CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-078 19 Memo H2O (geanonimiseerd)

Raad 27 juni 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “Bestemmingsplan Vieruitersten 24 Meijel”, wijziging van Agrarisch- Intensieve veehouderij naar Agrarisch Grondgebonden en vergroten van het bouwvlak (2024-078)1.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

H;Opinion Croy7 5653

LC,

Eindhoven

++ (geanonimiseerd) *

A

info@H2Opinion.nl

H2Opin1on

wooot H2Opinion.nl

MEMO Datum

:13-10-2023

Aan: ce.

Van

Betreft

: Reactie zienswijze

betreffende hydrologie Vieruitersten 24 Meijel

1. Inleiding Deze memo is opgesteld als reactie op de zienswijze van

betreffende het

ontwerpbestemmingsplan Vieruitersten 24 te Meijel. In opdracht van

heeft H2Opinion in een

eerder stadium voor dit plan de volgende rapportage uitgebracht: e _ Waterhuishoudkundig plan in het kader van landschappelijke inpassing bij Vieruitersten 24 — Meijel (6 oktober 2022).

2. Effecten op de grondwaterstand 2.1. Bebouwing In de eerste alinea van de sectie ‘Hydrologie’ op pagina 2 van de zienswijze wordt gesteld dat de beoogde bebouwing zorgt voor een daling van de grondwaterstand, zoals in de volgende zin: “De beoogde paardenhouderij zal zorgen voor een daling van de grondwaterstand, terwijl verhoging van de grondwaterstand juist van belang is voor behoud en versterking van de natuurwaarden in het Peelgebied.” Deze uitspraak lijkt te zijn gebaseerd op de notitie “Notitie betreffende de vestiging van een paardenhouderij in 't Limburgse Molentje” van professor Joosten en Dr. Jansen. In deze notitie wordt een duidelijk overzicht gegeven van de geohydrologische situatie, echter wordt ervan uitgegaan dat voor de uitbreiding van de bebouwing van de paardenhouderij een drooglegging nodi is. Dit blijkt uit de volgende zin uit de eerste alinea van pagina 11: “De beoogde paardenhouderij [.] behoeft daarom een adequate drooglegging volgens bouwkundige normen.” De aanname dat een drooglegging voor bebouwing nodig is, ijkt het voornaamste uitgangspunt te zijn van de conclusie dat de beoogde paardenhouderij voor een verlaging van de grondwaterstand zal zorgen. Mogelijk wordt hierbij uitgegaan van de droogleggingsnorm in bebouwingskernen, welke een drooglegging vereisen van 1 m-mv, te zien in Tabel 1. Tabel 1 laat ook zien dat in buitengebieden de

droogleggingsnorm voor bebouwing gelijk ligt aan de omgeving. Hierbij wordt uitgegaan dat in de geplande bebouwing geen kruipruimte gepland is. Omdat voor zover bekend geen kruipruimte wordt aangelegd is de benodigde drooglegging voor de beoogde bebouwing gelijk aan de omgeving. Voor de bebouwing is dus geen verdere drooglegging nodig en de beoogde bebouwing zal dus niet voor een verlaging van de grondwaterstand zorgen. Tabel1: Ontwateringsnormen Waterschap Limburg (Bron: Hydrologische werkwijzen Waterschap Limburg, 2023) Grondgebruik

Grasland Akkerbouw Diep wortelende gewassen Bebouwingskernen (vloer- of

Droogiegging natte

(fase 1 & onder marge)

tie

Droogiegging droge situ:

(fase

3 & streefpeil)

60 cm maaiveld 80 cm - maaiveld 100100 cmcm -— maaiveld maaiveld

30 cm - maaiveld 50 cm - maaiveld 80100 cm-cm -maaiveld maaiveld

Gelijk aan omgeving

Gelijk aan omgeving

bouwpeil) (uitgangspunt, kruipruimte) Bebouwing in buitengebied

(uitgangspunt, geen kruipruimte)

Natuurterreinen

afhankelijk van natuurdoeltype _ afhankelijk van natuurdoeltype

De droogleggingsnorm van de bebouwing lijkt het voornaamste argument dat de uitbreiding de grondwaterstand negatief zou beïnvloeden te zijn. Een tweede argument hiervoor is ook in de eerste alinea beschreven:

“De extra bebouwing en het extra verharde oppervlak en de gesloten rijbak leiden ertoe dat er geen natuurlijke infiltratie en kwel kan optreden.” De peilbuis in de omgeving (GLD000000033226, Figuur 1) geeft geen grondwaterstand tot aan maaiveld, en er zijn reeds aanwezige sloten in een fijnzandige toplaag welke de omgeving draineren. Kwel (in de zin van grondwater dat uitkomt/uittreedt aan het oppervlakte) lijkt niet aanwezig ter plaatse van het perceel. Omdat geen verlaging van de grondwaterstand nodig is, zal de kwelstroming niet worden beïnvloed. De neerslag op het extra verharde oppervlak wordt geleid naar de infiltratievijver, vanwaar het kan infiltreren. Dit water wordt niet geloosd en blijft in het systeem. Gezien de zandige toplaag verandert er niets aan de werking van het systeem omdat het water hooguit enkele tientallen meters wordt verplaatst. Netto zal er geen (significante) verandering ontstaan in zowel de kwelstroming als het volume infiltrerend water. Hierbij wordt verwezen naar de modeluitkomsten van de MicroFEM modellering in de rapportage van H;Opinion, deze is ook gegeven in Figuur 2. De tweede alinea op pagina 2 stelt dat water van de paddocks naar de infiltratievijver wordt geleid; dit is niet beschreven in het plan en is onwaarschijnlijk. Grondwatersanden

Figuur 1: Peilbuis GLDO00000033226, jaar 2021 heeft de maximale grondwaterstanden in de meetperiode van de peilbuis. De maximale waarde ís circa NAP +31,4 m, circa 0,7 cm-maaiveld (lokaal). BRON: BRO-loket

&)z0r0e Pagina 2 van 9

Ondenwerp: Contou maxmal veragng ten gevoge van toename vertard opperk & b woed spsteer, alsmedede firteuer met waterdepte 75 t

@Hzo:-.…a-. Figuur 2: Invloed bebouwing en infiltratievijver op de grondwaterstanden in de omgeving volgens de MicroFEM modellering

2.2. Opbouw ondergrond In de 5 alinea op bladzijde 3 wordt het volgende gesteld:

“Op blz. 13 van de plantoelichting wordt ten onrechte gesteld dat de beweiding door paarden die het plan zou toestaan, hogere grondwaterstanden zouden kunnen verdragen dan akkerbouwmatige teelten. Paardenweiden kunnen daarentegen juist geen hogere waterstanden verdragen, omdat ze dan op de venige ondergrond kapotgetrapt worden. Daardoor vindt oxidatie van het veen plaats, wat een bijdrage levert aan het broeikaseffect.” Gesproken wordt over een veenlaag aan de oppervlakte, echter reikt deze veen|aag in de directe

omgeving niet tot aan de oppervlakte. Dit blijkt uit grondonderzoek op locatie (zie bijlage 1) alsmede

uit boringen B58B0598, B58B0971 en BHROO0000091767!. Zie Figuur 3 en Figuur 4. Gezien de hoogteopbouw, gegeven in Figuur 5, ligt boring B58B0598 (de enige boring met een veenlaag) lager dan de percelen van de paardenhouderij. Ook geeft de BRO de bodem weer als veldpodzolgrond,

“Ieemarm en zwak lemig fijn zand’”. Het uitgevoerde grondonderzoek ter plaatse van Vieruitersten 24 toont aan dat ter plaatse van de percelen een fijnzandige ondergrond aanwezig is, en dat de percelen dus geen venige ondergrond hebben. De BRO gaat in de omgeving ook uit van een fijnzandige ondergrond. Dit is zo opgenomen n de modellering. Naast de fijnzandige ondergrond staat in de toelichting op het bestemmingsplan dat 3 tot 4 keer per jaar een training met paarden op gras wordt gedaan n het weiland rond de infiltratiepoel, bij goed

? Bron: DINOloket/BROloket

Pagina 3 van 9

weer. Uitgegaan wordt dat hiermee wordt bedoeld dat het weiland niet drassig is ten tijde van een training. Van vertrapping van gras is dus geen sprake. Eoormonsterprofiel Udeeriete

Udeleie

5880598

identficatie

|

Coordinaten

190370

374500 (RD)

Maakeld:

31.40

Lov.

Beschikbare informate:

Digitale opnamegegevens

Beschrijmethode: _ Kwalteiinerpretatie:

Onbekend Niet gevalideerd in ondergrondmodel

Uthostratigrafie m a E

_

m

NAP

Lithologie znd CE

Fijna ctesorie

'858B0971

Vieruitersten

24

/

Figuur3: Boorstaat van boring B58B0598. matig grof zand. BRON: DINOloket

De locatie van B58B0971 i ook gegeven, en bevat geen veen enkel matig fijn en

Eoormonsterprofiel m

BHRO00000091767

BROID

Aangeleverde coördinaten 190622.000

Dieptetrajectto.v. Maaneld: Enddiepte

Loy. Maaiveld

374310.000 (RD)

0.00 M - 1.50 m 150m

Startdatum boring:

012014

Bodemcasslfcatie:

2432

Bodemkundige grondsoortnaam

Horizonten Z

Chorizert

Z

echerize

Z

e

i Z

z Geliogde

grendoorten

Torizenten

& Vieruitersten

24

BHROOO000091767 °

Figuur4: Boorstaat van boring BHROO0000091767. obv de leemdriehoek”.

BRON:

De gemengde grondsoorten zijn gegeven als "zwak lemig zand, naam

BROloket

Pagina 4 van 9

Op basis van het AHN4 hebben de omliggende sloten een waterpeil van circa 30,9, zie Figuur 5, en liggen dus circa 1 meter tot 1,5 meter onder maaiveld. Het AHN4 meet hierin niet de bodem van de sloten maar de droge oever. Vanwege de reflectie op het water geeft de AHN op watervoerende greppels en watergangen geen hoogtewaardes, deze worden ververlogs opgevuld met de aangrenzende hoogtewaardes. Dit is dus niet de bodemhoogte van de waterloop maar het waterpeil. De percelen zullen dus gedraineerd worden.

Volgens de Werkwijze Hydrologie van Waterschap Limburg heeft grasland een drooglegging van 30 cm-mv (gemiddeld hoog) tot 60 cm-mv, bouwland (akkerland) een drooglegging van 50 cm-mv tot 80 cm-mv. Het is niet bekend dat paardenweiden een drooglegging dieper dan 50 cm-mv nodig hebben.

Figuur 5: Hoogteverloop omgeving met ingesneden sloten aldus AHNA. Langs de doorsnede zijn waarden gegeven in meter

NAP. Het AHNA meet niet beneden het waterniveau; het niveau is de laagste meting boven het waterpeil en is hierdoor een redelijke aanname van het peilin de watergang

3. Conclusie De voornaamste zorgen betreffende dalende grondwaterstanden lijken te ontstaan in de aanname dat de beoogde bebouwing een grotere drooglegging vereist zoals bij bebouwingskernen het geval is. In buitengebieden is deze norm echter niet van toepassing. In de planbeschrijving wordt geen kruipruimte onder de bebouwing beschreven, er is dus geen aanvullende drooglegging nodig. De grondwaterstand hoeft dus niet verder verlaagd te worden. Op basis van het grondonderzoek van Bodem & Asbest BV is bepaald dat aan maaiveld een fijne zandlaag is gelegen. Omdat neerslag op het verhard oppervlak wordt geleid naar de infiltratievijver zal geen water worden onttrokken aan de omgeving en zal de (grondwater)waterhuishouding in

Pagina 5 van 9

stand blijven. De diep ingesneden sloten in de omgeving zullen bepalend blijven voor de (geo)hydrologische situatie.

&)z0r0e Pagina 6 van 9

Bijlage 1: Grondonderzoek Bodem & Asbest BV In deze bijlage zijn de resultaten gegeven van de boringen uit het grondonderzoek van Bodem & Asbest BV, opgeleverd 19 juli 2021. Allereerst wordt de beschrijving van de boorstaten gegeven,

gevolgd doorde locaties van de boringen. Alle boringen betreffen handboringen tot 0,5 m-mv. N

Diepte 0-10em

Boring1 :

10-50em

vin

gebroken asfalt donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (Z210hls1);

Boring2 :

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1); 0-10em

Boring 3 : 31

10-S0em

gebroken asfalt donkerbruin, licht humeus, zwak silig, matig fijn zand (2210hls1):

Boring4

0-

10em

10-20em 41

20-50cm

beton

lichtgeel, zeer grof zand (Z2000) donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

Boring5 :

0-

10em

51

10-50em

52

50-100cm

53

100 - 150cm

54

150

-2000m

0-

100m

gebroken asfalt donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

Boring 6 : 61

10-S0em

donkergeel, matig fijn zand (2210) geelgrijs, matig fijn zand (2210) grijs, matig fijn zand (Z210) gebroken asfalt donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

Boring7 :

donkerbruin, licht humeus, zwak silig, matig fijn zand

71

(2210hls1);

Boring8 :

81

0-50em

82

50-100em

83

100 - 150cm

84

150 -200cm

donkergeel, matig fijn zand (Z210) geelgrijs, matig fijn zand (Z210) grijs, matig fijn zand (Z210)

91

0-50cm

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

Boring 9 :

(2210hls1);

Pagina 7 van 9

Boringl0:

10.1

donkerbruin, licht humeus, zwak silig, matig fijn zand (2210hls1);

Boringll:

111

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

Boring12:

12.1

donkerbruin, licht humeus, zwak silig, matig fijn zand (2210hls1);

Boringl3:

131

0-50cm

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

100-150em

donkergeel, matig fijn zand (Z210) geelgrijs, matig fijn zand (2210)

134

150

grijs, matig fijn zand (Z210)

141

0-50em

50-100cm

Boringl4:

-200cm

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

Boring1$:

151

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

Boring16:

16.1

0-50cm

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1);

50

-100cm

150 -200cm

donkergeel, matig fjn zand (Z210) geelgrijs, matig fijn zand (2210) grijs, matig fijn zand (Z210)

0-

beton

100 - 150cm

Boring 17 17.1

10cm

10-20em

lichtgeel, zeer grof zand (Z2000)

20-50cm

donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (2210hls1};

Boring 18

0-10em

beton

10-em

ichtgeel, zeer grof zand (Z2000) donkerbruin, licht humeus, zwak siltig, matig fijn zand (Z210hls1);

20-50cm

Pagina 8 van 9

Projectnr: 221-MV24

Ve BODEM

& ASBEST

Project: Vieruitersten

EV

24

te Meijel Datum:

46-2021

Kad.

Gem.

Meijel,

sectie F, nummer

913

Onderzoekslocatie

met

stoereg beringen

Ef |Get

wea

Bijlage 13

Pagina 9 van 9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=54fe89cf-abd4-4600-8367-702bfca45370