CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-078 16 Zienswijzennota en ambtshalve wijzigingen Vieruitersten 24 Meijel

Raad 27 juni 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “Bestemmingsplan Vieruitersten 24 Meijel”, wijziging van Agrarisch- Intensieve veehouderij naar Agrarisch Grondgebonden en vergroten van het bouwvlak (2024-078)8.211 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan Vieruitersten 24 Meijel 1. Inleiding Initiatiefnemer heeft een vleesstierenhouderij aan de Vieruitersten 24 te Meijel verworven met als doel hier een paardenhouderij op te richten. Op de locatie is het volgende aanwezig: een bedrijfswoning, sleufsilo’s, stierenstallen en een loods/ schuur. Er is een Wabo en een Wnb- vergunning voor het houden van 380 vleesstieren. Het voornemen is om op deze locatie 40 paarden te gaan houden. Om dit mogelijk te maken worden alle aanwezige bedrijfsgebouwen, met uitzondering van de bedrijfswoning, gesloopt en vindt nieuwbouw plaats. In de beoogde situatie bestaat de bebouwing uit de bestaande bedrijfswoning, paardenstallen nabij de bedrijfswoning met daarbij tevens huisvesting voor ruiters/grooms/stagiaires, een indoor-rijhal, een loods en een mestopslag. Daarnaast wenst initiatiefnemer ook een buitenrijbak en paddocks/ weilanden te realiseren. Voor dit initiatief wenst de initiatiefnemer het bouwvlak te vergroten. Het vigerende bouwvlak heeft een omvang van 10.800 m2. Het toekomstige bouwvlak heeft een omvang van 17.412 m2 en het bestemmingsvlak heeft een omvang van 20.290 m2. Procedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van 2 juni 2023 tot en met 13 juli 2023 ter inzage gelegen.

Deze ter visie legging is gepubliceerd in het Gemeenteblad. Gedurende de termijn van terinzage-legging is eenieder in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. De volgende zienswijzen zijn gedurende bovengenoemde periode ingediend: 1. ingekomen 13 juli 2023 Op 30 oktober 2023 heeft er een overleg plaatsgevonden met Het groen Schild en Stichting Veen. Het overleg heeft niet geleid tot andere inzichten of standpunten. De ingekomen zienswijze is samengevat en beantwoord in hoofdstuk 2 van deze nota. Voor elke reactie is aangegeven of deze gegrond is en zal leiden tot een aanvulling of wijziging van de regels, toelichting of verbeelding van het definitieve bestemmingsplan. 2. Zienswijze Samenvatting: Wij hebben de zienswijze als volgt samengevat: Grond 1: Het initiatief is te groot en bevindt zich op de verkeerde plek. Inhoudelijke reactie: Dit is een mening van de indiener van de zienswijze. De locatie ligt in een zogenaamd kleinschalig halfopen ontginningslandschap. Een grondgebonden paardenhouderij past in dit gebied. Het bedrijf wordt op een goede manier ingepast. Er wordt veel groen toegevoegd passend in het betreffende landschap. De inrichting van de locatie houdt rekening met de oude ontginningslijnen en houdt op die manier het landschap herkenbaar.

Door het opnemen van verschillende groepjes groen en bomen blijft het initiatief deels open. Ook door de voorgestelde architectuur en materiaalgebruik past het in de omgeving.

1

Om te zorgen voor een meer geleidelijke overgang naar het natuurgebied wordt een robuuste buffer gecreëerd. Op deze manier wordt er een duurzame relatie gelegd met de omgeving en de natuurgebieden. Daarmee past het initiatief in het gebied. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 2: De beoogde paardenhouderij zal voor een daling van de grondwaterstand zorgen en is daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Inhoudelijke reactie: Bij het ontwerpbestemmingsplan is een Waterhuishoudkundig rapport gevoegd. Daarin is uitgebreid ingegaan op de effecten van onderhavig plan. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft H2Opinion een memo opgesteld waarin gereageerd wordt op de zienswijzen. Uit het oorspronkelijke Waterhuishoudkundig plan en de aanvullende memo blijkt dat er geen sprake is van een grondwaterdaling. De memo van H2O is als bijlage bij de stukken gevoegd. Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van de toelichting. De memo van H2O is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Grond 3: Het voorgestelde plan is slecht voor de biodiversiteit. Inhoudelijke reactie: Het plan leidt onder andere tot een landschappelijke inpassing van de locatie. In het inpassingsplan is in ruime mate voorzien in nieuwe beplanting en wateropvang. Dit zijn nieuwe elementen die er in de bestaande situatie niet zijn.

Er wordt onder andere in ruime mate voorzien in bloemrijke graslanden rond de paddocks en de buitenpiste. Deze bieden juist de kans op extra biodiversiteit voor onder ander insecten. Hetzelfde geldt voor de infiltratiepoel. Dit is een element wat er in de bestaande situatie niet is. De poel biedt vooral kansen voor vestiging van amfibieën. Daarnaast is er nog een ander positief effect op de biodiversiteit – meer indirect en m.b.t. een groter gebied- doordat de uitstoot van voor de natuur schadelijke (= vermestende) stoffen door de transitie van intensief veebedrijf naar paardenhouderij drastisch wordt verminderd. Er is dus geen sprake van een verslechtering van de biodiversiteit. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 4: Het initiatief zal een ongunstig effect hebben op de hydrologische situatie van de natuurgebieden die in de omgeving worden beheerd door Stichting Veen en Staatsbosbeheer en op andere gebieden. De extra bebouwing en het extra verharde oppervlak en de gesloten rijbak leiden ertoe dat er geen natuurlijke infiltratie en kwel kan optreden. Inhoudelijke reactie: Voor een reactie hierop wordt verwezen naar de inhoudelijke reactie onder grond 2. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan.

Grond 5: De beoogde paardenhouderij ligt in een langgerekte laagte en zal daarom adequaat drooggelegd moeten worden.

2

Inhoudelijke reactie: De paardenhouderij ligt op het hoogste punt van percelen in de omgeving. Er is geen drooglegging nodig om de beoogde bebouwing te realiseren. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 6: De bebouwing, het extra verharde oppervlak en de gesloten rijbak leiden ertoe dat er geen natuurlijke infiltratie en kwel kunnen optreden. Inhoudelijke reactie: Ter plaatse is momenteel geen sprake van natuurlijke kwel, deze zal er in de beoogde situatie ook niet zijn. Het plan leidt juist tot aanleg van een infiltratievoorziening, terwijl in de bestaande situatie het hemelwater rechtstreeks wordt geloosd op het oppervlaktewater. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 7: Gesuggereerd wordt dat ook drainage is voorzien aan de zuidwestzijde van het bouwblok. Inhoudelijke reactie: Dit is een suggestie vanuit de indiener van de zienswijze. Er wordt aan de zuidwestzijde van het perceel geen drainage toegepast. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 8: De drooglegging zal zorgen voor ontwatering, tevens zal de kwelintensiteit afnemen. Inhoudelijke reactie: Zoals onder grond 7 is aangegeven zal er geen sprake zijn van ontwatering. Ter plaatse is er geen sprake van kwel. De intensiteit van kwel kan daarom ook niet afnemen.

Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 9: Het planvoornemen heeft dus wel degelijk een negatief effect op het beheer van de aan het plangebied grenzende gebieden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Limburg. Inhoudelijke reactie: Voor een reactie hierop wordt verwezen naar de inhoudelijke reactie onder grond 2 en 8. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 10: Het plan leidt wel tot aantasting van de waarden op het perceel aan de zuidoostzijde plangebied dat in beheer is van Stichting Veen als onderdeel van de zilvergroene natuurzone. Inhoudelijke reactie: Indiener heeft verder niet gemotiveerd waaruit de aantasting zou bestaan. Uit het waterhuishoudkundige plan blijkt in ieder geval dat er geen sprake is van aantasting van de aanliggende percelen. De provincie heeft bij de beoordeling van het plan in het kader van het wettelijk vooroverleg en naar aanleiding van de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan, 3

beoordeeld of er provinciale belangen door dit plan geschaad worden. Niet is gebleken dat de zilvergroene zone nadelig beïnvloed wordt door dit plan. De Provincie Limburg heeft gebieden aangewezen, waarin de normale geluiden van de natuur zo min mogelijk worden verstoord. Ze willen dat in deze gebieden het gemiddelde geluidsniveau niet hoger is dan 40 decibel, dat is te vergelijken met het geluid van vogels bij zonsopkomst. Stiltegebieden zijn belangrijk voor ons welzijn en het voortbestaan van sommige diersoorten. Het betreffende gebied is niet aangewezen als stiltegebied. Er gelden dan ook geen specifieke geluidsnormen. Daarnaast blijkt ook uit de aanvulling van de quick scan flora en fauna (zie onder grond 10) dat de mate van verstoring altijd kleiner zal zijn dan in de bestaande situatie. In de quick scan flora en fauna is onder hoofdstuk 4 een motivering toegevoegd waaruit blijkt dat er geen sprake is van een extra verstoring van omliggende natuurwaarden. Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van bijlage 8 bij de toelichting (quick scan flora en fauna). In hoofdstuk 1 is het volgende toegevoegd: - De bestemming van de locatie wordt gewijzigd van ‘agrarisch-intensive veehouderij’ naar ‘agrarisch grondgebonden’. Tevens wordt het bestemmings- en bouwvlak vergroot.

- De passage: ‘Voor de locatie is een landschappelijke inpassing opgesteld, waarvan het ontwerp hierna is weergegeven. Met de landschappelijke inpassing worden impulsen aan natuurontwikkeling gegeven, door de toepassing van verschillende grassen etc. i.p.v. de akkers met maïs of gras’. - Een plaatje van de beoogde situatie - De passage ‘In de derde versie zijn een aantal zaken nader toegelicht i.v.m. zienswijzen tegen het ontwerp-bestemmingsplan’. In hoofdstuk 2.3 is het volgende toegevoegd: - De percelen van Staatsbosbeheer aan de noord- en oostzijde zijn onderdeel van het Natuurwerk Limburg. De afstanden tot deze percelen wijzigen niet en blijft 0 meter. In hoofdstuk 4 is de volgende passage toegevoegd: - De percelen grond zullen gebruikt worden als buitenpiste, paddocks en als grasland. De bedrijfsvoering is minder intensief dan bij de voormalige akkerbouwmatige activiteiten. Binnen deze percelen kunnen paarden, al dan niet met ruiter, aanwezig zijn. Deze zullen tot minder verstoring leiden, dan bij activiteiten met landbouwmachines. De mate van verstoring en mogelijke vormen van overlast zijn in de beoogde situatie kleiner dan in de bestaande situatie. Dit geldt niet alleen voor mensen, maar tevens voor fauna die zich in de directe omgeving van het plangebied bevindt.

- Onder het kopje ‘vogels’: Door de realisatie van het plan worden er ruim 100 nieuwe bomen geplant, hagen en struikgroepen aangeplant, bloemrijke grasranden aangelegd en een hemelwateropvang aangelegd die jaarrond water zal bevatten. Dit alles biedt nieuwe kansen voor flora en fauna. In hoofdstuk 5 zijn de volgende passages toegevoegd: - De percelen grond zullen gebruikt worden als buitenpiste, buitenrijbak, paddocks en als grasland. De bedrijfsvoering is minder intensief dan bij de voormalige akkerbouwmatige activiteiten, zoals die voorheen plaatsvonden. Binnen deze percelen kunnen paarden, al dan niet met ruiter, aanwezig zijn. Deze zullen tot minder verstoring leiden, dan bij activiteiten met landbouwmachines. De mate van verstoring en mogelijke vormen van overlast zijn in de beoogde situatie kleiner dan in de bestaande situatie. Dit geldt niet alleen voor mensen, maar tevens voor fauna die zich in de directe omgeving van het plangebied bevinden. De zorgmaatregelen bestaan in elk geval uit de volgende aspecten: 1. Voor algemeen voorkomende broedvogels (waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is) dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden: • Voer eventuele snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit. 4

Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond. • Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. 2. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien verstoring plaatsvindt, dient een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor vogels, om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie.

Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken en groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). 3. Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle plantenen diersoorten. • Ook voor mogelijke aanwezigheid van egel en vestiging van de rugstreeppad dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein dient gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april) te worden voorkomen. Als deze soorten worden waargenomen, dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. 4. Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Uit de quick scan blijkt dat er op een afstand van 100 meter van het plangebied geen negatieve effecten te verwachten zijn. Bijlage 1: verbeelding/ situatietekening is toegevoegd.

Bijlage 4: natuurdata Natuurloket is toegevoegd Grond 11: In het Waterhuishoudkundig plan wordt onvoldoende rekening gehouden met de karakteristieken van het gebied. Inhoudelijke reactie: In het Waterhuishoudkundig plan en het aanvullende memo van H2O wordt wel degelijk rekening gehouden met de karakteristieken van het gebied. Er is onder andere gebruik gemaakt van de boringen uit het bodemonderzoek. Dit is een karakteristiek van de situatie ter plaatse. Hieruit blijkt dat de bovenlaag bestaat uit zandgrond, terwijl de indieners van de zienswijze er vanuit gaan, zonder dat aan te tonen, dat er sprake is van venige grond. Ook wordt er in het Waterhuishoudkundig plan ingegaan op de specifieke hoogteligging van het perceel, terwijl de indiener van de zienswijze er vanuit gaat dat de locatie is gelegen in een laagte, zonder dat aan te tonen.

5

Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 12: Er wordt uitgegaan van een bergingsdiepte van 75 centimeter, terwijl niet duidelijk is of dit in de praktijk haalbaar is. Inhoudelijke reactie: Uitgegaan is van een bergingsdiepte van 75 centimeter. Op 22 december 2021 heeft er op locatie een overleg plaatsgevonden met een vertegenwoordiger van de Stichting Veen. Destijds is door deze vertegenwoordiger van de Stichting aangegeven dat een bergingsdiepte van 1 meter realistisch is. Veiligheidshalve is er in dit plan uitgegaan van een bergingsdiepte van 75 centimeter. Daarmee is een extra marge van 25 centimeter aangehouden. Op 16 november 2021 heeft er hierover afstemming plaatsgevonden met Staatsbosbeheer. Er is geen reden om te twijfelen aan de haalbaarheid van de bergingsdiepte. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 13: De voorgestane ontwikkeling past niet in de wens om middels verhoging van de grondwaterstand recht te doen aan de toekomst van deze regio. Inhoudelijke reactie: Zoals indiener van de zienswijze terecht aangeeft is het een “wens” om de grondwaterstanden in de regio te verhogen. Initiatiefnemer heeft daar in zijn eentje geen effect op. Als op termijn er verhogingen van grondwaterstanden zouden plaatsvinden, dan respecteert initiatiefnemer dat.

De percelen van initiatiefnemer zijn in de directe omgeving de meest hooggelegen percelen. Eventuele waterstandsverhogingen zullen hier pas als laatste effecten veroorzaken. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 14: In het plan wordt ten onrechte gesteld dat de beweiding door paarden die het plan zou toestaan, hogere grondwaterstanden kunnen verdragen dan akkerbouwmatige teelten. Inhoudelijke reactie: - Ter plaatse is op grond van het vigerende bestemmingsplan ook al teelt van gras en/of het beweiden door paarden mogelijk. Planologisch gezien treedt er daarmee geen verslechtering op; - In de memo van H2Opinion wordt aangegeven dat de bovengrond bestaat uit zandgrond en niet uit venige gronden zoals de indiener van de zienswijze stelt. Daarmee is oxidatie van CO2 uit de bodem niet aan de orde; - Het is vreemd dat dit gesteld wordt. Op de aansluitende percelen van de Stichting Veen wordt beweid met paarden/pony’s. Op 8 december 2022 vond er nog beweiding plaats door pony’s (inclusief vertrapping van de bodem). Als beweiding zo slecht is voor het milieu/klimaat kan de vraag gesteld worden waarom de Stichting Veen hiervoor kiest; - Binnen het plangebied vindt geen beweiding met paarden plaats. Zoals ook in de plantoelichting aangegeven wordt ter plaatse van de graspiste 3 tot 4 maal per jaar een training gehouden.

De kans op vertrapping is daarmee niet aan de orde. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 15: De uitbreiding past niet in de aard van het gebied.

6

Inhoudelijke reactie: Dit is een mening van de indiener van de zienswijze. In de inhoudelijke reactie onder grond 1 is omschreven waarom het initiatief passend is in het betreffende gebied. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 16: Het plan is in strijd met de Omgevingsvisie, die immers stelt dat de openheid van het gebied moet worden versterkt. Inhoudelijke reactie: In het ontwerp bestemmingplan zijn per abuis niet de juiste gebiedskwaliteiten en de te versterken waarden die behoren bij “kleinschalig halfopen ontginningslandschappen” opgenomen. Het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt is opgenomen als “kleinschalig halfopen ontginninglandschappen”. In de Omgevingsvisie is hierover het volgende opgenomen: Gebiedskwaliteiten - Kleinschalig landschap met afwisselend weiden, akkers, bos, heideterreintjes en daar doorheen (onverharde) paden. - Koningslust en nabij Grashoek: aantrekkelijke mozaïeklandschappen in combinatie met bos en natuurgebieden. - Halfopen ontginningslandschappen, kleinschalig door bebouwing (ten noorden van Meijel en ten zuiden van Maasbree). Te versterken waarden - Stimuleer agrotoerisme (o.a. op bezoek bij de boer) en verbrede landbouw (o.a. zorgboerderijen) en extensieve recreatie.

- Versterken van de biodiversiteit door variatie aan beplanting en de kwaliteit van bos en bosschages door te werken met divers sortiment, houtwallen en boomsingels en solitaire bomen. - Maak ecologische oevers langs sloten en beken. - Maak natte plekken in relatief lage gebieden, behoud extensieve (natte) weilanden. - Ontwikkel en versterk het wandelpaden- en fietspadennetwerk. Repareer ontbrekende schakels in het netwerk. - Behoud waardevolle doorzichten. Koester hiervoor ook open velden in bosrijk gebied. Het versterken van openheid is niet opgenomen als een van de te versterken waarden. In de reactie onder grond 1 is opgenomen op welke manier rekening is gehouden met de waarden van het gebied. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van de toelichting: -

In hoofdstuk 3.3 van de toelichting waren onder het kopje “Omgevingsvisie” per abuis niet de juiste gebiedskwaliteiten en waarden behorende bij “kleinschalig half open ontginningslandschappen” opgenomen. In paragraaf 3.3 zal onder het kopje “Omgevingsvisie Peel en Maas” daarom het volgende worden opgenomen:

Gebiedskwaliteiten - Kleinschalig landschap met afwisselend weiden, akkers, bos, heideterreintjes en daar doorheen (onverharde) paden. - Koningslust en nabij Grashoek: aantrekkelijke mozaïeklandschappen in combinatie met bos en natuurgebieden.

7

-

Halfopen ontginningslandschappen, kleinschalig door bebouwing (ten noorden van Meijel en ten zuiden van Maasbree).

Te versterken waarden - Stimuleer agrotoerisme (o.a. op bezoek bij de boer) en verbrede landbouw (o.a. zorgboerderijen) en extensieve recreatie. - Versterken van de biodiversiteit door variatie aan beplanting en de kwaliteit van bos en bosschages door te werken met divers sortiment, houtwallen en boomsingels en solitaire bomen. - Maak ecologische oevers langs sloten en beken, - Maak natte plekken in relatief lage gebieden, behoud extensieve (natte) weilanden. - Ontwikkel en versterk het wandelpaden- en fietspadennetwerk. Repareer ontbrekende schakels in het netwerk. - Behoud waardevolle doorzichten. Koester hiervoor ook open velden in bosrijk gebied. Grond 17: Het planvoornemen zal het ecologisch functioneren van de ecologische verbindingszone aantasten, niet alleen vanwege de hydrologische gevolgen, maar ook vanwege het ruimtebeslag. Inhoudelijke reactie: De ecologische verbindingszones in Limburg waren voorheen ondergebracht in de ‘Goudgroene Natuur’ en zijn nu ondergebracht in het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Deze gebieden zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland. Daarmee kan deze zone/ het NNN gebied ook niet aangetast, kleiner of smaller worden. Er is daarmee geen sprake van een aantasting van het ruimtebeslag.

De Provincie heeft in het kader van vooroverleg beoordeeld of er provinciale belangen geschaad worden door dit plan. Het aantasten van het NNN is een provinciaal belang. Hier is door de provincie geen opmerking over gemaakt. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 18: Niet gebleken is dat een positief advies van de Kwaliteitscommissie is ontvangen. Inhoudelijke reactie: Op 16 december 2021 heeft de Kwaliteitscommissie een paletadvies uitgebracht. Op basis van dit paletadvies is het inpassingsplan verder uitgewerkt. De gemeente heeft vervolgens op 16 mei 2023 beoordeeld of de opmerkingen van de Kwaliteitscommissie voldoende verwerkt zijn. De opmerkingen waren voldoende verwerkt en het plan is toen akkoord bevonden. Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van de toelichting: - In paragraaf 3.3 van de toelichting wordt onder het kopje ‘kwaliteitskader buitengebied’ het volgende aangepast: de gemeente heeft op het voorliggende inpassingsplan op 16 mei 2023 een akkoord gegeven (de passage ‘op 16 mei 2023’ is toegevoegd). Grond 19: De voorgestelde groene planonderdelen hebben geen relatie met de natuurwaarden die in dit gebied moeten worden nagestreefd. Het zou moeten gaan om het versterken van de natte natuurwaarden.

Het plan staat juist een vergroting van het bouwvlak tot 2,7 ha toe en het volbouwen met een massale hal en een grote paardrijbak, waar nu natte graslanden zijn.

8

Inhoudelijke reactie: Uit de toelichting van het bestemmingsplan, het waterhuishoudkundig plan en de memo van H2O Opinion blijkt dat er geen negatieve effecten optreden in de waterhuishouding. Hemelwater wordt in de bestaande situatie rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater. In de beoogde situatie wordt dit water vastgehouden op het perceel en in de infiltratievoorziening. Daarmee is er uitdrukkelijk aandacht besteed aan de waterhuishouding c.q. de natte natuurwaarden. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 20: Er is sprake van een betreurenswaardige discrepantie tussen Noord-Brabant en Limburg. Inhoudelijke reactie: Initiatiefnemer heeft geen invloed op het gevoerde beleid, niet van de Provincie Noord-Brabant en ook niet van de Provincie Limburg. Onderhavig plan dient getoetst te worden aan het vigerende beleid. Dat het wensbeeld van de indiener van de zienswijze er anders uit ziet dan het beleid van de provincie Limburg is iets waarop initiatiefnemer geen invloed heeft. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 21: Het plan leidt door verlaging van de grondwaterstand en de vertrapping door paarden tot extra oxidatie van het resterende veen. Dat leidt tot een verhoging van de CO2-uitstoot, in strijd met de Klimaatwet.

Inhoudelijke reactie: Het aspect over grondwaterstanden is al eerder als grond naar voren gebracht. Voor een reactie hierop wordt verwezen naar de inhoudelijke reactie onder grond 14. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 22: Het planvoornemen is in strijd met artikel 2.19.1 van de Omgevingsverordening Limburg. Inhoudelijke reactie: Artikel 2.19.1 schrijft voor dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving omvat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Uit het plan blijkt dat de emissies van ammoniak en stikstof vanuit de inrichting fors afnemen. Ook de emissies van fijnstof en geur nemen af door de beoogde ontwikkeling. Dat is voor het milieu/klimaat een positieve ontwikkeling. Deze afweging is reeds gemaakt ten tijde van het verwerven van de locatie. Het was tenslotte ook mogelijk geweest een locatie te verwerven waar geen (intensieve) veehouderij aanwezig was. Uit het Waterhuishoudkundig plan en de quickscan flora en fauna blijkt dat er geen negatieve effecten optreden.

Daarmee zal het plan niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering. Er is daarmee voldoende rekening gehouden met artikel 2.19.1 van de Omgevingsverordening Limburg. Als er sprake zou zijn van strijd met de Omgevingsverordening, dan had de provincie in het kader van het wettelijk vooroverleg hierover een vooroverlegreactie ingediend. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan.

9

Grond 23: Het plan gaat niet goed in op de toekomstbestendigheid van de locatie. Inhoudelijke reactie: De Provincie Limburg heeft in de reactie op het concept bestemmingsplan aangegeven dat initiatiefnemer zich goed en expliciet bewust dient te zijn van de toekomstbestendigheid omdat vanuit het perspectief van een ondernemer het aannemelijk en begrijpelijk is dat hij/zij een volgende stap (uitbreiding) in gedachte heeft. In het ontwerpplan is daarop aangegeven dat initiatiefnemer zich bewust is van de omgeving waarin het bedrijf ligt. Op korte afstand liggen gronden die onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland en op ruimere afstand ligt Natura2000 gebied Deurnsche- en Mariapeel (deelgebied het Zinkske). Daar heeft initiatiefnemer respect voor. Middels onderhavige omvang wordt het bouwvlak bedrijfsmatig gezien grotendeels ingevuld. Initiatiefnemer is zich er ook van bewust dat met de nu voorliggende omvang ook de maximale omvang is bereikt. Verdere uitbreidingen liggen op deze locatie ook niet voor de hand en zijn ook niet de wens van initiatiefnemer. Daarmee is er voldoende ingegaan op de toekomstbestendigheid van de locatie. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 24: Het planvoornemen leidt vrijwel zeker tot het verdwijnen van de zeldzame Koningsvaren uit het gebied.

In paragraaf 4.4 van het onderzoek bij de zienswijze is beschreven dat de haas, das en ree door de bouw van de paardenhouderij leefgebied kwijtraken. Inhoudelijke reactie: Niet is duidelijk waarom de Koningsvaren “vrijwel zeker” zal verdwijnen. Uit het waterhuishoudkundig plan blijkt dat er buiten de grenzen van de inrichting geen meetbare effecten optreden qua waterhuishouding. De koningsvaren komt binnen het beoogde bouwvlak niet voor. Daarmee zal het plan ook niet leiden tot het verdwijnen van deze soort. De netto vergroting van het bouwvlak is na realisatie niet of beperkt geschikt als leefgebied van deze soorten. Het gaat hierbij om een vergroting van het oppervlak van 7.332 m2. Het territorium van de das bedraagt volgens informatie van de zoogdierenvereniging tussen de 30 en 150 hectare, afhankelijk van het aanbod aan voedsel. Het territorium van de ree bedraagt volgens informatie van de zoogdierenvereniging (www.zoogdiervereniging .nl) tussen de 5 en 30 hectare, afhankelijk van het aanbod aan voedsel. Het leefgebied is de Europese haas is gemiddeld 26 tot 38 hectare groot, met uitschieters tot 300 hectare volgens informatie van “waarneming.nl”. Voor alle 3 de soorten geldt een zeer grote spreiding in oppervlak van leefgebied. Het potentieel wegvallen van 7.332 m2 aan leefgebied heeft geen negatief effect op de ree, das en haas.

Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 25: Het plan leidt mogelijk tot significante effecten op Natura2000-gebieden. Inhoudelijke reactie: Het bouwvlak van het bedrijf ligt op een afstand van ca. 615 meter van de grens van Natura2000 gebied “Deurnsche en Mariapeel”. Andere gebieden liggen op veel grotere afstand. Overige effecten die op kunnen treden zijn oppervlakteverlies, versnippering, verzuring, vermesting, verontreiniging, verdroging, geluid, licht, mechanische effect en, bewuste verandering van soortensamenstelling. De effecten van verzuring en vermesting hangen samen met het houden dieren. Door de afname van depositie van ammoniak treedt er een verbetering op ter plaatse van Natura2000 gebieden. Uit het Waterhuishoudkundig plan blijkt dat er geen negatieve effecten optreden voor wat betreft verdroging. Van oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, mechanische effecten en bewuste verandering van soortensamenstelling is geen sprake. Resteren mogelijke effecten voor wat betreft geluid en licht. Gezien de ruimte afstand zijn er ter plaatse van Natura2000-gebieden geen negatieve effecten te verwachten. Dit wordt ook gesteld in paragraaf 2.6.1 van de quickscan flora en fauna. 10

Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 26: Er dient een passende beoordeling gemaakt te worden. Inhoudelijke reactie: Uit de toelichting en onderzoeken behorend bij onderhavig bestemmingsplan blijkt dat er geen sprake is van significant negatieve effecten als gevolg van het plan. Omdat er geen significantie negatieve effecten zijn is het niet nodig om een passende beoordeling uit te voeren. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 27: Er is geen sprake van een agrarisch bedrijf, maar van een agrarisch-verwant bedrijf. Inhoudelijke reactie: Op basis van de bestemmingsplansystematiek binnen de gemeente Peel en Maas is een “Agrarisch verwant bedrijf” een als volgt gedefinieerd bedrijf: een niet-industrieel bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten of producten aan particulieren of bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden en derhalve door de aard van de activiteiten nauw verbonden is met het buitengebied. De activiteiten hebben betrekking op bewerking, verwerking, opslag, overslag, vervoer of verhandeling van agrarische producten voor derden. Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn: a. groencomposteringsbedrijven; b. hoveniersbedrijven; c. proefbedrijven; d.

agrarisch loonbedrijf; e. bijenhouderij. In dit geval gaat het om een agrarisch bedrijf dat zich bezig houdt met het houden, fokken, trainen en verhandelen van paarden en is daarom niet te beschouwen als een agrarisch verwant bedrijf maar als een agrarisch grondgebonden bedrijf. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 28: Waarom krijgt de bestemming niet de bestemming Agrarisch-Paardenhouderij? Inhoudelijke reactie: Op basis van de bestemmingsplansystematiek binnen de gemeente Peel en Maas zijn er voor paardenhouderijen 3 opties voor toekennen van een bestemming, namelijk, “Agrarisch Grondgebonden”, “Agrarisch - Paardenhouderij” en “Sport met nadere aanduiding paardenhouderij”. De wijze van gebruik bepaalt welke bestemming er toegekend dient te worden. Binnen de bestemming “Agrarisch - Paardenhouderij” zijn als hoofdactiviteit “gebruiksgerichte paardenhouderijen” toegestaan. Hiervan is in dit geval geen sprake. Deze bestemming is daarom niet passend. Binnen de bestemming “Sport” zijn maneges toegestaan. Hiervan is in dit geval geen sprake. Deze bestemming is daarmee ook niet passend. Binnen de bestemming “AgrarischGrondgebonden” is het toegestaan om een productiegerichte paardenhouderij te exploiteren.

Daar wordt onder verstaan: een agrarisch bedrijf waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voorbrengen (fokken), africhten en trainen en verhandelen van paarden. Hiervan is in dit geval sprake, er wordt met paarden getraind, er worden paarden verhandeld en er wordt met paarden gefokt. De bestemming “Agrarisch – Grondgebonden” is daarmee een passende bestemming.

11

Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 29: De wijzigingsmogelijkheid van omschakeling naar een paardenhouderij is niet in overeenstemming met de Omgevingsverordening Limburg. Inhoudelijke reactie: Het is niet duidelijk waarom deze wijzigingsmogelijkheid in strijd is met de Omgevingsverordening Limburg. Deze wijzigingsmogelijkheid zou gebruikt kunnen worden als in de toekomst het gebruik overwegend gebruiksgericht zou zijn. Vooralsnog is daar geen sprake van. Een manege past niet binnen de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’ of ‘Agrarisch – Paardenhouderij’. Een manege waar les gegeven wordt aan derden is bestemd als ‘Sport’. Het is ook niet de intentie om een manege te realiseren. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 30: Er is ernstig bezwaar tegen planregel 3.3.1. Deze zou beperkt moeten worden tot natuurstudies. Inhoudelijke reactie: In artikel 3.3.1 van de regels was, conform de regels van het Bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas, binnen de bestemming ‘Agrarisch’ een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de realisatie van een hoogzit. Deze regeling is voor dit plan echter overbodig dus wordt verwijderd. Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van de regels: - Artikel 3.3.1 (Afwijken van de bouwregels ten behoeve van een hoogzit) is verwijderd.

Grond 31: Planregel 4.1 laat teveel activiteiten toe. Genoemd worden de activiteiten: mestverwerking, caravanstalling, uitoefening van een bedrijf of beroep aan huis en de verkoop van producten. Inhoudelijke reactie: In artikel 4.1 van de regels was, conform de regels van het Bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas, binnen de bestemming ‘Agrarisch-Grondgebonden’ de mogelijkheid geboden voor: mestverwerking afkomstig van het eigen bedrijf (4.1 sub e), caravanstalling (4.1 sub f), uitoefening van bedrijf of beroep aan huis (4.1 sub h), verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten (4.1 sub h). Deze bepalingen zijn voor dit plan echter overbodig dus worden verwijderd. Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van de regels: - In Artikel 4.1 worden de volgende bepalingen verwijderd: mestverwerking afkomstig van het eigen bedrijf (4.1 sub e), caravanstalling (4.1 sub f), uitoefening van bedrijf of beroep aan huis (4.1 sub h), verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten (4.1 sub h); - Bijlage 1 bij de regels wordt verwijderd waardoor bijlage 1 bij de regels nu bijlage 2 bij de regels wordt. Grond 32: Activiteiten zoals benoemd in artikel 4.4.2., 4.4.5 en 10.3 laten activiteiten toe die niet gewenst zijn.

Inhoudelijke reactie: De planregels met betrekking tot het toestaan van een Beroep of bedrijf aan huis (4.4.2), Verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten (4.4.5) en het uitoefenen van een Bed & Breakfast (10.3) waren conform het vigerende bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas overgenomen. Deze bepalingen zijn voor dit plan echter overbodig dus worden verwijderd.

12

Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van de regels: - artikel 4.4.2 beroep of bedrijf aan huis is verwijderd - artikel 4.4.5 verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten is verwijderd - artikel 10.3 afwijken ten behoeve van Bed and Breakfast is verwijderd Dat betekent dat de regels zijn vernummerd. Grond 33: Artikel 4.2.5 staat lichtmasten tot 8 meter onbeperkt toe. Licht kan een sterke negatieve invloed hebben op natuurwaarden. Inhoudelijke reactie: In de toelichting is reeds aangegeven dat er rond de buitenrijbak geen verlichting en/of geluidsapparatuur zal worden toegepast. Ter plaatse van de buitenrijbak is de bestemming “AgrarischGrondgebonden” van toepassing, zonder bouwvlak. Binnen deze bestemming zijn mogelijkheden aanwezig om lichtmasten te plaatsen. Om tegemoet te komen aan de zienswijze is planregel 4.2.5 sub c onder 3 dusdanig gewijzigd dat lichtmasten alleen zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Ter plaatse van de buitenrijbak ligt geen bouwvlak. Daarmee is het niet meer mogelijk om rond de buitenrijbak lichtmasten te plaatsen.

Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van de regels: - Artikel 4.2.5 sub c onderdeel 3 wordt als volgt aangepast: lichtmasten zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt Grond 34: In de planregels zijn geen bepalingen omtrent geluid opgenomen. Inhoudelijke reactie: Het bedrijf valt onder de werking van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) (voorheen Activiteitenbesluit milieubeheer) en onder het Tijdelijk Omgevingsplan Peel en Maas. Deze geven de kaders aan voor wat betreft geluidbelasting. Hieraan dient de bedrijfsvoering te voldoen. Deze geluidsbelasting heeft betrekking op gevoelige objecten van derden (woningen). Indirect leiden deze normen ook tot begrenzing van geluid op omliggende percelen, waaronder natuur. Verder is in paragraaf 5.1.1. van de toelichting opgenomen dat de beoogde bedrijfsvoering minder intensief is dan de bestaande bedrijfsvoering. Er zal daarmee in de beoogde situatie minder sprake zijn van verstoring. In de quick scan flora en fauna is onder hoofdstuk 4 een motivering toegevoegd waaruit blijkt dat er geen sprake is van een extra verstoring van omliggende natuurwaarden (zie hiervoor ook de inhoudelijke reactie onder 10). Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan. Grond 35: Licht- en geluidsapparatuur zou verboden moeten zijn.

Inhoudelijke reactie: Hiervoor wordt verwezen naar de inhoudelijke reactie zoals opgenomen onder grond 33 en 34. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan.

13

Grond 36: Artikel 7.1.2 laat een ondergrondse bouwdiepte van 3 meter toe. Niet gebleken is dat de gevolgen hiervan voor waterhuishouding in de hydrologische kwetsbare omliggende natuurgebieden zijn onderzocht. Inhoudelijke reactie: Deze planregel is op grond van het vigerende bestemmingsplan ook reeds toegestaan binnen het bestaande bouwvlak. Om indieners tegemoet te komen wordt er een aanduiding op de verbeelding opgenomen waaruit blijkt dat er in het gedeelte van het bouwvlak dat toegevoegd wordt een diepte van maximaal 1 meter is toegestaan. In de regels wordt hier een afwijkende regeling voor opgenomen. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van de verbeelding en de regels: - verbeelding: op het gedeelte van het bouwvlak dat toegevoegd wordt, wordt een aanduiding “maximum ondergrondse bouwdiepte” opgenomen; - regels: artikel 7.1.2 sub d is toegevoegd.: ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding “maximum ondergrondse bouwdiepte (m)” bedraagt de ondergrondse bouwdiepte maximaal 1 meter. Grond 37: Reeds in het voortraject is door Stichting Veen een alternatief plan gepresenteerd. Dit plan wordt opnieuw naar voren gebracht. Inhoudelijke reactie: Reeds initiatiefnemer al eerder heeft aangegeven bij indiener dat hetgeen naar voren is gebracht geen realistisch alternatief is. Dat standpunt is niet gewijzigd.

Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het plan.

14

Ambtshalve wijzigingen De toelichting wordt als volgt aangepast: -

In paragraaf 3.1 is de laatste passage als volgt gewijzigd:

Volledigheidshalve wordt vermeld dat de Wet ammoniak en veehouderijen uitsluitend eisen stelt aan het houden van dieren in dierenverblijven, niet aan de opslag van mest. In het kader van de algemene zorgplicht uit het Besluit activiteiten leefomgeving geldt een afdakplicht voor mestopslagen. Dat beperkt eventuele emissies. -

In paragraaf 3.2 is de volgende passage toegevoegd:

Initiatiefnemer is zich er van bewust dat er in de toekomstige situatie mogelijk verhoging van waterpeilen zullen plaatsvinden. Voor de bedrijfsvoering op het erf leidt dat niet tot problemen omdat het erf hoger is gelegen dan alle omliggende percelen. Voor de buitenrijbak heeft het eveneens geen effect omdat deze zal worden voorzien van een eb- en vloedsysteem waarin waterhoeveelheden regelbaar zijn. De graspiste wordt slechts enkele malen per jaar gebruikt voor trainingen. In geval van hoge(re) grondwaterstanden zal initiatiefnemer steeds bepalen (zoals momenteel ook al) of op de dag van training de piste wel of niet te nat is. Als deze te nat is zal ze niet gebruikt worden. Gezien het gebruik vooral in de zomermaanden plaatsvindt is het niet te verwachten dat dit tot extra beperkingen zal leiden. Tenslotte kunnen hogere grondwaterstanden effect hebben op het gebruik van de paddocks. Deze worden alleen door de paarden gebruikt op het moment dat de bodem dat toelaat. Als er geen paarden in staan (winterperiode) worden hier schapen in geweid. Bij hogere grondwaterstanden zullen de paarden er minder lang lopen en de schapen langer. In het meest extreme geval is het ook te nat om er schapen te weiden. Dan zullen er geen dieren lopen. Initiatiefnemer accepteert deze situatie. -

In paragraaf 5.1.1 is onder het kopje ‘Nadere beschouwing bestaande bedrijfsactiviteiten ten opzichte beoogde situatie’ het volgende toegevoegd:

“Daarnaast worden de percelen landbouwgrond behorende bij het bedrijf intensief bewerkt door de teelten van mais, aardappelen, bieten en vergelijkbare gewassen”. En daarnaast is toegevoegd: De percelen grond zullen gebruikt worden als buitenpiste, buitenrijbak, paddocks en als grasland. De bedrijfsvoering is hier minder intensief dan bij akkerbouwmatige teelten zoals die voorheen plaatsvonden. Binnen deze percelen kunnen paarden, al dan niet met ruiter, aanwezig zijn. Deze zullen tot minder verstoring leiden, dan bij activiteiten met landbouwmachines. De mate van verstoring en mogelijke vormen van overlast zijn in de beoogde situatie kleiner dan in de bestaande situatie. Dit geldt niet alleen voor mensen, maar tevens voor diersoorten die zich in de directe omgeving van het plangebied bevinden. Uit de quick scan flora-fauna blijkt dat er op een afstand van 100 meter van het plangebied geen negatieve effecten meer te verwachten zijn. -

In paragraaf 5.4.2 is onder het kopje grondwater het volgende toegevoegd:

Deze onttrekking was ten tijde van de aankoop van de locatie door initiatiefnemer (nog) niet vergund, de voormalig eigenaar was niet op de hoogte van een vergunningplicht voor deze onttrekking. Bij het Waterschap Limburg is hiervoor op 11 oktober 2022 alsnog een vergunning aangevraagd, deze is op 15 december 2022 verleend. Daarmee is de onttrekking van grondwater gelegaliseerd. Uit het waterhuishoudkundig plan (bijlage 1) blijkt dat er geen negatieve effecten optreden.

15

-

In paragraaf 6.2 is onder het kopje toelichting en planregels het volgende toegevoegd:

Ook is opgenomen dat het bouwvlak voor maximaal 50% bebouwd mag worden met bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, daaronder niet begrepen de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning. Wettelijk vooroverleg De Provincie Limburg heeft naar aanleiding van het wettelijk vooroverleg een aantal opmerkingen gemaakt. Deze opmerkingen waren in het ontwerp bestemmingsplan verwerkt maar niet als zodanig opgenomen in paragraaf 7.2.2 van de toelichting. Daarom zijn ze alsnog in de toelichting van het vast te stellen bestemmingsplan opgenomen en is aangegeven op welke manier rekening gehouden is met de opmerkingen. -

In paragraaf 7.2.2 is het volgende toegevoegd:

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro De Provincie Limburg heeft naar aanleiding van het vooroverleg een aantal opmerkingen gemaakt. Deze opmerkingen zijn in deze toelichting verwerkt. Meer specifiek gaat het om de volgende aanpassingen: Toekomstbestendigheid van de locatie: de Provincie heeft aangegeven dat de initiatiefnemer zich bewust dient te zijn dat het bedrijf is gelegen in een omgeving met natuurgebieden en daarbij het verbeteren van deze natuurgebieden nadrukkelijk onderwerp van maatschappelijk en bestuurlijkpolitiek gesprek is. De toelichting is hierop in paragraaf 3.2. (pagina 13, 2e alinea) aangevuld. Ligging ten opzichte van gebieden die beschermd worden door de Wet Ammoniak en Veehouderij: in paragraaf 3.1 (pagina 13) is een extra “kopje” toegevoegd waarin wordt ingegaan op de Wet Ammoniak en Veehouderij. Keuze voor bestemming: in paragraaf 3.3 (pagina 20) is gemotiveerd waarom er voor de bestemming Agrarisch-Grondgebonden is gekozen en waarom dat in dit geval een juiste bestemming is. Toetsing aan provinciaal beleid: in paragraaf 3.2 zijn de “Omgevingsverordening 2014” en de “Omgevingsverordening Limburg” toegevoegd. In paragraaf 5.4.1. en 5.5.1 zijn de verwijzingen naar het POL2014 verwijderd. Instructieregels Omgevingsverordening Limburg: in paragraaf 3.2 (pagina 15) is een extra toelichting gegeven omtrent de instructieregels en hoe hier invulling aan gegeven wordt.

In de planregels onder artikel 4.4.3 sub d is een verwijzing naar de SNF normen opgenomen. Gebiedsgerichte Aanpak Vitale Peel: Provincie Limburg heeft verzocht om een subparagraaf toe te voegen over de gebiedsgerichte aanpak vitale Peel. Deze is opgenomen in paragraaf 3. 2 (pagina 16). Beschrijving grondwatersysteem: de Provincie heeft verzocht om te beschrijven welke effecten het initiatief heeft op de grondwaterstanden en grondwaterkwaliteit ter plaatse van en in de omgeving van het plangebied. In paragraaf 5.4.3 is hieraan aandacht besteed. Verder heeft initiatiefnemer een Waterhuishoudkundig plan (bijlage 1) op laten stellen om de effecten inzichtelijk te maken. Advies Kwaliteitscommissie: de Provincie adviseert om het plan pas voor te leggen aan de Raad als er een volwaardig integraal advies is van de gemeentelijke Kwaliteitscommissie. Verder wordt geadviseerd om geen overgedimensioneerde paardenhouderij toe te staan Ten tijde van de vooroverlegreactie was er nog geen positief advies beschikbaar, ondertussen is dit er wel. Op pagina 25 en 26 van de planbeschrijving is aangegeven welke bebouwing er voor de bedrijfsvoering nodig is met bijbehorende maatvoering. Daarmee is er geen sprake van een overgedimensioneerde paardenhouderij. De goothoogte van de rijhal is teruggebracht naar 5 meter.

De goothoogte van de opslagloods is teruggebracht naar 5.75 meter en de bouwhoogte is 16

teruggebracht naar 8.90 meter. Ook deze beperkte hoogtes beperken een overdimensionering. In het ontwerpplan zijn deze hoogtes per abuis niet opgenomen. In het vast te stellen plan zijn deze hoogtes wel correct opgenomen. Gekozen systematiek voor bebouwing: De Provincie vraagt te onderbouwen waarom er niet gekozen is voor een bouwvlak dat meer om de gebouwen heen ligt of om een maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen op te nemen. Ter plaatse van de rijbak is aangeduid dat hier alleen een rijbak is toegelaten. Dit geeft geen ruimte voor het oprichten van bebouwing. Om het bedrijf te kunnen realiseren is er tussen de gebouwen ruimte nodig om te manoeuvreren met vrachtwagens en paardentrailers. Daarmee is het niet logisch dat alles volgebouwd zal worden. Om flexibiliteit te behouden is het niet wenselijk om binnen het bestemmingsvlak met meerdere bouwvlakken te werken. Om toch te voorkomen dat het volledige bouwvlak bebouwd wordt is in de planregels opgenomen dat er maximaal 50% van het bouwvlak bebouwd mag worden met bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijde. QuickScan Flora en Fauna: verzocht wordt om de uitgevoerde Quickscan Flora en Fauna op een aantal punten verder uit te werken en aan te passen. Paragraaf 5.3 van de toelichting dient hierop uitgebreid en geactualiseerd te worden.

Naar aanleiding van de opmerking is de Quickscan Flora en Fauna aangepast (datum rapport 30 augustus 2022). In paragraaf 5.3 wordt verwezen naar het geactualiseerde rapport. Evenementenregeling: door de Provincie Limburg wordt aangegeven er geen overeenstemming is over het opnemen van een evenementenregeling in de planregels. De regels die hierop betrekking hebben zijn allen geschrapt uit de planregels. Algemene wijzigingsbevoegdheden: door de Provincie Limburg geeft aan dat er veel mogelijkheden zijn om af te wijken van het bestemmingsplan en vraagt zich af of deze nodig zijn bij een hoogwaardige paardenhouderij. De opgenomen wijzigingsbevoegdheden zijn allen bevoegdheden die rechtstreeks overgenomen zijn uit het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas. Deze zijn niet noodzakelijk bij een hoogwaardige paardenhouderij. De bevoegdheden zijn daarom uit de planregels gehaald. Verblijfsrecreatie: verzocht wordt om terughoudend te zijn met het creëren van de mogelijkheid tot verblijfsrecreatie. Deze mogelijkheid (afwijkingsbevoegdheid) is uit de planregels gehaald. -

In paragraaf 7.2.4 is als volgt gewijzigd:

Het ontwerpplan heeft van 2 juni 2023 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er zienswijzen ingediend. Initiatiefnemer heeft een reactie gegeven op de ingebrachte zienswijzen. Naar aanleiding van de zienswijzen is er een “Nota van zienswijzen” opgesteld die onderdeel uitmaakt van de besluitvorming. -

Bijlage 2: beoordeling stikstofdepositie is geactualiseerd met nu meest recente Aeriuscalculator.

Regels: In artikel 4.2.2. onder c. van de regels is een maximum bebouwingspercentage opgenomen om te voorkomen dat het hele plangebied volgebouwd kan worden. Dit artikel wordt als volgt aangepast: 4.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: a. per bouwvlak is maximaal één grondgebonden bedrijf toegestaan; b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde in de vorm van waterbassins, teeltondersteunende voorzieningen en sleuf- en mestsilo's mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde in artikel 4.2.5; 17

c.

het bouwvlak mag voor 50% worden bebouwd met bedrijfsbebouwing (exclusief bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken), met dien verstande dat nieuwe bedrijfsgebouwen of uitbreidingen daarvan slechts mogen worden gebouwd indien de nieuwe bebouwing voldoende landschappelijk wordt ingepast; d. voor het overige moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 4.2.3, 4.2.4 en 4.2.5. In artikel 4.2.3 van de regels wordt sub d en e toegevoegd. Dit artikel wordt als volgt aangepast: 4.2.3 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a. bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de voorgevel van de bedrijfsgebouwen dient te worden gebouwd in of achter de bestaande voorgevelrooilijn; c. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt respectievelijk maximaal 5,8 en 11 meter. d. ter plaatse van de maatvoering “maximale goothoogte” mag de goothoogte van bedrijfsgebouwen niet meer bedragen dan de aangeduide goothoogte. e. ter plaatse van de maatvoering “maximale bouwhoogte” mag de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen niet meer bedragen dan de aangeduide bouwhoogte. In artikel 7.1.2 sub d. is een maximale bouwdiepte opgenomen voor het perceelsdeel wat op dit moment nog geen bouwvlak is. Daarmee wordt voorkomen dat er grote ondergrondse bouwwerken opgericht kunnen worden.

Dit artikel wordt als volgt aangepast: 7.1.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens de in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, dan wel onder een bestaand hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk; b. het oppervlak van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter onder peil; d. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding “maximum ondergrondse bouwdiepte (m)” bedraagt de ondergrondse bouwdiepte maximaal 1 meter; e. bij het berekenen van de blijkens de verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte en de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet in aanmerking genomen. Als gevolg van het schrappen van bijlage 1 is bijlage 2 gewijzigd in bijlage 1. Als gevolg hiervan dienen de volgende regels aangepast te worden: bijlage 2 wordt bijlage 1 in artikel: - 3.1 sub c; - 4.1 sub c; - 4.4.3; - 11 sub b wordt geschrapt De volgende artikelen zijn uit artikel 1 ‘begrippen’ geschrapt omdat ze niet van toepassing zijn op dit plan: 1.14: beroep aan huis 18

1.18: bedrijf aan huis 1.31: caravanstalling 1.50: horeca van categorie 1 1.51: horeca van categorie 2 Hierdoor zijn de overige artikelen vernummerd.

Verbeelding: -

De verbeelding wordt als volgt aangepast:

Op een gedeelte van het bouwvlak is de maatvoering: ‘maximale goothoogte en maximale bouwhoogte’ opgenomen. Op een gedeelte van het bouwvlak is de maatvoering ‘maximum ondergrondse bouwdiepte’ opgenomen.

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=f9b4e7c0-68e3-4f27-acdb-3882f397090d