2026-079 05 Regels TAM-IMRO omgevingsplan
Tekst van het document
Omgevingsplanactiviteit bouwactiviteiten
10.5.1 Verbod aantal wooneenheden Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer woningen te bouwen dan aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. 10.5.2 Beoordelingsregels aantal wooneenheden Een omgevingsvergunning voor het bouwen van meer woningen dan aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. het totale aantal woningen binnen het plangebied bedraagt niet meer dan 106. b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van: 1. de verkeersveiligheid; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 5. de stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied, dit ter beoordeling aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit; 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing. 10.5.3 Verbod type woning Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ander type woning te bouwen dan aangeduid ter plaatse van de aanduidingen 'aaneengebouwd', 'landschappelijk wonen', 'twee-aaneen' en/of 'vrijstaand'. 10.5.4 Beoordelingsregels type woning Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ander type woning dan aangeduid ter plaatse van de aanduidingen 'aaneengebouwd', 'landschappelijk wonen', 'twee-aaneen' en/of 'vrijstaand', wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a.
het totale aantal woningen binnen het plangebied bedraagt niet meer dan 106. b. de behoefte aan het gewijzigde woningtype is aangetoond. c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van: 1. de verkeersveiligheid; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 5. de stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied, dit ter beoordeling aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit; 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing. 10.5.5 Verbod verkleinen afstand voorgevel hoofdgebouw tot bouwperceelgrens Het is verboden zonder omgevingsvergunning de voorgevel van het hoofdgebouw op een afstand van minder dan 2 meter van de grens van het bouwperceel aan de zijde van de openbare weg waarop de woning geörienteerd is te bouwen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
29
10.5.6 Beoordelingsregels verkleinen afstand voorgevel hoofdgebouw tot bouwperceelgrens Een omgevingsvergunning voor het bouwen van de voorgevel van het hoofdgebouw op een afstand van minder dan 2 meter van de grens van het bouwperceel aan de zijde van de openbare weg waarop de woning geörienteerd is, wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van: 1. de verkeersveiligheid; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 5. de stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied, dit ter beoordeling aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit; 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing. 10.5.7 Verbod verkleinen afstand zijgevel tot bouwperceelgrens Het is verboden zonder omgevingsvergunning de zijgevel van het hoofdgebouw op een kortere afstand van de bouwperceelgrens te bouwen, dan toegestaan op grond van 10.3.2 onder b. 10.5.8 Beoordelingsregels verkleinen afstand zijgevel hoofdgebouw tot bouwperceelsgrens Een omgevingsvergunning voor het bouwen van de zijgevel van het hoofdgebouw op een kortere afstand van de bouwperceelgrens dan toegestaan op grond van 10.3.2 onder b, wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van: 1. de verkeersveiligheid; 2.
het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 5. de stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied, dit ter beoordeling aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit; 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing. 10.5.9 Verbod beeldkwaliteit Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een andere wijze invulling te geven aan beeldkwaliteitseisen dan bedoeld in artikel 10.3.5. 10.5.10 Beoordelingsregels beeldk waliteit Een omgevingsvergunning voor het op andere wijze invulling geven aan beeldkwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 10.5.9, wordt verleend onder de volgende voorwaarde: a. Goedkeuring dient te zijn gegeven door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. 10.6
Specifieke functieregels
10.6.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen; kamerverhuur; kamperen; woningsplitsing; detailhandel; evenementen, behoudens toegestaan krachtens artikel 10.6.2; tijdelijke bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en gebouwen, geen woning zijnde; opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak; buitenopslag; het plaatsen van wagens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
30
k. bewoning van een woning door meer dan één afzonderlijk huishouden of meer dan vier personen die geen huishouding vormen; l. erotische dienstverlening. 10.6.2 Evenementen Evenementen zijn maximaal drie keer per jaar toegestaan voor de duur van maximaal drie aaneengesloten dagen per evenement, inclusief op- en afbouw. 10.6.3 Beroep of bedrijf aan huis Een beroep of bedrijf aan huis bij de woning, als opgenomen in het 'Overzicht beroep of bedrijf aan huis' (Bijlage 1 bij deze regels) of hiermee naar aard en omvang gelijk te stellen beroepen en bedrijven, wordt geacht in overeenstemming te zijn met de woonfunctie en is toegestaan, mits: a. b. c. d.
de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft; degene die gebruiker van de woning is tevens degene is die het beroep of bedrijf aan huis uitoefent; maximaal 50 m² van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor beroep en bedrijf aan huis; het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c.q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt en geen negatieve gevolgen mag hebben op de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving; e. het gebruik geen dusdanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft welke kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; f. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte; g. internetverkoop slechts is toegestaan indien er geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt en de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en afgehaald kunnen worden. Opslag ten behoeve van internetverkoop is mogelijk binnen de bestaande bebouwing tot maximaal 50 m² waarbij ter plaatse opslag en verzending plaatsvindt. Internetverkoop waarbij ter plaatse alleen de elektronische transactie plaatsvindt en geen opslag en verzending plaatsvindt is zonder meer toegestaan; h.
er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep/bedrijf; i. er geen buitenopslag plaatsvindt; j. reclame-uitingen ten dienste van het beroep of bedrijf aan huis beperkt blijven tot het plaatsen van een bord met als maximale afmetingen 1 meter x 0,5 meter aan de voor- of zijgevel of in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neon- of andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan. 10.6.4 Bed en Breakfast Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een bed en breakfast is toegestaan mits: a. het gebruik uitsluitend plaatsvindt in de woning en de bijbehorende bouwwerken die op maximaal 15 meter van de woning zijn gelegen; b. de exploitant van het bed en breakfast de hoofdbewoner is van de woning; c. maximaal 80 m² wordt ingericht voor bed en breakfast, met dien verstande dat de woning een inhoud heeft van minimaal 450 m³ en een bewoonbare oppervlakte van minimaal 120 m²; d. er per bouwvlak maximaal 4 slaapplaatsen in maximaal twee slaapkamers worden toegestaan; e. het ontbijt in de slaapkamer of in een gezamenlijke ruimte wordt genuttigd; f. door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering de bed en breakfast-voorziening niet functioneert als een zelfstandige woning.
10.6.5 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het gebruiken en/of het (doen) laten gebruiken van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing De Hoek fase II Meijel' conform de functie 'Woongebied' is alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing zoals bedoeld in artikel 9.2 conform het landschapelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 3 bij deze regels, binnen 24 maanden na ingebruikname van woningen is uitgevoerd en/of in stand wordt gehouden.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
31
10.6.6 Voorwaardelijke verplichting steenuil Het gebruiken en/of het (doen) laten gebruiken van de gronden ter plaatse van de functie 'Woongebied' conform de functie 'Woongebied' is alleen toegestaan indien een door het bevoegd gezag goedgekeurd compensatieplan is opgesteld ten behoeve van de steenuil en de daarin opgenomen maatregelen zijn gerealiseerd en vervolgens duurzaam in stand worden gehouden. 10.7
Omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteiten
10.7.1 Verbod kamerverhuur Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik als kamerverhuur in de woning toe te staan. 10.7.2 Beoordelingsregels kamerverhuur Een omgevingsvergunning voor het het gebruik als kamerverhuur in de woning, wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. het gebruik levert geen overlast voor het woonmilieu op en doet geen onevenredige afbreuk aan het woonkarakter van de wijk of buurt; b. het gebruik naar de aard in overeenstemming is met het woonkarakter van de omgeving; c. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien. 10.7.3 Verbod mantelzorg en inwoning Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van de woning en/of bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg en inwoning toe te staan. 10.7.4 Beoordelingsregels mantelzorg en inwoning Een omgevingsvergunning voor het het gebruik van de woning en/of bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg en inwoning, wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a.
mantelzorg en inwoning is slechts toegestaan voor maximaal twee personen in de woning en/of de bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat mantelzorg en inwoning in vrijstaande bijbehorende bouwwerken slechts is toegestaan indien het vrijstaande bijbehorend bouwwerk betreft welke gelegen is op een afstand van maximaal 15 meter van het hoofdgebouw en de vloeroppervlakte maximaal 60 m² bedraagt; b. er ontstaat geen tweede woning; c. de tijdelijkheid staat in voldoende mate vast; d. er mag geen aparte aansluiting op de nutsvoorzieningen worden voorzien; e. er wordt op eigen terrein in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte; f. het gebruik levert geen ernstige hinder voor het woonmilieu op c.q. doet geen afbreuk aan het woonkarakter van de wijk of de buurt en mag geen negatieve gevolgen hebben op de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving; g. in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden, met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura-2000 gebieden; h. er vindt geen aantasting plaats van: 1. de verkeersveiligheid; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bedrijven; i.
de omgevingsvergunning wordt na beëindiging van de situatie ingetrokken en het bijbehorend bouwwerk mag niet meer worden gebruikt voor bewoning/mantelzorg. 10.7.5 Verbod landschappelijke inpassing Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een andere wijze invulling te geven aan de landschappelijke inpassing dan bedoeld in artikel 10.6.5.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
32
10.7.6 Beoordelingsregels landschappelijke inpassing Een omgevingsvergunning voor het op andere wijze invulling geven aan de landschappelijke inpassing dan bedoeld in artikel 10.6.5, wordt verleend onder de volgende voorwaarde: a. Goedkeuring dient te zijn gegeven door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. 10.7.7 Verbod wegen Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van gronden ten behoeve van wegen toe te staan voor zover gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'weg'. 10.7.8 Beoordelingsregels wegen Een omgevingsvergunning voor het het gebruik van gronden ten behoeve van wegen voor zover gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'weg', wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. het gebruik levert geen overlast voor het woonmilieu op en doet geen onevenredige afbreuk aan het woonkarakter van de wijk of buurt; b. het gebruik naar de aard in overeenstemming is met het woonkarakter van de omgeving; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van: 1. de verkeersveiligheid; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de aangrenzende gronden en functies.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
33
Artikel 11 11.1
Waarde - Archeologie 4
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde Archeologie 4'. 11.2
Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. 11.3
Beoordelingsregels bouwactiviteiten
11.3.1 Bouwverbod Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a. het bouwen en/of vergroten van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bodemverstoring ten behoeve van de oprichting van het gebouw een oppervlakte heeft van minder dan 250 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld; b. het bouwen van een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; c. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 11.4
Omgevingsplanactiviteit bouwactiviteiten
11.4.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken voor het bepaalde in artikel 11.3.1, ten behoeve van het bouwen en/of vergroten van gebouwen en/of bouwwerken, met dien verstande dat: a. door de aanvrager een archeologisch rapport dient te worden overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld; b. een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer: 1. naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; 2. door het overleggen van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan de bij het onderzoek vastgestelde diepteligging van het archeologisch relevante niveau. 11.4.2 Voorwaarden verlenen omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen wanneer naar haar oordeel genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; c.
schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. 11.4.3 Voorschriften te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen In de situatie als bedoeld in artikel 11.4.2 kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
34
c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden, volgens een variant archeologische begeleiding, door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden; b. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten; c. waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling; d. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing; e. het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen; f. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; g. het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd; h.
het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt; i. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; j. het aanbrengen van ondergrondse transport- energie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt; l. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; m. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie. 11.5.2 Uitzonderingen a. Het bepaalde in artikel 11.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. ten behoeve van de oprichting van het gebouw een bodemverstorings-oppervlakte heeft van minder dan 250 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld; 2. ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige partij; 3. het normale beheer en onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 4.
het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 40 centimeter onder maaiveld wordt geroerd; 5. plaatsvinden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; 6. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. b. Het verbod als bedoeld in artikel 11.5.1 is ook niet van toepassing indien: 1. naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat de grond reeds verstoord is; 2. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld, voorzien van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan 40 centimeter onder maaiveld, en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 11.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
35
uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist; 3. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld, voorzien van een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 11.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist. 11.5.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 11.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. 11.5.4 Onderzoeksplicht a. De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.5.1 die betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 4' dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; 2.
in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. b. Een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 11.5.5 Voorwaarden verlenen omgevingsvergunning Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.5.1 wanneer naar haar oordeel genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. 11.5.6 Voorschriften te verbinden aan omgevingsvergunning In de situatie als bedoeld in artikel 11.5.5 kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten opgraven, volgens een variant archeologische begeleiding, door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
36
Artikel 12 12.1
Waarde - Archeologie 5
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde Archeologie 5'. 12.2
Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. 12.3
Beoordelingsregels bouwactiviteiten
12.3.1 Bouwverbod Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a. het bouwen en/of vergroten van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bodemverstoring ten behoeve van de oprichting van het gebouw een oppervlakte heeft van minder dan 2.500 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld; b. het bouwen van een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; c. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 12.4
Omgevingsplanactiviteit bouwactiviteiten
12.4.1 Verbod bouwen van gebouwen en bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning het bouwen van gebouwen en bouwwerken toe te staan, voor zover niet toegestaan op grond van artikel 12.3.1. 12.4.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken (binnenplanse omgevingsplanactiviteit) Een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen en/of vergroten van gebouwen en/of bouwwerken wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. door de aanvrager dient een archeologisch rapport te worden overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld; b. een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer: 1. naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; 2. door het overleggen van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan de bij het onderzoek vastgestelde diepteligging van het archeologisch relevante niveau. c. naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt genoegzaam dat: 1. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; 2. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; 3.
schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. 12.4.3 Voorschriften te verbinden aan omgevingsvergunning binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen In de situatie als bedoeld in artikel 12.4.2 onder c kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
37
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden, volgens een variant archeologische begeleiding, door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 12.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (binnenplanse omgevingsplanactiviteit) 12.5.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden; b. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten; c. waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling; d. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing; e. het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen; f. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; g.
het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd; h. het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt; i. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; j. het aanbrengen van ondergrondse transport- energie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt; l. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; m. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie. 12.5.2 Uitzonderingen a. Het bepaalde in artikel 12.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. ten behoeve van de oprichting van het gebouw een bodemverstoringsoppervlakte heeft van minder dan 2.500 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld; 2. ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige partij; 3. het normale beheer en onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 4.
het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 40 centimeter onder maaiveld wordt geroerd; 5. plaatsvinden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; 6. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. b. Het verbod als bedoeld in artikel 12.5.1 is ook niet van toepassing indien: 1. naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat de grond reeds verstoord is; 2. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld, voorzien van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan 40 centimeter onder maaiveld, en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 12.5.1 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
38
sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist; 3. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld, voorzien van een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 12.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist. 12.5.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 12.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. 12.5.4 Onderzoeksplicht a.
De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.5.1 die betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 5' dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. b. Een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 12.5.5 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.5.1 wanneer naar haar oordeel genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
12.5.6 Voorschriften te verbinden aan omgevingsvergunning In de situatie als bedoeld in artikel 12.5.5 kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten opgraven, volgens een variant archeologische begeleiding, door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
39
Artikel 13 13.1
Waterstaat - Beschermingszone watergang
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat Beschermingszone watergang'. 13.2
Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en het beheer van de watergang met inachtneming van de waterschapsverordening van het Waterschap. 13.3
Beoordelingsregels bouwactiviteiten
13.3.1 Gebouwen Op of in de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 13.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Op of in de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van deze functie, zoals duikers, keerwanden en merktekens. 13.4
Omgevingsplanactiviteit bouwactiviteiten
13.4.1 Verbod bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde Het is verboden zonder omgevingsvergunning het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde toe te staan, voor zover niet toegestaan op grond van artikel 13.3. 13.4.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken (binnenplanse omgevingsplanactiviteit) Een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. de veiligheid en het functioneren van de watergang wordt niet geschaad; b. voldaan wordt aan regels behorende bij de ter plaatse geldende andere functie(s); c. vooraf wordt schriftelijk advies ingewonnen bij het Waterschap. 13.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (binnenplanse omgevingsplanactiviteit) 13.5.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen; b. het aanleggen van watergangen, het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; c. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding, het aanleggen van kabels en/of leidingen en daarmee verband houdende constructies; d.
het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen en/of diepwortelende beplantingen. 13.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 13.5.1 is niet van toepassing op: a. normale onderhoudswerkzaamheden; b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik; c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan in TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
40
uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning mogen worden uitgevoerd. 13.5.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 12.5.1 zijn toelaatbaar, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van het waterbergend waterbed; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen de beheerder van de watergang.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
41
Hoofdstuk 3 Artikel 14
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
42
Artikel 15 15.1
Algemene bouwregels
Ondergronds bouwen
15.1.1 Ondergrondse werken Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 15.1.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens de in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, dan wel onder een bestaand hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk; b. het oppervlak van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter onder peil; d. bij het berekenen van de blijkens de verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte en de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet in aanmerking genomen. 15.1.3 Verbod ondergrondse bouwwerken dieper dan 3 m Het is verboden zonder omgevingsvergunning ondergrondse bouwwerken dieper dan 3 meter onder peil te bouwen. 15.1.4 Beoordelingsregels diepte ondergrondse bouwwerken (binnenplanse omgevingsplanactiviteit) Een omgevingsvergunning voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken dieper dan 3 meter onder peil wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. De diepte bedraagt maximaal 10 meter onder peil; a.
De waterhuishouding wordt niet verstoord; b. Er wordt geen afbreuk gedaan aan archeologische waarden. 15.2
Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen maximaal 1 meter bedraagt.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
43
Artikel 16 16.1
Algemene functieregels
Strijdig gebruik
Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. b. c. d. e. f. g.
een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; straatprostitutie; mantelzorg en inwoning; nieuwvestiging van een intensieve veehouderij; nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf; als opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke functie onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
44
Artikel 17 17.1
Algemene aanduidingsregels
milieuzone - spuitvrije zone
17.1.1 Binnenplanse omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit toepassen gewasbeschermingsmiddelen Het is ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' verboden om zonder omgevingsvergunning gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht toe te passen. 17.1.2 Beoordelingsregels vergunning voor omgevingsplanactiviteit toepassen gewasbeschermingsmiddelen Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als naar oordeel van het bevoegd gezag de mogelijke nadelige effecten van driftblootstelling op de gezondheid ter plaatse van objecten en locaties waar mensen langdurig (kunnen) verblijven, aanvaardbaar zijn. 17.1.3 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten toepassen gewasbeschermingsmiddelen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoeksrapportage naar de gezondheidsrisico's van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. 17.2
overige zone - kernrandzone
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kernrandzone' zijn de gronden tevens bedoeld als buffer tussen woon- en leefkernen en het buitengebied, ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de kernen. 17.3
overige zone - ontwikkelingszone bebouwingslinten
Ter plaatse van de aanduiding 'ontwikkelingszone bebouwingslinten' zijn de gronden tevens bedoeld als ontwikkelingszone voor bebouwingslinten. 17.4
reconstructiewetzone - verwevingsgebied
Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' zijn de gronden tevens bedoeld als verwevingsgebied.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
45
Artikel 18 18.1
Overige regels
Parkeerregels
18.1.1 Algemene parkeerregels Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen, tenzij er een ontheffing is verleend op grond van hoofdstuk 4 van de nota parkeernormen. 18.1.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota. 18.1.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen Indien het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte worden voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de Nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota. 18.1.4 Specifieke functieregels Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u 'De Hoek fase II, Meijel' NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-VG01 vastgesteld
46