2025-016 13 Bijlage 10 - Geur- en stikstofonderzoek
Tekst van het document
Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V. Vestigingen te Nijmegen, Vught, Baexem en Voerendaal
MEMO / ADVIES Aan
Gemeente Peel en Maas
T.a.v. Van
Datum
18 oktober 2024
Betreft
Geur- en stikstof onderzoek Giel Peetershof fase 2
Project
J230091
Geur- en stikstof onderzoek Giel Peetershof fase 2 Egchel Aanleiding De gemeente Peel en Maas is bezig met de voorbereiding om woningbouw in Giel Peetershof 2e fase ruimtelijk mogelijk te maken. Het plangebied is (indicatief) weergegeven op onderstaand kaartje. In de plannen voor Giel Peetershof zijn zo’n nieuwewoningen beoogd.
Figuur 1: plangebied Giel Peetershof fase 2 Het beoogde bouwprogramma in de fase die nu voorligt, betreft het volgende: Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 voorwaarden van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl
J230091.003/LBE, pagina 2 van 17
• • • • •
10 tijdelijke woningen, tiny houses (dit zijn de huidige 10 kompaswoningen/Heijmans one woningen die nu in het Ringovenpark gesitueerd zijn. Mogelijk aangevuld met nog eens 10 tijdelijke woningen. De verkaveling hiervan zodanig maken dat er bij het weghalen van de tijdelijke woningen reguliere kavels gemaakt kunnen worden. 10-15 sociale huur of goedkope koop; de berekeningen gaan uit van 15 woningen. 6-8 woningen voor CPO, Collectief Particulier Opdrachtgeverschap; de berekeningen gaan uit van 8 woningen. 6 tal vrij uit te geven kavels, langs de Gielenhofweg en Catherinahof.
Aldus wordt uitgegaan van in totaal 49 woningen, waarbij (worst case) wordt uitgegaan dat dit in de bouwfase leidt tot de bouw van 49 volwaardige woningen met als referentie woningbouw geheel op locatie. Omdat met name de tiny houses bij uitsluitend plaatsing op de locatie aanzienlijk minder stikstofemissie geven, kan deze methode als worst-case worden beschouwd. Omdat er nog geen uitgewerkt bouwplan is, is momenteel een meer exacte berekeningsmethode niet mogelijk en wordt met deze berekening uitsluitend de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond. Niet alleen voor stikstof, maar ook voor geur is dit een worst-case uitgangspunt. Geur In de omgeving van het plangebied zijn meerdere grote intensieve veehouderijen aanwezig. Deze veroorzaken geurbelasting op de te ontwikkelen locatie. In de directe nabijheid ligt een varkenshouderij op Jacobusstraat 42, op grotere afstand liggen met name in de omgeving Rongvenweg (log Egchelse Heide) grote intensieve veehouderijen welke een bijdrage leveren aan de geurbelasting. De geurbelasting op de beoogde locatie is in het verleden al meermaals berekend, waarbij naar voren kwam dat er mogelijk sprake is van een hoge geurbelasting. Dit zou een belemmering kunnen vormen voor de beoogde ontwikkelingen in het plangebied of delen ervan.
Plangroep Heggen BV heeft Pouderoyen Tonnaer gevraagd de eerdere berekeningen te actualiseren en in beeld te brengen of er belemmeringen zijn voor het bouwen van woningen in het plangebied of delen van het plangebied. En indien deze er zijn, welk deel van het plangebied eventueel wel direct benutbaar is. Daarbij gaat het om twee aspecten: Er moet sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van geurhinder. Bestaande rechten van veehouderijen mogen niet beperkt worden door de ontwikkelingen (de zogenaamde omgekeerde werking). Stikstof Daarnaast wil de gemeente inzicht in de situatie met betrekking de (on-)mogelijkheden voor de realisatie van de woningbouwplannen in relatie tot de depositie van stikstof op Natura 2000 gebieden. In een beknopte analyse geven wij voor zowel de bouw- als de gebruiksfase aan of er knelpunten te verwachten zijn en, indien dat het geval is, wat de mogelijke oplossingsrichtingen zijn. In deze memo worden de resultaten van het onderzoek beschreven en middels een aantal kaarten in beeld gebracht. De in deze memo opgenomen kaarten zijn tevens als bijlagen toegevoegd.
J230091.003/LBE, pagina 3 van 17
Geur Bij voorliggend plan is sprake van realisatie van nieuwe geurgevoelige gebouwen in de vorm van woningen. Uitgangspunt van de beoordeling is dat de nieuw te bouwen woningen onderdeel uitmaken van de (toekomstige) bebouwde kom, dus gelegen zijn binnen de bebouwingscontour geur zoals omschreven is in het Bkl. Met voorliggend plan worden géén nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Bij de toetsing van de geurbelasting wordt een onderscheid gemaakt tussen voor- en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting is de geurbelasting veroorzaakt door één veehouderij. Bij de vergunningverlening van veehouderijen wordt getoetst op de hoogte van de voorgrondbelasting en/of de afstand tussen een stal waar dieren worden gehuisvest en de gevel van een geurgevoelig gebouw. De achtergrondbelasting bestaat uit de geurbelasting van alle veehouderijen samen op een geurgevoelig gebouw en wordt gebruikt als belangrijke maat om de effecten van geurhinder uit stallen op het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen, zoals in dit omgevingsplan. Nadere toelichting De ligging van het plangebied en de veehouderijen in de omgeving is weergeven in figuur 2 (aan de hand van het milieuarchief is een check gedaan naar de actuele situatie per 13 oktober 2023).
Giel Peetershof fase 2 sluit aan bij de bestaande bebouwde kom van Egchel en voor het gebied is in 2015 een geurnorm vastgesteld van 3 ou (voorgrondbelasting) middels een geurverordening. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere grote varkenshouderijen aanwezig, waarbij het bedrijf op Jacobusstraat 42 in directe nabijheid van het plangebied ligt. De overige varkenshouderijen liggen op grotere afstand (± 1km of meer). Al deze bedrijven dragen bij een de achtergrondbelasting m.b.t. geur. De overige bedrijven zijn bedrijven met dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld en leveren geen bijdrage aan de geurbelasting. Aan de minimale vaste afstanden die voor deze veehouderijen gelden, wordt ruimschoots voldaan.
J230091.003/LBE, pagina 4 van 17
Figuur 2:Veehouderij omgeving plangebied en geurnormen
De achtergrondbelasting geur is berekend met Vstacks-gebied 2020. Daarbij zijn de veehouderijen binnen 3 km van het plangebied meegenomen in de berekening. Voor de belangrijkste bronnen zijn gegevens gebruikt op stal-/emissiepuntniveau (indien voorhanden), voor verder weg gelegen bronnen zijn gegevens op bedrijfsniveau gebruikt. De voorgrondbelasting geur is berekend met Vstacks-vergunning 2020, de contouren middels interpolatie van het rekenresultaat. Het leefklimaat is beoordeeld op basis van bijlage 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij, voor objecten in concentratiegebieden, zoals weergegeven in onderstaande tabel 1.
Tabel 1: beoordeling leefklimaat t.a.v. geurhinder
J230091.003/LBE, pagina 5 van 17
Beoordeling leefklimaat • Toets achtergrondbelasting De achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder en de beoordeling leefklimaat is weergegeven op de kaarten in figuur 3 en 4. De achtergrondbelasting op het plangebied loopt uiteen van 5,8 in het oostelijke deel tot 12,2 ou in het westelijke deel van het plangebied. Daarbij hoort een beoordeling leefklimaat van “goed” in het oostelijke deel van het plangebied en “redelijk goed” in het westelijk deel. De kans op geurhinder loopt uiteen van ca 8% tot ca 14%.
Figuur 3: 4: Beoordeling Beoordeling leefklimaat leefklimaat op op basis basis van van de deachtergrondbelasting achtergrondbelasting ten ten aanzien aanzien van van geurhinder geurhinder Figuur
Bij een gefaseerde ontwikkeling is het oostelijk deel van het plangebied vanuit het aspect achtergrond geurbelasting het meest geschikt. Hoewel de achtergrondbelasting geur met name in het westelijk deel aan de hoge kant is, kan deze op grond van de beoordeling die de gemeente tot op heden hanteert, als acceptabel beschouwd worden. Het plan is voor dit aspect dus uitvoerbaar. • Worst-case benadering Op De Horsten 20 en 17 en op de Rongvenweg 14 is uitbreiding van de betreffende twee varkenshouderijen voorzien. Deze varkenshouderijen mogen alleen uit breiden onder de voorwaarde dat het leefklimaat in de bestaande woonkern Egchel niet verslechtert. Hierdoor kan de achtergrondbelasting van geur op de planlocatie maar beperkt toenemen. Hoewel de beoogde uitbreidingen van beide varkenshouderijen nog niet vergund zijn kunnen deze ontwikkelingen in een worstcase situatie resulteren in een toename van de achtergrondbelasting van geur op de planlocatie. Op onderstaande kaart is de worstcase (indicatieve) achtergrondbelasting van geur weergegeven, waarbij voor Rongvenweg 14 de aanvraag om een omgevingsvergunning is aangehouden (situatie oktober 2023) en voor De Horsten 20 en 17 is het totale ontwikkelplan dat
J230091.003/LBE, pagina 6 van 17
het kaderstellende ontwerp-bestemmingsplan mogelijk maakt aangehouden (op basis van actuele geurregels kan het ontwikkelplan op De Horsten 20 en 17 niet volledig gerealiseerd worden, waardoor de berekende indicatieve achtergrondbelasting als worstcase beschouwd moet worden). Hoewel er dan sprake is van een toename van de achtergrondbelasting (0,6 – 0,8 ou) is er in deze worst-case benadering in het oostelijk deel nog steeds sprake van een als “goed” beoordeeld leefklimaat en in het westelijk deel van “redelijk goed”. Wel schuift de grens iets op in oostelijke richting. De mogelijke ontwikkelingen hebben daarmee weinig effect op de eerdere conclusie t.a.v. de aanvaardbaarheid van de achtergrondbelasting.
Figuur 5: Beoordeling leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder; situatie met aanvragen De Horsten 20 en Rongvenweg 14
J230091.003/LBE, pagina 7 van 17
• Toets voorgrondbelasting Het plangebied ligt deels binnen de geurcontour (3 ouE/m³) van de veehouderij aan de Jacobusstraat 42. De 3 ouE/m³ contour van dit bedrijf loopt ongeveer tot halverwege het plangebied. De betreffende contouren zijn weergegeven in onderstaande figuur. De achtergrondbelasting is de cumulatieve geurbelasting veroorzaakt door de bedrijven in de omgeving te samen. De bijdrage van één individueel bedrijf, de voorgrondbelasting, wordt volgens de bijlage 6 en 7 van de Wgv als twee keer zo hinderlijk beoordeeld als de achtergrondbelasting (zie tabel 1). Zoals blijkt uit de bevindingen hierboven wordt de grootste bijdrage aan de achtergrondbelasting geleverd door het bedrijf aan de Jacobusstraat 42. In onderstaande figuren is voorgrondbelasting weergegeven zoals die wordt veroorzaakt door Jacobusstraat 42. De voorgrondbelasting op het plangebied loopt uiteen van 1,7 tot 8 ouE/m³. Daarbij hoort volgens bijlage 6 en 7 van de Wgv een beoordeling “goed” of “redelijk goed“ en in de uiterste westelijke punt “matig”. Voor verreweg het grootste deel van het plangebied is de voorgrondbelasting lager dan 6,5 Ou (minimaal een redelijk goed woon- en leefmilieu). Voor het deel van het plangebied dat nabij de varkenshouderij aan de Jacobusstraat 42 is gelegen is de voorgrond geurbelasting hoger. Maar in dat deel worden er geen
J230091.003/LBE, pagina 8 van 17
Figuur 6: Beoordeling leefklimaat op basis van de voorgrondbelasting ten aanzien van geurhinder
Figuur 7: Beoordeling leefklimaat op basis van de voorgrondbelasting ten aanzien van geurhinder
woningen mogelijk gemaakt met dit omgevingsplan. Het plan is voor dit aspect dus uitvoerbaar.
J230091.003/LBE, pagina 9 van 17
•
Toets omgekeerde werking
Op de kaart in figuur 8 zijn de 3 ou contouren weergegeven van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied. De contouren zijn indicatief berekend op basis van één emissiepunt per bedrijf. Zoals aangegeven is er sprake van “omgekeerde werking” indien bestaande rechten van veehouderijen beperkt worden door de ontwikkelingen. Dit vertaalt zich in het recht van een veehouderij om het hele bouwblok te mogen benutten voor het emitteren van geur, het recht om met de emissiepunten te schuiven. Indien dit recht wordt beperkt door de ontwikkelingen kan er sprake zijn van omgekeerde werking. Zoals te zien op het kaartje zijn er twee bedrijven waarvan de contouren in de buurt komen van het plangebied dan wel daarmee overlappen. De 3 ou contour van Rongvenweg 15 komt in de buurt van het plangebied maar ligt nu al tegen de bestaande objecten kern Egchel aan. Dat betekent dat de eerste belemmering altijd de bestaande kern Egchel zal zijn en dat de ontwikkeling in het plangebied geen extra belemmering oplevert. Dit zou overigens ook gelden voor de andere varkenshouderijen in het zuidwesten. De 3 ou contour van Jacobusstraat 42 overlapt met het plangebied en deze situatie vraagt om een nadere analyse.
Figuur 8: Indicatieve geurhindercontouren 3 ou
Op de kaart van figuur 9 is de 3 ou en de 14 ou geurhindercontour van Jacobusstraat 42 weergegeven. De 3 ou overlapt met bestaande objecten in de kern van Egchel en met het plangebied. Een toename van de geuremissies is daarmee uitgesloten aangezien er nu al sprake is van overbelaste situaties. Ook het verschuiven van emissiepunten is niet zo maar mogelijk. Uitbreiding
J230091.003/LBE, pagina 10 van 17
in dieren kan alleen plaatsvinden indien de geurbelasting afneemt. Dan mag 50% van de reductie in geuremissie door maatregelen gebruikt worden voor uitbreiding in dieren.
Figuur 9: Geurhindercontouren Jacobusstraat 42
Indien de situatie bereikt zou zijn dat er geen sprake meer is van overbelasting op bestaande voor geurhinder gevoelige objecten maar wel op nieuw te realiseren objecten in Giel Peetershof fase 2, zou er sprake kunnen zijn van een belemmering door de ontwikkelingen in het kader van de “omgekeerde werking”. Deze situatie is overigens vooral een theoretische; de voorgrondbelasting op het meest relevante object, Linskesweg 33, bedraagt 5,9 ou. Om niet langer belemmerd te worden door bestaande voor geurhinder gevoelige objecten zou de geurbelasting op dat object gehalveerd moeten worden. Met de huidige stalsystemen en gezien het feit dat een groot deel van de veestapel al gehuisvest is op een gecombineerde luchtwasser met een lage geuremissiefactor is een dergelijke reductie in de praktijk niet mogelijk zonder reductie in dieraantallen. Op de kaart in figuur 10 is de situatie nader geanalyseerd. Naast de bestaande geurhindercontouren is een contour berekend op basis van het dichtst bij de Giel Peetershof gelegen hoekpunt van het benutbaar deel van het bouwblok van Jacobusstraat 42. Daarbij is uitgegaan van default stalparameters en één emissiepunt (het hoekpunt). De donkerrode stippellijn geeft de contour weer.
J230091.003/LBE, pagina 11 van 17
Figuur 10: Geurhindercontouren analyse Jacobusstraat 42
In theorie zou de ontwikkeling Giel Peetershof een probleem kunnen opleveren als de situatie bereikt is dat er geen sprake meer is van overbelasting op bestaande voor geurhinder gevoelige objecten. Die situatie is weergegeven door de groene contour. Het rood gearceerde deel van het plangebied zou dan een belemmering voor de veehouderij Jacobusstraat 42 kunnen betekenen met betrekking tot het niet meer kunnen schuiven van emissiepunten en daarmee met betrekking tot de omgekeerde werking. Zoals gemeld is de geurbelasting op bestaande objecten op dit moment al dusdanig veel hoger dan de voorgrondnorm, dat dit voornamelijk een theoretisch-juridische beperking betreft. Desondanks is er in dit omgevingsplan voor gekozen om in het rood gearceerde deel van het plangebied de realisatie van woningen (geurgevoelige gebouwen) niet mogelijk te maken. Hiermee worden bestaande rechten van de varkenshouderij gerespecteerd en is het omgevingsplan uitvoerbaar. Conclusies Voor wat betreft geurhinder is er m.b.t. zowel de achtergrond- als de voorgrondbelasting sprake van een als “redelijk goed” tot “goed” beoordeelde situatie. De gemeente beschouwt dit als aanvaardbaar. Het oostelijk deel van het plangebiedis v.w.b. de geurbelasting en het woon- en leefmilieu het meest geschikt. Dit is het gebied waar in dit omgevingsplan woningbouwontwikkeling is voorzien.
In het westelijk deel van het plangebied wordt in dit omgevingsplan geen mogelijkheid opgenomen voor de realisatie van geurgevoelige gebouwen omdat er rekening wordt gehouden met de bestaande rechten van de varkenshouderij gelegen aan de Jacobusstraat 42.
J230091.003/LBE, pagina 12 van 17
Stikstof Zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase zal er sprake zijn van een emissie van stikstof. Dit kan leiden tot een (significante) toename van de depositie van stikstof op Natura 2000 gebieden. Wettelijk kader sinds 2 november 2022 De uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 heeft bepaald dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis gebruikt mag worden voor toestemming voor activiteiten in het kader van de Wnb en dat de “standaard grenswaarde” uit het PAS niet meer gebruikt mag worden. Dit houdt in dat voor planologische procedures en bij de verlening van een omgevingsvergunning een stikstofbeoordeling en, afhankelijk van een stikstofberekening en/of voortoets, mogelijk ook een vergunning Wet natuurbescherming nodig is. Voor elke toename in stikstofneerslag boven de 0,00 mol/ha/jaar, hoe klein dan ook, is een onderbouwing nodig. Na de PAS uitspraak van mei 2019 werd er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan was de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel. Met deze wet werd voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet werd op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 trad de wet in werking.
Onderdeel van deze wet was een partiële vrijstelling voor bouwactiviteiten van de natuurvergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb, opgenomen in artikel 2.9a Wnb. Hierin waren de tijdelijke bouwactiviteiten generiek vrijgesteld van beoordeling en was voor plannen en projecten enkel een beoordeling van de permanente gebruikseffecten aan de orde. Op 2 november 2022 is door de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak betreffende het ondergrondse CO2-opslagproject Porthos waarin de vrijstelling van deze bouwactiviteiten ter beoordeling voor lag. Het college heeft geoordeeld dat de stikstof die in de bouwfase vrijkomt niet buiten beschouwing mag worden gelaten. Concreet betekent dit dat de bouwvrijstelling geschrapt is en de juridische situatie teruggedraaid is naar het wettelijk kader vóór 1 juli 2021. Dit houdt in dat voor alle plannen en projecten zowel de tijdelijke bouwfase alsook de permanente gebruiksfase beoordeeld dient te worden. Op dit moment is er geen inzicht in wat er precies gebouwd gaat worden en op welke manier. De uiteindelijke emissies zijn afhankelijk van de in te zetten machines (Stage-klasse, draaiuren brandstofverbruik) en het type woningen (appartementen, rijwoningen, vrijstaande woningen).
De exacte invulling hiervan en de bijbehorende emissies zijn daarmee nog niet bekend en een exacte berekening van de stikstofdepositie in de bouw- en de gebruiksfase is daarom niet mogelijk. Wel is het mogelijk een idee te geven van de emissieruimte en aan te geven of dit zou kunnen volstaan voor de geplande ontwikkelingen. De ligging van het plangebied ten opzicht van de Natura 2000 gebieden is weergegeven op het kaartje in figuur 11. Het dichtstbij gelegen Natura 2000 gebied is Leudal op 6,3 km.
J230091.003/LBE, pagina 13 van 17
Figuur 11: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden
Om een idee te krijgen van de emissieruimte op de locatie Giel Peetershof fase 2 zijn er zijn enkele indicatieve berekeningen uitgevoerd met AERIUS Calculator 2023, het voorgeschreven rekenprogramma voor stikstofbelasting. Hierbij is één emissiepunt ingevoerd in AERIUS. Bij een indicatieve berekening op basis van een fictieve emissie van 240 kg NOx/jaar is er sprake van overschrijding op relevante habitats in Natura 2000 gebied Leudal. Bij 230 kg emissie blijkt dat niet het geval. Er blijkt dus indicatief ruimte te zijn voor de emissie van zo’n 230 kg NOx per jaar. Met het plan worden stikstofemissies gegenereerd in de realisatiefase en in de gebruiksfase. Realisatiefase: • in de realisatiefase zal het gaan om de inzet van de voor de bouw benodigde mobiele werktuigen. Gebruiksfase: • Er van uit gaande dat de woningen gasloos gebouwd worden is er in de gebruiksfase enkel sprake van emissies als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe gebouwde woningen.
J230091.003/LBE, pagina 14 van 17
In de Handreiking woningbouw en AERIUS van het Rijk (Rijksoverheid Januari 2020 | 20400607) worden kentallen genoemd welke een indicatie geven van de emissies die bij de bouw en het gebruik van woningen gegenereerd worden. Hierbij worden de volgende kentallen gebruikt: • Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen (gasloos gebouwd). • Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning. • Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transportbewegingen) 3 kg NOx per woning. Als deze kentallen toegepast worden op de beoogde 49 woningen Giel Peetershof fase 2 is er in de realisatiefase sprake van een emissie van 147 kg NOx/jaar en in de gebruiksfase van 13.5 kg NOx/jaar. Deze waarden liggen ruim onder de eerder berekende indicatieve emissieruimte NOx van 230 kg/jaar. Zoals gezegd, de uiteindelijke emissies zijn afhankelijk van de in te zetten machines en het type woningen. En daarnaast van eventuele aanpassingen in het rekenprogramma AERIUS. Bij de inzet van enigszins moderne machines (STAGE-klasse IV of hoger) in de realisatiefase moet het mogelijk zijn de woningen te realiseren zonder dat er sprake is van overschrijding van de norm voor de depositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000 gebieden van 0,00 mol/ha/jaar.
Significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden kunnen dan worden uitgesloten en een natuurvergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan niet nodig. Intern salderen Gezien het om woningbouw van enige omvang gaat en de exacte bouwactiviteit nog iet inzichtelijk te maken is, is voor dee berekening uitgegaan van 3,0 kg NOx per woning. Dit is aan de ruime kant en gaat er ook nog eens van uit dat alle bebouwing in één jaar wordt gerealiseerd. Vandaar dat er zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase geen depositietoename groter dan 0,00 mol N/ha/jaar wordt verwacht en wordt er dus ook geen gebruik gemaakt van intern salderen. Hierbij wordt de huidige emissie op de locatie door het huidige (agrarische) gebruik vastgesteld en vergeleken met de toekomstige emissies uit de realisatiefase en gebruiksfase van het initiatief. Bepalen referentiesituatie Een belangrijk aspect, zo niet het belangrijkste aspect, bij intern salderen is het bepalen van de referentiesituatie: het stikstofemissieniveau waartegen het nieuwe emissieniveau mag worden afgezet. Hierbij is het van belang allereerst te bepalen of er sprake is van de plan- danwel projecttoets. In de Wet Natuurbescherming wordt er onderscheidt gemaakt tussen een project en plan.
Binnen de Wnb is een project een handeling die leidt tot mogelijk significant negatieve gevolgen op een Natura 2000-gebied en waarvoor een passende beoordeling opgesteld dient te worden. Hierbij wordt het project beoordeeld op zijn effecten, het zijnde de specifieke handeling waarvoor een vergunning vereist is, bijvoorbeeld een bouwvergunning.
J230091.003/LBE, pagina 15 van 17
De referentiesituatie die geldt bij een (eventuele) natuurvergunning (een project) bestaat uit: •
Een vigerende vergunning die verleend is op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) of diens voorloper (Natuurbeschermingswet 1998, Nbwet);
•
Een vigerende omgevingsvergunning die verleend is op basis van de Wabo met een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) op grond van de Wnb of Nbwet;
•
Een toestemming op de Europese referentiedatum. Voor bedrijven geldt dat, als de depositie na de Europese referentiedatum publiekrechtelijk is beperkt (bijvoorbeeld via een latere omgevingsvergunning), dan die lagere depositie als referentiesituatie geldt.
Bij een plan, bijvoorbeeld een bestemmingsplan of BOPA, is dat anders. Een bestemmingsplan is kaderstellend. Daarbij moeten alle potentiële activiteiten worden beoordeeld die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit betreft dus een cumulatieve doorrekening van de effecten. Daarbij moeten ook eventuele binnenplanse mogelijkheden worden meegewogen. Het verschil tussen de plan- en de projecttoets heeft niet alleen gevolgen voor de beoordeling van de effecten, maar ook voor het bepalen van de referentiesituatie. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt de feitelijke en planologisch legale situatie (ten tijde van de vaststelling van het plan c.q. op een eerder moment dat kan worden gemotiveerd vanuit de beoordeling) als referentiesituatie bij de toetsing van een plan aan de Wet natuurbescherming. Het besluit waarop deze beoordeling betrekking heeft betreft een bestemmingsplan / BOPA. Er is daarmee sprake van een plan. In dit geval geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling de feitelijke en planologisch legale situatie (ten tijde van de vaststelling van het plan c.q. op een eerder moment dat kan worden gemotiveerd vanuit de beoordeling) als referentiesituatie bij de toetsing van een plan aan de Wet natuurbescherming. In dit geval is dat redelijkerwijs het agrarische gebruik van gronden.
Mocht er derhalve om redenen toch enige twijfel ontstaat over de uitkomsten van dit onderzoek, bijvoorbeeld doordat in de toekomst nieuwe zwaardere normen gelden of dat de Aerius-calculator (substantieel) andere actualisaties krijgt die zouden leiden tot minder ruimte, dan kan alsnog overwogen worden om wel de binnenplanse saldering nader uit te zoeken en berekenen. Conclusie Het bouwplan leidt, uitgaande van de door initiatiefnemer aangegeven bouwaantallen waarbij maximaal 49 woningen in één jaar worden gebouwd, niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is.
J230091.003/LBE, pagina 16 van 17
Hopende u voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, Pouderoyen Tonnaer
Senior adviseur
J230091.003/LBE, pagina 17 van 17
BIJLAGEN: figuren