2025-013 03 Notitie aandachtspunten Kadernota's 2026
Tekst van het document
NOTITIE AANDACHTSPUNTEN KADERNOTA’S 2026 GEMEENSCHAPPELIJKE REGELINGEN Enkele gemeenschappelijke regelingen waar Peel en Maas deel van uitmaakt leveren een Kadernota aan als basis voor de op te stellen begrotingen 2026. Formeel hoeft over die Kadernota’s geen zienswijze te worden gevraagd aan de deelnemende gemeenteraden maar bepaalde regelingen hebben wel om een zienswijze of reactie gevraagd. De interne procedure in Peel en Maas is als volgt: De adviezen over de begrotingen en de eventuele concept-zienswijzen worden door het college van B&W voorbereid en voorgelegd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad neemt de stukken in behandeling via commissie en raadsvergadering en kan dan nog aanpassingen doen. Na vaststelling verstuurt de griffie namens de gemeenteraad de besluiten en eventuele zienswijzen naar de gemeenschappelijke regelingen In deze notitie gaan we kort in op de ontvangen kadernota’s van de verbonden partijen en geven we een advies over het al dan niet indienen van een zienswijze/ reacties. Deze adviezen hebben we samengevoegd in één raadsvoorstel waarbij ook de conceptbrieven zijn gevoegd van de verbonden partijen waar we een inhoudelijke zienswijze nodig achten. Uiteraard zijn ook de betreffende kadernota’s bij het raadsvoorstel gevoegd als bijlage.
Het betreft de volgende gemeenschappelijke regelingen en adviezen Gemeenschappelijke regeling BsGW MGR Sociaal domein Limburg Noord RUD Limburg Noord Veiligheidsregio Limburg Noord GR Werkvoorzieningschap NLW GR Maasveren GR Omnibuzz
Kadernota opgesteld? Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee
Advies m.b.t. zienswijze Geen zienswijze indienen Geen zienswijze indienen Geen zienswijze indienen Geen zienswijze indienen N.v.t. N.v.t. N.v.t.
1
BsGW In de Kadernota 2026 van de BsGW worden de (beleids)ontwikkelingen beschreven die spelen op gebied van de heffing van gemeentelijke belastingen en de uitvoering van de Wet WOZ en worden daarnaast de financiële uitgangspunten voor de begroting 2026 bepaald. Landelijke ontwikkelingen Proceskosten In het Belastingplan 2025 is het voorstel opgenomen om de wegingsfactor aan te passen van 0.25 naar 0,125 zodat de proceskostenvergoeding (tarief * wegingsfactor) in WOZ-zaken weer uitkomt op het niveau dat de wetgever voor ogen had per 1 januari 2024. Indien zich geen nieuwe, onverwachte ontwikkelingen voordoen, het aantal bezwaren naar aanleiding van de aanslagoplegging 2025 geen stijging vertoont ten opzichte van 2024, de waardestijging van de objecten en de tariefstijgingen door de gemeenten binnen de perken blijven, heeft dit naar alle waarschijnlijkheid een positief effect op de begrotingspost ‘proceskostenvergoeding’. BsGW hanteert evenwel het voorzichtigheidsprincipe in dezen. Een positief effect wordt in eerste instantie in het lopend boekjaar via de P&C-cyclus verantwoord en verrekend. Onderzoek tweejaarlijkse WOZ-waardering Bij de Algemene Ledenvergadering van de VNG in juni 2024 is een motie aangenomen om op korte termijn een onderzoek te starten naar de mogelijkheden van een tweejaarlijkse herwaardering in plaats van de nu geldende jaarlijkse herwaardering.
Wat de eventuele gevolgen zijn voor andere belastingen en/of instrumenten, waarvoor de WOZ-waarde de basis vormt, dient hierin mee te worden genomen. Ook de gevolgen voor diverse andere instanties die de WOZ-waarde (en andere WOZgegevens gebruiken voor diverse doeleinden, worden in het onderzoek betrokken. De indieners van de motie verwachten dat een tweejaarlijkse herwaardering leidt tot een verlaging van de druk op de uitvoering van de Wet WOZ en daaruit voortvloeiend een verbetering van de kwaliteit van de herwaardering, een verbetering van de kwaliteit van de bezwarenafhandeling, een tijdige afdoening van bezwaren, het beter kunnen verwerken van bezwaaruitkomsten in een volgende herwaardering, het beschikbaar krijgen van capaciteit voor contact met de burger en een reductie van kosten, met name als het gaat om proceskosten en inhuur. Financiële uitgangspunten Financieel technische uitgangspunten: BsGW valt onder de CAO Werken voor Waterschappen. De huidige CAO eindigt eind 2024. De uitkomsten van de Cao-onderhandelingen zijn nog niet bekend *) en kunnen derhalve niet worden opgenomen in de kadernota. Mocht voor 1 maart 2025 bekend zijn wat de nieuwe CAO betekent voor 2026, dan zal dit in de ontwerpbegroting worden verwerkt.
Zo niet, dan is het uitgangspunt voor de indexatie van de salariskosten de septembercirculaire van het Centraal Planbureau (CPB) met daarin opgenomen de CPB-indexcijfers. Voor de verwachte materiële lasten en inhuur betreft dit de ‘nationale consumentenprijsindex’. Voor de verwachte salariskosten betreft dit de ‘loonvoet sector overheid’. Indexering materiele lasten en inhuur: Het gemiddelde percentage van nationale consumentenprijsindex over de jaren 2024-2026 bedraagt tussen de 3,0% en 3,6%. Gekozen is om het drie jaargemiddelde 2024-2026 van 3,4% aan te houden. Indexering salarissen: Het gemiddelde percentage van de loonvoet overheidssector over de jaren 2024-2026 bedraagt tussen de 2,1% en 8,4%. Gekozen is om ook hier het drie jaargemiddelde 2024-2026 aan te houden van 5,1%. Mocht de septembercirculaire van het CPB d.d. 2025 daartoe aanleiding geven, dan zal dienovereenkomstig een correctie plaatsvinden via de bestuurlijk vastgestelde P&C-cyclus van BsGW. Advies De ontwikkelingen die in de Kadernota worden aangestipt zijn bekend en hebben waarschijnlijk een positief financieel effect. De voorgestelde financiële uitgangspunten ten behoeve van de begroting zijn gedegen en laten een bestendige gedragslijn zien. Het advies is daarom om over deze Kaderbrief geen zienswijze in te dienen.
2
MGR Sociaal domein Limburg Noord De Kaderbrief van de MGR beschrijft de ontwikkelingen die zich (landelijk en regionaal) voordoen op het gebied van het sociaal domein en mogelijk (financieel) effect hebben op de begroting 2026 van de MGR. Die effecten zijn in deze Kaderbrief nog niet nader geconcretiseerd. De belangrijkste ontwikkelingen die hoogstwaarschijnlijk direct effect op de begroting 2026 van de MGR zullen hebben zijn: • Toezicht op kwaliteit en rechtmatigheid Momenteel vindt er een onderzoek plaats naar de positionering van de toezichthouders rechtmatigheid (Jeugdwet en Wmo) en kwaliteit (Wmo) bij de MGR. Indien de gemeenten besluiten de toezichtstaak bij de MGR te beleggen, heeft dit als gevolg dat de bijdrage van de gemeenten aan de MGR stijgt. Deze kosten voor toezicht hoeven dan niet meer bij de betreffende gemeenten te worden begroot. Dit gaat mogelijk gelden voor de begrotingswijziging 2025 die in het voorjaar 2025 wordt opgesteld • De Bijzondere Toegang Opnamevervangende behandeling en behandeling met verblijf De MGR vervult de werkgeversrol van de voorzitter en de administratie ondersteuning van de Bijzondere Toegang van segment 1. Met ingang van 2025 wordt deze taak overgeheveld naar het Zorg- en Veiligheidshuis Limburg-Noord. De MGR zal de werkgeversrol met ingang van 2025 niet meer hebben.
De MGR zal nog wel de financiële afhechting van de Bijzondere Toegang op zich nemen tot het moment dat ook dat kan worden overgedragen. • Het woonplaatsbeginsel Beschermd wonen, maatschappelijke opvang De wet Woonplaatsbeginsel en het objectief verdeelmodel zijn in 2023 controversieel verklaard en het is momenteel onduidelijk welke prioriteit het nieuwe kabinet geeft aan de invoering van de wet Woonplaatsbeginsel. Bij deze wet hoort het objectieve verdeelmodel. Het objectieve verdeelmodel gaat over de manier waarop landelijke gelden aan de gemeenten worden verdeeld. Ook de invoering hiervan laat op zich wachten, aangezien de wet woonplaatsbeginsel en het objectieve verdeelmodel onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Op het moment dat de wetswijziging rondom het invoeren van het woonplaatsbeginsel Beschermd Wonen en landelijk objectief verdeelmodel wordt ingevoerd kan de omvang van de financiële middelen Beschermd Wonen veranderen en wijzigt de wijze waarop de MGR deze middelen ontvangt. Dan zal de MGR de middelen voor Beschermd Wonen-middelen niet meer bij de centrumgemeente (Venlo), maar bij de 14 deelnemende gemeenten op moeten halen. • De vraag naar Beschermd Wonen De vraag naar Beschermd Wonen blijft licht groeien. Hierdoor zijn er wachtlijsten van cliënten voor de instroom in Beschermd Wonen.
Wij voorzien ook voor de komende jaren een gematigde groei van behoefte naar uitbreiding van het aantal plekken Beschermd Wonen. De MGR gaat in de begroting uit van een gematigde groei in de komende jaren. Tot en met 2024 is de groei van het aantal beschermd wonen plekken opgevangen door de toename van ontvangen middelen vanuit het Rijk. Mochten de extra middelen vanuit het Rijk onvoldoende zijn, dan zal het surplus op de regionale begroting van BW, MO en B&P afnemen. Indien de vraag groeit en hierdoor aanvullende middelen nodig zijn, dan dient hierover separate besluitvorming plaats te vinden. Een ontwikkeling die niet is benoemd betreft de mogelijke toetreding van de gemeenten uit MiddenLimburg tot module 1 van de MGR. Deze gemeenten nemen al deel aan module 2 (Beschermd wonen, Maatschappelijke opvang, bemoeizorg en preventie) en overwegen ook deel te gaan nemen aan module 1 (Opdrachtgeven in het sociaal domein). Daartoe wordt een kwartiermaker aangesteld die gaat onderzoeken wat één en ander betekent voor de bedrijfsvoering bij de MGR. Mochten de Midden-Limburgse gemeenten daadwerkelijk willen toetreden tot module 1 dan moet daarvoor de gemeenschappelijke regeling worden aangepast. In die procedure is voor de gemeenteraden een nadrukkelijke rol qua besluitvorming. In de komende periode zullen de gemeenteraden actief worden geïnformeerd over (de voortgang op) dit proces.
Advies De ontwikkelingen die in de Kaderbrief worden genoemd zijn herkenbaar maar de financiële effecten zijn nog niet bekend. Over de ontwikkelingen m.b.t. de mogelijke toetreding van Midden-Limburg tot module 1 worden de gemeenteraden separaat geïnformeerd en betrokken. Het advies is daarom om over deze Kaderbrief geen zienswijze in te dienen. 3
RUD De Kadernota 2026 van de RUD kent de nodige onzekerheden. Naast de meer algemene onderwerpen zoals inflatie en krapte op de arbeidsmarkt geldt specifiek de doorontwikkeling naar een ‘Robuuste RUD’ als onzekere factor. In maart 2024 heeft het Algemeen Bestuur van de RUD Limburg Noord een plan van aanpak vastgesteld om toe te werken naar een robuuste omgevingsdienst in 2026 die voldoet aan de robuustheidscriteria die tot stand gekomen zijn in het Interbestuurlijk Programma VTH. In aanvulling op het plan van aanpak is er een verkenningsonderzoek uitgevoerd om te bekijken hoe de deelnemers in gezamenlijk hierin het beste resultaat kunnen creëren. Dit heeft geleid tot de vorming van een aparte projectorganisatie, bemenst met interne medewerkers, aangestuurd door twee gedelegeerd bestuurlijke opdrachtgevers en drie ambtelijke opdrachtgevers (gemeentesecretarissen). Twee programma-managers sturen vijf inhoudelijke werkgroepen aan: LMO (= taken/inhoud), HRM, Financiën, Informatisering en Juridisch. De projectorganisatie zal voor 1 juli 2025 een bedrijfsplan op hoofdlijnen opstellen. Hierdoor ontstaan er de komende periode twee “stromen”, going concern (de winkel blijft open) en de doorontwikkeling naar een robuuste Omgevingsdienst.
De ‘going concern-stroom’ gaat zich bezighouden met de volgende onderdelen (die ook deel uitmaken van de vorming van de robuuste RUD) - De omgang van het regionaal werkprogramma gecombineerd met het percentage medewerkers in eigen dienst. - Voldoen aan kwaliteitscriteria VTH - Informatiegestuurd werken, BI, opleidingsbudget van 3% loonsom Dat zijn ook onderdelen van de vorming van robuuste RUD. Na oplevering van het bedrijfsplan zal de nieuwe omgevingsdienst worden ingericht in lijn met opzet en inhoud van dat bedrijfsplan. Deze taak zal komen te liggen bij een kwartiermaker/beoogd directeur van de Omgevingsdienst Limburg Noord. Doorontwikkeling robuuste omgevingsdienst De incidentele financiële consequenties van het traject naar de nieuwe robuuste omgevingsdienst worden niet opgenomen in deze Kadernota 2026. Deze kosten bestaan grotendeels uit ureninzet van medewerkers van de RUD-partners. De inzet van de programmamanagers kan (deels) worden bekostigd uit de gevormde bestemmingsreserve vorming robuuste omgevingsdienst. Daarnaast zal de projectorganisatie een verzoek indienen bij Omgevingsdienst NL voor een bijdrage in de kosten van de activiteiten die nodig zijn om robuust te worden. Hiervoor stelt het ministerie, via Omgevingsdienst NL, namelijk een incidentele subsidie beschikbaar.
Over de structurele financiële impact van de nieuwe robuuste omgevingsdienst Limburg Noord op de bijdragen van de individuele RUD-partners kan nog niet veel worden aangegeven. Dat zal voor een groot deel afhangen van de omvang van de taakinbreng van de partners en van de wijze waarop de nieuwe omgevingsdienst zal worden georganiseerd. Hoewel sterk indicatief moet daarbij rekening gehouden worden met een toename van € 4-6 miljoen aan structurele kosten per jaar (omgevingsdienst-breed). Daarnaast moet voor de jaren 2025-2027 rekening gehouden worden met incidentele kosten (transitie-, frictie en desintegratie-kosten). In het rapport van Berenschot is dit becijferd op totaal € 3 miljoen regiobreed voor die periode. Wat hiervan de effecten voor Peel en Maas zijn is lastig te bepalen. In de toekomstige situatie zullen namelijk ook (personeels)kosten voor onze organisatie wegvallen omdat medewerkers overgaan naar de omgevingsdienst. Op dit moment is nog niet aan te geven in welke omvang dat zal zijn. Ook is onduidelijk wat de gemeentelijke bijdrage zal zijn aan de toekomstige organisatie omdat daarvoor nog veel keuzes gemaakt moeten worden (zoals bijvoorbeeld huisvesting) waardoor kosten (nog) niet inzichtelijk gemaakt kunnen worden. Het huidige aandeel van Peel en Maas in de kosten van de RUD bedraagt zo’n 8,3%.
Of die verhouding ook in de toekomstige situatie op dat peil blijft is ook nog niet bekend.
4
Doorontwikkeling huidige organisatie/going concern Er wordt binnen de huidige RUD-organisatie niet gewacht op de stappen die moeten leiden tot een robuuste omgevingsdienst maar al gewerkt aan verbetering in de organisatie. Die liggen uiteraard wel in lijn met de plannen voor de robuuste omgevingsdienst. Die zaken zijn wel al opgenomen in deze Kadernota 2026 en de belangrijkste zijn: 1. Aanpassing in proces van het Regionaal Uitvoeringsprogramma (RUP). Dit betekent onder andere veel meer werken vanuit de regionale totaalopgave en de daarbinnen benodigde en aanwezige specialistische menskracht. Met die aanpak kan ook veel beter gestuurd worden op het naleven van de landelijke kwaliteitscriteria. Deze versterking van de uitvoering gaat niet vanzelf. Daartoe is het nodig dat een werkverdeler wordt aangesteld (1 fte), die verantwoordelijk is voor de werkverdeling op kwaliteitscriteria en die – in samenwerking met de werkgroep RUP en de lijnmanagers - monitort, rapporteert en bijstelt. 2. Daarnaast is het inhoud/omvang van het RUP mede afhankelijk van de beleidskeuzes die gemaakt worden. Vandaar dat in lijn met eerdere voorstellen over sturing een beleidsadviseur wordt aangesteld (1 fte), die aan de slag gaat met de doorontwikkeling, prioritering en innovatie op de uitvoering/RUP/uitvoeringsprotocollen.
Het betreft hier een nieuwe functie, waarmee in de begroting nog niet eerder in was voorzien. De bekostiging van deze functie zal dan ook verwerkt worden in de meerjarenbegroting 2026. De kosten zullen tussen de €100.000 en de € 130.000 liggen. 3. Realiseren van een innovatiebudget voor projecten (2025: € 100.000 en vanaf 2026 € 250.000). 4. Versterking van de sturing op het geheel door het aanstellen van 3 regiocoördinatoren, circa 1,5 fte. De organisatie wil, vooruitlopend op van de vorming robuuste omgevingsdienst, bekijken of hier in 2025/2026 al invulling aan gegeven kan worden. Afhankelijk van de uitwerking zal dit of via een begrotingswijziging 2025 of in de begroting 2026 opgenomen worden. Financiële aspecten Zoals aangegeven zijn de incidentele en structurele financiële effecten van de doorontwikkeling naar een robuuste omgevingsdienst niet in deze kadernota 2026 opgenomen. De ‘going concern’ doorontwikkeling is wel opgenomen net als enkele vakinhoudelijk noodzakelijke aanvullingen (toename bodemtaken). In totaal is daarmee een bedrag van € 640.000 gemoeid als meerkosten t.o.v. de bestaande begroting. Dat zou voor Peel en Maas zo’n € 53.000 aan extra (structurele) bijdrage betekenen. Advies Alhoewel de doorontwikkeling naar een robuuste omgevingsdienst nog veel onzekerheden kent is voor gemeenten van belang een concrete inschatting te hebben van de verwachte kosten.
Dat betreft dan zowel de incidentele kosten voor de projectorganisatie maar vooral ook een inschatting van de structurele meerkosten en de verwachte frictiekosten in de aanloopperiode. De oproep aan de RUD is om een dergelijke inschatting op te nemen in de begroting 2026. We hebben inmiddels begrepen dat de RUD de intentie heeft om bij de begroting 2026 een inschatting op te nemen van de te verwachten. Daarom adviseren om over de kadernota geen zienswijze in te dienen.
5
Veiligheidsregio De uitgebreide kaderbrief 2026 van VRLN bevat de financiële uitgangspunten en de beleidsmatige kaders voor de begroting 2026. De algemene ontwikkelingen waarmee de Veiligheidsregio te maken krijgt worden benoemd. Dat betreft voor het onderdeel publieke gezondheid o.a. de ontwikkelingen vanuit de rijksoverheid met de gezondheidsakkoorden en de specifieke uitkering voor de versterking van de pandemische paraatheid. Voor het onderdeel Veiligheid betreft het o.a. de herziening van de wet op de veiligheidsregio’s. De beleidsvoornemens en ambities voor de diverse onderdelen van de Veiligheidsregio zoals Crisisbeheersing, Brandweerzorg, Riskfactory staan duidelijk benoemd in de Kaderbrief. Toekomstbestendige GGD Over de toekomstbestendige GGD is inhoudelijk en cijfermatig weinig concreets opgenomen. Er wordt nu alleen geschreven over het conceptversterkingsplan dat opgesteld. Op basis van de totaalbedragen die staan genoemd (uiteindelijk € 4,5 miljoen extra per jaar) kan het aandeel voor Peel en Maas worden ingeschat en dat bedraagt dan ca. € 400.000 op jaarbasis. De nadere uitwerking van het versterkingsplan zal in de Begroting 2026 terugkomen waarbij naar verwachting de effecten per gemeente ook duidelijker in kaart worden gebracht. Financiële aspecten: Naast de loon- en prijsindex zijn de stijging i.v.m.
de kapitaallasten materieel brandweer en strategische huisvesting opgenomen. Dit zijn zaken die al eerder bestuurlijk zijn besloten. Daarmee is de gemeentelijke bijdrage 2026 als volgt opgebouwd: Gemeentelijke bijdrage 2025 Loonkostenstijging 2026 Materiële kostenstijging 2026 Strategisch huisvestingsplan Kapitaallasten materieel brandweer Gemeentelijke bijdrage 2026
€ 72.304.000 € 1.014.000 € 651.000 € 263.000 € 262.000 € 74.494.000
De kaderbrief bevat nog geen berekening naar bijdrage per individuele gemeente, deze zal bij de conceptbegroting worden toegevoegd. Advies Los van de ontwikkelingen rondom de ‘Toekomstbestendige GGD’ bevat de Kaderbrief weinig inhoudelijke aandachtspunten voor een zienswijze. De verwachte landelijke ontwikkelingen, ambities en beleidsvoornemens staan duidelijk toegelicht en komen voor zover nodig bij de begroting 2026. M.b.t. de Toekomstbestendige GGD is nu een conceptversterkingsplan opgesteld dat verder wordt uitgewerkt en in april 2025 (samen met de conceptbegroting) aan de gemeenteraden wordt voorgelegd voor een zienswijze. We adviseren daarom om nu geen zienswijze in te dienen maar dat te doen op basis van het definitieve plan en de begroting 2026 (voor zover die daartoe aanleiding geven).
6