CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-027 05 Toelichting TAM vastgesteld

Commissie 1 april 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO Omgevingsplan "Lanterdweg 5 en Roland 1 Kessel" (2025-027)18.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Noorderhof 16 | 5804 BV Venray | (+31) 077 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl | www.bureauleefomgeving.nl

TAM-omgevingsplan

Concept: Ontwerp: Vastgesteld:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22[g] Lanterdweg 5 en Roland 1 Kessel] NL.IMRO.1894.TAMOPH22g-VG01

25 juli 2024 3 december 2024 11 februari 2025

COLOFON

Projectnaam: Identificatienummer:

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING............................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................................................................... 3 1.2 Ligging van het plangebied........................................................................................................................................................................... 4 1.3 Vigerend omgevingsplan .............................................................................................................................................................................. 5

2.

HUIDIGE SITUATIE ...........................................................................................................................................7

3.

BEOOGDE SITUATIE........................................................................................................................................8 3.1 Functionele ontwikkeling en doelstellingen van het plan.............................................................................................................. 8 3.2 Ruimtelijke inpassing................................................................................................................................................................................... 10

4.

BELEIDSKADER ............................................................................................................................................... 11 4.1 Rijksbeleid ....................................................................................................................................................................................................... 11 4.2 Provinciaal beleid ......................................................................................................................................................................................... 14 4.3 Gemeentelijk beleid.................................................................................................................................................................................... 17

5.

FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU ..................................................................................................... 21 5.1 Milieueffectrapportage............................................................................................................................................................................... 21 5.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit........................................................................................................................................................... 21 5.3 Bedrijven en milieuzoneringen............................................................................................................................................................... 23 5.4 Geluid................................................................................................................................................................................................................ 24 5.5 Luchtkwaliteit ................................................................................................................................................................................................ 25 5.6 Geur ..................................................................................................................................................................................................................

26 5.7 Externe veiligheid......................................................................................................................................................................................... 28 5.8 Trillingen .......................................................................................................................................................................................................... 31 5.9 Water ............................................................................................................................................................................................................... 31 5.10 Kabels, leidingen en straalpaden ........................................................................................................................................................... 32 5.11 Natuur .............................................................................................................................................................................................................. 33 5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap .......................................................................................................................................

35 5.13 Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren .................................................................................................................................. 37 5.14 Duurzaamheid en gezondheid ............................................................................................................................................................... 38

6.

UITVOERBAARHEID...................................................................................................................................... 41 6.1 Financieel - economische uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................... 41 6.2 Juridische aspecten ...................................................................................................................................................................................... 41 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................................................................................ 42

1

7.

PROCEDURE..................................................................................................................................................... 43

BIJLAGEN: Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Nader bodemonderzoek Bijlage 3: Geuronderzoek Bijlage 4: Stikstofberekening gebruiksfase Bijlage 5: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 6: Omgevingsdialoog

2

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Ten noordwesten van de kern Kessel-Eik, aan de Roland 1 en Lanterdweg 5, ligt de bedrijfslocatie van initiatiefnemer. De bedrijfslocatie is in de huidige situatie bebouwd met een bedrijfswoning aan de zijde van de Lanterdweg en met een voormalige bedrijfswoning met werkplaats aan de zijde van de Roland. Initiatiefnemer is inmiddels op leeftijd en wil graag zijn bedrijfsactiviteiten gaan beëindigen. Daarnaast zijn het huidige bedrijfsperceel en de bedrijfswoning dusdanig groot dat deze niet meer aansluiten bij de behoefte van initiatiefnemer. De zoon van de initiatiefnemer heeft aangegeven dat hij graag de woning en het perceel wil overnemen van zijn vader om hier met zijn gezin te gaan wonen. Om dit mogelijk te maken dienen de bedrijfsactiviteiten formeel beëindigd te worden en dient de bedrijfsfunctie van de locatie te worden gewijzigd in een woonfunctie. De aanwezige bedrijfswoning wordt hiermee omgezet naar een burgerwoning waardoor de zoon van de initiatiefnemer hier kan gaan wonen met zijn gezin. Initiatiefnemer wenst daarnaast kleiner te gaan wonen in een woning die beter aansluit bij zijn behoefte en waar hij zorg en ondersteuning kan ontvangen. Aangezien deze woningen nauwelijks voorhanden zijn binnen Kessel en Kessel-Eik is initiatiefnemer op het idee gekomen om de voormalige bedrijfswoning aan de Roland 1 te gaan gebruiken als pré-mantelzorgwoning.

De voormalige bedrijfswoning betreft namelijk een kleinere woning die beter aansluit bij zijn behoefte. Daarnaast woont de zoon op korte afstand waardoor hij de benodigde zorg en ondersteuning kan bieden aan zijn vader. Een klein deel van het bouwvlak (circa 175 m2) van de bedrijfslocatie aan de Lanterdweg 5 en Roland 1 is echter niet in eigendom van de initiatiefnemer maar van de buurlocatie, te weten Roland 3. Dit deel van het bouwvlak is momenteel gedeeltelijk bebouwd met een bijgebouw welke thans in eigendom en in gebruik is door de bewoners van de Roland 3. Onderhavig TAM-Omgevingsplan voorziet tevens in het wijzigen van de bedrijfsfunctie van dit gedeelte naar een woonfunctie en het betrekken van dit deel bij het woonperceel van de Roland 3.

Afbeelding 1.

Ligging en omgeving van de Lanterdweg 5, Roland 1 en Roland 3

Om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren is een wijziging van het omgevingsplan (van rechtswege) noodzakelijk, conform de Omgevingswet.

3

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Lanterdweg 5, de Roland 1 en de Roland 3 in Kessel. De locatie Lanterdweg 5 staat bekend als gemeente Kessel, sectie I en perceelnummers 678 en 581. Dit deel van het plangebied heeft een oppervlakte van circa 6.300 m2 en is in de huidige situatie bebouwd met een woning met daaraan vast een carport en serre, een vrijstaande overkapping en een vrijstaande schuur. Een deel van het plangebied is daarnaast voorzien van verharding. De onbebouwde en onverharde delen van het plangebied zijn in gebruik als tuin. De locatie Roland 1 staat bekend als gemeente Kessel, sectie I en perceelnummers 578, 579 en 580. Dit deel van het plangebied heeft een oppervlakte van circa 750 m2 en is in de huidige situatie bebouwd met een voormalige bedrijfswoning met daaraan vast een werkplaats. Een deel van het plangebied is daarnaast voorzien van verharding. De locatie Roland 3 staat kadastraal bekend als gemeente Kessel, sectie I en perceelnummers 294 en 676. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.065 m2 en is in de huidige situatie bebouwd met een woning, carport en vrijstaand bijgebouw. Een deel van het plangebied is daarnaast voorzien van verharding. De onbebouwde en onverharde delen van het plangebied zijn in gebruik als tuin.

Een deel van deze locatie maakt in de huidige situatie onderdeel uit van het bouwvlak van de bedrijfslocatie aan de Lanterdweg 5 en Roland 1 (zie afbeelding 2 blauw omlijnd).

Afbeelding 2. Impressie plangebied met Lanterdweg 5 rood omlijnd, Roland 1 groen omlijnd en Roland 3 oranje omlijnd.

Het plangebied wordt aan de noordelijke zijde begrensd door de Lanterdweg en aan de oostelijke zijde door de Roland Aan de zuidelijke zijde grenst het plangebied aan de tuin behorende bij de woning Peelweg 1. Aan de westelijke zijde wordt de locatie begrensd door de tuin behorende bij de woning Peelweg 2 en door de tuin behorende bij de woning Lanterdweg 7.

4

1.3

Vigerend omgevingsplan

Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt voor het plangebied het tijdelijke omgevingsplan “Buitengebied Peel en Maas” (vastgesteld d.d. 24 december 2024). Lanterdweg 5 Op grond van het tijdelijke omgevingsplan kent de locatie Lanterdweg 5 de functies ‘Agrarisch’, ‘Bedrijf – Niet Agrarisch’, ‘Waarde – Archeologie – 4 en ‘Waarde – Archeologie 3’. Binnen de bedrijfsfunctie is deze locatie voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 34’ en de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak: 1325 m2’. De locatie is daarnaast voorzien van de aanduidingen ‘ontwikkelingszone bebouwingslinten’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wro – zone – wijzigingsgebied 2 ko’. Roland 1 Op grond van het tijdelijke omgevingsplan kent de locatie Roland 1 de functies ‘Bedrijf – Niet Agrarisch ’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Binnen de bedrijfsfunctie is deze locatie voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 34’ en de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak: 1325 m2’. De locatie is daarnaast voorzien van de aanduidingen ‘ontwikkelingszone bebouwingslinten’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wro – zone – wijzigingsgebied 2 ko’.

Roland 3 Op grond van het tijdelijke omgevingsplan kent de locatie Roland 3 de functies ‘Wonen’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Binnen de woonfunctie is deze locatie voorzien van een bouwvlak. De locatie is daarnaast voorzien van de aanduidingen ‘overige zone – ontwikkelingszone bebouwingslinten’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wro – zone – wijzigingsgebied 2 ko’. Een deel van deze locatie maakt op basis van het tijdelijke omgevingsplan onderdeel uit van het bouwvlak van de naastgelegen locatie (Lanterdweg 5 en Roland 1). Op grond van het tijdelijke omgevingsplan kent dit deel van de locatie de functies ‘Bedrijf – Niet Agrarisch ’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Binnen de bedrijfsfunctie is deze locatie voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 34’ en de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak: 1325 m2. Dit deel van deze locatie is daarnaast voorzien van de aanduidingen ‘ontwikkelingszone bebouwingslinten’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wro – zone – wijzigingsgebied 2 ko’.

5

Afbeelding 3. Uitsnede tijdelijk omgevingsplan “Buitengebied Peel en Maas” met Lanterdweg 5 rood omlijnd, Roland 1 groen omlijnd en Roland 3 blauw omlijnd.

Een voor ‘Agrarisch’ aangewezen locatie is bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en agrarisch hobbymatig gebruik. Een voor ‘Agrarisch’ aangewezen locatie mag niet worden gebouwd. Een voor ‘Bedrijf – Niet agrarisch verwant’ aangewezen locatie is bestemd voor niet-agrarische verwante bedrijven van milieucategorie 1 en 2. In dit specifieke geval is tevens een smederij toegestaan. Bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen het aanwezige bouwvlak en in dit specifieke geval mag maximaal 1.325 m2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig zijn. Daarnaast is per bouwvlak één woning toegestaan, te weten de woning Lanterdweg 5. Een voor ‘Wonen’ aangewezen locatie is bestemd voor wonen met bijbehorende voorzieningen waaronder groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen, paden, wegen ontsluitings- en parkeervoorzieningen. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend hoofdgebouwen in de vorm van woningen toegestaan met de daarbij behorende bouwwerken. Per bouwvlak is één woning toegestaan, te weten de woning Roland 3. Strijdigheden in relatie tot het omgevingsplan Het wonen in een bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is. Burgerbewoning wordt uitgesloten in een bedrijfswoning.

Het gebruiken van de woning Lanterdweg 5 als burgerwoning is daarom strijdig met het tijdelijke omgevingsplan. Daarnaast is per bouwvlak één woning toegestaan. De Lanterdweg 5 en de Roland 1 maken onderdeel van hetzelfde bouwvlak waardoor uitsluitend de woning Lanterdweg 5 is toegestaan. Het realiseren van een pré-mantelzorgwoning ter plaatse van de Roland 1 is dan ook niet toegestaan. Om de gehele ontwikkeling in een juist juridisch-planologisch kader te plaatsen dient het omgevingsplan gewijzigd te worden.

6

2. HUIDIGE SITUATIE Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Kessel aan de Lanterdweg en de Roland. Kessel betreft een oud Maasdorp. Het is één van de oudste dorpen langs de Maas en is ontstaan rond de middeleeuwse wachttoren (10de eeuw). Tot 2009 maakte de kern Kessel deel uit van de voormalige gemeente Kessel, die per 1 januari 2010 samen met de voormalige gemeenten Helden, Maasbree en Meijel is opgegaan in de gemeente Peel en Maas. Ruim 4.100 inwoners bevolken de kern. Het landschap in de omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door het kleinschalige half open ontginningslandschap. Met behulp van de ontginning zijn de natte en minder gunstige hoge akkers ontgonnen. Het half open ontginningslandschap bestaat uit een landschap met veel bos, afwisselend weilanden en akkers en onverharde wegen en bospaden. Het patroon van de wegen is afwisselend recht en gebogen.

Afbeelding 4. Impressie Lanterdweg

Afbeelding 5. Impressie Roland

Het plangebied is gelegen op de hoek van de Lanterdweg / Roland. De Lanterdweg vormt een zijweg van de Rijksweg (N273), die feitelijk gezien de grens vormt tussen het buitengebied en de kernen Kessel en Kessel-Eik. Aan de Lanterdweg is sprake van een verscheidenheid aan functies. Aan de weg ligt namelijk een horecavoorziening, verschillende (agrarische) bedrijven en verspreid over de weg liggen burgerwoningen. De Roland vormt een zijweg van de Lanterdweg en aan deze weg zijn woningen gelegen en één bedrijfslocatie. De onbebouwde gronden zijn in gebruik als weiland of als landbouwgrond. In de omgeving van het plangebied is de natuurfunctie ook prominent aanwezig. De Heldense Bossen, de Kesselse Bergen, De Meeren en Kesseleikerbroek, die ten noorden en westen van het plangebied liggen, vormen een aaneengesloten en uitgestrekt bosgebied in de driehoek Helden, Baarlo en Kessel.

7

3. BEOOGDE SITUATIE 3.1

Functionele ontwikkeling en doelstellingen van het plan

De locatie Roland 1 is omstreeks 1900 bebouwd met een bedrijfswoning met werkplaats. Omstreeks 1997 heeft initiatiefnemer de bedrijfslocatie verworven met de intentie om hier met zijn gezin te gaan wonen en om een smederij te exploiteren. De werkplaats is vervolgens verbouwd tot smederij en is jarenlang als zodanig in gebruik genomen. In de loop der jaren is het gezin van de initiatiefnemer gegroeid waardoor de toenmalige bedrijfswoning niet meer voldeed aan de woonbehoefte van initiatiefnemer. Zodoende heeft initiatiefnemer in 2001 besloten om, ten westen van de bedrijfslocatie aan de Lanterdweg 5, een nieuwe bedrijfswoning te realiseren. De vergunning voor het bewonen van de bedrijfswoning ter plaatse van de Roland 1 is vervolgens ingetrokken waardoor de bedrijfswoning niet meer als zodanig mag worden gebruikt. De bedrijfswoning en de werkplaats ter plaatse van de Roland 1 zijn sinds die tijd behouden en in gebruik als bedrijfsgebouwen.

Afbeelding 6. Impressie bedrijfslocatie Roland 1/ Lanterdweg 5 te Kessel met de bestaande bedrijfswoning groen omlijnd, de voormalige bedrijfswoning rood omlijnd en de werkplaats geel omlijnd.

Omstreeks 2015 heeft initiatiefnemer zijn smederij beëindigd en heeft de bedrijfslocatie in gebruik genomen voor zijn taxibedrijf. Initiatiefnemer is inmiddels op leeftijd en heeft bij zijn zoon kenbaar gemaakt dat hij zijn bedrijfsactiviteiten volledig wil beëindigen en ook graag kleiner wil gaan wonen. De zoon van de initiatiefnemer heeft aangegeven dat hij graag de woning en het perceel wil overnemen van zijn vader om hier met zijn gezin te gaan wonen. In 2023 is dan ook het idee ontstaan om de woning te gaan verkopen aan zijn zoon. Om dit mogelijk te maken dienen de bedrijfsactiviteiten formeel beëindigd te worden en dient de bedrijfsfunctie van de locatie te worden gewijzigd in een woonfunctie. Het is dan ook niet langer mogelijk de locatie aan te wenden voor bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten. Daarnaast wordt de aanwezige bedrijfswoning hiermee omgezet naar een burgerwoning waardoor de zoon van de initiatiefnemer de locatie kan overnemen en hier met zijn gezin kan gaan wonen. Initiatiefnemer wenst daarnaast kleiner te gaan wonen in een woning die beter aansluit bij zijn behoefte en waar hij zorg en ondersteuning kan ontvangen. Aangezien deze woningen nauwelijks voorhanden zijn binnen Kessel en Kessel-Eik is initiatiefnemer op het idee gekomen om de voormalige bedrijfswoning aan de Roland 1 te gaan gebruiken als pré-mantelzorgwoning.

De voormalige bedrijfswoning betreft namelijk een kleinere woning die beter aansluit bij zijn behoefte. Daarnaast woont de zoon op korte afstand waardoor hij de benodigde zorg en ondersteuning kan bieden aan zijn vader.

8

De voormalige bedrijfswoning aan de Roland 1 wordt zolang de initiatiefnemer zorg nodig heeft gebruikt als pré-mantelzorgwoning. Zodra de zorg stopt zal de pré-mantelzorgwoning weer in gebruik worden genomen als bijgebouw behorende bij de woning Lanterdweg 5. De locaties Lanterdweg 5 en Roland 1 zijn momenteel bebouwd met een bedrijfswoning, een voormalige bedrijfswoning, een werkplaats en enkele bijgebouwen. Initiatiefnemer en zijn zoon wensen alle reeds aanwezige gebouwen te behouden. De aanwezige bebouwing is namelijk niet als overtollig aan te merken maar worden momenteel nog steeds gebruikt voor de diverse doeleinden. In de volgende tabel is een overzicht gegeven van de bebouwing die momenteel aanwezig is en de functie van deze bebouwing. Aanwezige bebouwing Woning Lanterdweg 5 Voormalige bedrijfswoning Roland 1 Werkplaats Roland 1 Carport Overdekt terras c.q. serre Overkapping Schuur Totaal

Functie Woning Pré-mantelzorgwoning daarna geschikt als extra berging Schuur / berging Stallen van de voertuigen Woongenot vergroten Woongenot vergroten Berging

Inhoud 715 m3 1.100 m3 73 m3 99 m3 54 m3 53 m3 2.094 m3

Afbeelding 7. Impressie plangebied met rood het beoogde woonperceel van de Lanterdweg 5 en in blauw het beoogde woonperceel van de Roland 3

Een deel van het bouwvlak van de bedrijfslocatie aan de Lanterdweg 5 en Roland 1 maakt onderdeel uit van het bouwvlak van de Roland 3. Indien uitsluitend de percelen behorende bij de Lanterdweg en Roland 1 worden herbestemd en in dat kader worden voorzien van een woonfunctie blijft tussen de locaties deze locaties en de Roland 3 een bouwvlak aanwezig welke gebruikt kan worden voor bedrijfsmatige doeleinden. Dit is echter planologisch niet wenselijk. Dit gedeelte is te kleinschalig (circa 175 m2) voor de uitoefening van bedrijfsmatige doeleinden en daarnaast is deze functie niet meer passend in de omgeving door de ligging tussen twee woningen in. Onderhavig TAM-Omgevingsplan voorziet tevens in het wijzigen van de bedrijfsfunctie van dit gedeelte naar een woonfunctie en het betrekken van dit deel bij het woonperceel van de Roland 3.

9

3.2

Ruimtelijke inpassing

Stedenbouwkundig en ruimtelijk wijzigt er ten opzichte van de huidige situatie amper iets. Aan de Lanterdweg 5, Roland 1 en Roland 13 is namelijk geen sprake van de realisatie of sloop van bebouwing. Fysiek gezien vinden er dan ook geen wijzigingen plaats. Het initiatief voor de Lanterdweg 5 en de Roland 1 heeft uitsluitend betrekking op het verwijderen van de bedrijfsfunctie en het toekennen van een woonfunctie. De bedrijfswoning wordt daarmee omgezet naar een burgerwoning. Het initiatief voor de Roland 3 voorziet in het verwijderen van de bedrijfsfunctie en het betrekking van dit gedeelte bij het huidige woonperceel. Gezien de ligging van de locatie, op korte afstand van de kern Kessel-Eik, en gezien de ligging nabij diverse burgerwoningen is de bedrijfsfunctie op deze locatie niet meer passend. Daarnaast is het huidige bouwvlak en de bestaande bedrijfsbebouwing te kleinschalig waardoor de locatie niet toekomstbestendig is. Het verwijderen van de bedrijfsfunctie en het toekennen van een woonfunctie is dan ook beter passend in de omgeving. Daarnaast worden beide locaties landschappelijk ingepast zodat deze op een juiste wijze onderdeel uitmaken van het landschap.

10

4. BELEIDSKADER 4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en water robuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;

11

2.

3.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.

Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Alhoewel de NOVI zich niet specifiek uit laat over dergelijke kleinschalige initiatieven betreft het een initiatief waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. 4.1.2

Instructieregels Rijk (AMvB’s)

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor het omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). De instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen: ▪ Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); ▪ Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); ▪ Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; ▪ Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; ▪ Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; ▪ Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart,

fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; ▪ Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In enkele bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

12

Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk. Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden: A. Betrekken bij: de gemeente moet aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten, maar heeft daarbij veel keuzeruimte; B. Rekening houden met: deze formulering stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als de gemeente daar goede redenen voor heeft, is afwijken gemotiveerd toegestaan; C. In acht nemen of een vergelijkbare dwingende formulering: de gemeente moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden. Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen.

Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van: 1. het type instructieregel (zie hierboven); 2. de aard van de norm (open of gesloten); en 3. flexibiliteitsopties die binnen de instructieregel worden geboden. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen: ▪ het moet de fysieke leefomgeving betreffen; ▪ als het al uitputtend geregeld in wetgeving die niet opgaat in de Omgevingswet, kan het niet in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij het met een ander oogmerk gebeurt; ▪ de instructieregels van het Bkl kunnen bepalen dat voor een bepaald onderwerp regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan en daarbij ook hoe. Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, in het mogelijk dat er maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan.

Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan. Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels. De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken.

Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.

13

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Conform artikel 5.129g Bkl geldt dat bij een wijziging van het omgevingsplan en buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de ladder van toepassing is, dit om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL: RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief sprake. Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op een functiewijziging van een bestaande woning. Er hoeft in het kader van dit initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijnvisie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.

In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.

De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor

14

3.

iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg.

Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.

De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.

Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen.

Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn.

15

De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden, in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woon- en leefomgeving leidend zijn. Door middel van onderhavig initiatief wordt een bedrijf gesaneerd wat in het algemeen bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de woonwensen van initiatiefnemer en zijn zoon ingewilligd, zonder daarbij fysiek een nieuwe woning of nieuwe bebouwing te realiseren. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de omgevingsvisie. 4.2.2

Omgevingsverordening 2021

In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Wonen, werken en recreëren Wonen, werken en recreëren In de Omgevingsverordening is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. Sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. Over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d.

Het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. Realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Onderhavig initiatief voorziet niet in de realisatie van één of meerdere woningen maar in de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Onderhavig initiatief is hierboven getoetst aan het rijksbeleid en het provinciaal beleid en wordt hieronder getoetst aan het regionale en gemeentelijk beleid. Uit de toetsing blijkt dat het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning op deze locatie passend is. Conclusie Het initiatief is passend binnen de Omgevingsverordening 2021.

16

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De gemeente Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor: 1. Zogenaamde win-win situaties; 2. Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale gemeenschappen; 3. Verzoeken die passen binnen de Ruimte voor Ruimteregeling; 4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden; 6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van woningen maar uitsluitend in een functiewijziging van een reeds bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. De beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 is daarom voor onderhavig initiatief niet van toepassing.

4.3.2 Omgevingsvisie Peel en Maas De gemeente Peel en Maas heeft op 5 juli 2022 de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft een visie over de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen voor de gehele gemeente. De visie gaat over de woon- en leefomgeving en de mensen die daarin samenleven, werken, ondernemen en verblijven. De omgevingsvisie blijft een dynamisch document. Op dit moment is de eerste versie van de omgevingsvisie opgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. De komende jaren werkt de gemeente verder waar dat nodig is en evalueert of aanpassing nodig of wenselijk is. De gehele gemeente is opgedeeld in deelgebieden met ieder hun eigen waarden en kenmerken. Aanvullend aan deze waarden hanteert de gemeente een aantal overkoepelende waarden die niet gebiedsafhankelijk zijn. Dit zijn de waarden die de basis vormen; zelfsturing, diversiteit en duurzaamheid. Conform de waardenkaart is het plangebied gelegen in een gebied aangeduid als ‘kleinschalig halfopen ontginningslandschap’. Dit landschap kenmerkt zich door een kleinschalig landschap met afwisselend weiden, akkers, bos, heideterreintjes en daar doorheen (onverharde) paden. Het versterken van de waarden kan gezocht worden in onder andere: - Stimuleer agrotoerisme (o.a. op bezoek bij de boer) en verbrede landbouw (o.a. zorgboerderijen) en extensieve recreatie.

- Versterken van de biodiversiteit door variatie aan beplanting en de kwaliteit van bos en bosschages door te werken met divers sortiment, houtwallen en boomsingels en solitaire bomen. - Maak ecologische oevers langs sloten en beken, - Maak natte plekken in relatief lage gebieden, behoud extensieve (natte) weilanden. - Ontwikkel en versterk het wandelpaden- en fietspadennetwerk. Repareer ontbrekende schakels in het netwerk. - Behoud waardevolle doorzichten. Koester hiervoor ook open velden in bosrijk gebied.

17

In de Omgevingsvisie wordt geen nieuwe koers vastgelegd. De reeds ingezette koers uit de kaderstellingen en de beleidsdocumenten wordt samen in één document gevoegd. Dit alles is samengebracht in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn: 1. Zo worden we duurzamer; Het realiseren van een duurzame toekomstig bestendige gemeente, duurzaamheid wordt opgesplitst in de deelonderwerpen: klimaatadaptie, energietransitie en circulariteit. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling en bij nieuwe initiatieven dient gekeken te worden naar de mogelijke adaptieve maatregelen op het gebied van onder andere hittestress of wateroverlast. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het (lokaal) opwekken van duurzame energie en het inzetten op circulariteit. 2. Een gezonde en veilige leefomgeving; De gemeente zet in op gezondheid en veiligheid als belangrijke afwegingsfactoren bij ruimtelijke plannen. Het gaat hierbij om aspecten zoals luchtkwaliteit, hittestress, gezondheid maar ook het stimuleren van de bewoners tot meer bewegen en ontmoeten. 3. Het versterken van natuur en biodiversiteit; Een groene en gezonde leefomgeving draagt bij aan een positieve gezondheid en het goede leven. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen gerealiseerd te worden met een meerwaarde voor de natuur en de biodiversiteit, waarbij natuurinclusief bouwen de norm is. 4.

Goed wonen voor iedereen; De gemeente zet in op het in balans brengen van de vraag en het aanbod van woningen ten behoeve van vitale gemeenschappen. De juiste woning op de juiste plek en met de juiste kwaliteit. De gemeente blijft in gesprek met het dorpsoverleg, initiatiefnemers en ontwikkelaars over het thema wonen. Het doel is een leefomgeving te creëren die rekening houdt met het veranderde klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit en veiligheid van de inwoners. Woningen worden in principe toegevoegd in de kernen, bij voorkeur op herstructureringslocaties, alsmede het faciliteren van passende woonruimte voor diverse doelgroepen. 5. Toekomstgericht ondernemen; Uitgangspunt is ondersteunen in de transitie naar een circulaire, waarden gedreven economie en kenniscirculatie. Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart en draagt bij het goede leven in Peel en Maas. Gemeente faciliteert lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het MKB en recreatie en toerisme. Daarnaast wordt ingezet op herstructurering boven uitbreiding en het hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor recreatie/toerisme en bedrijvigheid. 6. Balans in het buitengebied. Een van de belangrijkste economische dragers van het buitengebied is de land- en tuinbouw binnen Peel en Maas.

De gemeente stimuleert het faciliteren van kringloop- en natuurinclusieve landbouw dat leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Het doorontwikkelingen van grootschalige agrarische bedrijvigheid is toegestaan in gebieden waar dit passend in op basis van een gebiedsgerichte aanpak, uitbreiding gaat gepaard met een tegenprestatie. Ook wordt gestimuleerd op hergebruik c.q. herbestemming van leegstaand/leegkomend agrarisch vastgoed onder voorwaarde dat er sprake is van kwaliteitswinst in de vorm van een bijdrage aan de doelen/speerpunten. Via de win-win regeling zijn er ook beperkte mogelijkheden voor de inzet van woningbouw om leegstand tegen te gaan. Bij hergebruik c.q. herbestemming is de sloop van overtollige gebouwen een belangrijk uitgangspunt. De opgaven dienen in samenhang van elkaar gezien te worden, waarbij met name de eerste drie overkoepelende opgaven als leidende principes gelden. Bij elke ontwikkeling dient bekeken te worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaves geleverd kan worden. In de omgevingsvisie komt naar voren dat de gemeente Peel en Maas zich inzet om een balans te vinden tussen de vraag en aanbod van woningen en dat zij graag een balans in het buitengebied willen. Het voornemen bestaat om een bedrijfslocatie te saneren en de aanwezige bedrijfswoning aan om te zetten naar een burgerwoning.

De voormalige bedrijfsbebouwing blijft daarbij volledig behouden en hiervoor is een toekomstbestendige functie gevonden als pré-mantelzorgwoning en als bijgebouw. Het initiatief draagt bij aan de behoefte van de initiatiefnemer die graag de bedrijfsactiviteiten formeel willen beëindigen en draagt bij aan de behoefte van de zoon van de initiatiefnemer die de woning als burger wil gaan bewonen. De bebouwing die momenteel aanwezig is wensen initiatiefnemers te behouden doordat deze voor diverse doeleinden worden gebruikt. Daarmee wordt leegstand van de bedrijfslocatie en bebouwing of een strijdig c.q. onwenselijk gebruik uitgesloten. Daarnaast zijn in de omgeving diverse woningen gelegen waardoor het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning geen belemmering vormt voor de omliggende functies.

18

Het initiatief sluit zodoende aan bij opgave 2, ‘Een gezonde en veilige leefomgeving’, 4 ‘Goed wonen voor iedereen’ en opgave 6 ‘Balans in het buitengebied’ zoals vastgesteld in de Omgevingsvisie Peel en Maas. 4.3.3 Kwaliteitskader Het kwaliteitskader is de gemeentelijke vertaling van het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het kwaliteitskader biedt een houvast voor ontwikkelingsgericht beleid in het buitengebied. Ontwikkelingen in het buitengebied worden als kans gezien voor zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Het doel van het kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbetering. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing. Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing is er sprake van Basiskwaliteit. Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden.

Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. Ook bestaand groen mag voor deze landschappelijke inpassing worden gebruikt. Afweging Voor de Lanterdweg 5/ Roland 1 is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij invulling gegeven is aan de gevraagde kwaliteitsbijdragen c.q. minimale oppervlakte te realiseren groen. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar paragraaf 5.12.3. Derhalve wordt er voldaan aan de eisen uit het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas. 4.3.4 Kaderstelling ‘Ruimte’ De gemeenteraad van Peel en Maas heeft in de raadsvergadering van 17 april 2024 de zogenoemde kaderstellingen Ruimte, Sociaal Domein, Vitale Gemeenschappen en Economie vastgesteld. Met deze kaderstellingen bepaalt de gemeenteraad de koers die Peel en Maas de komende jaren wil varen op deze thema’s. De gemeente Peel en Maas is een gemeente van gemeenschappen. Hier werken inwoners, ondernemers en organisaties samen aan een Peel en Maas waarin het goede leven nu en in de toekomst beleefd kan worden door iedereen die in de gemeente verblijft. Een Peel en Maas waarin gemeenschappen zelf vorm en inhoud geven aan hun eigen leefwereld.

De gemeente is pas effectief wanneer zij op een respectvolle manier om weten te gaan met al het waardevolle dat inwoners, ondernemers en organisaties met elkaar samen doen. Dat vraagt om een overheid die zich ervan bewust is wanneer ze wel en wanneer ze niet aan zet is. Een overheid die zich in het denken en doen laat inspireren door drie kernwaarden: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. Het concept van de meervoudige overheid, met daarin de rollen van de autoritaire, regel gestuurde en communicatieve overheid helpt ons hierbij. Vanuit deze rolopvatting heeft de gemeente Peel en Maas beleid gemaakt. De manier waarop de gemeente Peel en Maas in de wereld staan heeft de gemeente Peel en Maas vertaald in de manier waarop zij in Peel en Maas tot kaderstellend beleid komen. Om te komen tot de kaderstelling heeft de gemeente de volgende stappen gezet: 1. De gemeente heeft een zogenaamd ‘Omgevingsbeeld’ opgesteld. Dit is een document waarin de gemeente zo feitelijk mogelijk een aantal trends en ontwikkelingen hebben benoemd die relevant zijn voor deze kaderstelling. Dit omgevingsbeeld heeft de gemeente als bijlage aan de kaderstelling toegevoegd.

19

2.

3.

Vervolgens organiseerde de gemeente enkele zogenaamde ‘ambitiegesprekken’. Tijdens deze gesprekken gingen mensen die ontwikkelgericht denken met elkaar in gesprek over actuele onderwerpen die binnen het thema spelen. Op basis van deze gesprekken – en uiteraard op basis van de gesprekken die de gemeente dagelijks heeft met inwoners, ondernemers en organisaties en allerlei andere bronnen – kwamen de gemeente tot een gedeelde ambitie op dit thema. Deze ambitie wordt onderschreven door inwoners en organisaties die met ons willen werken aan deze gedeelde ambitie. Daarna stelde de gemeente op programmaniveau een aantal doelen op die ons als gemeente helpen om onze bijdrage te leveren aan de gedeelde ambitie. Onze drie kernwaarden vormen hierbij een waardevolle bron van inspiratie.

Deze kaderstelling kijkt 10 jaar vooruit en geldt daarmee voor de periode 2024 – 2034. Zoals gebruikelijk herijkt de gemeente deze kaderstelling na 5 jaar. Het initiatief heeft betrekking op het herbouwen van een paardenstal. In dat kader is de kaderstelling ‘Ruimte’ van toepassing. In de kaderstelling ‘Ruimte’ heeft de gemeente de volgende programmadoelen opgenomen: - Versterking van de ruimtelijke kwaliteit is het uitgangspunt, met extra aandacht voor natuurinclusiviteit - Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn vitale gemeenschappen een belangrijk uitgangspunt - De economische ontwikkeling is ondersteunend aan vitale gemeenschappen, in balans met ruimtelijke waarden en stimuleert een gezonde arbeidsmarkt - De fysieke leefomgeving draagt bij aan een gezond leven en is klimaatadaptief en klimaatbestendig - Peel en Maas is energieneutraal in 2050 - Gezonde, veilige, toegankelijke en slimme(re) (collectieve) mobiliteit is beschikbaar in Peel en Maas - In Peel en Maas zijn per doelgroep voldoende betaalbare duurzame woningen beschikbaar - Een kwalitatief goede, duurzaam ingerichte en onderhouden openbare ruimte die rekening houdt met de karakteristieke eigenschappen van (de kernen in) Peel en Maas - De openbare ruimte is van en voor iedereen, is veilig en toegankelijk en nodigt uit om te ontmoeten en te bewegen - De openbare ruimte is klimaatbestendig - Afval is

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=2818471a-6153-49c0-95b7-fa65d2a525fa