CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1.1. Toelichting voorontwerpbestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021 2022 (1364148)

Raad Besluitvorming 23 september 2021, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: h. Ontwerpbestemmingsplan Verzamelplan 2021/202217.078 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

voorontwerp | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

gemeente Pijnacker-Nootdorp status: voorontwerp datum: 21 mei 2021 IMRO-IDN: NL.IMRO.1926.bp000210132-2001

Opgesteld door: Jessica Ocké (Juust BV)

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Inhoudsopgave Toelichting

Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

5 5 5 6 7 7 7 9 9 10 11 12 13 13 15 15 15 15 18 19 19 20 21 23

Onderzoek

25

Milieueffectrapportage Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Archeologie en cultuurhistorie Bodem Ecologie Water Verkeer

25 26 27 36 37 38 39 41 42 45

Hoofdstuk 6 6.1 6.2

Beleidskader

Nationaal beleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10

Juridische planbeschrijving

Verantwoording planvorm Systematiek bestemmingen Planregels Toelichting op de verbeelding

Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4

Planbeschrijving

Veenweg 10, Nootdorp (A) Oudeweg 62, Nootdorp (B) Oude Leedeweg 75, Pijnacker (C) Laan van 's Gravenhout (naast nr. 15), Nootdorp (D) Eeldedreef 8, Nootdorp (E) Dorpsstraat 24-26, Nootdorp (F)

Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4

Inleiding

Aanleiding Ligging plangebied Vigerende bestemmingsplannen Planvorm Planproces Leeswijzer

Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

5

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Algemeen Inspraak

47 47 47

3

gemeente Pijnacker-Nootdorp

6.3

Zienswijzenprocedure

Hoofdstuk 7

4

Economische uitvoerbaarheid

47 49

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Toelichting

Hoofdstuk 1

Inleiding

Dit hoofdstuk bevat informatie over het plangebied, de aanleiding voor dit bestemmingsplan, de vigerende plannen, de planvorm en de leeswijzer.

1.1

Aanleiding

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op een aantal locaties in de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Het bestemmingsplan dient zowel een aantal ontwikkelingen mogelijk te maken, als ook ter reparatie van enkele vigerende ruimtelijke plannen binnen de gemeente. Het doel van voorliggend bestemmingsplan is de bestemmingsregelingen voor de hieronder te noemen locaties aan te passen aan de gewenste situatie: A. Veenweg 10-12 te Nootdorp: bouwen van een woning op het achterterrein; B. Oudeweg 62 te Nootdorp: uitbreiding van het hippisch centrum; C. Oude Leedeweg 75 te Pijnacker: vergroten van een woonbestemming ten behoeve van een mantelzorgwoning; D. Laan van 's Gravenhout (naast nr. 15) te Nootdorp: nieuwbouw van twee woningen; E. Eeldedreef 8 te Nootdorp: correctie van een bouwvlak van de bestaande woning; F. Dorpsstraat 24-26 te Nootdorp: herstellen mogelijkheid woonfunctie op de begane grond. Met het nieuwe bestemmingsplan ontstaat de situatie, dat het bestemmingsplan een actueel en correct beeld geeft van de functies en een kader vormt waardoor (toekomstige) aanvragen voor een omgevingsvergunning kunnen worden getoetst. Het bestemmingsplan sluit aan bij de actuele juridische en planologische situatie en voldoet aan de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit 6 verschillende op zichzelf staande deelgebieden. In figuur 1.1 is een overzicht van al deze locaties weergegeven, waarbij de belettering correspondeert met de nummering zoals gehanteerd in paragraaf 1.1 en 1.3.

5

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Figuur 1.1 | Overzicht locaties Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

Voor de locaties zijn momenteel diverse bestemmingsplannen van kracht. In onderstaande tabel is voor elke locatie zichtbaar welk bestemmingsplan vigerend is.

A

B

C

D

E

F

6

Locatie Veenweg 10, Nootdorp

Vigerend plan Vastgesteld -Ypenburg-Centraal 19 december 2019 -Paraplubestemmingsplan 19 maart 2020 implementatie standaardregels Oudeweg 62, Nootdorp -Duurzame Glastuinbouwgebieden 7 november 2012 -1e herziening Duurzame 27 oktober 2016 Glastuinbouwgebieden -Partiële herziening 'Agrarische 19 december 2019 Glastuinbouwbestemmingen Oude Leedeweg 75, Pijnacker -Lint Oude Leede 2 17 maart 2016 -Partiële herziening 'Agrarische 19 december 2019 Glastuinbouwbestemmingen Laan van 's Gravenhout (naast nr. -'s Gravenhout, Geerweg en omgeving 30 maart 2017 15), Nootdorp -Paraplubestemmingsplan 19 maart 2020 implementatie standaardregels Eeldedreef 8, Nootdorp -Ypenburg-Centraal 19 december 2019 -Paraplubestemmingsplan 19 maart 2020 implementatie standaardregels Dorpsstraat 24-26, Nootdorp -Centrum Nootdorp 13 juni 2013 -Paraplubestemmingsplan 19 maart 2020 implementatie standaardregels

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Onderhavig bestemmingsplan vervangt deze plannen voor de in het plangebied gelegen locaties.

1.4

Planvorm

Dit bestemmingsplan is gedetailleerd van karakter. Het plan vormt hierdoor een eenduidig toetsingskader voor de beoordeling van bouwaanvragen en voor een adequate handhaving van de regels.

1.5

Planproces

Het voorontwerp van dit bestemmingsplan zal een inspraakprocedure doorlopen. Hiertoe wordt het plan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de termijn van terinzagelegging wordt een ieder de gelegenheid geboden om inspraakreacties naar voren te brengen. De resultaten van deze inspraakprocedure worden gebundeld in de "Nota van Beantwoording inspraak- en overlegreacties voorontwerpbestemmingsplan 'Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022", welke als Bijlage 1 wordt toegevoegd aan deze toelichting. Parallel aan de inspraakprocedure wordt tevens het vooroverleg op grond van art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gevoerd. De resultaten daarvan worden eveneens gebundeld in de Nota Inspraak- en overlegreacties (zie Bijlage 1). Het ontwerpbestemmingsplan, waarin de eventuele wijzigingen op grond van inspraak en vooroverleg zijn verwerkt, wordt vervolgens wederom ter inzage gelegd. Tijdens deze formele termijn van terinzagelegging van zes weken kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht bij de gemeenteraad. De gemeenteraad zal deze zienswijzen beoordelen en kan eventueel daarin aanleiding vinden om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen. De raad zal vervolgens het - al dan niet aangepaste bestemmingsplan vaststellen.

1.6

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten: de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt per locatie het planvoornemen omschreven en een ruimtelijke onderbouwing gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de juridische planopzet. Hoofdstuk 4 omvat het (boven)gemeentelijke beleidskader. In hoofdstuk 5 worden de (milieutechnische) onderzoeken behandeld, waarna in hoofdstuk 6 en 7 respectievelijk de maatschappelijke aanvaardbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan worden behandeld.

7

gemeente Pijnacker-Nootdorp

8

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt per locatie een ruimtelijke onderbouwing gegeven voor de voorgestane ontwikkelingen die in de nabije toekomst zullen plaatsvinden. Tevens worden per locatie ook de consequenties voor de planopzet benoemd.

2.1

Veenweg 10, Nootdorp (A)

Ter plaatse van de Veenweg 10 is het voornemen om een nieuwe woning te realiseren op de plaats van een voormalige schuur. De schuur is, vanwege de slechte staat waarin deze verkeerde, reeds gesloopt. De bedoeling is een nieuwe woning te bouwen achter de bestaande woning (Veenweg 12), met een vergelijkbare omvang dan de schuur. De afmeting van de nieuwe woning bedraagt 8x12 meter. De woning wordt voorzien van een mansardekap met een bouwhoogte van 8 meter. De uitvoering vindt plaats met traditionele materialen zoals bakstenen gevels en grijze keramische dakpannen. De bestaande inrit van het perceel zal worden verplaatst in noordoostelijke richting. Op eigen terrein is ruimte voor minimaal 2 parkeerplaatsen.

Figuur 2.1 | bestaande situatie (bron: Architectenbureau Van Vliet)

9

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Figuur 2.2 | nieuwe situatie (bron: Architectenbureau Van Vliet) Ter plaatse van het perceel is al een woonbestemming van toepassing in het geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan staat momenteel op de locatie slechts 1 woning toe. Dit betreft de bestaande woning Veenweg 12. Deze woning is als gemeentelijk monument aangemerkt. De nieuwe woning zal niet hoger worden dan de bestaande woning aan de dijk. De nieuwe woning is derhalve niet tot nauwelijks zichtbaar vanaf de Veenweg. Daarom heeft de nieuwe woning geen impact op het gemeentelijke monument. Er vindt geen ontsluiting naar het Droppinghof plaats. De nieuwbouw is stedenbouwkundig goed inpasbaar. Daarom wordt aan het bestemmingsplan binnen de geldende bestemming 'Wonen' een bouwvlak toegevoegd.

2.2

Oudeweg 62, Nootdorp (B)

Op deze locatie is het Hippisch Centrum Nootdorp gevestigd. De bestaande faciliteiten zijn onvoldoende toereikend om de huidige marktbehoefte te kunnen bedienen. Om die reden wensen de initiatiefnemers het terrein en de bebouwing uit te breiden. De gewenste uitbreiding zal bestaan uit een nieuw bedrijfsgebouw (circa 4.920 m²) met daarin een overdekte rijhal, paardenboxen (95 stallen) en opslagruimte. Daarnaast wil initiatiefnemer 66 paardenboxen, een tweede overdekte stapmolen (doorsnede 15/20m), een longeercirkel (doorsnede 15/20m), paddocks (10 x 15 meter), een buitenrijbaan (wedstrijdpiste springtuin circa 3.000 m²) en een parkeerterrein aanleggen.

10

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Figuur 2.3 | nieuwe situatie (bron: Van Dun Ontwerp & Planologie) Door Van Dun ontwerp & planologie is een volledige ruimtelijke onderbouwing aangeleverd. Deze ruimtelijke onderbouwing is als Bijlage 2 bijgevoegd. In die onderbouwing is ingegaan op de beoogde situatie, het van toepassing zijnde beleid en de milieu- en planologische aspecten. Kortheidshalve wordt voor een nadere uitwerking van deze locatie verwezen naar die ruimtelijke onderbouwing. In het vervolg van deze plantoelichting zal in de hoofdstukken 4 tot en met 7 dit plan buiten beschouwing worden gelaten.

2.3

Oude Leedeweg 75, Pijnacker (C)

Ter plaatse is een woning aanwezig. De eigenaar is voornemens een mantelzorgwoning te realiseren conform de regels voor vergunningvrij bouwen. De ruimte binnen het bestemmingsvlak is echter beperkt. Het realiseren van bijgebouwen is daardoor slechts in beperkte mate mogelijk. De bestemming 'Wonen' wordt daarom met ca. 18 meter uitgebreid in zuidelijke richting. De gronden zijn eigendom van de initiatiefnemer. De grens van de nieuwe woonbestemming volgt de bestaande grens van het erf van de naastgelegen woning Oude Leedeweg 73, de wijziging is daarom ook goed ruimtelijk inpasbaar. Door deze aanpassing wordt geen extra woning mogelijk gemaakt. De bestemming 'Agrarisch - Weide' komt ter plaatse van het plangebied te vervallen.

11

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Figuur 2.4 | gewenste uitbreiding

2.4

Laan van 's Gravenhout (naast nr. 15), Nootdorp (D)

Ter plaatse van deze locatie is reeds een woon- en tuinbestemming van toepassing. Er zijn echter geen bouwvlakken aanwezig waardoor de locatie uitsluitend gebruikt kan worden als erf en tuin. Op de locatie is momenteel een berging aanwezig. De eigenaar wenst ter plaatse 2 nieuwe woningen te bouwen, passend in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Daaraan zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 3 meter te bedragen; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 meter; d. de voorgevelrooilijn mag niet voor de voorgevel van de naastgelegen woningen komen te liggen; Op de verbeelding is rekening gehouden met de hiervoor genoemde randvoorwaarden. Het bouwvlak ligt op (meer dan) 3 meter uit de perceelsgrenzen en de voorgevelrooilijn is vastgelegd in lijn met de voorgevels van naastgelegen percelen. De hoogtebepalingen volgen het stedenbouwkundig advies, dat wil zeggen een maximum goothoogte van 6 meter en bouwhoogte van 9 meter. Op de percelen is voldoende ruimte voor het op eigen terrein realiseren van voldoende parkeergelegenheid.

12

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Figuur 2.5 | nieuwe situatie (bron: gemeente Pijnacker-Nootdorp)

2.5

Eeldedreef 8, Nootdorp (E)

Voor de locatie Eeldedreef 8 te Nootdorp is enige jaren geleden een omgevingsvergunning verleend voor nieuwbouw van de woning. Daarbij is door de initiatiefnemer voldaan aan de door de gemeente gewenste situering van de woning. Per abuis is in het geldende bestemmingsplan niet het juiste bouwvlak vastgelegd. Deze omissie wordt in dit verzamelplan hersteld. Het gaat derhalve om een technische wijziging die geen invloed heeft op de omgeving. De geldende bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin' en de daarbij behorende dubbelbestemmingen en aanduiding blijven van toepassing. Uitsluitend het bouwvlak wordt iets verplaatst, zodat dit in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Een nadere ruimtelijke beoordeling van het plan kan achterwege blijven. In het vervolg van deze plantoelichting wordt ook niet nader ingegaan op beleids- en onderzoeksaspecten ten aanzien van de wijziging op deze locatie.

2.6

Dorpsstraat 24-26, Nootdorp (F)

Ter plaatse van deze locatie geldt deels de bestemming 'Dienstverlening' en deels de bestemming 'Horeca'. Ter plaatse wordt op de begane grond ook gewoond. De mogelijkheden om op de begane grond te wonen zijn in een eerdere planherziening wegbestemd. Met dit verzamelplan wordt dit voor deze locatie hersteld, zodat het feitelijk gebruik weer in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ook hiervoor geldt dat een nadere ruimtelijke beoordeling niet aan de orde is omdat er sprake is van een technische aanpassing van het bestemmingsplan waardoor het feitelijk gebruik in overeenstemming is met het geldend bestemmingsplan.In het vervolg van deze plantoelichting wordt ook niet nader ingegaan op beleids- en onderzoeksaspecten ten aanzien van de wijziging op deze locatie.

13

gemeente Pijnacker-Nootdorp

14

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Hoofdstuk 3

Juridische planbeschrijving

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen binnen het plangebied. In dit hoofdstuk is een toelichting op de systematiek en de inhoud van de verschillende toegekende bestemmingen van het bestemmingsplan gegeven.

3.1

Verantwoording planvorm

Voor het bestemmingsplan 'Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022' is gekozen voor de planfiguur van een gedetailleerd plan. De voorziene ontwikkelingen worden hierdoor mogelijk gemaakt, zonder dat ruimte wordt gecreëerd voor andersoortige (niet gewenste) ontwikkelingen. Er ontstaat zo tevens een adequaat toetsingskader voor de toekomst. Aan de opzet van de juridische systematiek worden hoge eisen gesteld, te weten: De regeling moet praktisch en hanteerbaar zijn. Hanteerbaar voor iedereen die ermee moet werken. Dus zowel voor de diverse gemeentelijke afdelingen als voor de medewerk(st)er van de Informatiebalie; De regeling moet helder en eenduidig zijn. Discussies over interpretatievraagstukken moeten niet aan de orde zijn; Daarbij dient ook te worden gekeken naar relevantie: 'niet meer regelen dan nodig is'; De regeling moet ook voor de burger toegankelijk zijn; De regeling moet handhaafbaar zijn. Naarmate het juridische systeem logischer en meer doelgericht is, zullen de toegankelijkheid en uitvoerbaarheid beter zijn. Daarmee worden ook controle en handhaving bevorderd.

3.2

Systematiek bestemmingen

Het bestemmingsplan 'Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022' is opgezet volgens de Wet ruimtelijke ordening die vanaf 1 juli 2008 van kracht is. De opbouw van het bestemmingsplan is conform de SVBP2012 (Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen). De planregels bij het bestemmingsplan zijn als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingen zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Hoofdstuk 3, Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn. Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4.

3.3

Planregels

Inleidende regels Begrippen In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan en hoe gemeten dient te worden. Bestemmingsregels Detailhandel Deze bestemming is van toepassing ter plaatse van locatie F, aan de Dorpsstraat. Naast detailhandel is hier wonen op de begane grond toegestaan. Horeca

15

gemeente Pijnacker-Nootdorp

De regeling is overgenomen uit de geldende regeling en is eveneens van toepassing op locatie F. De aanduiding 'wonen' regelt aanvullend dat de bestaande woning planologisch is gewaarborgd. Sport Deze bestemming is van toepassing voor de manege aan de Oudeweg 62, locatie B. Er is een ruim bouwvlak opgenomen waarbinnen flexibel de bebouwing gerealiseerd kan worden binnen het daarvoor aangegeven maximum bebouwd oppervlak. De ter plaatse aanwezige bedrijfswoning wordt positief bestemd. De goot- en bouwhoogten worden vastgelegd. Tuin Deze bestemming, die op meerdere locaties is gelegen, is identiek aan de standaardregels. De voor ‘Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. Op of in deze gronden mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd aan een hoofdgebouw. Ook andere bouwwerken mogen worden gebouwd, zoals erf- of perceelafscheidingen en tuinmeubilair. Water Ter plaatse van Eeldedreef 8 heeft een deel van het perceel de bestemming 'Water'. Uitsluitend kan worden gebouwd ten behoeve van de waterhuishouding. De regeling is conform de standaardregels. Wonen Deze bestemming, opgenomen voor diverse percelen binnen dit bestemmingsplan, betreffen de regels voor woningen in het stedelijk gebied. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van een beroep aan huis.

De bebouwingsregels voor woningen en andere bouwwerken zijn in de regels bij deze bestemming opgenomen. Woningen mogen uitsluitend vrijstaand of twee-aaneen worden gebouwd. De woningen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangeduid. De woonbestemming kent geen mogelijkheden meer om met vergunning bijgebouwen te realiseren. Wat tegenwoordig allemaal zonder vergunning gerealiseerd mag worden, is in de meeste gevallen meer dan voorheen met vergunning mocht. Het is daarom niet langer noodzakelijk erfbebouwing toe te staan die met vergunning gerealiseerd mag worden; het vergunningvrij bouwen is toereikend. De uitoefening van een beroep aan huis is toegestaan. De gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een beroep en/of aan huis dient zowel naar aard als naar oppervlakte ondergeschikt te zijn aan het gebruik voor bewoning, waarbij voorts de bedrijfsactiviteiten door hun aard, omvang en visuele aspecten, het woonkarakter van de woning en het milieu van de omgeving niet onevenredig mogen aantasten. Onder bepaalde voorwaarden kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor een bedrijf aan huis. Wonen - 1 Deze bestemming is opgenomen voor het perceel aan de Oude Leedeweg 75, welke gelegen is in het buitengebied van de gemeente.

De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van een beroep aan huis. Deze regeling komt overeen met de regels voor wonen in het buitengebied. De bebouwingsregels voor woningen en andere bouwwerken zijn in de regels bij deze bestemming opgenomen. Woningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd. De woningen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangeduid. De uitoefening van een beroep aan huis is toegestaan. De gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een beroep en/of aan huis dient zowel naar aard als naar oppervlakte ondergeschikt te zijn aan het gebruik voor bewoning, waarbij voorts de bedrijfsactiviteiten door hun aard, omvang en visuele aspecten, het woonkarakter van de woning en het milieu van de omgeving niet onevenredig mogen aantasten. Onder bepaalde voorwaarden kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor een bedrijf aan huis.

16

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Dubbelbestemmingen De bestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waterstaat - Waterkering' betreffen dubbelbestemmingen waarin de bescherming van de aanwezige, archeologische waarden en waterkeringen worden geregeld. Deze zijn conform de standaardregels. Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meegeteld mogen worden bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen om bestaande, legaal gerealiseerde bebouwing die bijvoorbeeld qua afmetingen buiten de bepalingen van dit bestemmingsplan valt, planologisch-juridisch te borgen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Algemene aanduidingsregels Ter plaatse van de locatie Oudeweg 62 is een molenbiotoop van toepassing. Hiervoor is een 'vrijwaringszone - molenbiotoop' in het plan opgenomen. In dit artikel wordt de vrije windvang van de molen beschermd. Ter plaatse van de locatie Oude Leedeweg 75 is een beschermingszone van de waterkering van toepassing.

Deze is conform het ter plaatse geldende bestemmingsplan opgenomen. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van niet-ingrijpende bouwactiviteiten. Algemene wijzigingsregels In deze bepalingen wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven de in het plan opgenomen bestemmingen in geringe mate te wijzigen, indien dit van belang is voor een betere realisering of in verband met een afwijkende toestand van het terrein. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor wijzigingen van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, indien daartoe aanleiding bestaat.

Overgangs- en slotregels Overgangsregels In deze bepalingen wordt inhoud gegeven aan het overgangsrecht betreffende bouwwerken en het gebruik, met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het plan.

17

gemeente Pijnacker-Nootdorp

3.4

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding, zijn de binnen het plangebied gelegen percelen voorzien van een passende bestemming, conform de in de regels gehanteerde indeling. Daarnaast zijn middels dubbelbestemmingen de archeologische zones en de zones langs waterkeringen weergegeven, waarbinnen een bijzondere beschermingsregeling geldt. De aanduidingen geven, daar waar noodzakelijk, een specifieke bepaling per (bouw)perceel weer. In de regels worden, zoals bovenstaand toegelicht, bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen van een juridische bepaling voorzien.

18

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Hoofdstuk 4

Beleidskader

De voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied moeten passen binnen het vigerend beleid op zowel nationaal, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau. Voor de ontwikkelingen binnen het plangebied zijn verschillende beleidsstukken relevant. Hierna zijn kort de belangrijkste bevindingen uit het beleid beschreven en wordt aangegeven hoe de ontwikkelingen binnen het plangebied zich verhouden tot dit beleid. In dit hoofdstuk worden alleen de volgende ontwikkelingen getoetst aan het beleid: Locatie A, Veenweg 10-12 te Nootdorp: bouwen van een woning op het achterterrein; Locatie C, Oude Leedeweg 75 te Pijnacker: vergroten van een woonbestemming ten behoeve van een mantelzorgwoning; Locatie D, Laan van 's Gravenhout (naast nr. 15) te Nootdorp: nieuwbouw van twee woningen. Locatie B, de uitbreiding van het hippisch centrum aan de Oudeweg 62 te Nootdorp wordt getoetst in Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62, Nootdorp. Locaties E en F betreffen uitsluitend technische wijzigingen waarvoor een beleidstoets niet noodzakelijk is.

4.1

Nationaal beleid

4.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (maart 2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie verving de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. Vanaf 2020 neemt de beroepsbevolking niet meer toe. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden.

Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet. Verder wordt genoemd het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn de nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en richt zich op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarnaast zorgt de AMvB voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

19

gemeente Pijnacker-Nootdorp

4.1.2

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de nieuwe langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige duurzame leefomgeving. Deze is in het najaar van 2020 aangeboden aan de tweede kamer. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van ons land de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van rond de 1 miljoen nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen. De NOVI zal de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangen en als structuurvisie dienen onder de Omgevingswet.

4.1.3

Ladder duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de “ladder duurzame verstedelijking” opgenomen. Dit betekent dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke voorzieningen mogelijk maken de treden van de ladder moeten worden doorlopen. Het doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Volgens Bro artikel 1.1.1 lid 1 wordt stedelijke ontwikkeling omschreven als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is, conform het Bro, de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als verplicht te doorlopen 'stappenschema' ter onderbouwing van stedelijke ontwikkelingen. In paragraaf 4.2.2 wordt hier nader op ingegaan.

4.1.4

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

De ontwikkelingen die in onderhavig bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt hebben geen directe relevantie op rijksniveau. Het plan past binnen de uitgangspunten van het rijksbeleid.

4.2

Provinciaal beleid

De 'Visie ruimte en mobiliteit Zuid-Holland (2014)', de 'Verordening ruimte', het 'Programma ruimte' en het 'Programma mobiliteit' zijn vervangen door de 'Omgevingsvisie Zuid-Holland' en de 'Omgevingsverordening Zuid-Holland'.

4.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De omgevingsvisie, vastgesteld door Provinciale Staten op 20 februari 2019, (geconsolideerd in werking per 20 april 2019) geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de omgevingsvisie is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De beleid bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is: Ruimte bieden aan ontwikkelingen. Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit. Allianties aangaan met maatschappelijke partners. Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen. In de omgevingsvisie zijn 4 thema's te onderscheiden: 1. Beter benutten en opwaarderen. 2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht).

20

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

3. Versterken ruimtelijke kwaliteit. 4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving. Bebouwde ruimte Het plangebied ligt grotendeels binnen de contouren van de 'stads- of dorpsrand'. De provincie Zuid-Holland wil de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit hoofdzakelijk opvangen in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. De provincie draagt bij aan het beter benutten van de bebouwde ruimte door samen te werken met andere overheden en marktpartijen, en via regelgeving. Dat gebeurt op de volgende manieren: Het stimuleren en faciliteren van verdichting, herstructurering en transformatie; Het bevorderen van een actuele, regionale programmering van plannen voor wonen en werken. De provincie zet in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwbouw binnen de bebouwde ruimte. De provincie is zich echter ook zeer bewust dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden om te verdichten. Het bepalen of de woningbehoefte binnen de bebouwde ruimte opgevangen kan worden, is niet alleen een technische afweging (is het fysiek mogelijk om de woningbehoefte te accommoderen) maar bevat ook kwalitatieve elementen. De provincie beoogt een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).

De Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) is verankerd in de omgevingsvisie. Op 2 locaties vindt nieuwbouw van woningen plaats: Veenweg 10, Nootdorp: Bouw van 1 woning; Laan van 's Gravenhout (naast nr. 15), Nootdorp: Bouw van 2 woningen. De nieuwbouw vindt plaats binnen het bestaand bebouwd gebied. Voor het overige is er geen sprake van het toevoegen van woningen.

4.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid. Onderhavig bestemmingsplan maakt enkele kleinschalige ontwikkelingen mogelijk. Hierbij worden (qua aard en schaal) geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het betreft uitsluitend de nieuwbouw van 1 of 2 woningen. Het is dan ook conform jurisprudentie niet noodzakelijk om de ladder voor duurzame verstedelijking voor deze ontwikkelingen te doorlopen.

4.2.3

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

Binnen het voorliggende bestemmingsplan is geen sprake van strijdigheid met de doelen en uitgangspunten zoals omschreven in het provinciale beleid. Voorzien wordt in diverse kleinschalige ontwikkelingen, die conform jurisprudentie niet onder artikel 3.1.6 lid 2 Bro vallen.

4.3

Regionaal beleid

Sinds 1 januari 2015 heeft het Stadsgewest Haaglanden zijn werkzaamheden beëindigt, de beleidsterreinen Verkeer en Vervoer en Economisch Vestigingsklimaat worden voortgezet door de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Het Regionaal Structuurplan is nog niet ingetrokken en derhalve nog van kracht.

21

gemeente Pijnacker-Nootdorp

4.3.1

Regionaal Structuurplan Haaglanden in 2020 (2008)

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020, dat door het bestuur van het Stadsgewest Haaglanden in april 2008 is vastgesteld, bouwt voort op de sterke punten van de regio: de economische specialisaties, de mooie landschappen en de kwaliteit van leven. Haaglanden blijft daardoor een aantrekkelijk gebied om te wonen. Al deze kwaliteiten zijn een voorwaarde om nieuwe bedrijven en instellingen aan te kunnen trekken en zo voor nieuwe werkgelegenheid te zorgen. Hiertoe zijn er meer huizen en bedrijfspanden nodig in Haaglanden. Sommige delen van de regio verouderen en zijn aan vernieuwing toe. De groengebieden zijn niet aantrekkelijk en toegankelijk genoeg. Het verkeer blijft groeien, maar Haaglanden moet wel bereikbaar blijven. De verandering van het klimaat stelt nieuwe eisen aan het watersysteem en de kustbescherming. Zo zullen zich tot 2020 nog meer ontwikkelingen voordoen die om maatregelen vragen. Regio Haaglanden zet daarbij in op bouwen binnen de bestaande stad. Dit betekent ook dat het landschap open en groen kan blijven. Haaglanden kent veel verschillende landschappen, elk met een eigen schoonheid: de duinen en het strand, de landgoederen, de weilanden. Er liggen kansen om landschappen nog aantrekkelijker te maken, bijvoorbeeld door natuurontwikkeling of door meer fiets- en wandelpaden aan te leggen.

4.3.2

Woonvisie woningmarktregio Haaglanden

De woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021 geeft inzicht in de uitdagingen en opgaven in Haaglanden voor het onderwerp wonen. Als belangrijkste doel van de nieuwe regionale woonvisie zien de gemeenten het samen verder versterken van de woningmarktregio Haaglanden. Het toekomst-proof maken van dit van oudsher heel prettige woongebied. Toekomst-proof voor alle aanwezige doelgroepen. Maar ook toekomst-proof vanuit het besef dat een sterke woningmarkt van groot belang is om een aantrekkelijke en economisch vitale regio te kunnen zijn en blijven. De verschillende ambities zijn: Een regionaal woningbouwprogramma opstellen: door een gezamenlijk woningbouwprogramma willen de gemeenten zo goed en efficiënt mogelijk inspelen op zowel de kwalitatieve als kwantitatieve woningbehoeften van de regio Haaglanden. Een uitgangspunt daarbij is het zoveel mogelijk realiseren van de woonopgaven binnen bestaande stedelijke gebieden. Uit onderzoek is gebleken dat stedelijk, dorpse en exclusieve woonmilieus in de regio in trek zijn. Regionaal voldoende betaalbare woningen aanbieden: 30 procent van de inwoners in de regio behoort tot de sociale doelgroep, de gemeenten beschouwen dit percentage als richtinggevend voor de omvang van de toekomstige behoefte van het totaal aantal sociale huurwoningen.

Ook zetten de regiogemeenten zich in om de positie van de groep lage middeninkomens in de komende jaren te verbeteren en om extra woonruimte voor vluchtelingen te realiseren. Duurzaam bouwen en renoveren in Haaglanden: om in 2050 tot een CO2 neutrale of energie-neutrale regio te kunnen komen zetten de gemeenten in op een volledige energie transitie van de gebouwde omgeving. De regio levensloopgeschikt maken: de ambitie is om inwoners van de regio zo lang mogelijk zelfstandig in hun eigen woning en woonomgeving te kunnen laten wonen. Dit vraagt per afzonderlijke gemeente enerzijds om voldoende aangepaste en levensloopgeschikte woningen, anderzijds om een woonomgeving die aansluit op wat ouderen en huishoudens met een beperking nodig hebben. Werken aan leefbare en prettige woonwijken: door middel van een preventieve aanpak de verouderde woonwijken in de steden van de regio gezond houden, veilig en prettig om in te wonen.

4.3.3

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

Onderhavig bestemmingsplan voorziet enkel in kleinschalige ontwikkeling binnen bestaande (stedelijke) structuren en past derhalve binnen de uitgangspunten van het regionaal beleid.

22

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Toekomstvisie 2040 (2012)

In de Toekomstvisie 'Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2012, wordt een eenduidige en consistente koers voor Pijnacker-Nootdorp uitgezet met oog voor de omgeving en de rol van de gemeente. De toekomstvisie laat zien wat voor gemeente Pijnacker-Nootdorp wil zijn, waar zij met haar ontwikkeling heen wil en welke rol zij daarbij pakt. Pijnacker-Nootdorp wil, conform haar visie, een herkenbare gemeente zijn in een landelijke omgeving waar de stad nooit ver weg is. Zij ziet het als haar missie in de regio een uniek woonmilieu te bieden, met het groene buitengebied meerwaarde te geven en met duurzame en innovatieve bedrijven de economie versterken.

4.4.2

Ruimtelijke structuurvisie Pijnacker-Nootdorp 2040 (2014)

In de Structuurvisie 'Ruimte maken….. ruimte laten', vastgesteld door de gemeenteraad op 20 februari 2014, schetst de gemeente het ruimtelijk beeld van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Niet in de vorm van een blauwdruk voor de toekomst, maar in de vorm van contouren en kaders van een streefbeeld dat gezamenlijk met bewoners en ondernemers ingekleurd dient te worden. Er wordt ruimte geboden en uitgenodigd om te ondernemen, te recreëren, de woonomgeving te verbeteren of sport te beoefenen. De Ruimtelijke structuurvisie kan gelezen worden als een uitnodiging om samen invulling te geven aan de ruimte van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Contouren vormen het uitgangspunt van de structuurvisie. Dit zijn contouren van groen- en recreatiegebieden, bebouwing, glastuinbouw en bedrijventerreinen. Binnen deze contouren zijn er verschillende functies en mogelijkheden. Hierover doet de structuurvisie voor 2040 op hoofdlijnen kaderstellende uitspraken. Daarnaast geeft de structuurvisie antwoord op verschillende ruimtelijke vraagstukken.

4.4.3

Lintenvisie

Pijnacker-Nootdorp wil de kwaliteit van de cultuurhistorische bebouwingslinten in de gemeente verbeteren. De Lintenvisie is opgesteld om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de linten beter te begeleiden. De linten zijn belangrijk voor de gemeentelijke identiteit. De Veenweg, Oude Leedeweg en Dorpsstraat maken deel uit van een van de linten. Deze visie is dus van toepassing op de locaties A, C en F. Ze dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van onze gemeente. De linten zijn dynamisch door de veranderende omgeving van nieuwe woonwijken, glastuinbouw, nieuwe infrastructuur en natuur- en recreatiegebieden. Inwoners en bedrijven uit deze linten ondernemen veel ruimtelijke initiatieven. De Lintenvisie Pijnacker-Nootdorp is opgesteld om vooraf duidelijke richtlijnen te geven en beperkt kaders te stellen. Daarnaast is het vooral bedoeld voor inspiratie bij de planuitwerking van inwoners en ondernemers. De gemeente wil de Lintenvisie op drie manieren gebruiken: als uitnodiging en handreiking voor initiatiefnemers bij hun planvorming; als hulpmiddel voor de gemeente bij de toetsing van vergunningsaanvragen; als input voor visieverkenningen en omgevingsplannen.

4.4.4

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

De gemeente stimuleert initiatieven van particulieren en zet in op versterking van de kwaliteit van de kernen en het landelijk gebied. Er wordt met de ontwikkeling aan de Oude Leedeweg, het vergroten van het erf, geen afbreuk gedaan aan de kwaliteit van het bebouwingslint. De - kleinschalige ontwikkelingen die middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt passen binnen dit gemeentelijk beleid.

23

gemeente Pijnacker-Nootdorp

24

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Hoofdstuk 5

Onderzoek

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk worden alleen de volgende ontwikkelingen getoetst aan het beleid: Locatie A, Veenweg 10-12 te Nootdorp: bouwen van een woning op het achterterrein; Locatie C, Oude Leedeweg 75 te Pijnacker: vergroten van een woonbestemming ten behoeve van een mantelzorgwoning; Locatie D, Laan van 's Gravenhout (naast nr. 15) te Nootdorp: nieuwbouw van twee woningen. Locatie B, de uitbreiding van het hippisch centrum aan de Oudeweg 62 te Nootdorp wordt getoetst in Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62, Nootdorp.

Locaties E en F betreffen uitsluitend technische wijzigingen waarvoor een nadere toetsing niet noodzakelijk is.

5.1

Milieueffectrapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r. - beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijk) belangrijke nadelige milieu gevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r. plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' (onderdeel D11.2) opgenomen met een drempelwaarde van 100 hectare of 2000 of meer woningen. In onderhavig plan worden in totaal 3 nieuwe woningen mogelijk gemaakt.

Daarmee ligt de ontwikkeling ruim lager dan de drempelwaarde. Op beide locaties waar de nieuwe woningen worden gebouwd is reeds sprake van een woonbestemming. Daarmee worden deze ontwikkelingen niet beoordeeld als een stedelijk ontwikkelingsproject waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig zou zijn. In onderdeel D14 wordt 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren'. Voor het uitbreiden van het hippisch centrum is wel een m.e.r.-beoordeling nodig. Omdat de uitbreiding onder de drempelwaarde blijft kan volstaan worden met een vormvrije beoordeling. De ruimtelijke onderbouwing in Bijlage 2 wordt beschouwd als vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie (zie paragraaf 4.1 van de onderbouwing). Voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd zal het college van burgemeester en wethouders hierover een afzonderlijk besluit nemen.

25

gemeente Pijnacker-Nootdorp

5.2

Bedrijven en milieuzonering

5.2.1

Regelgeving en beleid

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot drie groepen en bijbehorende aanpak, te weten: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven. In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies. In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal in eerste instantie een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1), 100 meter (cat. 3.2) en 200 meter (cat.

4.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen. In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal in eerste instantie een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2) en 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden namelijk met één afstandsstap worden verlaagd. Zie tabel 5.1.

Categorie

Richtafstand t.o.v. rustige woonwijk/rustig Richtafstand t.o.v. gemengd gebied buitengebied 1 10m 0m 2 30m 10m 3.1 50m 30m 3.2 100m 50m 4.1 200m 100m 4.2 300m 200m 5.1 500m 300m 5.2 700m 500m 5.3 1000m 700m 6 1500m 1000m Tabel 5.1 - Milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden ten opzichte van de verschillende omgevingstypen In de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt aangegeven dat richtafstanden worden gemeten vanaf de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen (vvb) mogelijk is.

26

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

5.2.2

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

Voor de locaties A (Veenweg 10) en D (Laan van 's Gravenhout naast nr. 15) geldt dat er geen sprake is van een functiewijziging, waarbij een nieuwe milieugevoelige functie of bedrijfsbestemming wordt toegevoegd. Ter plaatse worden uitsluitend bouwvlakken toegevoegd. De locaties zijn beiden gelegen in een woongebied waar geen relevante bedrijvigheid aanwezig is. Milieuzonering speelt derhalve geen rol voor deze locaties. Op locatie C (Oude Leedeweg 75) is wel sprake van een functiewijziging. De bestemming wordt gewijzigd van 'Agrarisch - Weide' naar 'Wonen'. Aan de zuidzijde grenst de woonbestemming aan een weide waar uitsluitend het gebruik als weide en hobbymatig, niet bedrijfsfmatig, agrarisch gebruik mag plaatsvinden. Dit is conform de bestaande situatie, echter wordt de grens van de woonbestemming in zuidelijke richting verlegd. Dit vormt geen belemmering voor de functiewijziging. Er is geen overige relevante bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de bestemmingswijzigingen voor wat betreft het aspect bedrijven en milieuzonering toelaatbaar zijn.

5.3

Externe veiligheid

5.3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij dit bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waar door de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.

5.3.2

Normstelling en beleid

Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour).

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een

27

gemeente Pijnacker-Nootdorp

ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.

5.3.3

Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten

Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen, zoals in onderhavig geval een school. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na in werkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt. Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven.

Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid)

5.3.4

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi. Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van:

28

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit is van toepassing op: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken.

De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro.

5.3.5

Basisnet

Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden.

Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes.Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr. 8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10485837/1