CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-067 19 Bijlage 12 bij de toelichting - Infiltratieonderzoek (geanonimiseerd)

Raad 23 april 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Laefplein Maasbree’ (2024-067)3.991 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

e‚

geohydrologie, ecologie

Infiltratie onderzoek

EES

STE

MEE

s]I1s

x aeres «nilleu N

Infiltratie onderzoek

Baarlosestraat 3-7, Maasbree

Aeres Milieu Projectnummer

_

: AM22179-2

Status rapport

: Definitief (versie 1)

Datum

:

Opdrachtgever

: BRO

23 maart

2023

Industriestraat 94

5931 PK Tegelen

Opgesteld door Paraaf

Gecontroleerd

door

Paraaf

Aeres

Milieu

Noordhoven 6042

NW

BV. 4

ROERMOND

(00475 - 320000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

Paginal AM22179-2

2

|

8 aeres «milieu INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING

2.

BESTAANDE 2.1.

WATERHUISHOUDING

.

_

m

m

m

e

nm

_

Inleidin

22.

3.

.

_ Bestaande watersystemen

INFILTRATIEONDERZOEK

31.

_ Opzetonderzoek

32.

_

Resultaten

-

veldwerk.

Lokale bodernopbouw

……

<

__

__

__

__

e

12

Onverzadigde zone.

-

-

.

e

e

__

e

12

4.

SAMENVATTING..

5.

OVERIGE

AANDACHTSPUNTEN

EN

RANDVOORWAARDEN

Bijlage Bijlage 1: Topografische overzichtskaart Bijlage 2: Situatietekening met boor- en fotostandpunten Bijlage 3: Foto's plangebied Bijlage 4: Boorprofielen en meetgrafieken

Paginal AM22179-2

3

EN

In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een infiltratieonderzoek uitgevoerd voor een voorgenomen woningbouwontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is men voomemens de bebouwing te slopen om plaats te maken voor de nieuwbouw van appartementen

met

eventueel

winkelruimte.

Noordelijk

bevindt

zich

rondom

de

bebouwing

(autogarage)

betonklinkerbestrating net als de oprit bij de woning/voormalige bakkerij. Zuidoostelijk van het plangebied

een

is het terrein

onverhard en in gebruik als tuin. De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op afbeelding 1. Adres onderzoekslocatie

: Baarlosestraat 3-7, Maasbree

Gemeente

:Peel en Maas

Waterschap

:Limburg

Kadastrale registratie

: Maasbree, sectie K, nummers 485, 486, 498 en 1942 (ged)

Oppervlakte

:circa 2480 m?

Peil maaiveld

:27,4-27,7 m +NAP

Peil grondwater

:25,0 m +NAP

De aanleiding voor het infiltratieonderzoek is de voorgenomen planontwikkeling (nieuwbouw) ter plaatse van het plangebied. Het planvoomnemen

mag

niet leiden tot een verslechtering van het waterhuishoudkundige systeem

en bij voorkeur wordt

hemelwater lokaal middels infiltratie verwerkt. Hiervoor is het noodzakelijk om inzicht in de lokale waterhuishouding te verkrijgen

x aeres «mlleu N

Voor

de verwerking

van

het hemelwater

s men

voornemend

om

op drie plaatsen

zinkputten

aan te leggen

voor de

verwerking/infiltratie van het hemelwater. Ter plaatse van deze putten is het van belang om de k-waarde te bepalen voor een vlotte

ing van de infiltratievoorziening. Afbeelding 2 geeft de locatie van de geplande zinkputten weer. Een grote tekening

ledi

is opgenomen in bijlage 2

; Aeeldng

\\

2 Voorgenomen panontwikeng

<

metaandulding zinkputen d. Tb

z 2075 o

opdachgeer)

Doel

Het doel van deze rapportage is een beschrijving te geven aan de huidige bodemkundige en (geo)hydrologische situatie

(bureaustudie), de gehanteerde

uitgangspunten

en de randvoorwaarden,

en de mogelijkheden

om

hemelwater

in de

toekomstige situatie te verwerken zonder dat hierbij een verhoogd risico op overlast ontstaat. Naast het vaststellen van de verwachte bodemopbouw en grondwaterstanden wordt nagegaan wat de doorlatendheid van de bodem ter plaatse is. Onderzoek

Aeres Milieu B.V. werkt voor de opdrachtgever als onafhankelijk onderzoek- en adviesbureau, en heeft geen binding met de onderzoekslocati

Sinds 1 november

2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te

verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing Í

is het

noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Paginal AM22179-2

5

x aeres «nilleu N

Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau in onder

andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004 vertaald via rijks-, provinciaal, waterschaps- naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek

in Nederland aan te pakken.

Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Limburg. De doelen van het waterschap voor de periode 2022-2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma.

Deze doelen zijn gericht op een veilig en bewoonbaar

beheergebied,

voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. De gemeente Peel en Maas heeft een gemeentelijk

rioleringsprogramma 2022-2026 waarin het beleid ten aanzien van vuil-,

hemel-, grond- en oppervlaktewater vastgelegd

Binnen dit beleid speelt klimaatadaptief ontwikkelen een belangrijke rol,

is.

zodat de gemeente voorbereid is op de gevolgen van de klimaatverandering. Afhankelijk van de grootte en planinvulling dient een hemelwatervoorziening aangebracht te worden om het hemelwater zoveel mogelijk ter plaatse te kunnen verwerken, bij voorkeur middels

infiltratie.

Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden

zoals onder

andere opgenomen in de Leidraad riolering, module C2510. Totdat hiervoor vastgestelde protocollen en richtlijnen worden

opgesteld,

s daar waar mogelijk aangesloten aan algemene

bodemonderzoek

gelden.

Opgemerkt

wordt

dat een

kwaliteitseisen en geldende normen

infiltratieonderzoek een

momentopname

van

zoals deze voor 02 enkele

willekeurig

verspreide meetlocaties betreft waardoor een zo goed mogelijk beeld van de geohydrologische situatie wordt verkregen. Het is mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van de bodem voorkomen. Het gevolg kan zijn dat resultaten van het infiltratieonderzoek binnen het plangebied onderling (sterk) verschillen. Derhalve is Aeres Milieu niet verantwoordelijk voor

eventuele (vervolg)schade door onvoldoende gedimensioneerde voorzieningen.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de bestaande waterhuishouding beschreven met in hoofdstuk 3 de uitvoering van het infiltratieonderzoek ‚en de meetresultaten. In hoofdstuk4 wordt een samenvatting met aandachtspunten voor het planvoornemen beschreven. Tot

slot worden er in hoofdstuk 5 nog enkele algemene aandachtspunten en randvoorwaarden beschreven.

Pagina| AM22179-2

6

EN

2.

BESTAANDE

WATERHUISHOUDING

|21. _ Inleiding Het plangebied ligt in het bebouwde centrum van Maasbree. De locatie wordt aan de noordzijde begrensd door bebouwing

aan de Dorpstraat, aan de oostzijde door tuinen en aan de zuidwestzijde door de Baarlosestraat. Afbeelding 1 geeft de huidige situatie weer. Foto's van de onderzoekslocatie zijn opgenomen n bijlage 3. Het plangebied ligt relatief laag in vergelijking met het noordelijk hoger gelegen centrum. Algemeen is het terrein icht hellend in zuidoostelijke richting. Het maaiveld ligt noordelijk op ca. 281m +NAP en centraal tot zuidoostelijk ligt het maaiveld op ca. 27,4 m +NAP. De noordelijk gelegen Dorpstraat ligt op ca. 28,2m +NAP en de zuidwestelijk gelegen Baarlosestraat Loopt, vanaf

het kruispunt

met

de Dorpstraat,

in zuidelijke richting

af naar ca. 27,2

m +NAP.

Afbeelding

3 geeft de genoemde

hoogteliggingen visueel weer. AHN4 DTM - Blauw / Groen / Oranje (dynamische opmaak) IE

Hoog

Afbeelding 3: Uitsnede hoogtekaart met in zwart aanduiding plangebied (bron: AHN Nederland)

2.2.

_ Bestaande watersystemen

De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grond-, opperviakte-, afvalen

hemelwater.

Van

de onderzoekslocatie

is informatie verzameld

bij onder

andere

het Dinoloket,

Provincie

Limburg,

Waterschap Limburg, bodemdata Nederland en ons eigen archief. Voorts is gebruik gemaakt van de verzamelde gegevens bij het uitgevoerde veldwerk binnen het plangebied.

Paginal AM22179-2

7

x aeres «mlleu N

Grondwater

Door de ligging in bebouwd / niet gekarteerd gebied is op basis van (model]gegevens uit het Dinoloket een verwachte bodemopbouw

bepaald.

overgangszone tussen

Volgens een

de

Geomorfologische

Kaart

dekzandrug

en een droogdal.

Binnen

van

Nederland

ligt

het plangebied

het

plangebied

mogelijk

op

een

is naar verwachting

een hoge

zwarte

enkeerdgrond aanwezig bestaande uit lemig fijn zand (2EZ23) aangetroffen. Op basis van (model]gegevens uit het Dinoloket is een verwachte bodemopbouw vastgesteld in Tabel 1. De eerste 6 meter van de bodem is opgebouwd uit een zandige eenheid van de Formatie van Boxtel. Deze laag bestaat voornamelijk uit midden enfijn zand. Hieronder zal de bodem overgaan n de Formatie van Beegden. De Formatie van Beegden is een goed doorlatende fluviatiele afzetting afgezet door de Maas welke voornamelijk bestaat uit grof zand.

Zandige eenheid, hoofdzakelijk

bestaande uit midden

en fijn zand, met weinig

zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind 61-2227

Formatie van Beegden.

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken

72,2-60

Formatie van Breda

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand en kleiig

zand,

met weinig grof zand en glauconietzand en een spoor klei, bruinkool, grind en schelpen

Tabel 1: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket)

Bij de uitvoering van het veldwerk in maart 2023 is in enkele peilbuizen op het perceel het grondwater aangetroffen op 2,50 tot 2,80 m-my‚ wat overeenkomt met ca. 25-25,4 m +NAP. Bij het dino-loket zijn ter plaatse en in de omgeving van het plangebied geen recente grondwaterdata bekend. Omstreeks 1950-1966 zijn nabij het plangebied grondwaterstanden tussen 25 en 26,4 m +NAP gemeten.

Oppervlaktewater Door de ligging in stedelijk bebouwd gebied zijn binnen en in de omgeving van het plangebied geen watergangen aanwezig waardoor het planvoornemen geen directe invloed heeft op het bestaand oppervlaktewaterstelsel. Afvalwater

De

bestaande

bebouwing

en verharding

is zover

bekend

aangesloten

op

het gemeentelijk

gemengd

rioolstelsel.

Bij

nieuwbouwprojecten is men verplicht om op eigen terrein een gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Door het scheiden van

hetriool op eigen terrein wordt er ingespeeld op de toekomstige scheiding van het gemeentelijk rioolstelsel. Indien toepasbaar dient hemelwater op eigen terrein verwerkt te worden. Hemelwater

Momenteel is het plangebied voor ongeveer 80% verhard. Het landelijk beleid is gericht om nieuw gesloten oppervlak zoveel mogelijk te beperken en dit anders te compenseren. Vanuit waterschap Limburg dient een voorziening aangelegd te worden met een verwerkingscapaciteit van 100 mm. Vanuit het gemeentelijk beleid gelden voor de hemelwaterafvoer onderstaande uitgangspunten: Pagina| AM22179-2

8

|

8 aeres «milieu - _ Bij nieuwbouwgebieden wordt stedelijk afvalwater en hemelwater gescheiden. Voor hemelwaterafvoer is er een voorkeursvolgorde van: Infiltratie - Berging - Afvoer.

ieuwbouw dient er minstens 50 mm hemelwater, per vierkante meter verharding, op eigen perceel verwerkt te worden.

Gezien de voorgenomen nieuwbouw en het herinrichten van het gebied met de verplichting tot hemelwatervewerking zijn n het veld

infiltratiemetingen

uitgevoerd

om

meer

inzicht

te verkrijgen

in de

lokale

bodemsamenstelling

en

lokale

doorlatendheid / k-waardes. Dit veldonderzoek is uitgewerkt in hoofdstuk 3.

Paginal AM22179-2

9

x aeres «mlleu N

3.

INFILTRATIEONDERZOEK

| 341.

Opzet onderzoek

Het infiltreren van hemelwater heeft bij ontwikkelingen altijd de voorkeur. Door praktijkervaringen

is vastgesteld dat een

infiltratiesnelheid van ca. 0,4 meter per dag vereist is voor het succesvol toepassen van een infiltratievoorziening. Bij een lagere doorlatendheid kunnen reducerende omstandigheden optreden in de onverzadigde zone, die een ongunstige invloed hebben op het verwerkingsvermogen van een voorziening. Om de doorlatendheid ter plaatse vast te stellen, zijn veldmetingen uitgevoerd. Voorts zijn enkele profielboringen verricht ter vaststelling van de lokale bodemopbouw en eventuele infiltratie belemmerende bodemlagen.

De doorlatendheid van een bodem is afhankelijk van vele factoren, onder meer poriëngrootte, de continuïteit van de poriën, de poriënvorm en -hoeveelheid en de diepte tot de grondwaterstand. De poriëngrootte en de verdeling ervan hangen in de eerste

plaats

van

de

bodemsoort

en

de

bodemstructuur

af.

Bovendien

is de

doorlatendheid

afhankelijk

van

de

verzadigingsgraad, en kan ze beïnvloed worden door micro-organismen.

Hieruit kan worden afgeleid dat de infiltratiesnelheid van de ondergrond geen constante waarde heeft, maar van plaats tot plaats varieërt, waarbij zelfs op vrij kleine schaal belangrijke verschillen kunnen optreden. In de hydrogeologische literatuur worden diverse waarden gegeven voor de infiltratiesnelheid van diverse afzettingen en sedimenten, zie tabel 2 [stichting

Rioned leidraad C2510]. Materiaal

k [m/d]

klei

001 -10%

Klel, zand en grind mengsels

0,01 - 0,001

silt l6ss

1-10%

silt, klei en mengsels van zand, sit en Klel

01-10%

Tijn zand

72-002

‘middelfijn tot middelgrof zand

43-0,09

grof zand

400 -0,09

‘Tabel 2:Waarden voor de doorlatendheid van diverse afzettingen, uit de hydrogeologische literatuur

Als eenheid is gekozen voor m/d, hoewel in de literatuur ook mm/h (landbouw) en m/s (hydrogeologie) worden gehanteerd. De eenheid m/d sluit aan bij wat in Nederland gebruikt

is en leidt bovendien tot overzichtelijke getallen. Opgemerkt wordt

‘dat men in de hydrogeologie vooral is geïnteresseerd in de horizontale doorlatendheid, terwijl voor de infiltratiesnelheid meestal juist de verticale doorlatendheid van belang is. In het algemeen is de horizontale doorlatendheid een factor 5 — 15 groter dan de verticale. Door de verzamelde gegevens uit de bureaustudie te combineren met een serie meetgegevens kan een uitspraak worden ‘gedaan over de k-waarde van de bodem op de onderzoekslocatie. De gebruikte meetmethoden worden reeds decennia lang toegepast en zijn uitvoerig gedocumenteerd.

Pagina| AM22179-2

10

EN

De doorlatendheid boven de grondwaterstand is bepaald door middel van de “Open-end-test” en de “Porchettest’.De zogenaamde “Open-end" test is zeer

geschikt voor het meten van de onverzadigde verticale doorlatendheid van een bodemlaag. Deze test wordt als volgt uitgevoerd: Met een handboor wordt een gat geboord tot op de laag waarvan de doorlatendheid bepaald moet worden. In het boorgat wordt vervolgens een blinde verbuizing geplaatst, die aan de onder- en bovenzijde is geopend, en die boven het maaiveld uitsteekt. Deze buis wordt in de bodem

ondergrond

infiltreert

gedrukt, en geheel gevuld

(de

‘vooratting’).

Nadat

met water, dat in de

de

ondergrond

aldus

voldoende verzadigd is geraakt met water, wordt vervolgens met behulp van een druksensor (diver) gemeten met welke snelheid het waterpeil in de buis Afbeelding 4: Principetekening Open-end-test

daalt.

Hieruit wordt berekend hoe groot de infiltratiesnelheid van het water in de bodem is. Deze is afhankelijk van de inwendige doorsnede van de buis, de drukhoogte (=de lengte van de waterkolom in de buis), het bodemtype en de snelheid waarmee het

peil daalt. Met deze meetmethode wordt voornamelijk de verticale infiltratiesnelheid gemeten.

Een aanvullende meetmethode is de zogenaamde “Porchettest’, ook wel

‘omgekeerde boorgatmethode genoemd. Bij deze methode wordt in een, niet

aam meree

e e

e

-

verbuisd, boorgat constant water gepompt en gemeten tot het waterpeil n het

ii

boorgat stabiel is. Vervolgens wordt het debiet bepaald waarmee het water in

-

het boorgat gepompt wordt. Bij een te laag pompdebiet wordt met behulp van

t

‚een druksensor (diver) gemeten met welke snelheid het waterpeil in de buis

daalt. Hieruit kan de doorlatendheid worden berekend.

oo o

e

sparkag n |

De keuze voor het type test is afhankelijk van de bodemsamenstelling en de

e

visueel zichtbare snelheid waarmee het water in de bodem wegzijgt. Beide tests zijn voor het infiltratieonderzoek van belang voor de onverzadigde zone.

î[í'

| | |

3 e

e

E

r

Afbeelding 5: Principetekening Porchettest

3.2.

Resultaten

veldwerk

Het veldwerk is uitgevoerd op 6 maart 2023. Rekening houdend met de toekomstige planinvulling en de locatie van de zinkputten zijn op drie locaties infiltratiemetingen uitgevoerd. Voorts zijn er enkele diepere profielboringen verricht om de tokale bodemopbouw vast te stellen. De resultaten van het uitgevoerde veldonderzoek zijn onderverdeeld in een nadere beschrijving

van

de

lokale

bodemopbouw

met

een

overzicht

van

de

gemeten

infiltratiesnelheden.

De

boor-

en

Paginal

11

meetpuntlocaties staan weergegeven in bijlage 2 en de boorprofielbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 4.

AM22179-2

X seres «nllieu N

Lokale bodemopbouw Uit de geplaatste profielboringen blijkt dat de toplaag bestaat uit een zandige, zwak siltige humeuze laag van minstens 0,5 meter dikte. Onder de bestrating is hierboven een ophoogpakket van grindhoudend, matig fijn zand aangebracht. Onder de humeuze

bodemlaag

gaat de bodem

over

n een

matig tot zeer fijn, zwak tot matig

siltige, oranjebeige zandlaag.

De

oranjebeige bodem belemmert de mogelijkheid om in het opgeboorde bodemprofiel een GHG af te leiden. In combinatie met de geplaatste peilbuizen bij een uitgevoerd bodemonderzoek op het perceel, zie verkennend en nader

bodemonderzoek

Aeres

Milieu AM22179(-2),

blijkt dat deze zandlaag

tot de geboorde

einddiepte van

ca.

S m-mv

is

waargenomen. In deze zandlaag wil men de geplande zinkputten aanleggen.

|

G}

i

Afbeelding 6: Foto profielboring C uitgelegd per halve meter vanaf maaiveld (inksboven) tot einddiepte (rechtsonder).

Onverzadigde zone Op drie locaties zijn eerst een open-end-test en vervolgens een Porchettest uitgevoerd. Na de voornatting is de meting gestart met een gemiddelde meetduur van circa 15 minuten per meetronde.

Alle metingen zijn vastgelegd door middel van een diver,

waarbij elke 5 seconden het drukverschil tussen het boorgat en de luchtdruk wordt gemeten. De infiltratiesnelheid in de onverzadigde zone (boven de grondwaterstand)is berekend uit de veldmetingen van de open-end-

test (verticale doorlatendheid) en de porchettest (horizontale doorlatendheid). Tabel 3 geeft een overzicht van de berekende resultaten weer.

Pagina| AM22179-2

12

|

x aeres «milieu Meetpunt

iesnelheid [m/d]

A

Horizontale infiltratiesnelheid [m/d]

Diepte [m

239

15

B

025

479

15

c

0,1570,40

0,55/0,80

15

Tabel 3: Resultaten van het infiltratieonderzoek in de onverzadigde zone

Uit de metingen in de onverzadigde zone blijkt dat tussen de drie meetpunten een afwijkende horizontale infiltratiesnelheid is vastgesteld. Bij de meetpunten A en B is de doorlatendheid zeer goed terwijl deze bij meetpunt C slechts matig is. De verticale doorlatendheid blijkt bij alle drie de meetpunten matig tot slecht (0,1-0,39 my/dag). Voor de opvallend hoge waarde bij de porchettest van meetpuntA is geen duidelijke reden/oorzaak aanwijsbaar.

De gemeten waardes komen overeen met de verwachting voor de aangetroffen bodemopbouw- en samenstelling met een zeer fijne, zwak tot matig siltige zandige ondergrond.

Pagina| AM22179-2

13

x aeres «nilleu N

4.

SAMENVATTING

Men is voornemens om op het perceel nieuwbouw te realiseren. Bij nieuwbouw dient hemelwater ter plaatse verwerkt te worden, bij voorkeur middels infiltratie. Om

inzicht te verkrijgen in het lokale watersysteem en de bodemopbouw is een

infiltratieonderzoek uitgevoerd. Het plangebied heeft een licht hellend maaiveld van ca. 28,1 m +NAP noordelijk naar ca. 27,4 m +NAP zuidelijk. Binnen het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. In maart 2023 is de grondwaterstand op 2,50 - 2,80 m-mv. waargenomen. De bodemopbouw van het plangebied bestaat uit een zandlaag van zwak siltige humeuze laag van minstens 0,5 meter dikte. Onder de betonklinkerbestrating

is hierop een ophoogpakket van grindhoudend,

matig fijn zand aangebracht.

Onder de

humeuze bodemlaag gaat de bodem over in een matig tot zeer fijn, zwak tot matig siltige, oranjebeige zandlaag welke tot ca. 5 m-mv aanwezig is. In deze zeer fijne zandlaag wil men de geplande zinkputten aanleggen. In de diepere ondergrond werden geen afsluitende (leem)lagen aangetroffen die mog

s hinderend kunnen zijn voor infiltratie.

Uit de uitgevoerde infiltratiemetingen blijkt dat de leegloop van een voorziening ter plaatse voornamelijk

in horizontale

richting zal plaatsvinden. Zonder de uitschieter bij meetpuntA kan gerekend worden met een k»-waarde van 1,4 meter per dag (inclusief een veiligheidsfactor van 2). Ter plaatse van de slecht tot matig doorlatende bodem bij meetpunt C is het aan te raden om rondom de zinkput een groter

goed doorlatende zand- of grindpakket in een waterdoorlatend geotextiel aan te brengen om de connectie met de omliggende bodem te vergroten en zo de leegloop van de voorziening te bevorderen. Gezien de beperkte verticale doorlatendheid van de bodem

bij de drie meetlocaties is het geadviseerd om minimaal de

benodigde berging voor een neerslagbui in te passen en op de voorziening een bovengrondse noodoverloop aan te leggen naar het gemeentelijk stelsel of openbaar gebied gezien de afwezigheid van nabijgelegen oppervlaktewater. Hierdoor wordt het risico op wateroverlast bij hevige opeenvolgende buineerslagen voorkomen. Door de lokale hemelwaterverwerking in de bodem wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld.

Gezien de aangetroffen grondwaterstand op ca. 2,5 m-mv kan een ondergrondse infiltratievoorziening aangelegd worden. De keuze voor een voorziening is afhankelijk van de eigen voorkeur, het toekomstig planvoornemen (gewenste terrei

ulling

n type verharding) en hiermee samenhangend de benodigde bergingscapaciteit. Een nadere uitwerking van een HWAstelsel dient opgemaakt te worden door de architect of constructeur van de voorziening.

De uiteindelijke verwerkingswijze en nadere planuitwerking van de toekomstige HWA- en DWA-stelsels dient in overleg met

het bevoegd

gezag gedetailleerd

in een uiteindelijk planontwerp vastgelegd te worden conform de geldende normen.

Verantwoordelijkheden van 0.a. onderhoud moeten van te voren worden vastgelegd zodat de werking van de voorzieningen in stand gehouden wordt.

Pagina| AM22179-2

14

x aeres «nilleu N

5.

OVERIGE

AANDACHTSPUNTEN

EN

RANDVOORWAARDEN Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc‚) kan de afstromende neerslag rechtstreeks

via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem

te infiltreren. Wel

moeten

in de afvoersystemen

voorzieningen

worden

gerealiseerd

die blad, zand

e.d, die

verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve van het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen

dat

Ondergrondse

de

systemen

blijven

functioneren.

Ook

moet

voorzieningen

dienen

altijd

te

zijn

voorzien

de

van

(nood)overloop

een

goed

regelmatig

bereikbare

worden

blad-

en

onderhouden.

zandvanger

en/of

ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: e _ Daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal of bekleed met (EPDM) rubber. e _ Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium, bij voorkeur ook geen gecoate materialen ix.m. verwering. + _ Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten. Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet te

allen tijde worden voorkomen dat wateroverlast bij bebouwing en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid

liggende percelen, gewassen en opstallen. Schade,

direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In ‚geen geval mag de afvalwaterriolering op een infiltratie- en/of bergingsvoorziening worden aangesloten.

Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat . van voertuigen of het schoonmaken

het reinigen

van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien

worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool

moet

worden

getransporteerd

of

geloosd,

en

niet

in

de

bodem

mag

worden

geïnfiltreerd

of

op

reinigingsmiddelen

te gebruiken

op de

oppervlaktewater worden geloosd. Het is onwenselijk

chemische

bestrijdingsmiddelen

toe te passen

of agressieve

verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing

kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk

blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen.

Pagina| AM22179-2

15

|

8 aeres «milieu Bijlage 1: Topografische overzichtskaart

AM22179-2

|

8 aeres «milieu Bijlage 2: Situatietekening fotostandplaatsen

AM22179-2

met

boor-

en

_201326

201351

201376

201426

Boorpuntenkaart (A4) AM22179-2 Maasbree Baarlosestraat Schaal 1:500

aeres milieu 201326

201351

201376

;

201426

|

8 aeres «milieu Bijlage 3: Foto's plangebied

AM22179-2

EN

EN

|

8 aeres «milieu Bijlage 4: Boorprofielbeschrijvingen en meetgrafieken

AM22179-2

Legenda (conform NEN 5104) grind Grind, sitig

Grind, zwak zandig

Klei, zwak silig

DZR

Grind, matig zandig

GR

Grind, sterk zandig

ZIS

s

e

zand

D z

DZ

r

-

Zand, zwak siltig

leem

2

e

e

EE

e

e

E overige toevoegingen

e n

e

E v

n

N

e

blinde buis

‘hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand

CI EJ zaneaeiehing bentonieUmikolieyklei afdichting

|J

5

matig grindig

sterk grindig

peilbuis

E

E

orindetdichting

IeÛGU% eGwosr

geen geur

zwakke geur matige geur sterke geur

uiterste geur

geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie

‘matige olie-water reactie sterke olie-water reactie uiterste

4;

olie-water reactie

!

geekendvoigensNENS104

Boring:

207

Boring:

A

Boring:

B

Boring:

C

Projectnaam: Baarlosestraat 3, Maasbree Projectcode: AM22179-2

221792

Projectnummer:

Meetgegevens Open End

Deukmhogte

EoErss dukhoogteH

00223 oo 00079 1998 45C06

08 005 00078 191 28206

oc0es 005 0007 112 18E06

s; _E

f

8

Ezl

Projectnummer:

AM 22179-2 Meetgegevens Porchettest

120 ,

100 ®

€

4

EE

ËE “40 20

04

0

200

400

:

00

'

300

1000

1

1200

Tijd (s)

eerpunt straal r:

k-waarde eerste deel: k-waarde tweede deel:

a

5

2,8E-02

E

5

5,5E-03

sss

<

5

cm

9,2E-04

om

m/s

/8

6,3E-04 o

m/s midag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=667ac412-6b15-42d4-aaae-c8288f83b3bc