CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-049 07 Motivering

Raad 30 september 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen ‘TAM Omgevingsplan Vergelt 30 Baarlo - wijziging naar Wonen’ (2025-049)13.297 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

4.6.

Luchtkwaliteit

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt eisen aan de concentratie van emissie van verontreinigende stoffen vanuit bedrijven naar de lucht: de emissiegrenswaarden. Er geldt een waarde en ondergrens per stofklasse. Voor kleine bronnen met een jaarlijkse emissie beneden de ondergrens gelden de emissiegrenswaarden niet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor lucht. Om de risico’s van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de lucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. Voor fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn er aparte aandachtsgebieden. Daar zijn de concentraties relatief hoog. Draagt een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging dan is het niet nodig om de omgevingswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide te toetsten. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bedraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In artikel 5.54 van het Bkl is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde NIBM). Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 15,4 μg/m³ en de PM2,5 op 8,5 μg/m³, zie afbeelding 5 en 66 Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 12,6 μg/m³, zie afbeelding 7 In artikel 2.5 van het Bkl is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde volgens artikel 2.4 van het Bkl eveneens 40 μg/m³.

Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.

27

Afbeelding 6. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10).

Afbeelding 7. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5).

28

Afbeelding 8. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NO2).

4.7.

Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. Gemeentes kunnen geurregels opnemen voor veehouderijen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat met instructieregels voor gemeenten beschreven hoe ze de geurregels in het omgevingsplan op moeten nemen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.3 ‘Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf’. In Artikel 22.3.6 van het Omgevingsplan heeft de gemeente regels omtrent geur vastgelegd. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Peel en maas van toepassing is. Dit betekent dat de wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente Peel en Maas In onderhavig plan vindt er geen wijziging plaats in het aantal geurgevoelige objecten. Immers, er is slechts sprake van een functiewijziging van bedrijfswoning naar de functie ‘wonen’. De bestaande geurgevoelige objecten blijven dus in stand. In de directe omgeving van het plangebied (in een straal van 300m) zijn geen veehouderijen gelegen waar dieren gehouden worden met een geuremissiefactor.

Tevens zijn binnen deze straal geen veehouderijen aanwezig met diercategorieën zonder geuremissiefactor. Hiermee wordt voldaan aan de afstanden voor een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Het aspect geur vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8.

Omgevingsveiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden.

29

De regels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 zijn van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit als bedoeld in die paragrafen die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen en (ondergrondse) buisleidingen.

Afbeelding 9. Uitsnede plangebied Veilige omgeving.

Volgens de Risicokaart liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen of wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet binnen de invloedssfeer van het plangebied. Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen.

30

Plaatsgebonden risico: De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.9.

Waterparagraaf

4.9.1. Relevant waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Per 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 20222027 vastgesteld. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de Stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor de 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. 4.9.2. Provinciaal waterplan Limburg Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 20162021.

Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. De provincie Limburg legt de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid.

Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. 31

4.9.3. Waterschapsverordening Met de ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 staan alle regels van het waterschap voor de ruimte waarin we wonen, werken en ontspannen in één verordening, de waterschapsverordening. De waterschapsverordening vervangt de regels in de Keur en de bijbehorende algemene regels. De waterschapsverordening heeft een andere opzet dan de Keur. De Keur was een traditionele verordening met geboden en verboden. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden alle regels die het waterschap binnen haar beheergebied stelt over de fysieke leefomgeving, opgenomen in de Waterschapsverordening. Met de Omgevingswet wordt gewerkt met het ‘ja, mits’-principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan voorwaarden in de waterschapsverordening. 4.9.4. Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het initiatief heeft betrekking op de herontwikkeling van het plangebied. Hierbij wordt niet meer verhard oppervlak gerealiseerd dan nu reeds binnen het plangebied aanwezig is. Dit betekent dat er sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Voor de bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. De woning blijft onveranderd aangesloten op het riool. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10.

Ecologie

4.10.1.

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2.43 van de Omgevingswet zijn de instandhoudingsdoelstelling vastgelegd. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten zuiden van de initiatieflocatie is het Natura 2000-gebied ‘Swalmdal’ gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt ca.10,5 kilometer. Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. Gezien de afstand en de beperkte omvang van het initiatief is het niet te verwachten dat de ontwikkeling leidt tot verstoring, oppervlakteverlies, verontreiniging of andere negatieve effecten op het Natura 2000-gebied.

Onderhavig planvoornemen voorziet slechts in de functiewijziging van de bedrijfswoning op Vergelt 30 naar de functie ‘wonen’, waarbij ook het onderliggende perceel van de woning, te weten perceel Maasbree I 1298, een woonfunctie zal krijgen. Hierbij vindt er geen toe- of afname plaats van bebouwing en blijft het feitelijk gebruik hetzelfde. Het planvoornemen heeft dus geen significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

32

4.10.2.

Soortenbescherming

De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Omgevingswet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. In afdeling 11.2 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name de regels de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 van belang. •

•

•

Paragraaf 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Paragraaf 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn. Dit zijn soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Paragraaf 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten. Dit zijn alle in Nederland in het wild levende soorten waaronder zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zoals genoemd in het Bal, bijlage IX.

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een planvoornemen waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Onderhavig planvoornemen voorziet slechts in de functiewijziging van de bedrijfswoning op Vergelt 30 naar de functie ‘wonen’, waarbij ook het onderliggende perceel van de woning, te weten perceel Maasbree I 1298, een woonfunctie zal krijgen. Er vindt geen wijziging plaats van de fysieke leefomgeving of het feitelijk gebruik van de locatie. Het planvoornemen heeft dus geen significante gevolgen voor de beschermde dier- en plantensoorten. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.11.

Archeologie & cultuurhistorie

4.11.1.

Archeologie

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Omgevingswet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Bij het opstellen van het Omgevingsplan houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook: - Regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en

33

-

Gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Aangezien onderhavig planvoornemen slechts een functiewijziging betreft waarbij geen bebouwing wordt gesloopt dan wel wordt gerealiseerd, zijn er vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen te verwachten. 4.11.2.

Cultuurhistorie

Gemeenten moeten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In artikel 5.130 lid 2 van het Bkl zijn hiervoor instructieregels opgenomen. Deze regels gaan over: • • • • • •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsen van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen, en; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Onderhavige bedrijfswoning is niet aangemerkt als cultuurhistorisch erfgoed en wordt ook niet benoemd op de gemeentelijke monumentenlijst. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.12.

Leidingen

Het feitelijk gebruik van de planlocatie blijft onveranderd. Immers, initiatiefnemer is gedurende een lange periode woonachtig geweest op de locatie. Al die tijd hebben er geen glastuinbouwactiviteiten plaatsgevonden op locatie. In de beoogde situatie wordt enkel een functiewijziging van de bedrijfswoning op Vergelt 30 naar de functie ‘wonen’ gerealiseerd, waarbij ook het onderliggende perceel van de woning, te weten perceel Maasbree I 1298, een woonfunctie zal krijgen. Daarnaast zijn er op het plangebied geen buisleidingen dan wel aandachtsgebieden/ risicocontouren van buisleidingen gelegen. Derhalve vormt het aspect ‘leidingen’ geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.

4.13.

Trilling

Het onderdeel ‘trillingen’ is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan activiteiten in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, in een frequentie van 1 tot 80 Hz, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Daarbij worden er maximale waarden gesteld aan continue trillingen en aan herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. De instructieregels voor trillingen door activiteiten gelden voor (er zijn uitzonderingen op deze instructieregels, bijv. de activiteit wonen):

34

• • •

Het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan; Het op een locatie toelaten van een trillinggevoelig gebouw en het aanpassen daarvan; Een combinatie van beide.

Het gaat hierbij om activiteiten die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, in een frequentie van 1 tot 80 Hz. De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl. Er wordt een afweging gemaakt tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten van een locatie (rekening houdend met alle betrokken belangen) Trillingen zijn aanvaardbaar als de standaardwaarden uit de artikelen 5.87 en 5.87a van het Bkl worden overgenomen (conform artikel 5.86 Bkl). In dat geval is een beperkte motivering van aanvaardbaarheid nodig. Bij het afwijken van de standaardwaarde op basis van artikel 5.86, lid 2, van het Bkl is een uitgebreidere motivering nodig. Negatieve gevolgen vanuit trilling kunnen met name een rol spelen indien het plangebied is gelegen in de nabijheid van spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen deze trillingen zorgen voor hinder of schade aan gebouwen. Bij ontwikkelingen die binnen 200 meter van een spoorweg liggen dient onderzocht te worden of er sprake kan zijn van schade en hinder vanuit trillingen. In de beoogde situatie wordt de aanwezige bedrijfswoning herbestemd naar reguliere woonfunctie waardoor er niks verandert aan het feitelijke gebruik van de woning. Daarnaast ligt het dichtstbijzijnde aandachtsgebied van spoorwegen op circa 1,2 km afstand.

Hierdoor is het niet de verwachting dat er onevenredige belemmeringen zullen ontstaan als gevolg van trillingen. Vanuit het aspect ‘trilling’ zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten.

4.14.

Gezondheid

Endotoxinen: Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen. In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Limburg geraadpleegd. Verder zijn binnen een afstand van 300m geen veehouderijen gelegen. Daarnaast verandert er niks aan het feitelijke gebruik van de woning aangezien de woning al geruime tijd is bewoond door initiatiefnemer welke geen relatie had met het gekoppelde glastuinbouwbedrijf. Magneetveldzones: In de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen dient er rekening gehouden te worden met de aanwezige magneetvelden. Magneetvelden zijn namelijk mogelijk van invloed op de gezondheid van omwonenden. Een magneetveldzone is hierbij een gebied waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger kan zijn dan 0,4 microtesla. De dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningslijn is gelegen op ongeveer 360m.

Deze grote afstand maakt dat er geen magneetveldzone met een waarde hoger dan 0,4 microtesla aanwezig is op het plangebied.

35

4.15.

Spuitzones

Bij de teelt van gewassen op landbouwgrond is de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet ongebruikelijk. Met name bij het telen van fruit en in boomgaarden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vaak noodzakelijk. Om de middelen op gewassen te brengen wordt gebruik gemaakt van mobiele spuitinrichtingen die via de lucht de middelen op de gewassen brengen. Met het in de lucht brengen van middelen worden deze bloot gesteld aan de wind en daarmee ontstaat het risico dat middelen meer bereiken dan het gewas alleen. Dit proces wordt ‘drift’ genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen vormen een potentieel risico voor de gezondheid van omwonenden, om die reden is het bij ruimtelijke ontwikkelingen inmiddels gebruikelijk om spuitzones en middelengebruik mee te nemen in de verantwoording bij planologische besluitvorming zodat het eventuele risico beoordeeld wordt voor gevoelige locaties. Om handvatten te geven aan de wijze waarop initiatiefnemers en gebruikers rekening dienen te houden met het gebruik en de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een indicatieve afstand van 50 meter als vuistregel in de ruimtelijke ordening geïntroduceerd.

Deze 50 meter dient te worden berekend vanaf de gevoelige functie, in dit geval de rand van de woonfunctie, tot aan een agrarisch bestemd perceel waar volgens het Omgevingsplan gewassen geteeld kunnen worden die bespoten kunnen worden. Ook voor onderhavig planvoornemen zijn diverse agrarisch bestemde percelen binnen de aangegeven 50m afstand gelegen. Percelen Maasbree I 1072 en I 1073: Aan de achterzijde van het perceel Vergelt 30 liggen de agrarisch bestemde percelen Maasbree I 1072 en 1073 (gedeeltelijk). Deze percelen behoren bij de woonfuncties gelegen aan de Tasselaar. De afgelopen jaren zijn deze percelen enkel en alleen in gebruik geweest als grasland/ (paarden)wei en zijn hierbij onderdeel van de woonfuncties. Gezien het huidige gebruik alsmede de omvang en bereikbaarheid van de percelen is het daarbij niet voor de hand liggend dat het perceel toekomstig wordt aangewend voor teelten waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De rechterlijke uitspraak van 9 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5121, bevestigt bovenstaande toelichting. In deze uitspraak stelt de rechtbank dat hoewel een (paarden)wei planologisch gezien kan worden gebruikt voor gewassenteelt met de daarbij toegepaste bestrijdingsmiddelen, maar het niet aannemelijk is dat dit binnen drie jaar zal gebeuren, spuitzones niet van toepassing zijn.

Perceel Maasbree I 1066: Aan de oostzijde van het plangebied is perceel I 1066 gelegen op circa 35 meter afstand. Dit betreft een containerveld in eigendom van locatie Vergelt 32, welke dit verhuurt aan het glastuinbouwbedrijf op de locatie Vergelt 34. Dit containerveld is al een geruime tijd (ca. 2 jaar) niet meer als zodanig in gebruik. Theoretisch bezien kan het glastuinbouwbedrijf het containerveld in gebruik nemen teneinde hier teelten te kweken. Het betreft hier dus mogelijke drift afkomstig van spuittechnieken laag bij de grond. Tussen het plangebied en het containerveld ligt echter nog de locatie Vergelt 32 met bijbehorende bebouwing en zeer verwilderde beplanting. Mogelijke drift afkomstig van perceel I 1066 wordt derhalve opgevangen in het naastgelegen perceel van de locatie Vergelt 32. Gezien de huidige activiteiten alsmede de zeer intensieve begroeiing op de Vergelt 32 met een hoogte van circa 4m over een aanzienlijke breedte, is het niet voor de hand liggend dat de theoretisch mogelijke drift van het containerveld tot het plangebied reikt. Daarnaast heeft de eigenaar/ bewoner van Vergelt 32 middels de

36

omgevingsdialoog kennisgenomen van het planvoornemen waar deze geen bezwaren op heeft. Een groot gedeelte van het plangebied wordt in de huidige situatie omringd door een bestaande haag. Middels een landschappelijk inpassingsplan zal het plangebied in de beoogde situatie volledig omringd worden door een aan te planten haag en overige beplanting, zie ook paragraaf 4.17. Dit is wederom een maatregel om de indicatieve drift afkomstig van naastgelegen percelen tot een minimum te reduceren. In de huidige situatie worden op de betreffende percelen al geruime tijd géén gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Daarnaast is er sprake van een functieverandering van een bestaande bedrijfswoning naar reguliere woonfunctie. Beide functies worden ook in de huidige situatie aangemerkt als ‘gevoelig’ waardoor er geen gevoelige functie wordt toegevoegd. Derhalve zal het aspect spuitzones geen belemmering vormen voor de beoogde functiewijziging.

4.16.

Vormvrije MER-beoordeling

De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.’’) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit is een opsomming van de projecten waarop een mer-beoordeling van toepassing kan zijn opgenomen. In de eerste kolom van de bijlage staat de omschrijving van een project. In de tweede kolom is de projectomvang opgenomen voor de gevallen waarin de milieueffectenrapportage-plicht geldt. Wanneer een ontwikkeling voorkomt in de eerste kolom geldt dat er een project-merbeoordeling moet worden uitgevoerd. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde waarde in tweede kolom dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. De beoogde ontwikkeling is niet beschreven in de eerste kolom van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor de beoogde ontwikkeling zijn er derhalve geen verplichtingen met betrekking tot de m.e.r..

4.17.

Landschappelijke inpassing

De landschappelijke inpassing van het beoogde initiatief is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het landschap in de omgeving van het plangebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering vanuit de provincie en gemeente. Daarbij wordt er ingespeeld op het gemeentelijke Kwaliteitskader waarbij 10% van de oppervlakte van de woonkavel dient te bestaan uit bestaand en nieuw groen, passend in de omgeving. In afbeelding 10 is het beplantingsplan weergegeven, voor het volledige landschappelijke inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 3.

37

Afbeelding 10. Landschappelijk inpassingsplan.

38

5. Juridisch bestuurlijke aspecten 5.1.

Inleiding

De Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden brengt met zich mee dat alle bestemmingsplannen zijn opgegaan in het tijdelijke deel van het gemeentelijk Omgevingsplan van rechtswege. De gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om alle regels voor de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Tot die tijd beschikt de gemeente direct over het voornoemde omgevingsplan van rechtswege bestaande uit een tijdelijk en nieuw deel. Naast de bestemmingsplannen en overige vervallen instrumenten die van rechtswege in het tijdelijk deel worden opgenomen, behoort ook de bruidsschat tot het tijdelijke Omgevingsplan. Dit zijn regels die van het rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Voor het nieuwe deel heeft de gemeente tot 1 januari 2032 de tijd op dit op te stellen. Dit nieuwe deel komt deels tot stand door bestaande regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar het nieuwe deel. Daarnaast neemt de gemeente in het nieuwe deel ook nieuwe regels op voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid. De gemeente is bevoegd het omgevingsplan van rechtswege te wijzigen. Onderhavig voornemen beperkt zich daarbij tot een locatie specifieke wijziging.

5.2.

TAM-IMRO

De gemeente Peel en Maas beschikt nog niet over een definitief Omgevingsplan. De voormalige IMRO-standaard in combinatie met de bijbehorende plansoftware voor het omgevingsplan een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) biedt in onderhavig initiatief de beste oplossing. Met deze tijdelijke oplossing worden wijzigingsbesluiten middels de standaard van de oude wetgeving, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in combinatie met de IMRO-standaard, bekendgemaakt waarbij de inhoudelijke eisen van de huidige Omgevingswet in acht worden genomen. De gemeente Peel en Maas maakt gebruik van de TAM-IMRO als alternatieve mogelijkheid aangezien deze nog niet volgens de nieuwe standaarden kunnen werken. Op deze manier wordt er getracht de vertraging van de planvorming met de invoering van de Omgevingswet te beperken.

5.3.

Juridische leeswijzer van het TAM-IMRO plan

Onderhavig TAM-Omgevingsplan faciliteert een gebiedsontwikkeling op de locatie Vergelt 30 te Baarlo. Het plan is daarbij als nieuw hoofdstuk, te weten hoofdstuk 22, opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas. Het gebruik van deze landelijke voorziening (TAM-IMRO) maakt het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

5.4.

Werkingsbereik/ toepassingsbereik Omgevingsplan

De gemeente Peel en Maas heeft tot dusver nog geen nieuw Omgevingsplan geïnitieerd en maakt derhalve nog gebruik van het eerder benoemde Omgevingsplan van rechtswege. Dit plan vindt zijn werkingsbereik over de gehele fysieke leefomgeving van de gemeente. Onderhavig planvoornemen heeft slechts betrekking op een locatie specifieke wijziging.

39

6. Economische uitvoerbaarheid 6.1.

Financieel economische haalbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplan activiteit voor rekening komen van de initiatiefnemer.

6.2.

Kostenverhaal en nadeelcompensatie

Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Voor iedere TAM-Omgevingsplan wordt een nadeelcompensatieovereenkomst gesloten op basis van titel. 4.5 Awb.

40

7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.

7.1.

Participatietraject

Participatie is het betrekken van de samenleving bij de aanvraag. Het doel is het inwinnen van opvattingen en het verkrijgen van inzicht in relevante feiten en omstandigheden en in andere belangen over een voorgenomen project. Door dit vroegtijdig te doen, kan dit de kwaliteit van het project zelf en het besluitvormingsproces erover verbeteren. In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning • •

Of de aanvrager aan participatie heeft gedaan Zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn

De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 16.55, lid 7, Omgevingswet). 7.1.1. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden van de locatie. Aangezien het een planologisch gekoppelde locatie betreft, zijn de bewoners, tevens eigenaren, van de volgende adressen betrokken in de dialoog: • • • • • • • •

Vergelt 7; Vergelt 9; Vergelt 9a; Vergelt 15; Vergelt 15a; Vergelt 28; Vergelt 32; Vergelt 34.

Iedere bewoner/ eigenaar van voornoemde adressen is middels dialoog en een vooropgestelde schriftelijke planomschrijving op de hoogte gesteld van onderhavig planvoornemen. Aangegeven is dat het planvoornemen bestaat uit het wijzigen van de functie van de woning gelegen op Vergelt 30 waarbij de huidige bedrijfswoning en onderliggend perceel (planologisch) behorende bij het glastuinbouwbedrijf worden afgesplitst. Iedere partij stond positief tegenover het planvoornemen en is niet voornemens zienswijze, bezwaar of beroep in te stellen. Dit is bekrachtigd middels een handtekening van alle eigenaren/ bewoners. Uit deze omgevingsdialoog komt naar voren dat de omwonenden geen bezwaren hebben op onderhavig planvoornemen.

41

7.2.

Bestuurlijk vooroverleg

In deze paragraaf beschreven hoe overheden en andere stakeholders zijn meegenomen bij de plannen. Gemeente: Alvorens een ruimtelijke procedure te starten wensten initiatiefnemers inzicht te krijgen in de haalbaarheid en de wenselijk van onderhavig planvoornemen. Dit is getoetst middels een principeverzoek. Middels een positief principebesluit maakte de gemeente kenbaar het initiatief als wenselijk en haalbaar te beschouwen. Hierop volgend is de ruimtelijke procedure gestart en onderhavige toelichting opgesteld.

7.3.

Zienswijzen

Het plan heeft vanaf 1 april 2025 gedurende 6 weken in ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er géén zienswijzen ontvangen door de gemeente Peel en Maas.

8. Vastellingsprocedure De procedure tot het vaststellen van het TAM-Omgevingsplan is in te delen in 2 stappen: 1. Ontwerp-omgevingsplan De gemeente geeft alvorens de terinzagelegging kennis van het ontwerp-omgevingsplan (ontwerpbesluit). Dit gebeurt via het gemeenteblad. Het ontwerpbesluit wordt in combinatie met de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode van 6 weken kan eenieder zienswijzen inbrengen. 2. Vaststellen omgevingsplan Indien stap 2 doorlopen is, stelt de gemeente het omgevingsplan vast. Het vaststellen van het omgevingsplan wordt uitgevoerd door de gemeenteraad en wordt wederom gepubliceerd in het gemeenteblad via de LVBB. Binnen 4 weken vanaf de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt treedt de wijziging van het omgevingsplan in werking. Hier kan de gemeente van afwijken indien opgenomen in het omgevingsplan. Eenieder die een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit wordt door het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van het besluit. Er kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het besluit tot het wijzigen van het omgevingsplan.

42

Arvalis Roermond

Arvalis Den Bosch

Steegstraat 5

Onderwijsboulevard 225

6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl

5223 DE ‘s Hertogenbosch +31 (0)732173580 infozbg@arvalis.nl

Arvalis Venlo

Arvalis Colijnsplaat

Villafloraweg 1

Noordlangeweg 42-B

5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl

4486 PR Colijnsplaat +31 (0)113247747 infozbg@arvalis.nl

Arvalis Maastricht Airport

Arvalis Deurne

Europalaan 24

Heuvelstraat 12

6199 AB Maastricht Airport +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl

5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=290a141f-bfc5-43fb-be6e-53ccbf612f17