zijn vleermuizen inactief en heeft verlichting geen effect, in deze periode zijn dan ook geen beperkingen. Het advies luidt daarom om in de actieve periode (1 april t/m 31 oktober) niet met (bouw)verlichting op de omliggende opstal te schijnen om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Tevens mag in de toekomstige situatie niet met (extra) verlichting om de omliggende panden geschenen worden. Zorgplicht: de Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de egel. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort.

Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. • Voer de werkzaamheden rustig en in één richting uit. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden. • Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. • Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten.

Conclusie en advies Dit hoofdstuk geeft de conclusie van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot gebiedsbescherming en soortbescherming weer. Voor zowel de gebiedsbescherming als de soortbescherming wordt beschreven of vervolgstappen en/of het treffen van maatregelen noodzakelijk zijn. 8.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied De Wilck zijn op voorhand uitgesloten. Binnen tien kilometer van het plangebied zijn geen stikstofgevoelige beschermde natuurgebieden aanwezig. Derhalve wordt geadviseerd om bij de gemeente navraag te doen of een stikstofberekening doelmatig is. 8.2

Soortbescherming

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen de meeste soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten kan worden volstaan met mitigerende maatregelen. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een nadere toelichting van het nader onderzoek en de mitigerende maatregelen verwijzen wij naar Hoofdstuk 7. Tabel 10: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

Diverse algemene soorten

Mitigerende maatregelen

Bosuil (Strix aluco)

Nee

Torenvalk (Falco tinnunculus)

Nee

Boomvalk (Falco subbuteo)

Nee

Buizerd (Buteo buteo)

Nee

Gierzwaluw (Apus apus)

Nee

Havik (Accipiter gentilis)

Nee

Huismus (Passer domesticus)

Nee

Kerkuil (Tyto alba)

Nee

Ooievaar (Ciconia ciconia)

Nee

Ransuil (Asio otus)

Nee

Sperwer (Accipiter nisus)

Nee

Steenuil (Athene noctua)

Nee

Baardvleermuis (Myotis mystacinus)

Mitigerende maatregelen

Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 5)

Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Soortgroep

Vleermuizen

Vlinders

Zoogdieren

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

Mitigerende maatregelen

Brandts vleermuis (Myotis brandtii)

Mitigerende maatregelen

Franjestaart (Myotis nattereri)

Mitigerende maatregelen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mitigerende maatregelen

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Mitigerende maatregelen

Grijze grootoorvleermuis (Plexotus austriacus)

Nee

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mitigerende maatregelen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mitigerende maatregelen

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Mitigerende maatregelen

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Nee

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mitigerende maatregelen

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

Nee

Vale vleermuis (Myotis myotis)

Nee

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Nee

Grote vos (Nymphalis polychloros)

Nee

Bever (Castor fiber)

Nee

Boommarter (Martes martes)

Nee

Eekhoorn (Sciurus vulgaris)

Nee

Otter (Lutra lutra)

Nee

Steenmarter (Martes foina)

Nee

Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels Internetbronnen www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.floron.nl www.floravannederland.nl www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage I

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die zorg moeten dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden.

Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking 1.

Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De 1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.

richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden). Wet natuurbescherming, Soorten Voor de soortbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13321970/1