6. Quick scan Wet natuurbescherming Overgauwseweg 50
Tekst van het document
RAPPORTAGE Quickscan Wet natuurbescherming Overgauwseweg 50 Pijnacker
Rapport quickscan Wet natuurbescherming Overgauwseweg 50, Pijnacker Opdrachtgever
W. Ripping Overgauwseweg 48 2641 NG Pijnacker
Rapportnummer
22441.001
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
7 augustus 2023
Opsteller1
Mevrouw C.M. Dootjes, BSc
Kwaliteitscontrole
De heer J. Bakker, BSc
1
AVG In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................................. 9 Vleermuizen ................................................................................................................................. 12 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 13 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 14 Ongewervelden ............................................................................................................................ 14 Planten ......................................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht ....................................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 6 Gebiedenbescherming ................................................................................................................... 7 Houtopstanden .............................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................................. 16 Vleermuizen ................................................................................................................................. 17 Algemene grondgebonden zoogdieren ........................................................................................ 17 Amfibieën ..................................................................................................................................... 18 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 18
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 19 7.1 7.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 19 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 20
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 22
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 23
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst
22441.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van W. Ripping opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Overgauwseweg 50 te Pijnacker. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
22441.001 versie D1
1 / 24
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 375 m²) ligt aan de Overgauwseweg 50 te Pijnacker. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een gedeelte van een perceel te midden van een weiland. De omgeving heeft een groen karakter met weilanden, groene erven en elementen zoals bomen, bosschages en watergangen, die tevens niet behoren tot de onderzoekslocatie. Ten noorden van het perceel bevindt zich een watergang. Ten westen bevinden zich kassen. Ten oosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een boomgaard, waar schapen lopen. Ten zuiden van het perceel bevindt zich een woonhuis met een schuur. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2. t/m 2.9 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
22441.001 versie D1
2 / 24
Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 2.3 Het weiland waar de onderzoekslocatie zich op bevindt.
22441.001 versie D1
Figuur 2.4 De bomenrij buiten de onderzoekslocatie.
Figuur 2.5 De bomenrij naast de onderzoekslocatie.
3 / 24
Figuur 2.6 De boomgaard vanuit het oosten.
gezien
Figuur 2.7 De boomgaard vanuit het oosten.
gezien
Figuur 2.8 Een naastgelegen watergang, die langs de boomgaard en het weiland loopt.
Figuur 2.9 De boomgaard waar betonplaten liggen, die gebruikt worden voor de schuur.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens een schuur te bouwen van 15 x 25 meter op de onderzoekslocatie. Naar deze schuur wordt een permanent pad aangelegd door de boomgaard naar de openbare weg, die gedeeltelijk zal bestaan uit betonplaten en bestrating. Tijdens deze werkzaamheden blijft de bomenrij en de boomgaard behouden.
22441.001 versie D1
4 / 24
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 28 juni 2023. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
22441.001 versie D1
5 / 24
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.
4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
22441.001 versie D1
6 / 24
• • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.
Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.
22441.001 versie D1
7 / 24
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
22441.001 versie D1
8 / 24
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn en hierdoor een jaarrond beschermde status hebben. Uit verspreidingsgegevens uit het NDFFuitvoerportaal zijn er in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende (categorie 1-4 jaarrond) beschermde vogelsoorten aangetroffen: huismus, gierzwaluw, steenuil, kerkuil, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, ransuil, ooievaar en grote gele kwikstaart. De huismus broedt doorgaans onder nissen van daken, onder (overhangende) dakpannen en in andere geschikte openingen op en rondom het dak of in de gevel. Het functionele leefgebied van de huismus bestaat uit verschillende elementen die in een straal van 100 á 200 meter rondom het nest aanwezig dienen te zijn. Jaarrond groene hagen, gevelbegroeiing of grote struiken zijn essentieel om als dekking te functioneren voor uitvliegende jongen. Daarnaast voorzien zij in voedsel en functioneren als collectieve sociale en winterverblijfplaats voor huismussen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar potentiële nestlocaties van de huismus wordt niet noodzakelijk geacht, omdat de onderzoekslocatie geen bebouwing bevat met mogelijke geschikte openingen voor huismussen.
De gierzwaluw broedt doorgaans onder nissen van daken, onder (overhangende) kant- en nokpannen en in andere geschikte openingen op en rondom het dak of in de gevel. Gierzwaluwen hebben een vrije in- en uitvliegroute nodig met betrekking tot de nestlocatie met een minimale ruimte van drie meter diep en één meter breed. Er zijn tijdens het veldbezoek overvliegende gierzwaluwen waargenomen op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar potentiële nestlocaties van de gierzwaluw wordt niet noodzakelijk geacht, omdat de onderzoekslocatie geen bebouwing bevat met mogelijke geschikte openingen voor gierzwaluwen. De kerkuil en steenuil zijn bewoners van (half)open landschappen, veelal het boerenland of locaties die in verbinding staan met agrarisch- en/of groen buitengebied. Kerkuilen vestigen zich graag in deels open gebouwen zoals schuren of kerktorens, die over geschikte ruimtes beschikken of waar nestkasten aanwezig zijn. De steenuil is een vogel die gebruikelijk leeft op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in het agrarische cul-
22441.001 versie D1
9 / 24
tuurlandschap en aan dorpsranden. Nestplaatsen van steenuilen kunnen aanwezig zijn in boomholten, vooral knoestige bomen en oude fruitbomen, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het dakbeschot. Het leefgebied van beide uilensoorten is van belang voor een functionele nestplaats. Het leefgebied bestaat uit vaste rust- en winterverblijfplaatsen (veelal rondom de nestlocatie) en foerageergebied. Er zijn geen geschikte ruimtes, nestkasten of boomholtes waargenomen op de onderzoekslocatie die potentieel kunnen functioneren als vaste rust- en nestlocatie voor de steenuil en kerkuil. Er is echter wel een nestkast waargenomen in een fruitboom in de boomgaard naast de onderzoekslocatie die functioneert als vaste rust- en nestlocatie voor de steenuil (zie figuur 5.1 en 5.2). Door de aanleg van een permanent pad door de boomgaard kan mogelijk foerageergebied verloren gaan en/of verstoring van de nestlocatie van de steenuil optreden. Het treffen van maatregelen wordt daarom als noodzakelijk gezien (zie hoofdstuk 6).
Figuur 5.1 Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van de nestkast.
22441.001 versie D1
10 / 24
Figuur 5.2 De nestkast gesitueerd in de naastgelegen boomgaard.
De buizerd, havik, sperwer, boomvalk en ransuil broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. De nesten bevinden zich minimaal op zes meter hoogte vanaf de grond. De boomvalk broedt eveneens in nesten in hoge bomen, maar ook in hoogspanningsmasten. De bomen aanwezig op en direct rondom de onderzoekslocatie zijn geïnspecteerd op het voorkomen van grote nesten. Hierbij zijn geen nesten aangetroffen. Nader onderzoek naar potentiële nestlocaties van de boomvalk, buizerd, havik, sperwer en ransuil wordt niet noodzakelijk geacht. De ooievaar broedt op hoge locaties, bijvoorbeeld bovenop nestpalen, schoorstenen, hoge gebouwen of in hoogspanningsmasten. Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaarsnesten of nestsporen op en rondom de aanwezige gebouwen aangetroffen. Het gebruik van de onderzoekslocatie en omgeving als broedlocatie voor de ooievaar kan hiermee uitgesloten worden. Nader onderzoek naar potentiële nestlocaties van de ooievaar wordt niet noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Bij voorkeur zijn deze beken en rivieren snelstromend. De grote gele kwikstaart nestelt graag vlak bij stromend water in een nis in een muur, onder een brug of bij boomwortels in oevers.
De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de grote gele kwikstaart door het ontbreken van snelstromende waterlichamen en plekken om te foerageren. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart als broedvogel op de onderzoeklocatie wordt niet nodig geacht. Broedvogels waarvan nesten situatie-afhankelijk jaarrond beschermd zijn (categorie 5) De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Op de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten en nestkasten (kleine holenbroeders) aangetroffen. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zou moeten hebben voor deze soorten. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Overige broedvogels De onderzoekslocatie kan geen nestgelegenheid bieden aan vogels door het kale en open karakter. De omgeving van de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, winterko-
22441.001 versie D1
11 / 24
ning, merel, roodborstje en Turkse tortelduif. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten van algemene broedvogels aangetroffen rondom de onderzoekslocatie. De nesten van algemene broedvogels zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing en zijn geen bomen aanwezig en daarom is deze locatie niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Naast de onderzoekslocatie bevindt zich op meer dan 5 meter afstand een bomenrij.
Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie. Wel is het noodzakelijk dat er vleermuisvriendelijke verlichting wordt gebruikt bij werkzaamheden binnen de actieve vleermuisperiode en tussen zonsondergang en zonsopkomst (zie hoofdstuk 6). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Wel dient er vleermuisvriendelijke verlichting te worden gebruikt bij werkzaamheden binnen de actieve vleermuisperiode en tussen zonsondergang en zonsopkomst (zie hoofdstuk 6).
22441.001 versie D1
12 / 24
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, vooropgesteld dat de bomen in de omgeving die als potentiële vliegroute kunnen fungeren, gehandhaafd blijven bij de herbestemming van de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 6).
5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal zijn er in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende volgens de Wet natuurbescherming streng beschermde grondgeboden zoogdiersoorten aangetroffen: bever, steenmarter, boommarter en eekhoorn. De bever is gebonden aan waterrijke landschapstypen waarbij overgangsgebieden tussen land en water zoals in moerassen, beken, rivieren en meren de voorkeur genieten. De aanwezigheid van (loof)bomen is belangrijk, aangezien dit een belangrijke voedselbron is en tevens een functie vervult in het maken van vaste rust- en verblijfplaatsen. Holen en burchten zijn verblijfplaatsen waar bevers gebruik van maken. De waarnemingen van bevers hebben volgens het NDFF-uitvoerportaal betrekking op de Noordpolder van Delfgauw. Wegens het ontbreken van loofbosrijke, rustige en aaneengesloten wateroppervlakten op de onderzoekslocatie, wordt nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving voor.
Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Bos is bij uitstek het biotoop van de boommarter. De soort kiest zijn rustplaats vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Er is geen bos aanwezig op de onderzoekslocatie, waardoor het redelijkerwijs is uit te sluiten dat de soort een verblijfplaats heeft binnen de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de boommarter wordt niet noodzakelijk geacht
22441.001 versie D1
13 / 24
De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen rondom de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen mogelijk aangetast. Het is daarom van belang rekening te houden met de zorgplicht (zie hoofdstuk 6).
5.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal zijn er in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer geen volgens de Wet natuurbescherming streng beschermde reptielen aangetroffen. Reptielen stellen doorgaans specifieke eisen aan hun omgeving en komen voor in natuurrijke omgevingen. De onderzoekslocatie voorziet niet in geschikt habitat voor reptielen, waardoor nader onderzoek niet nodig is. Amfibieën Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal is in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende onder de Wet natuurbescherming streng beschermde amfibie aangetroffen: rugstreeppad. De rugstreeppad wordt voornamelijk aangetroffen op terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor losgrondig zanderige bodems gelegen op snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water. Het (tijdelijke) water dient bij voorkeur vegetatieloos en zonder concurrentie van andere amfibieën of van waterinsecten te zijn. In ondiep (tijdelijk) water vindt tevens de voortplanting plaats. Wegens het ontbreken van water op de onderzoekslocatie is een voortplantingsplaats uit te sluiten. Wegens het ontbreken van losgrondig zanderige bodem is landhabitat eveneens uitgesloten. Nader onderzoek naar de rugstreeppad wordt niet benodigd geacht.
Vissen Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal zijn in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer geen volgens de Wet natuurbescherming streng beschermde vissen aangetroffen. Wegens het ontbreken van watergangen op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
5.5 Ongewervelden Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen.
22441.001 versie D1
14 / 24
Vlinders Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal is in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende onder de Wet natuurbescherming streng beschermde vlinder aangetroffen: grote vos. De grote vos komt voor in vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote solitaire bomen. De soort is een zwerflustige soort en voedt zich met bloedende bomen, rottend fruit en honingdauw. De waardplant voor ei-afzet is voornamelijk de iep, maar ook zoete kers en wilgen. In de afgelopen vijf jaar is er één waarneming gedaan van de grote vos (volgens het NDFF-uitvoerportaal). Eén waarneming uit 2022 betrof een waarneming op circa 2,8 kilometer afstand van de onderzoekslocatie in Natuur- en recreatieschap Dobbeplas ten noorden van Pijnacker. De waarneming in ten noorden van Pijnacker betrof naar alle waarschijnlijkheid een zwervend individu. Er zijn geen waardplanten van de grote vos op de onderzoekslocatie aangetroffen, waardoor nader onderzoek naar de grote vos niet noodzakelijk is. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
5.6 Planten Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal zijn in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer geen volgens de Wet natuurbescherming streng beschermde planten aangetroffen. Aangezien de locatie bestaat uit begraasd weiland is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen.
22441.001 versie D1
15 / 24
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.
6.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: • de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats • de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is. Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken op het erf die ze regelmatig gebruiken. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte.
Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017). Op de onderzoekslocatie is geen sprake van een voortplantingsplaats of roestplaats. De nestkast in de fruitboom in de naastgelegen boomgaard heeft een functie als voortplantingsplaats en de omgeving hiervan wordt gebruikt als foerageergebied. Door de voorgenomen bouw van een schuur en de aanleg van een permanent pad naar de schuur wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden, mits maatregelen in acht worden genomen. Op 11 juli 2023 is er contact opgenomen met een steenuildeskundige de heer. J. Kleijweg van de Vogelwerkgroep Midden Delfland, die de nestkast heeft bevestigd en de jonge vogels jaarlijks ringt. Conform zijn adviezen is gesteld dat verstoring minimaal zal zijn op de steenuil mits er maatregelen worden genomen. Daarnaast betreft de afstand van
22441.001 versie D1
16 / 24
de ingreep tot aan de nestlocatie circa 30 meter. Door de functionaliteit van de nestlocatie en het essentiële leefgebied te vergroten, wordt geadviseerd om in de directe omgeving een extra steenuilkast te bevestigen. Deze steenuilkast kan functioneren als nestplaats of rustplaats voor het aanwezige koppel. Omdat de onderzoekslocatie zich bevindt binnen een straal van 75 meter van de nestkast, wordt verplicht gesteld om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om mogelijke verstoring alsnog te ontzien. De broedperiode van de steenuil bedraagt tussen april en mei, met mogelijke uitloop tot juni. Permanente verstoring zal niet aan de orde zijn doordat de schuur passief zal worden gebruikt. Aangezien een foerageergebied wel een belangrijke functie binnen het leefgebied van de soort heeft, dient het verlies van het foerageergebied gecompenseerd te worden binnen het territorium van de steenuil die naast de onderzoekslocatie verblijft. Dit kan door middel van het plaatsen van een muizenruiter, het plaatsen van lage vegetatie in de vorm van graspollen en/of het plaatsen van paaltjes langs het voorgenomen permanente pad. Op deze manier wordt het leefgebied van de steenuil gecompenseerd.
6.2 Vleermuizen De bomenrij naast de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen. Doordat met de voorgenomen ingreep de bomenrij behouden blijft, wordt nader onderzoek naar de verblijfplaatsen, vliegroutes en essentieel foerageergebied echter niet noodzakelijk geacht. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van potentieel aanwezige verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden daarnaast behouden kunnen worden en zal schade aan individuen worden voorkomen. Deze maatregelen betreffen het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting tijdens de uitvoeringsfase. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig (1700 – 2200K) met omlaag staande armaturen welke weinig strooilicht veroorzaken. Op deze manier wordt strooisellicht en hiermee verstoring van deze lichtgevoelige soortgroep voorkomen. Hierdoor zal de functionaliteit van het gebied behouden blijven tijdens en na de voorgenomen ingrepen. Hiernaast dient het verlichten van de bomenrij en andere opgaande structuren in de omgeving tijdens de werkzaamheden te allen tijde voorkomen te worden.
6.3 Algemene grondgebonden zoogdieren Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
22441.001 versie D1
17 / 24
6.4 Amfibieën De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
6.5 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
22441.001 versie D1
18 / 24
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Meijendel & Berkheide, bevindt zich op circa 13,1 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1). Ten westen van de onderzoekslocatie bevindt zich het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen, gelegen op circa 14,6 kilometer afstand. Beide gebieden vallen onder de categorie stikstofgevoelig.
Figuur 7.1 Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000 (geel).
22441.001 versie D1
19 / 24
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 15 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.
7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 390 meter afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 7.2
Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (grijs).
Gelet op artikel 6.24 van de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland uit 2019 worden beperkingen opgelegd vanuit het kader van het Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gelegen zijn in het Natuur-
22441.001 versie D1
20 / 24
netwerk Nederland, of deel uitmaken van de strategische reservering van natuur. Beide vereisten zijn niet van toepassing op de onderhavige onderzoekslocatie. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
22441.001 versie D1
21 / 24
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
22441.001 versie D1
22 / 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van W. Ripping een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Overgauwseweg 50 te Pijnacker. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan van de onderzoekslocatie en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een schuur te bouwen van 15 x 25 meter op zijn perceel achter een bomenrij. Naar deze schuur wordt een permanent pad aangelegd, die gedeeltelijk zal bestaan uit betonplaten en bestrating. Tijdens deze werkzaamheden blijft de bomenrij en de boomgaard behouden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
nee
nee
nee
nee
-
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
nee
nee
verplicht wordt gesteld om buiten het broedseizoen te werken en geadviseerd wordt om een muizenruiter, lage vegetatie in de vorm van graspollen en/of paaltjes te plaatsen. Ook wordt geadviseerd een extra steenuilkast te plaatsen
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
nee
nee
geadviseerd wordt om vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken in de actieve periode tijdens werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst
foerageergebied
ja
mogelijk
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende grondgebonden
Broedvogels
Vleermuizen
22441.001 versie D1
23 / 24
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
amfibieën Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
13,1 en nee 14,6 km
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
390 en 740 nee km
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
n.v.t.
n.v.t.
-
n.v.t.
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusies en aanbevelingen Voor de steenuil wordt verplicht gesteld om buiten het broedseizoen te werken. Daarnaast wordt geadviseerd om een muizenruiter, lage vegetatie in de vorm van graspollen en/of langs het voorgenomen permanente pad paaltjes te plaatsen om het foerageergebied te compenseren. Ook wordt geadviseerd om een extra steenuilkast te plaatsen in de nabije omgeving. Voor vleermuizen wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijk licht te gebruiken in de actieve periode tijdens werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst, zo worden foerageergebieden buiten de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om bij het verwijderen van het groen en grondwerkzaamheden rekening te houden met terrestrisch habitat van algemene grondgebonden zoogdieren, zoals de egel, muizen en met algemene amfibieën, zoals bruine kikker en gewone pad. Door te werken in één richting en zorgvuldig het groen te verwijderen, krijgen individuen een kans om te vluchten. In de gegraven sleuven of gaten mogen daarnaast geen dieren vallen die vervolgens geen kans meer hebben om te ontsnappen. Door het plaatsen van schermen wordt voorkomen dat dieren noodlottig in gegraven structuren terecht komen. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om aan het uiteinde een flauw talud te houden zodat dieren ten allen tijde hun weg kunnen vervolgen.
Econsultancy 7 augustus 2023.
22441.001 versie D1
24 / 24
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2022). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-KennisdocumentHuismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-KennisdocumentGierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-KennisdocumentSteenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 7 augustus 2023 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Pijnacker, periode 2018-2023. NDFF.
Geraadpleegd op 7 augustus 2023 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 7 augustus 2023 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 7 augustus 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-02-17.
Provinciale bronnen Zuid-Holland Provinciale staten van Zuid-Holland (2019). Verordening (PZH-2019-677696264) houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsverordening Zuid Holland). Geraadpleegd op 7 augustus 2023 van https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR622914/2.
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nade lige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
1. 2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid staten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis