CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-007 06 Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning februari 2026

Raad 3 februari 2026, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Actualiseren verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Peel en Maas en verordening Jeugdhulp gemeente Peel en Maas (2026-007)9.184 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Peel en Maas Algemeen In Nederland vinden we het belangrijk dat mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen. Ook dat mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen. Het is de taak van de gemeente om haar burgers hierbij te helpen. Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat hierbij uit van het volgende: 1. Burgers zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van genoemde doelen; 2. Burgers zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken; 3. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert burgers om zelf oplossingen te vinden voor problemen. Bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk); 4. Kwetsbare groepen hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving. Het gaat hierbij om burgers met: • met een beperking of • met psychische of psychosociale problemen • die de thuissituatie hebben (moeten) verlaten, bijvoorbeeld in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.

De gemeente Peel en Maas vindt het belangrijk om bovenstaande – kwetsbare- burgers te ondersteunen. Dit doen we door het beschikbaar stellen van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Alle beschikbare – algemene en maatwerk- voorzieningen staan in deze verordening. Ook staan hierin genoemd de voorwaarden, manier van aanvragen en – mogelijkekosten of eigen bijdrage. Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de burger en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of - als dat niet volstaat - een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Er moet telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden: • om de hulpvraag van de burger, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen; • om te achterhalen wat de burger op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren; • om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015, deze verordening, nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Peel en Maas en de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Peel en Maas leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

Als de burger van mening is dat: • het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of; • de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of; • hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de Pagina 1 van 15

voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de burger in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.

In de verordening moet overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: • op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een burger voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; • op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; • welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; • ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van burgers vereist is; • ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van burgers over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; • op welke wijze ingezeten, waaronder burgers of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; • op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en • op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van burgers in de gemeente.

Ook moet de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: • bepalen dat burgers voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; • de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de burger de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.

Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een lagere bijdrage wordt gegeven voor burgers die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de burger en zijn echtgenoot; • bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd; • bepalen dat aan burgers met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht; Pagina 2 van 15

•

bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Deze verordening kan niet los worden gezien van de kaderstelling sociaal domein, die de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 heeft vastgesteld op 23 mei 2017 en in 2024 herijkt wordt. In deze kaderstelling is het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd (2017-029 03 Waardenoriëntatie en kaderstelling). Artikelsgewijze toelichting Alleen artikelen die verdere toelichting nodig hebben, worden hieronder behandeld. HOOFDSTUK 1: Begrippen Artikel 1

Begripsbepalingen

Ad. c Bijdrage in de kosten Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. Burgers zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld. Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van de eigen bijdrage. Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de burger in de kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning). Deze bijdrage kan, anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn. Ad h. Hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de burger zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen.

Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk. Ad. i Ingezetene De burger kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de burger in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont dan wel zijn hoofdverblijf heeft. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend. Uit jurisprudentie (CRvB 03-03-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5333) blijkt dat met ‘hoofdverblijf’ navolgende wordt bedoelt: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de gehandicapte zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijke woonadres indien het een gehandicapte met een briefadres is.

Het is dus altijd noodzakelijk een hiervoor grondig onderzoek in te stellen naar de werkelijke feiten en omstandigheden. Voor wie niet staat ingeschreven en een aanspraak op ondersteuning op grond van deze verordening wil maken is, het mogelijk om de gebondenheid aan de gemeente Peel en Maas op een andere manier vast te stellen. Wel wordt in de Memorie van Toelichting ook aangegeven dat opvang bij voorkeur verstrekt wordt door het college van de gemeente waar een opvangtraject en bijbehorende ketenbenadering voor Pagina 3 van 15

betrokkene de meeste kans van slagen heeft. De Wmo 2015 spreekt ook van een ‘passende bijdrage’ aan het voorzien in de behoefte van de burger aan opvang (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo 2015). Het onderzoek dat voorafgaat aan een te verstrekken voorziening zal zich daar ook op richten. Daarbij kan bijvoorbeeld meespelen het aspect van de afwezigheid van een netwerk in de gemeente waar de burger zich heeft gemeld en de beschikbaarheid daarvan in een andere gemeente. Vanzelfsprekend wordt ook de wens van de burger in het onderzoek betrokken. Is het college van oordeel dat de opvang en het bijbehorende traject meer kans van slagen heeft in een andere gemeente, dan is de gemeente tot welke iemand zich heeft gewend, verantwoordelijk voor een ‘warme’ overdracht naar de andere gemeente. Ad. j Leefzorgplan In het leefzorgplan wordt de gehele invulling van de ondersteunings- en/of hulpvragen uitgewerkt en vastgelegd. Bij het arrangeren en het voeren van het gesprek wordt de arrangementenwaaier als hulpmiddel gebruikt. Daarin zijn de levensdomeinen en het domein regievoeren ingedeeld naar het eigen kracht principe. De ondersteuningsvraag wordt met behulp van de zelfredzaamheidsmatrix geanalyseerd over regievoering en de levensdomeinen heen. Op het moment dat het leefzorgplan volledig is uitgewerkt en vastgelegd, wordt het ter ondertekening toegestuurd aan de burger.

Dit wordt het conclusie leefzorgplan genoemd en is tevens de definitieve aanvraag voor ondersteuning. Ad. l Melding Iedereen kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de burger de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de burger zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Ad. m Niet-beroepsmatige ondersteuning Ondersteuning uitgevoerd door iemand uit de sociale omgeving van de burger. Dit kan bijvoorbeeld een familielid, buren en/of vrienden zijn. Zij handelen niet vanuit de verantwoordelijkheid van een professionele organisatie maar uit hun persoonlijke betrokkenheid met betreffende burger. Ad. n Overbelaste mantelzorger Doordat niet iedere mantelzorger hetzelfde is en/of in dezelfde omstandigheden verkeerd, is er geen exacte definitie te geven voor overbelasting. Alleen de mantelzorger zelf kan aangeven of er sprake is van overbelasting. Ad.

o Persoonlijk plan In het plan kan de burger - al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk - de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e Wmo, worden onderzocht door het college. Doordat de burger hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de burger zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk leefzorgplan dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de burger een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van burgers in de Wmo versterkt. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn. Artikel 2 Aanbod algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen In dit artikel staan de beschikbare voorzieningen in de gemeente Peel en Maas. Deze lijst is niet limitatief en kan in de loop der tijd worden aangevuld.

De aanpassing van deze verordening hierop vindt dan later plaats.

Pagina 4 van 15

HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 3 Melding Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een burger in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college.

In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de burger’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de burger kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken.

Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Artikel 4 Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van burgers te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de burger kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.

3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

Pagina 5 van 15

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Artikel 5 Vooronderzoek: verzamelen gegevens en indienen persoonlijk plan Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de burger bekende gegevens in kaart worden gebracht en burgers niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de burger worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet.

In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de burger vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de burger die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in acht genomen moeten worden. Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de burger om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een amendement (TK 2013-2014, 33841 nr. 70). Doordat de burger voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de burger zelf vorm wil geven aan zijn leefzorgplan, dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Hiermee komt de regie bij de burger te liggen.

In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de burger ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Artikel 6 Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. Het is de fase van vraagverheldering die vooraf gaat aan het samenstellen van het leefzorgplan. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en burger plaatsvindt. In artikel 1 wordt benadrukt dat een of meer gesprekken deel uitmaken van het onderzoek en dat het past in het stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de burger zoveel mogelijk bij betrokken wordt. In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de burger wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de burger thuis plaats. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een burger gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 7 Leefzorgplan In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p.

32-33) staat dat de gemeente aan de burger een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de burger. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt Pagina 6 van 15

kunnen zijn als de burger van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek worden gebruikt als een met de burger overeengekomen plan leefzorgplan voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend, dan moeten het college en de burger dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. De burger die voor een maatwerkvoorziening in aanmerking wil komen, kan dit aangeven. Dit wordt dan opgenomen in het leefzorgplan. Artikel 8 Advisering Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is degene: • door of namens wie een melding is gedaan of; • door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede; • diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen, te bevragen en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit op een door het college te bepalen plaats en tijdstip . Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening.

Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. Artikel 9 Aanvraag Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een burger voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid).

In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In het eerste lid is aangegeven dat naast de burger alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van burgers rond de burger die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om het leefzorgplan als aanvraag aan te merken, zodra dit door de burger is ondertekend (het zgn. conclusie leefzorgplan).

Pagina 7 van 15

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Artikel 10 Criteria voor maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een burger voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van burgers per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.

In lid 2 van dit artikel is bepaald dat als van een noodzakelijke maatwerkvoorziening meerdere varianten qua compensatie adequaat zijn het college de goedkoopste verstrekt. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

Artikel 11 Algemene voorwaarden, verplichtingen en weigeringsgronden In dit artikel staat in welke situaties géén maatwerkvoorziening wordt verstrekt (lid 1). Lid 1 sub b Met gebruikelijke hulp wordt bedoeld de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Voor de beoordeling hiervan moeten de volgende aspecten meegewogen worden: • De aard van de relatie Van een echtgenoot mag je bijvoorbeeld meer verwachten dan van een andere huisgenoot. En bij kinderen hangt het natuurlijk erg van de leeftijd af wat je mag verwachten. • De aard van de hulp Gaat het om huishoudelijke taken, dan mag bijvoorbeeld verwachten worden dat een gezonde volwassen huisgenoot dit overneemt. Minder gebruikelijk is het dat huisgenoten elkaar helpen bij hun persoonlijke verzorging. Maar partners in kortdurende situaties mogelijk wel. En blijft het beperkt tot aansturing? Dan kan het ook gebruikelijk zijn om dit te bieden. Ook kan een rol spelen wanneer de hulp gegeven moet worden en of deze uitstelbaar is. • De omvang van de hulp De tijd die nodig is om de hulp uit te voeren speelt natuurlijk ook een rol. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met de overige verplichtingen van de huisgenoot. Bijvoorbeeld of de huisgenoot een baan heeft en/of kinderen die verzorging vragen.

Pagina 8 van 15

•

Kan de persoon van wie gebruikelijke hulp verwacht wordt deze ook echt bieden. Hierbij kan meespelen of er (dreigende) overbelasting is. Soms is een medisch advies nodig om dit goed te kunnen beoordelen.

Artikel 12 Specifieke voorwaarden, verplichtingen en weigeringsgronden Voor de sportvoorziening gelden de reguliere kosten voor het beoefenen van een sport. De kosten van sport zijn afhankelijk van meerdere factoren zoals: • soort sport • teamverband of individueel • de leeftijd (junior of senior) • locatie van de sportaanbieder (stad of dorp, lokaal of regionaal) Bij de beoordeling van de meerprijs moeten in ieder geval deze aspecten eerst onderzocht worden, waarbij het hoogste tarief van de lokale sportverenigingen gehanteerd kunnen worden voor de reguliere kosten. Als de kosten hoger zijn, dan kan het meerdere voor vergoeding in aanmerking komen. Artikel 13 Inhoud beschikking De burger moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de burger goed en volledig informeert. Overeenkomstig de Awb moet de beschikking deugdelijk gemotiveerd zijn. Het (conclusie) leefzorgplan wordt geacht onderdeel uit te maken van de beschikking en wordt bijgevoegd. Artikel 14 Hoogte en voorwaarden persoonsgebonden budget (pgb) Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken.

Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de burger dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. In de praktijk komt het regelmatig voor dat burgers ondersteuning hebben bij het beheren van het pgb. De pgb-beheer ondersteunt de burger, maar treedt niet in de plaats van de burger. Dit blijkt uit de woorden "met hulp uit…" in artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wet. Als de burger in het geheel geen regie kan voeren, is het pgb niet de aangewezen verstrekkingsvorm. Om dit te waarborgen is in sub c van dit artikel bepaald dat er in ieder geval geen sprake mag zijn van belangenverstrengeling door een pgb-beheerder. De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie zien wij als belangenverstrengeling. Dit vinden wij onwenselijk en is daarom niet toegestaan. Ingeval de zorgverlener iemand uit het sociaal netwerk is, dan mag deze zorgverlener niet ook de pgb-beheerder zijn. Niet voor alle voorzieningen wordt een pgb verstrekt. Een woningaanpassing wordt bijvoorbeeld altijd via zorg in natura verstrekt, waarbij de gemeente de betalingen rechtstreeks overmaakt aan de leverancier. Het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.

In lid 2 wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).

Pagina 9 van 15

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de burger beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Burgers kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. In het derde lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding van het persoonsgebonden budget, zijnde 6 maanden na toekenning.

Onder ‘aangewend’ wordt verstaan dat de kosten van de voorziening of het hulpmiddel uit het pgb betaald moet zijn. Als betaling niet binnen 6 maanden mogelijk is, bijv. omdat de factuur nog niet ontvangen is, dan moet de pgb houder een ondertekende – en gedateerde - opdracht aan zorgverlener of leverancier overleggen binnen de gestelde 6 maanden termijn. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. Artikel 15 Eigen verantwoordelijkheden van de budgethouder Als er wordt gekozen voor een pgb, dan horen hierbij ook verantwoordelijkheden voor de pgb houder. Deze staan in dit artikel benoemd. Artikel 16

Hoogte pgb bij diensten in de vorm van hulp bij het huishouden, de trajecten zoals genoemd onder artikel 2, lid 2, sub c, d, e en f en logeren. In dit artikel is de hoogte van het pgb vastgesteld voor het de in dit artikel genoemde voorzieningen. Lid 1 De tarieven staan op de website van de MGR1. Lid 2 De Centrale Raad van Beroep oordeelde op 16 augustus 2023 dat de uurtarieven voor een pgb voor het sociale netwerk moeten baseren op de CAO VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg). Bij huishoudelijke hulp gaat het om het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij Hulp bij het Huishouden (HBH5). Bij begeleiding gaat het om het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30). De tarieven per uur omvatten zowel 8% vakantietoeslag als 237 verlofuren, berekend op basis van een fulltime dienstverband volgens genoemde cao. Artikel 21 Hoogte pgb bij beschermd wonen In dit artikel is de hoogte van het pgb vastgesteld voor het de in dit artikel genoemde onderwerpen. In sub c staat de voorwaarde dat er hiervoor een financiële vergoeding aan de hulp tegenover staat. Hiermee wordt bedoelt dat het hiervoor beschikbaar gestelde pgb ook daadwerkelijk betaald wordt aan de hulpverlener en niet wordt aangewend voor andere doeleinden.

Dit artikel is afgestemd binnen de regio Noord- en Midden Limburg, waardoor de hierin genoemde hoogte van het pgb voor de hele genoemde regio gelden. Dit in tegenstelling tot de overige artikelen inzake de hoogte van het pgb, waarbij de raad van de gemeente zelf de hoogte hiervan kan vaststellen.

1 www.sociaaldomein-limburgnoord.nl

Pagina 10 van 15

Artikel 24 Controle pgb Naast de in dit artikel genoemde periodieke controles, vinden er ook controles plaats zoals in de door het college vastgestelde document ‘kwaliteitsborging Sociaal Domein gemeente Peel en Maas2’. Artikel 25 Controle op het gebruik of de besteding van verstrekte voorzieningen Naast de ‘kwaliteitsborging Sociaal Domein’ heeft het college hiervoor ook nadere regels maatschappelijke ondersteuning3 vastgesteld Hiermee wordt de uitvoering van controles mogelijk gemaakt. Daarnaast kunnen nieuwe feiten en omstandigheden aanleiding zijn om tot controle over te gaan. Dit is ter beoordeling aan het college. Artikel 26 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering. Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1).

Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen als uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van het opzettelijk misbruik of oneigenlijk gebruik van de geboden voorziening of hulpmiddelen. In het achtste lid geeft de raad opdracht aan het college een toezichthouder aan te wijzen die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, zijnde de toezichthouder rechtmatigheid. In het zevende en negende lid geeft de raad het college de mogelijkheid om nadere regels vast te stellen voor de besteding van het pgb en uitvoering van het toezicht.

Hoofdstuk 4 Eigen bijdrage in de kosten De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s, bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener (hierna: bij verordening aangewezen algemene voorzieningen) enerzijds en algemene

2 Kwaliteitsborging sociaal domein gemeente Peel en Maas | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl) 3 Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Peel en Maas | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)

Pagina 11 van 15

voorzieningen waarbij geen sprake is van een dergelijke duurzame hulpverleningsrelatie anderzijds. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een burger verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Artikel 27

Eigen bijdrage in de kosten voor maatwerk of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s is gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorzieningen (artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de wet) en in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt. We kiezen in Peel en Maas voor de maximale eigen bijdrage (lid 5), omdat we het redelijk vinden dat burgers naar draagkracht bijdragen. Deze bijdrage geldt ook voor beschermd wonen (artikel 21). De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in de onderdelen van het tweede lid. Dit is regionaal afgestemd in verband met gezamenlijke inkoop van maatwerkvoorzieningen in Noord-Limburg.

Lid 2 tijdelijke geen gebruik maken van toegekende maatwerkvoorziening Het kan voorkomen dat een burger tijdelijk geen gebruik maakt voor toegekende maatwerkvoorziening. Bijvoorbeeld door een ziekenhuisopname of verblijf in een revalidatiecentrum. In dit lid is geregeld dat bij een onderbreking geen eigen bijdrage verschuldigd is over een periode van onderbreking die langer duurt dan 2 maanden. Bij onderbreking korter dan 2 maanden loopt de eigen bijdrage door. Voorbeeld: Burger wordt op 15 januari 2020 opgenomen in een revalidatiecentrum en komt op 15 april 2020 thuis. Als gevolg hiervan heeft hij 3 maanden geen gebruik gemaakt van de maatwerkvoorziening. Dit betekent dat hij de eigen bijdrage over januari 2020 tot en met maart 2020 moet betalen. Over de maand april 2020 is dan geen bijdrage verschuldigd. Lid 3 berekening hoogte bijdrage, maximering en afschrijvingstermijnen De manier waarop de eigen bijdrage wordt berekend staat in het Uitvoeringsbesluit Wmo 20154. Hierop zijn aanvullende voorwaarden geformuleerd om de eigen bijdrage te beperken, zoals de kostprijs en het zogenaamde abonnementstarief. Bij de kostprijs zijn de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering inbegrepen. Het abonnementstarief verandert jaarlijks door indexatie. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze.

Lid 6 Collectief vraagafhankelijk vervoer In het vervoersregelement5 staan de spelregels en andere belangrijke informatie over het vervoer van Omnibuzz. Dit document is opgesteld voor iedereen die bij Omnibuzz betrokken is. Het dient 4 wetten.nl - Regeling - Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 - BWBR0035733 (overheid.nl) 5 Vervoerreglement - Omnibuzz, maatwerk in vervoer

Pagina 12 van 15

ook als informatiebron voor hun familieleden of begeleiders, vervoerders, chauffeurs, medewerkers van ritreservering of deelnemende gemeenten, leden van de klachtencommissie enz. Artikel 28

Eigen bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

Lid 3 Om deelname aan de dorpsontmoeting ook (financieel) toegankelijk te maken voor burgers met een beperkt inkomen, heeft de gemeente Peel en Maas ervoor gekozen bepaalde groepen kwijtschelding te verlenen. In dit lid worden betreffende doelgroepen benoemd die hiervoor in aanmerking komen. Artikel 29 Eigen bijdrage in de kosten bij maatschappelijke opvang Regionaal zijn afspraken gemaakt rondom de eigen bijdrage in de kosten bij maatschappelijke opvang. De in dit artikel genoemde kosten voor voeding staan op de website van het NIBUD6. Hoofdstuk 5 Kwaliteit en veiligheid Artikel 30 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning. Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel.

De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van burgers en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het tweede lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het vierde lid genoemde periodieke ervaringsonderzoek onder deelnemers en gebruikers is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. Artikel 31 Verhouding prijs en kwaliteit levering diensten voor derden. Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de burger, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet).

Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. De AMvB ‘reële tarieven Wmo’ verplicht gemeenteraden om per 1 juni 2017 in de verordening op te nemen dat bij het aangaan van nieuwe inkoopovereenkomsten voor Wmo-producten een reële prijs wordt gehanteerd. Het Uitvoeringsbesluit Wmo biedt geen ruimte om van de inhoud van artikel 5.4 af te wijken. Door dit in de verordening vast te leggen krijgen de raden kennis van de materie en kunnen het college over de uitvoering ervan bevragen. Doordat de Wmo-diensten regionaal worden ingekocht, worden ook de reële prijzen regionaal bepaald. Afgesproken is dat alle regiogemeenten de verordening op gelijke wijze aanpassen. Artikel 32 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die heeft 6 Huishoudelijke uitgaven - Nibud

Pagina 13 van 15

plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college burgers aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. Dit is de toezichthouder kwaliteit Wmo. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 31 dat er door het college een regeling kan opstellen over het doen van meldingen (zie meldpunt zorgaanbieders Wmo) en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onafhankelijk onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Hoofdstuk 6 Waardering mantelzorger Artikel 33 Waardering mantelzorger Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van burgers in de gemeente. Het college bepaalt in de beleidsregels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering van mantelzorgers bestaat. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van burgers in de gemeente.

Artikel 1.1.1 van de wet definieert een burger als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van burgers die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de burger bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Hoofdstuk 7 Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 34 Klachtregeling In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van burgers is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat burgers in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen.

De burger kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de burger niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat burgers die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 35 Medezeggenschap bij aanbieders Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van burgers over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

Pagina 14 van 15

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van burgers tegenover de aanbieder. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 36 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. De mogelijkheden van medezeggenschap op het sociaal domein, waaronder maatschappelijke ondersteuning, zijn vastgelegd in een aparte verordening ‘Verordening co-creatie en advisering sociaal domein gemeente Peel en Maas’ (zie verordening co-creatie en advisering sociaal domein) Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen co-creatie, meespraak en advisering. Door het college aangemerkte groepen die belangen hebben ten aanzien van het sociaal domein, worden in de gelegenheid gesteld om als co-createurs inbreng te leveren bij het ontwikkelen en realiseren van beleid dat betrekking heeft op het sociaal domein alsmede bij de evaluatie.

De ingestelde adviesraad sociaal domein heeft de taak om een advies uit te brengen aan het college over alle beleidsvoorstellen op het terrein van het sociaal domein die de instemming behoeven van het college en/of de gemeenteraad. Hoofdstuk 8 Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 37 Evaluatie Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau (zie artikel 7.10 van de wet) zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten. Artikel 38 Hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.

Pagina 15 van 15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=39a3624a-0a8e-4c1e-b472-b8f1a87daa5c