CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-078 15 Zienswijze anoniem (geanonimiseerd)

Raad 27 juni 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “Bestemmingsplan Vieruitersten 24 Meijel”, wijziging van Agrarisch- Intensieve veehouderij naar Agrarisch Grondgebonden en vergroten van het bouwvlak (2024-078)8.527 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

INGEKOMEN

: acnz cchitg

43 UMB

nb

& 5

&

e

&

ö

ÏÍ‚

i

d) n(geanonimise r(geanonimiseerd)

Emai hetgoeneschiagzomaom

Aqvies en rechtsbijstand n bestuursrecht

Gemeenteraad Postbus

5980 AB

Uw

Goee Son

6700 AP Wageningen

van

Peel

en

Maas

7088

Panningen

kenmerk:

1894/2022/2507968

Mijn kenmerk:

_ 23-47/PM45b

Betreft:

zienswijze

Wageningen,

Geachte

11 juli 2023

Leden

van

de Raad,

Namens de Stichting Verwerving Extra Eige

Natuurontwikkeling (verder: Stichting Veen… !eel‚ — (gezamenlijk verder te noemen: cliënten), (statutair gevestigd te Deurne) en de

Stuchting

Werkgroep

oud

de

dien ik hierbij de navolgende zienswijze in naar aanleiding van het

ontwerpbestemmingsplan Vieruitersten 24 Meijel. De Stichting Veen stelt zich ten doel het totstandkomen van een zoveel mogelijk aaneengesloten en duurzaam zelfregenerend en grootschalig

hoogveen- en moerasachtig natuurgebied in de Peelregio te bespoedigen. Daartoe verwerft de stichting gronden nabij het Verheven Peelgebied ten behoeve van de natuurbescherming. Zo verwerft en beheert de stichting gebieden ten behoeve van met name natte natuur, waarmee naast de natuurwaarden zelf ook randvoorwaarden worden geschapen voor het verder ontwikkelen

van de Peelrestanten,

zoals Scherliet en het Zinkske.

De Stichting Werkgroep Behoud de Peel zet zich in voor behoud en herstel

van de hoogvenen in het Peelgebied. Cliënten zijn erg bezorgd over de ontwikkeling die het ontwerpbestemmingsplan zou mogelijk maken. Het initiatief is te groot en bevindt zich op de verkeerde plek. Sprake is van een ecologisch zeer waardevol en kwetsbaar gebied. Het gebied vormt een zogenoemde lagg: de rand van een hoogveen die zowel wordt gevoed door zuur, basearm water dat afkomstig is uit hoogveen, als door niet-zuur, basenrijker grondwater van grote diepte. Dit maakt het gebied ecologisch zeer soortenrijk en bovendien is

deze situatie landschapsecologisch en hydrologisch heel bijzonder voor Nederland. De beoogde paardenhouderij zal zorgen voor een daling van de grondwaterstand, terwijl verhoging van de grondwaterstand juist van belang is voor behoud en versterking van de natuurwaarden in het Peelgebied. Het initiatief is in de huidige voorgestelde vorm bovendien slecht voor de biodiversiteit. Het ontwerpbestemmingsplan is daarom in strijd met een

goede ruimtelijke ordening. Dit zal hieronder verder gemotiveerd worden. Hydrologie De hydrologie is van groot belang voor de natuurwaarden in het gebied. Het initiatief zal echter een ongunstig effect hebben op de hydrologische situatie van de natuurgebieden in de omgeving die worden beheerd door Staatsbosbeheer en Stichting Veen, maar ook op andere gebieden.

De

beoogde paardenhouderij ligt in een langgerekte natte laagte en zal daarom adequaat drooggelegd moeten worden.

De extra bebouwing en het extra

verharde oppervlak en de gesloten rijbak leiden er toe dat er geen natuurlijke infiltratie en kwel kan optreden. Bovendien wordt ook ter plaatse van de paddocks regenwater afgeleid naar de infiltratievijver. Dit suggereert dat ook drainage is voorzien aan de zuidwest-zijde van het bouwblok. Dat leidt dan nog tot een aanvullend negatief ingrijpen in de natuurlijke waterhuishouding. Deze drooglegging zal zorgen voor ontwatering. Daardoor zal de grondwaterstand dalen in de omliggende natuurgebieden, zoals van Staatsbosbeheer en Stichting Veen, Ook zal de kwelintensiteit afnemen. Voor

behoud en versterking van de natuurwaarden in het gebied is het echter juist van belang dat de grondwaterstand verhoogd wordt. Cliënten verwijzen

ij

paar de deskundigenrapportage van prof.

üe.iden internationaal erkende hoogveendeskundigen. Hun rapport is hier bijgevoegd als productie 1. In dit verband wordt vooral gewezen op bladzijden

12 tot en met

16.

Anders dan in de plantoelichting op blz. 13 staat vermeld, heeft het

planvoornemen dus wel degelijk een negatief effect op het beheer van de aan het plangebied grenzende gebieden, die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Limburg (NNL). Eerdere investeringen van Stichting Veen, Staatsbosbeheer en de Provincie Limburg in het Nationale natuurnetwerk zullen weer voor een aanzienlijk deel teniet gedaan worden. Anders dan de

plantoelichting op blz. 15 vermeldt, leidt het onderhavige plan wel tot aantasting van de waarden op het perceel aan de zuidoostzijde van het plangebied, dat in beheer is van Stichting Veen als natuurgebied dat als onderdeel van de zilvergroene natuurzone dient ter ondersteuning van de functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone.

Aangezien het planvoornemen leidt tot daling van de grondwaterstand en verminderde kwel in de omliggende natuurgebieden, leidt het planvoornemen niet tot een integrale kwaliteitsverbetering van de omgeving en is het niet passend bij de draagkracht van het gebied. Anders dan in de plantoelichting

wordt geconcludeerd, bestaan er vanuit de Omgevingsvisie daarom degelijk belemmeringen voor het onderhavige initiatief.

wel

In het Waterhuishoudkundig plan (bijlage 1 bij de plantoelichting) wordt

onvoldoende rekening gehouden met de specifieke karakteristieken van het gebied. Daar wordt uitgegaan van een grondwatermodel.

De ondergrond is

echter niet gemodelleerd op basis van nadere boringen. Het model is daarom te grof opgebouwd om goede uitspraken te kunnen doen. Bovendien zijn de gehanteerde grondwaterstanden en grondwaterpeilgegevens niet gebaseerd op de actuele en meest nabije gegevens. Er wordt uitgegaan van een inzijgingssituatie, terwijl er sprake is van een veel complexere hydrologische situatie van inzijging en kwel. Bovendien wordt uitgegaan van een bergingsdiepte van 0,75 meter, terwijl het niet duidelijk is of dit ook in de praktijk een haalbare situatie zal zijn. Dit is slechts een aanname.

De hydrologische kwetsbaarheid van het perceel van Stichting Veen en van de omringende

natuurgebieden maken

de voorgestane plannen

onverantwoord.

Dit steekt nog te meer, nu de Ecologische Autoriteit recentelijk heeft aangegeven dat de natuurwaarden in de Peelvenen onder extreme druk staan. De voorgestane ontwikkeling past niet in de wens om middels verhoging van de grondwaterstand recht te doen aan de toekomst van deze regio.

Op blz. 13 van de plantoelichting wordt ten onrechte gesteld dat de beweiding door paarden die het plan zou toestaan, hogere grondwaterstanden zouden kunnen verdragen dan akkerbouwmatige teelten. Paardenweiden kunnen daarentegen juist geen hogere waterstanden verdragen, omdat ze dan op de venige ondergrond kapotgetrapt worden. Daardoor vindt oxidatie van het veen plaats, wat een bijdrage levert aan het broeikaseffect.

Voor wat betreft de ligging van het planvoornemen en de omliggende gronden van het Nationaal natuurnetwerk en van Stichting Veen, wordt verwezen naar figuur 1 in productie

1.

Landschapsecologisch De uitbreiding van de bebouwing in de beoogde omvang past niet in de aard van het gebied. Het perceel van Stichting Veen maakt onderdeel uit van een

samenhangend hoogveengebied (Scherliet) met kwelgebied ’t Molentje. Het vormt onderdeel van een langgerekte ecologische verbindingszone langs het kanaal (zie het rapport in productie

1). In de onderbouwing van de

landschappelijke inpassing wordt regelmatig gemeld dat de openheid van het gebied gewaarborgd is. Door de omvang van de bebouwing is hiervan echter geen sprake. Anders dan op blz. 19 van de plantoelichting wordt gesteld, is het plan dan ook in strijd met de Omgevingsvisie, die immers stelt dat de openheid van het gebied versterkt moet worden.

‘t Molentje maakt bovendien onderdeel uit van een kilometerslange ecologische verbindingszone. Het planvoornemen zal het ecologisch functioneren van die ecologische verbindingszone echter aantasten, niet

alleen vanwege de hydrologische gevolgen, maar ook vanwege het ruimtebeslag. 15/16.

De zone wordt immers smaller. Zie ook productie

1, blz.

Ook om deze reden leidt het planvoornemen niet tot een integrale kwaliteitsverbetering van de omgeving en is het niet passend bij de draagkracht van het gebied, zodat er belemmeringen zijn vanuit de

Omgevingsvisie. Cliënten wijzen er ook op dat de provincie in het kader van art. 3.1.1 Bro op

dit punt waarschuwingen gaf. Aangegeven is dat het mogelijk maken van een overgedimensioneerde paardenhouderij binnen dit gevoelige landschap onwenselijk is. Geadviseerd is daarom om het plan pas ter besluitvorming voor te leggen wanneer er een definitief en volwaardig integraal positief advies van de Kwaliteitscommissie is ontvangen.

Niet gebleken is dat dat zo’n

advies is ontvangen. Cliënten menen dat bij het voorgestelde plan wel degelijk sprake is van een overgedimensioneerde paardenhouderij. De aard van de voorgestelde groene planonderdelen (landschappelijke inpassing) hebben bovendien geen relatie met de natuurwaarden die in dit gebied nagestreefd moeten worden. Het zou daarbij met name dienen te gaan om het versterken van de natte natuurwaarden. Het plan staat juist een vergroting van het bouwvlak tot 2,7 ha toe en het volbouwen daarvan met

onderandere een massale hal en een grote paardrijbak, waar nu natte graslanden zijn. Er wordt op blz. 6 van de plantoelichting dan ook volstrekt

ten onrechte gesteld dat de ecologische waarden worden versterkt. Cliënten merken overigens op dat er een betreurenswaardige discrepantie is tussen Noord-Brabant en Limburg waar het betreft de verwerving van

nieuwe natuur in het Molentje. Het Molentje ligt deels in de provincie NoordBrabant en deels in Limburg. Het vormt echter één en hetzelfde gebied: een veengebied dat is ontstaan in een voormalig Maasdal, dat nog verder doorloopt in het Leegveld. In Noord-Brabant is het grootste deel van de gronden al verworven (zie het kaartje op de volgende bladzijde), zijn vrijwel alle agrarische bedrijven al aangekocht, en de rest staat op de planning om op korte termijn verworven te worden. Daarna wordt het hele gebied vernat als tegendruk tegen de Peelreservaten. In Limburg echter nog niets van dat alles en in plaats daarvan dreigt met onderhavige ontwikkeling in dit gebied een groot nieuw bouwproject. Klimaat

Het plan leidt door verlaging van de waterstand en de vertrapping door paarden tot extra oxidatie van het resterende veen, doordat de moerige grond

extra aan zuurstof wordt blootgesteld. Dat leidt tot een verhoging van de CO:-uitstoot, in strijd met de doelstelling in de Klimaatwet. Zie ook productie

Taakstelling grondverwerving 2022

-

& Corece NNB ookseling 0 2020

e

Ambitie in 2022

a

hiped Bewoonde nonww (ca 2486 ho} e

B

aa

v

‚m E

vorwonen o 434 b

co 255 hof

j

e

32he

NEENTE

25

Verkocht

teigroed

%e

-

ò E

1, blz. 15. Anders dan de ruimtelijke onderbouwing van het planvoornemen stelt, past het plan daarmee niet binnen de doelstellingen van het NPLG.

Het planvoornemen dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, ontbeert in strijd met art. 2.19.1 van de Omgevingsverordening Limburg

2014 bovendien een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met risico’s en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden

getroffen om deze risico’s te beperken.

Toekomstbestendigheid In het kader van het vooroverleg op grond van art. 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft de provincie vraagtekens geplaatst bij de toekomstbestendigheid van de locatie in verband met de Gebiedsgerichte Aanpak

(GGA) Vitale Peel en de startnotitie NPLG.

Ondanks deze kritische

kanttekeningen wordt er in de plantoelichting nog steeds niet goed ingegaan op de toekomstbestendigheid van het gebied. Vernatting van natuurwaarden en daarmee regeneratie van hoogveen dient randvoorwaardelijk te zijn. Dit komt echter niet tot uiting. Flora en fauna

In productie

1 is in $ 4.1 aangegeven dat in de directe omgeving van het

planvoornemen veel zeldzame rode lijstsoorten voorkomen. Er bevindt zich nog een zaadbank van waaruit verdwenen plantensoorten zich opnieuw

kunnen vestigen. Dit wordt gefrustreerd door de verharding en bebouwing in het planvoornemen. Ook is aangegeven dat het planvoornemen vrijwel zeker leidt tot het verdwijnen van de zeldzame koningsvaren uit het gebied. Aan de oostzijde van de Peelkanalen bevindt zich het natuurreservaat de Scherliet

met hoge botanische waarden die sterk afhankelijk zijn van de hydrologie. Het bouwvoornemen draagt het risico in zich dat het de doodsteek is voor deze vegetaties. In $ 4.2 wordt beschreven dat er zeer zeldzame libelles en dagvlinders voorkomen, waarvan het voortbestaan eveneens sterk afhankelijk is van de

juiste hydrologie, die bedreigd wordt door het planvoornemen. In $ 4.3 wordt de rijkdom aan broedvogels beschreven, waaronder soorten

die gebonden zijn aan een vochtig leefmilieu, zoals de rode lijst soorten graspieper en wintertaling. Het plangebied kan door zijn grotere omvang dan de voormalige mesterij en doordat het planvoornemen tot meer verstoring zal leiden, leiden tot schade aan dergelijke soorten, met het grote risico dat ze geheel verdwijnen. In $ 4.4 staat beschreven dat haas, das en ree door de bouw van de

paardenhouderij leefgebied kwijtraken. Natuurtoets

Het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel bevindt zich op tamelijk korte afstand. Het plan leidt mogelijk tot significante effecten op dit Natura 2000-gebied. Significante effecten kunnen ook op andere wijze plaatsvinden dan door de stikstofdepositie. Dit kan ook gebeuren door de

gevolgen voor de hydrologie die het plan heeft. Het kan ook door gevolgen voor flora en fauna. Zoals uit het rapport in productie

1 blijkt, heeft het plan

immers negatieve effecten op de aangrenzende natuurgebieden van het NNL en van Stichting Veen en op populaties van beschermde soorten. Deze natuurgebieden vormen een buffer voor het er achter gelegen Natura 2000-

gebied en versterken de waarden ervan. Daardoor wordt het Natura 2000gebied robuuster. Achteruitgang van beschermde soorten leidt er toe dat de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten minder

gunstig wordt. Daardoor gaat de staat van instandhouding van de habitat of het leefgebied in het Natura 2000-gebied ook achteruit. Er dient daarom een passende beoordeling gemaakt te worden. Dat is ten onrechte niet gebeurd. In die passende beoordeling moet naast bovengenoemde effecten, ook de stikstofproblematiek betrokken worden.

Hetgeen in de plantoelichting staat vermeld over de stikstofdepositie is in het kader van een passende beoordeling voor dit planvoornemen

onvoldoende.

Paardenhouderij Het plan beoogt de komst van een hoogwaardige (topsport) paardenhouderij met bijbehorende voorzieningen mogelijk te maken. Daarmee is sprake van

een in hoge mate opfokken en trainen van paarden en niet zozeer het fokken van paarden. Er is daarmee geen sprake van een productiegebonden paardenhouderij. Daarmee is er ook geen sprake van een agrarisch bedrijf, maar eerder van een agrarisch verwant bedrijf. Daarmee is, anders dan in de plantoelichting staat aangegeven, geen sprake van een agrarische ontwikkeling. Anders dan in de plantoelichting staat aangegeven, is de ladder voor duurzame ontwikkeling wel van toepassing. Het initiatief is

daarom, anders dan de plantoelichting stelt, wel strijdig met de Omgevingsverordening Limburg 2014. Niet voor niets heeft de provincie in het kader van het vooroverleg art. 3.1.1 Bro dan ook de vraag gesteld waarom de gronden niet direct de bestemming

Agrarisch-paardenhouderij krijgen. Dit zou, gezien het initiatief, de bestemming moeten zijn. De in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bestemming Agrarisch-Grondgebonden maakt het initiatief niet mogelijk, dan wel deze bestemming is zo ruim ingevuld dat het niet langer daadwerkelijk om een agrarische bestemming gaat. Ook de wijzigingsmogelijkheid van omschakeling naar paardenhouderij in planregel art. 4.5 is niet in overeenstemming met de Omgevingsverordening Limburg 2014. Onduidelijk is verder wat deze wijziging behelst. Als één van de voorwaarden wordt gesteld dat het gaat om een volwaardig agrarisch

bedrijf. Maar in geval van een agrarisch bedrijf, moet het gaan om een productiegerichte paardenhouderij, en dan is wijziging van de bestemming juist niet nodig. Die is nodig wanneer het gaat om een niet-productiegerichte

paardenhouderij. De provincie heeft er al op gewezen dat de komst van een manege niet mogelijk moet zijn.

Planregels Cliënten hebben ernstig bezwaar tegen het toestaan onder voorwaarden van

een hoogzit voor de jacht in planregel art. 3.3.1. Dit is volstrekt uit den boze en zou moeten worden beperkt tot natuurstudies. De planregel art. 4.1 sub a laat een niet-grondgebonden neventak als nevenactiviteit

toe. Voorts

worden

onder

sub

e tot en met

sub

h

mestverwerking, caravanstalling, uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis en verkoop van producten toegestaan. Dit maakt de afbreuk die het plan kan brengen aan de omliggende natuurwaarden nog groter, en is daarom

ongewenst.

Deze activiteiten zouden dan ook niet moeten worden

toegestaan, zoals thans in planregels art. 4.4.2 en 4.4.5. Dergelijk gebruik zou als strijdig gebruik verboden behoren te worden. Hetzelfde geldt voor de afwijking ten behoeve van bed & breakfast die planregel art. 10.3 toestaat. Planregel art. 4.2.5 staat lichtmasten van maximaal 8 meter hoogte rond de paardrijbak onbeperkt toe. Licht kan echter een sterke negatieve invloed hebben op de omliggende natuurwaarden.

Omtrent geluid zijn geen bepalingen in de planregels opgenomen. In de plantoelichting is uitsluitend de geluidsoverlast naar de omliggende bebouwing behandeld, maar niet de invloed op de omliggende natuurwaarden. Ook geluid kan daarop een sterke negatieve invloed hebben. Licht- en geluidsapparatuur zou op deze gevoelige bestemming verboden

moeten zijn. Art. 7.1.2 staat een ondergrondse bouwdiepte tot 3 meter onder peil toe. Niet is gebleken dat de gevolgen hiervan voor de waterhuishouding in de hydrologisch kwetsbare omliggende natuurgebieden onderzocht zijn. Alternatief voorstel Cliënten hebben wel nagedacht over een alternatief voorstel, dat voldoende tegemoetkomt aan zowel de natuurbelangen als de belangen van de paardenhouderij. Dit alternatieve voorstel wordt bijgevoegd in productie 2. Door de hoogveendeskundigen die het rapport in productie 1 hebben opgesteld, wordt dit alternatief voorstel positief beoordeeld. Cliënten

verzoeken u daarom het planvoornemen zodanig aan te passen dat het in overeenstemming is met dit alternatieve voorstel. Cliënten zijn verder bereid om met de initiatiefnemers verder in gesprek te blijven om te komen

tot een plan dat aan alle belangen

tegemoetkomt.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande verzoek ik u namens cliënten het plan niet vast te stellen in de huidige vorm, maar het plan te wijzigen conform het

Productie 1: advies Prof. — Dit advies is opgesteld door de volgende (inter) nationaal erkende hoogveendeskundigen

* Prof. —ntemationaal bekend hoogveendeskundige, professor in Greifswald (Duitsland) en dit jaar winna: bondspresident persoonlijk is uitgereikt

je Duitse milieuprijs die hem door de Duitse oorspronkelijk afkomstig uit de Peel, kent

het gebied als zijn broekzak, en is over de hele wereld actief bij het beschermen van

landschapsecoloog bij de stichting Bargerveen. -1eefl vorig jaar hoogleraar ecohydrologie aan de Rijksuniversiteit Groningen Prof. Dr. Is eindredacteur en met verder 30 auteurs met hun speciale streekkennis hét standaardboek over hoogvenen in Nederland uitgebracht: Hoogvenen landschapsecologie behoud-beheer-herstel (390 blz.).

Notitie betreffende de vestiging van een paardenhouderij in ’t Limburgse Molentje

Zutphen/Greifswald (Duitsland) versie 4 september 2022

Inhoudsopgave LInleiding ndsch:

ische

en h

isch

van

't

Molentj.

3 Landschapsecologische gevolgen van de bouw van een paardenhouderij rkwaliteiten

paardenhouderij daarop 4.1 Flora.

van de Kwakve

n

ving

en

n van

1 le

1 Inleiding Op 24-12-2021 is er een conceptaanvraag ingediend voor de vestiging van een paardenhouderij in

het Molentje Zuid op het adres Vieruitersten 24. Een lerse ondernemer heeft ter plekke een landbouwbedrijfen enkele aangrenzende percelen gekocht en wil het bouwblok 2-3 maal zo groot maken en daar grote gebouwen neerzetten. Het voorgestelde bouwblok grenst direct aan een perceel van 20 hectare dat (op initiatief van de

Stichting VEEN) in 2001 door de provincie Limburg is aangekocht en nu in beheer is van Staatsbosbeheer, en aan het eerste perceel dat Stichting VEEN heeft verworven in 2006. Het plangebied grenst dus grotendeels onmiddellijk aan het nationale natuurnetwerk (NNN, de voormalige ecologische hoofdstructuur), zeker als ook het geel omlijnde perceel van stichting VEEN wordt meegerekend (Figuur z). Dat laatste perceel wordt al sedert de verwerving als natuurgebied beheerd en is door de provincie Limburg afgewaardeerd, waarbij de stichting VEEN verplicht geworden is het perceel als vochtig schraalgrasland te beheren.

——

_

Grens

NNN

di

piengelied

Grensnatuurgebied ting

VEEN.

Figuur 1: Ligging van het plangebied te midden van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN) en de natuurgebieden van stichting VEEN.

De gemeente heeft de initiatiefnemer laten weten voornemens te zijn om aan zijn plan mee te werken. Er is reeds een conceptplan opgesteld. Voor de realisatie is echter een bestemmingsplanwijziging nodig die door de gemeenteraad moet worden goedgekeurd. In dat kader heeft Stichting VEEN ons als hoogveendeskundigen gevraagd de waarden van ’t Molentje te

beschrijven, zowel de huidige natuurwetenschappelijke waarden, 0.a. als broed- en foerageergebied, maar ook de landschapsecologische waarden van dit deel van de westflank van de Verheven Peel en

de functie als ecologische verbindingszone. Het gebied is voor Stichting VEEN tevens van belang voor natuurrecreatie en natuureducatie.

Deze functies komen

in deze notitie echter niet aan de orde.

2 Het landschapsecologische en hydrologische belang van ’t Molentje ’t Molentje is een van de vier kwelgebieden aan de westrand van de hoogveenrestanten van de Verheven Peel (0.a. Deurnsche Peel, Liesselse Peel, Heitrakse Peel, 't Zinkske, Scherliet) (Fguur 2). Net

als de kwelgebieden van de Eikenlaan, Leegveld en Imkerweg ligt het ‘Molentje tegen de oostzijde van de Peelrandbreuk, waardoor grondwater wordt gedwongen opwaarts te stromen (Figuur 3). Dankzij de grote overdruk van het grondwater bereikt dit opwaarts stromende grondwater van

nature het maaiveld en treedt als kwelwater uit. Met andere woorden: 't Molentje is een wijstgebied (Meuwissen & Van den Brand, 2003).

Figuur 2: Ligging van de beoogde paordenhouderij (rood viak} in 't Molentje en ten opzichte van de Peelrestanten Heitrakse Peel,

' Zinkske en Scherliet

De Peelrandbreuk bestaat feitelijk uit een stelsel van breuken. De zogeheten Breuk van Meijel, één van die breuken uit het stelsel (https://www.deurnewiki.nl/wiki/index.php?title=Peelrandbreuk), loopt oostelijk van Meijel door 't Molentje en komt bij de Koeweideweg bij de Peelrandbreuk. Deze breuk belemmert een normale, min of meer zijdelingse stroming van het grondwater doordat de Peelrandbreuk een vrijwel ondoorlatende verticale laag is. Dat ondoorlatende karakter is onder

andere het gevolg van het langs elkaar schuiven van delen van de aardkorst (van de Peelhorst en van de Centrale Slenk), waardoor lagen met verschillende doorlatendheid tegenover elkaar kwamen te liggen en versmeerd raakten.

Eerste veenvorming

E E veteroerendpokserzand m --m

— G W P

E zwarveen oo wroombaan gondwater

9

lokeelgrondeater

Figuur 3. Grondwater dat als regenwater ten westen van waterscheiding op de Marisberg is geïnfiltreerd treedt stroomopwaarts van de Peelrandreuk als kwelwater weer uit. Daar ligt 't Molentje en zijn dikke vertikale lagen ijzeroer

ontstaan. Deze toestand heeft de veenvorming sterk bevorderd, eerst die van door grondwater gevoed veen (boven) en laterde ontwikkeling van hoogveen (zwart- en grauwveen; midden). Door vervening en ontwatering is tegenwoordig bijna alle veen verdwenen (onder).In ’t Molentje is echter op de meeste plaatsen nog 0,5 tot 1 meter van het door grondwater gevoede veen aanwezig. De stroming van het grondwater is in hoofdljnen gelijk gebleven, waardoor er goede ‘mogelijkheden zijn voor herstel van grondwater gevoede veenvorming in ‘t Molentje. Voor verdere toelichting zie tekst.

Maarer is meer aan de hand. Het grondwater moet bovendien van een pakket met grotere poriën tussen de zandkorrels (0.a. Formatie van Beegden) in een pakket met kleinere poriën (0.a. Formatie

van Boxtel) gaan stromen, waardoor water ter hoogte van de breuk stagneert en tevens opwaarts moet gaan stromen.

Het opwaarts stromende water bevat ijzer, komt nabij het maaiveld in contact met zuurstof uit de atmosfeeren slaat dan neer als een slecht doorlatend ijzerbankje. Daardoor is het breukvlak in de loop der tijd nog slechter doorlatend geworden en werd het grondwater geforceerd op een steeds

hoger niveau uit te treden (Figuur 3). Zo ontstonden langs de Peelrandbreuk verticale roest- of oerbanken die functioneren als een ondoorlatende verticale ondergrondse damwand.

Door die

“damwand” wordt de grondwaterstroming in stroomafwaartse richting sterk belemmerd, wat er voor zorgt dat het bovenstroomse grondwater tot op een hoog niveau wordt opgestuwd en het maaiveld bereikt (Figuur 3). Dit proces is kenmerkend voor wijstgronden. Het ontstaan van natte omstandigheden, en daarmee veenvorming, op de Peelhorst en tegen de Peelrandbreuk, is voorts nog bevorderd door de ondiepe ligging van de slecht doorlatende basis (de Formatie van Breda) van het watervoerende pakket (slechts tien tot twintig meter onder het maaiveld) (Figuur 3), waardoor het grondwater niet diep kan wegzakken. *

De geologische situatie die verantwoordelijk is voor de natte omstandigheden op de

Peelhorst en tegen de Peelrandbreuk, én aldus in het Verheven Peelgebied, inclusief ‘t Molentje, is te beschouwen als een ondergrondse badkuip, waaruit het water alleen over de

westrand kan wegstromen (Figuur 3). Alleen aan de noordkant van de Verheven Peel ontbreekt een badkuipwand, waardoor — samen met de haaks op elkaar staande waterscheidingen in het zuiden en oosten - de overheersende stromingsrichting van het grondwater niet anders dan zuidoost-noordwest gericht kan zijn.

Figuur 4: Ligging van de langgerekte laagte met aan weerszijden hogere gronden. Links een dekzandrug, rechts de hoge gronden van de Peelhorst met dekzandruggen. Uiterst west de lagere gronden van de Centrale Slenk. Met de rode pijl: de ‘beoogde locatie voor de bouw van een nieuwe paardenhouderij aan de Vieruitersten 24. Bron: Actueel Hoogtemodel Nederland (AHN, www.ahn.nl)

Het grondwater trad juist bij ’t Molentje uit omdat daar vlak stroomopwaarts voor de Peelrandbreuk een langgerekte laagte ligt, die aan de oostzijde (de Peelhorst en de vroegere hoogvenen) en de

westzijde (een dekzandrug op oude terrasrandafzettingen van de Maas) is begrensd door hoge gronden. Het bijzondere van de bezittingen van Stichting VEEN en van de locatie van de beoogde 7

nieuwe paardenhouderij s dat zij aan het begin van die langgerekte laagte liggen, dus direct tegen een (lokale) waterscheiding, die uit een smalle dekzandrug bestaat met daarop de buurschap

Vieruitersten. Deze rug staat dwars op de rug die parallel aan de Peelrandbreuk loopt en scheidt de langgerekte laagte van 't Molentje van de ten zuiden daarvan gelegen laagte. Deze zuidelijke laagte eindigt bij de Katsberg, ten zuidoosten van Meijel. De rug van Vieruitersten vormt aldus de zuidelijke waterscheiding van het systeem van de Verheven Peel en loopt in oostelijke richting naar de Marisberg om daar de noord-zuidgerichte waterscheiding te kruisen. De positie van ’t Limburgse Molentje pal ten noorden van de waterscheiding van de Vieruitersten wordt nog eens bevestigd door de topografische kaart uit het einde van de 19° eeuw (www.topotijdreis.nl; Figuur 6), waarbij het deel ten noorden van deze waterscheiding nog uit nat veen bestaat, terwijl de laagte ten zuiden ervan al is ontgonnen tot geperceleerde hooilanden. Uit die kaart blijkt tevens dat in het noorden van het Limburgse Molentje (het huidige natuurgebied) en in het Brabantse Molentje, op grote schaal werd verveend. Hier was op door grondwater gevoed veen hoogveen ontstaan (Werkgroep Behoud de Peel, 1988).

In feite vormde het kwelgebied van het zuidelijke deel van het Limburgse Molentje, waar de beoogde paardenhouderijis gesitueerd, de dan nog steeds door grondwater gevoede rand van het hoogveen in het Brabantse Molentje en het noordelijke dee wat door veenkundigen een lagg wordt genoem de rand van een hoogveen die zowel wordt gevoed door zuur, basenarm water dat afkomstig is uit een hoogveen als door niet-zuur, basenrijk(er) grondwater van grote diepte. Zulke laggs stonden bekend als behorend tot de

ecologisch meest soortenrijke levensgemeenschappen N

z. 1970;

Witde Planten deel 1,

p. 169). Dat maakt de gronden van Stichting VEEN ecologisch dan ook zeer waardevol, vooral wanneer het ingezette verschralingsbeheer zijn vruchten gaat afwerpen.

Figuur 5: Detail van Figuur 1, waaruit bljkt dat de locatie voor de beoogde nieuwe paardenhouderij (met rode pijl aangegeven) in het meest zuidelijke deel vn de longgerekte laagte ligt, die iets verder zuidelijk door een smalle zandrug (met roze pijl aangegeven) wordt gescheiden van een ten zuiden daarvan gelegen langgerekte laagte. Bron: Actueel Hoogtemodel Nederland (AHN, www.ahn.nl

Figuur 6: Topografische kaort uit het einde van de 19e eeuw met daarop de ligging van de beoogde nieuwe paardenhouderij (rode pijl, de waterscheiding ten zuiden daarvan en het Brobantse deel van het Molentje dat toen werd verveend ten noorden daarvan. Bron: www.topotijdreis.nl

Figuur 7: Ligging van de Peelrandbreuk en van de

twee regionale waterscheidingen in de Verheven Peel. Bron: Werkgroep Behoud de Peel; overgenomen uit Blankers & Van Noorden (2019).

Niet alleen de ligging tegen de Peelrandbreuk heeft gezorgd voor het ontstaan van natte omstandigheden en veenvorming. Ook de positie van de langgerekte laagte tussen twee hogere ruggen heeft daaraan een grote bijdrage geleverd. De hoge stijghoogte van het grondwater in ’t Molentje belemmert het diep wegzakken van het regenwater naar de ondergrond. Daardoor kunnen de waterstanden in de dekzandruggen in de winter opbollen, en wanneer de laagten ook ’s zomers onder water staan, gebeurt dat het gehele jaar. Deze opbolling in de parallel aan de langgerekte laagte liggende ruggen zorgt voor lokale kwel van grondwater en heeft in deze langgerekte laagte vermoedelijk aan de basis gestaan van de veenvorming. Onder invloed van een verder stijgende regionale grondwaterspiegel, door een natter wordend klimaat, door verdere afdichting van de breuk met ijzeroer en door de veenvorming zelf, kon het landschap verder vermorsen en kon ook 9

veenvorming optreden in de ondiepere laagten en geulen. Het grondwater van grotere diepte zal vooral in het meest westelijke deel zijn uitgetreden. Een vergelijkbare situatie en ontwikkeling in de

tijd s recent beschreven doorfft a (2022, in prep.) voor de Deurnsche Peel en het ten westen daarvan gelegen Leegveld. Gezien de vergelijkbare landschapsecologische posities van ’t Molentje en Leegveld is er is vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de ontwikkeling in t

Molentje op hoofdlijnen anders zal zijn verlopen. Ook vanuit landschapsecologisch perspectief is ’t Limburgse Molentje van groot belang. Het vormt het meest bovenstroomse kwel- en wijstgebied van de Verheven Peel, waar water uittreedt dat in

het zuidoostelijke deel van die Verheven Peel is geïnfiltreerd (Figuur 7). Of anders gezegd, de plek in het landschap waar het eerste grondwater uittreedt, dat als regenwater in de Verheven Peel is geïnfiltreerd. Ten slotte geldt dat hier een hoogveenrestant (Scherliet) grenst aan een lagg. Hoewel deze landschapsecologische en hydrologische eenheid wordt doorsneden door het Kanaal van Deurne en de Helenavaart is deze situatie uiterst bijzonder voor Nederland. Alleen in de Deurnsche Peel, het Aamsveen (bij Enschede), het Korenburgerveen en Wooldse Veen (beide bij Winterswijk) doet deze situatie zich voor. Tot voor een decennium geleden was deze bijzondere overgang van ‘hoogveen naar lagg nog herkenbaar in de plantengroei (zie paragraaf 4.1; Figuur 8 en Figuur9).

10

3 Landschapsecologische gevolgen van de bouw van een paardenhouderij De bouw van een grootschalige paardenhouderij belemmert, in ieder geval voor zeer lange tijd, het herstel van een samenhangend kwel- en inzijggebied of anders gezegd van een samenhangend ‘hoogveengebied (Scherliet) met zijn naast gelegen kwelgebied of lagg (‘t Molentje). De beoogde paardenhouderij ligt in de langgerekte, natte laagte en behoeft daarom een adequate drooglegging volgens bouwkundige normen. Deze drooglegging zal zorgen voor ontwatering, waardoor niet alleen de grondwaterstand zal dalen en de kwelintensiteit zal afnemen in de natuurgebieden van Staatsbosbeheer en Stichting VEEN, maar ook op andere laaggelegen gronden. De initiatiefnemer van

de paardenhouderij bezit bovendien twee percelen ten zuidwesten van zijn bouwblok tot aan de bebouwing aldaar (zie ook afb. 1 van het conceptrapport). Om hier paarden te kunnen weiden zal ook hier de venige bodem drooggelegd moeten worden. De verlaging van de waterstand en de vertrapping door paarden zal de moerige grond extra aan zuurstof blootstellen en leiden tot extra oxidatie van het resterende veen. Dat is in strijd met de Klimaatwet, die stelt dat we in 2030 onze CO‚-uitstoot met 49 procent moeten hebben verlaagd en in 2050 met 95 procent, ten opzichte van het jaar 1990.

De ontwatering die inherent is aan de plannen voor een paardenhouderij zal het onmogelijk maken een veelbelovend natuurgebied n het meest bovenstroomse kwelgebied van de Verheven Peel en daarmee een kwel- en infiltratiegebied samenhangend

met het meer benedenstroomse deel van ’t

Molentje in de Provincie Noord-Brabant te ontwikkelen. Door verwerving en inrichting van de laatste laag gelegen gronden in het zuiden van ’t Molentje kan wél een goed functionerend samenhangend kwel- en inzijggebied worden hersteld met, zoals uit bovenstaande moge blijken, zeer hoge potentiële ecologische waarden. De realisatie van de paardenhouderij al voor een daling

van de grondwaterstand zorgen Het

omgekeerde dient echter te gebeuren—rundwalerexperl bij Deltares,

kennisinstituut voor water en bodem, heeft voor de proVincie Noord-Brabant precies uitgezocht wat de natuurgebieden in deze provincie nodig hebben aan water. Volgens hem is, om de kwel in de natuurgebieden weer aan of dichtbij het maaiveld te laten komen en de grondwaterstand in natte regenwaterafhankelijke natuur te herstellen, noodzakelijk de beregening te beperken en de grondwaterstand met gemiddeld 30 centimeterte verhogen (radio-uitzending Vroege Vogels 29 mei 2022) Het is dan ook niet te begrijpen waarom de vochtige zone ten zuiden van het plangebied niet begrensd s als NNN. Het Limburgse en Brabantse deel vormen immers een hydrologische eenheid

Het is dan ook een beleidsmatige omissie, aangezien de Provincie Noord-Brabant haar deel van 't Molentje (d.w.z. het gebied ten noorden van het plangebied) wel heeft begrensd als NNN. Het niet begrenzen aan Limburgse zijde schaadt de natuurwaarden aan de Brabantse zijde omdat ruimtelijke ontwikkelingen, als bebouwing en de daarmee samenhangende droogleging en toename van verhard oppervlak kunnen worden toegelaten, zelfs op gronden direct tegen het NNN. Tegelijkertijd kan het grondwaterregime in percelen die verworven zijn voor natuur, zoals die van Stichting VEEN, niet

worden hersteld vanwege het vernattende effect daarvan op de omgeving.

Overigens, zij hierbij

opgemerkt dat dit deel van 't Molentje oorspronkelijk ook begrensd was als EHS, maar die status is er

later weer af gehaald. Desondanks heeft de provincie daarna toch nog een perceel van 20 ha, direct grenzend aan de geplande paardenhouderij, aangekocht en omgezet in natuurgebied. ’t Molentje is voorts onderdeel van een kilometerslange ecologische verbindingszone, van de Maas via het Neers Kanaaltje, de Helenavaart en het Kanaal van Deurne tot in het noorden van de Peel. Het bouwen van de beoogde paardenhouderij in deze ecologische verbindingszone zal het ecologisch 1

functioneren ervan aantasten vanwege het ruimtebeslag — de zone wordt smaller — en de hydrologische gevolgen ervan Al met al worden met de bouw van de beoogde grootschalige paardenhouderij eerdere investeringen van Stichting VEEN, Staatsbosbeheer en de Provincie Limburg in het NNN weer voor een aanzienlijk deel teniet gedaan. Dat is maatschappelijk een lastige boodschap, ook vanwege het recreatieve en educatieve gebruik van het gebied.

12

4 De natuurkwaliteiten van de Kwakvors en omgeving en de

effecten van de beoogde paardenhouderij daarop 4.1

Flora

In de omgeving van het plangebied worden regelmatig vegetatiekarteringen uitgevoerd in het kader van de natuurmonitoring van het Nationaal Natuur Netwerk. In #iguur £ zijn de resultaten van deze

karteringen van de laatste 10 jaar samengevat. Alleen de meest bijzondere soorten zijn weergegeven. Op de tongvaren na zijn het allemaal soorten die opgenomen zijn in de nationale Rode Lijst van bedreigde vaatplanten. Opvallend is het grote aantal bijzondere soorten in het natuurontwikkelingsgebied het Molentje (eigendom Staatsbosbeheer) ten noorden van het plangebied. Zeldzame soorten als beenbreek, heidekartelblad, klokjesgentiaan en moeraskartelblad zijn hier verschenen na de uitvoering van natuurherstelmaatregelen in het voormalige agrarische

gebied. Hiermee is aangetoond dat de voormalige cultuurgronden nog een zaadbank bevatten van waaruit verdwenen plantensoorten zich opnieuw kunnen vestigen als het terrein wordt ingericht tot

natuurgebied. Dit zal zeker ook gelden voor het plangebied. Bij verharding en bebouwing worden deze potenties gefrustreerd. Een concreet geval illustreert ook de potentie van het plangebied. In 1988 werd hier nog de uiterst zeldzame en bedreigde welriekende nachtorchis gevonden (iguur 9). In 1979 werden in het Molentje nog gevlekte orchis en moeraswespenorchis aangetroffen (Werkgroep Behoud de Peel, 1988) en langs sloten groeiden n 1988 nog diverse zeggensoorten, waaronder oeverzegge, snavelzegge. tweerijige en zwarte zegge (Werkgroep Behoud de Peel, 1988). Deze soorten zijn relicten van de vroegere lagg van het aangrenzende hoogveen, waarvan het gebied deel uitmaakte (zie hoofdstuk 3). In het plangebied is ook de koningsvaren aangetroffen (iguur #). Deze varensoort komt slechts incidenteel tot kieming, wanneer de milieucondities optimaal zijn. Zo'n situatie laat soms meer dan

tien jaar op zich wachten. De soort compenseert dit euvel door heel oud te worden. Het is dan ook een van de weinige kruidachtige planten in ons land die met gemak meer dan 100 jaar oud kan worden. Het uitvoeren van de bouwplannen leidt vrijwel zeker tot de verslechtering van de groeiomstandigheden van deze beschermde soort en daarmee het verdwijnen uit dit gebied Naast het natuurontwikkelingsgebied Molentje is aan de oostzijde van de Peelkanalen nog een gebied met een hoge botanische waarden gelegen (Fguur£). Dit is het natuurreservaat de Scherliet (eigendom Staatsbosbeheer; Aiguur 1). Hier bevindt zich een zeer verdrogingsgevoelige hoogveenvegetatie met planten als eenarig wollegras, lavendelhei en kleine zonnedauw, maar groeien ook soorten die de overgang indiceren van door regenwater gevoede naar door grondwater gevoede standplaatsen. Elke minieme verslechtering van de hydrologie in de omgeving kan de doodsteek voor deze

vegetaties betekenen. Door de realisatie van de bouwplannen zal de grondwaterstand zakken en het verhard oppervlak toenemen. Gezien de huidige precaire situatie van het Peelgebied kan geen verslechtering worden toegelaten. Daarbij refereren wij aan uitspraak van de Raad van State in zake de vergunningplicht voor het gebruik van grondwater voor beregening van 24 februari 2021.

13

o ”|

. den Bergd

Figuur 8: Bijzondere hogere planten in en rondom het plangebied vanaf 2013.

https://natuurgegevensprovincielimburg.nl/)

14

Bron

e omgeving van het plangebied van vóór 2013.

15

Bron:

4.2 Libellen en dagvlinders Het plangebied en omgeving herbergt een grote insectenrijkdom. Het zou in dit kader te ver voeren alle groepen met vele duizenden soorten hier te behandelen. Er is gekozen voor de groep van

Figuur 10: Libellen en dagvlinders van de Rode Lijst vanaf 2012 in en in de omgeving van het plangebied.

Bron:

Nationale

Databank Florg en Fauna (NDDF.

dagvlinders en libellen die zeer representatief zijn voor de totale entomofauna. Deze soortengroepen vormen om die reden ook een vast onderdeel van de regelmatige natuurmonitoring die (verplicht) n

het NNN wordt uitgevoerd. Om de zaak verder in te kaderen en de nadruk op de meest bijzondere 16

soorten te leggen zijn in #i9uu7 70 alleen de Rode Lijstsoorten vanaf 2012 weergegeven. Het gaat hierbij om de libellensoorten de beekrombout, de venwitsnuitlibel en de gevlekte witsnuitlibel. Met name de witsnuitlibellen zijn erg gevoelig voor het opdrogen van hun leefmilieu. Vanuit dit

perspectief is elke verdere verslechtering van de hydrologische situatie ongewenst. Sterker nog, alle onomkeerbare ingrepen die de verbetering van de hydrologie in de weg zitten, zoals de oprichting van gebouwen en het verharden van oppervlak, dienen te worden voorkomen. E zijn de laatste tien jaar zeven soorten dagvlinders van de Rode Lijst in en om het plangebied aangetroffen. Hieronder bevinden zich zeer zeldzame soorten als het spiegeldikkopje en de grote vos. Vooral het

spiegeldikkopje is een zeer verdrogingsgevoelige soort, waarvoor geldt dat de hydrologische weerbaarheid dient te worden vergroot. Afname van deze weerbaarheid door de geplande paardenhouderij past daar niet in.

4.3 Broedvogels In Werkgroep Behoud de Peel (1988) wordt een overzicht gegeven van de toenmalige en vroegere ornithologische kwaliteiten van ’t Molentje, zowel het Brabantse als het Limburgse. was er nog een korhaanbolderplaats.

In de jaren 1960

Het gebied was in die tijd ornithologisch van grote waarde

vanwege de rijkdom aan weide- en akkervogels. Zo worden voor de jaren 1960 veldleeuwerik en gele kwikstaart opgegeven, terwijl in 1972 - 73 er tureluur, gele kwikstaart en grauwe gors broedden. In 1965 en 1976 werden 5 paartjes grutto’s en broedende watersnippen vastgesteld, alsmede 3 broedparen patrijs, 2 paar graspiepers, 2 paar gele kwikstaarten, 4 paar grasmussen en 2 paar roodborsttapuiten. In 1979 broedden in ‘t Molentje 0.a. graspieper, roodborsttapuit, paapje en watersnippen.

In 1986-1987 broedden er waarschijnlijk meer dan 6 paar grutto's en werden 1-2

territoria van de gele kwikstaart, 1 paar roodborsttapuit en 1 paar geelgors genoteerd. Ook de wulp heeft er toen mogelijk gebroed. Toen al werd vastgesteld dat “het Molentje een voor Brabantse en

Limburgse begrippen bijzonder gebied is. Waarschijnlijk is het Molentje, gelegen op een hoogte van 31 m boven N.A.P,, zelfs het hoogst gelegen weidevogelgebied van Nederland. “ De broedvogelbevolking van 't Molentje is ingrijpend gewijzigd, veel ging verloren door de sindsdien sterk geïntensiveerde landbouw, andere delen werden ingericht tot natuurgebied. Desondanks is het plangebied rijk aan broedvogels. In 2016 is het gebied vlakdekkend onderzocht door de Provincie

Limburg (https://natuurgegevensprovincielimburg.nl/). In Figuur 11 zijn de meest bijzondere soorten weergegeven, die tijdens dit onderzoek zijn aangetroffen. Net als bij de eerder besproken natuurwaarden zijn hier soorten bij die gebonden zijn aan een vochtig leefmilieu dat niet mag uitdrogen. Dit zijn onder andere de blauwborst, dodaars, graspieper, grutto, kievit, kleine karekiet, rietgors, waterral en wintertaling. Hiervan zijn de graspieper en wintertaling opgenomen in de nationale Rode Lijst. Elke ingreep die de verdroging in de hand werkt, zoals de bouw van de paardenhouderij, zal deze kwetsbare soorten schaden. In de directe nabijheid van het plangebied broeden verstoringsgevoelige soorten, zoals de geelgors, spotvogel, bosrietzanger en kleine karekiet. Nu is alleen de voormalige kalvermesterij een verstorende locatie. In de toekomst zal de menselijke activiteit in het gehele plangebied toenemen en daarmee de verstoring voor genoemde

vogelsoorten. De kans is daarbij groot dat genoemde soorten verdwijnen.

Voor dergelijke kleine

zangvogels geldt een gemiddelde verstoringsafstand van 75 me!erFt al, 2022), waardoor alle zangvogels in de aangrenzende natuurgebieden van Staatsbosbeheer en stichting VEEN daar nadeel van zullen ondervinden.

17

Geeigors Gekraagde Roodstaart Gele Kwikstaart

Graspieper

Grauwe Viegenvanger Groene Specht

Figuur 11:

Enkele schaarse en

zeldzame broedvogels in en rondom het plangebied in 2016.

Bron.

https://natuurgegevensprovincielimburg.nl

4.4 Zoogdieren Het Molentje en omgeving herbergt ook diverse bijzondere of kwetsbare zoogdieren. Vanwege de structurele afname van haas en konijn in ons land zijn deze soorten in 2020 op de nationale Rode

18

Lijst terecht gekomen. Vooral voor de haas is het plangebied met omgeving een belangrijk leefgebied (Fiauu7 12). Door de bouw van de paardenhouderij gaat een deel van het leefgebied van deze soort

Figuur 12: Bijzondere en kwetsbare zoogdieren in en rondom het plangebied vanaf 2012.

Bron:

Nationale Databank Flora en

Founa (NDDE).

verloren. De das heeft aan de overzijde van de Peelkanalen enkele burchten. Deze dieren kunnen

goed zwemmen en zullen daarom gebruik maken van het plangebied om er te foerageren. Het voorgenomen bouwplan zal dit deel van het leefgebied ongeschikt maken. Voorts worden jaarlijks reekalveren geboren op/nabij het perceel van VEEN. Ook voor das en ree geldt dat door de

19

bouwplannen een deel van het leefgebied wordt aangetast. De bever is aangetroffen in de grenssloot tussen het gebied van Staatsbosbeheer en het te bebouwen gebied (Fauur 1; Fguur 12).

20

5 Beoordeling van het alternatief van Stichting VEEN Het alternatief dat door Stichting VEEN is voorgesteld om de beoogde paardenhouderij te verplaatsen in zuidwestelijke richting en aansluitend bij de bebouwing van de Buurtschap Vieruitersten, d.w.z.

op de smalle hoge rug die de waterscheiding vormt, is vanuit

landschapsecologisch perspectief veel beter. Niet alleen omdat daar al veel bebouwing is, maar

tevens omdat de bebouwing en exploitatie daar een veel geringere negatieve invloed zal hebben op het bestaande natuurgebied, de eventueel toekomstige natuurgebieden — in het kader van het stikstofbeleid kan geenszins worden uitgesloten dat langs de randen van de Verheven Peel op grote schaal landbouwbedrijven uitgekocht gaan worden - en het functioneren van de ecologische verbindingszone. Bovendien komt de paardenhouderij op grotere afstand van de Peelrestanten Zinkske en Scherliet te liggen, wat vanuit oogpunt van stikstofdepositie gunstiger zal zijn. De provincies Brabant en Limburg zijn de initiatiefnemers van het zogeheten Geopark Peelhorst +

Maasvallei i.o., zie 0.a. Nature Today van 8 juni 2020 (www.naturetoday.com/intl/ni/naturereports/message/?msg=26288). Beide provincies willen het park aanmelden als Werelderfgoed! Een van de zaken die in het Geopark voorop staat is het versterken van de wijstverschijnselen bij de Peelrandbreuk. Blijkens het filmpje op https://peelhorstenmaasvallei.nl/ wil het Geopark i.o. “de unieke kenmerken koesteren en beschermen” “[.]

voor toekomstige generaties” en waar

volgens

/ethouder in de gemeente Uden, “We met elkaar moeten volhouden om het te behouden voor de langere termijn”. Het plan voor de paardenhouderij staat haaks op al deze inzet

en voornemens. Er is sprake van zeer tegenstrijdige beleidsvoornemens. Het alternatief van de Stichting VEEN doet veel meer recht aan de doelstellingen en intenties van het Geopark i.o.

21

Literatuur Blankers, P. & B. van Noorden, 2019. 29. De Verheven Peel. In: A.J.M. Jansen & A.P. Grootjans (red.): Hoogvenen: landschapsecologie - behoud - beheer herstel, pp. 300-311. Noordboek Natuur, Gorredijk. pp. 392.

Jansen, AJ.M. & A.P. Grootjans (red.), 2019. Hoogvenen: landschapsecologie - behoud - beheer herstel. Noordboek Natuur, Gorredijk. pp. 392 Jansen, A.J.M,, J.H.J Joosten & G.A. van Duinen, 2022. Landschapsecologische herstelstrategie voor de Deurnsche en Liesselse Peel en de bufferzone Leegveld. Uitgangspunten voor de herstelstrategie en advies voor compartimentering en streefpeilen. Rapport Stichting Bargerveen, Nijmegen. Jansen, A.J.M., I. Diepenveen, M.L. Franssen, G. Jenniskens, J.H.J. Joosten,J. Mensink, R. Versluijs, J. Sevink & G.A. van Duinen, 2022 (in prep.). Veen en veenbasis in de Deurnsche Peel. Het laatste

grauwveen in de Peel. Rapport. Stichting Bargerveen, Nijmegen. Joosten, H. F. Tanneberger & A. Moen (eds.), 2017. Mires and peatlands of Europe. Status, distribution and conservation. Schweizerbart Science Publishers, Stuttgart. Krijgsveld K.L., B. Klaassen & J. van der Winden, 2022. Verstoring van vogels door recreatie. Uiteratuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Vogelbescherming Nederland, Zeist. Meuwissen, .J.M. & L. van den Brand, 2003. Brabantse wijstgronden in beeld. Inventarisatie en verkenning van de aanpak. Notitie in opdracht van Waterschap De Aa, Staatsbosbeheer en Brabantse Milieufederatie. Topline Graphic Consultants / Ontwerpstudio Ton Eele, Nuenen / Eindhoven. Werkgroep Behoud de Peel. 1988. Het Molentje draait op nieuwe winden. Informatie over een

“marginaal” stukje Peel. Notitie. Liessel. Westhoff, V., P.A. Bakker, C.G. van Leeuwen, E.E. van der Voo & R. Westra, 1970.Wilde planten: flora en vegetatie in onze natuurgebieden.

deel 1. Vereniging tot behoud van natuurmonumenten in

Nederland, Amsterdam.

22

23

Productie 2: ruimtelijk alternatief stichting VEEN

Dit ruimtelijk alternatiet is opgesteld N doo

…

bestuursleden van stichting VEEN. Zij zijn beiden geograaf en zijn gedurende (een deel van) hun loopbaan bij het ministerie van LNV betrokken geweest bij het opstellen van ruimtelijke plannen, onder andere bij de ruimtelijke inrichting van de Peelvenen.

Bovenstaand ruimtelijk alternatief is naar onze mening om de volgende redenen een goede oplossing:

1. De (omvang van de) paardenhouderij kan volledig gerealiseerd worden volgens het conceptplan, waarbij (de uitbreiding van) het bouwblok slechts plaats hoeft te vinden aan de andere zijde van de waterloop en dus over een slechts geringe afstand verschoven te worden in zuidwestelijke richting.

2. Er hoeft geen sprake te zijn van verwerving van gronden omdat de hele bebouwing gerealiseerd kan worden op gronden die in bezit zijn van de paardenhouderij. 3. De nieuwe bebouwing sluit aan bij bestaande bebouwing, die bij de verdere planvorming in het bedrijf betrokken kan c.q. zal worden.

4. De natuurzone c.q. ecologische verbindingszone aan weerzijde van het Kanaal van Deurne blijft gehandhaafd c.q. wordt nog versterkt. Voordeel daarbij is dat ook de natuurbeleving van het (met enthousiaste steun van de gemeente gerealiseerde) struinpad Verheven Peel gehandhaafd blijft, dit geldt evenzeer voor het (ook weer met steun van P&M) te realiseren Geopad in het kader van het te realiseren Geopark Peelhorst en Maasvallei i.o.,

waarbij zelfs het streven is om hiervoorde Werelderfgoedstatuste verkrijgen. 5. Stichting VEEN is bereid om (in overleg met Staatsbosbeheer) de route van het Struinpad Verheven Peel te verleggen zodanig dat het niet meer het eigendom van de paardenhouderij doorkruist.

6. De bestaande openbare weg doorkruist niet langer de bedrijfsterreinen van de

paardenhouderij. Hierdoor kan het terrein van de paardenhouderij worden afgesloten zonder dat de openbare weg moet worden afgesloten.

De onderbouwing van dit advies is gestoeld op het feit dat bij de inrichting van de ruimte gebruikt gemaakt kan worden van meerdere ruimtelijke ordeningsinstrumenten. Het meest algemeen gebruikte ordeningsprincipe daarbij is het principe van zonering. Dit principe wordt zowel op landelijk, provinciaal, regionaal en lokaal niveau veelvuldig gebruikt bij de inrichting van het landelijk gebied c.q. het buitengebied van een gemeente. Bij het toepassen van zonering wordt een gebied ingedeeld in deelgebieden (zones) en krijgt ieder deelgebied een eigen bestemming c.q. een eigen functie. Daarbij zijn er in principe drie mogelijkheden: 1. Duidelijke ruimtelijke scheiding van functies. Dit principe wordt vooral toegepast als bestemmingen zeer verschillend van elkaar zijn en/of elkaar negatief kunnen beïnvloeden. In het algemeen wordt er bij dit soort conflicterende bestemmingen naar gestreefd om de verschillende functies ook qua afstand duidelijk van elkaar te scheiden.

2. Verweving van functies. Meerdere bestemmingen kunnen dan in één deelgebied naast en/of door elkaar voorkomen. Dit principe kan worden toegepast als

bestemmingen weinig van elkaar verschillen en/of een positieve invloed op elkaar uitoefenen.

3.

Het creëren van overgangszones. Dit principe wordt toegepast om aan elkaar

tegengestelde bestemmingen via een overgangszone geleidelijk in elkaar te laten overgaan.

In het Molentje is door het verzoek voor het vestigen van een paardenhouderij met forse uitbreiding c.q. verplaatsing van de bestaande bebouwing aan drie zijden omringd door natuurgebied duidelijk sprake van conflicterende bestemmingen. Door het op een juiste manier inzetten van bovengenoemde ruimtelijke ordeningsprincipes is het volgens ons als stichting VEEN echter mogelijk om zowel aan de belangen van de paardenhouderij als aan de natuurbelangen tegemoet te komen. Stichting VEEN heeft daarvoor een ruimtelijk alternatief ontwikkeld dat hierboven cartografisch is weergegeven. Enerzijds worden daarbij

de tegengestelde functies van elkaar gescheiden door de natuurfunctie te laten prevaleren aansluitend aan de bestaande natuurgebieden en anderzijds de bebouwing van de

paardenhouderij aan te sluiten bij de belendende bebouwing aan de Vieruitersten. Verder worden waar mogelijk tussen beide bestemmingen overgangszones gecreëerd waarbij de ene functie geleidelijk overgaat in de andere functie. Dat laatste kan door tussen de tegengestelde bestemmingen een plas-dras situatie, eventueel omringd door kruidenrijk en soortenrijk grasland, te creëren waarbij een vochtig schraalgrasland geleidelijk overgaat in

een droger productie grasland. Stichting VEEN is bereid om daarbij ook een deel van haar perceel ter beschikking te stellen. De handhaving van haar vochtig schraalgrasland is stichting VEEN overigens verplicht vanwege een overeenkomst met de provincie, waarbij dit perceel is afgewaardeerd.

Uit de eerder aan u toegestuurde reacties van de provincie en het advies van zie bijlage 2) vatten wij tenslotte nog de volgende punten samen die 0.i. het I

ief van stichting VEEN ondersteunen:

1. De provincie benoemt in haar advies op de eerste bladzijde de aanduidingen van de

plangronden en geeft daarbij aan dat die aanduidingen bedoeld zijn om de natuurwaarden in stand te houden. Verder geeft de provincie aan dat het in stand houden en waar mogelijk versterken van de biodiversiteit en het realiseren van een robuust natuur-, bos- en

waternetwerk een provinciaal belang is. Vervolgens wijst de provincie op het belang van het

watersysteem om de Peelvenen heen. Vanwege de natuurwaarden is het naar het oordeel van de provincie de vraag of de investering op de meest toekomstbestendige plaats plaatsvindt.

2. In het rapport vanl:==t

d=t de gronden van VEEN die vlak bij het

plangebied liggen, ecologisch zeer waardevol zijn, omdat het laggs zijn die soortenrijke levensgemeenschappen hebben ($ 2) en dat ‘t Molentje landschapsecologisch en hydrologisch heel bijzonder is. Blijkens $ 3 zal de beoogde paardenhouderij zorgen voor daling van de grondwaterstand, terwijl verhoging juist van belang is voor behoud en 5

versterking van de natuurwaarden. Uit $ 4 blijkt dat het bouwplan slecht is voor de biodiversiteit. Uit $ 5 blijkt dat het door VEEN voorgestelde plan landschapsecologisch beter is omdat de bebouwing dan op een hoge rug komt die de waterscheiding vormt, en beter aansluit op de bestaande bebouwing. Bovendien is er een voordeel qua stikstofdepositie. Het advies stelt ook dat het plan van de initiatiefnemers op gespannen voet staat met het provinciale belang van het in stand houden en waar mogelijk versterken van de biodiversiteit en het realiseren van een robuust natuur- bos- en waternetwerk. Uit het rapport van

olgt ook dat met het conceptplan eerdere investeringen van (onder meer) stichting VEEN in het NNN weer voor een aanzienlijk deel teniet worden gedaan.

R

\/_ L'__B___ _ VLDW 1002 Postbus

7088 5880AB

Naam:

Gemeente

Adres:

WILHELMNAPLEIN

Peelen

Maas 1,

5981CC

PANNINGEN

ETE

BOAB7

/%„„ ingen

202

IIIWIUMMIIIWIW(NMM |

%€meg‚y7yé/àaâ/ V a n fE & Gas / oééqs ;OODOD óÛÎO AB

218506

o-m

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=b009ebb3-2d93-46db-a2b0-16c2269e7a26