2024-043 05 Toelichting
Tekst van het document
4.6. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.
24
Afbeelding 10. Uitsnede risicokaart
Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart van het IPO zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. Ook ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van (verder weg gelegen) bedrijven die onder de werkingssfeer van het Bevi vallen. Buisleidingen Op basis van de risicokaart van het IPO zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. Vervoer gevaarlijke stoffen. Op basis van de risicokaart van het IPO vindt over de Groenstraat geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen verplichting tot verantwoording van groepsrisico nodig. Conclusie In de omgevingsvergunning hoeven geen beschermende regelingen met betrekking tot externe veiligheid te worden opgenomen. Omgekeerd worden in de omgevingsvergunning ook geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een toename van het risiconiveau tot gevolg hebben.
25
4.7. Cultuurhistorie en Archeologie 4.7.1.Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waarop een negatieve invloed uitgeoefend zou kunnen worden met het voorliggende planvoornemen.
4.7.2.Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: ▪
De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.
▪
Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Op het besluitgebied ligt een dubbelbestemming Archeologie. De waarden behorende bij deze dubbelbestemming worden niet verstoord. Ten behoeve van het plan hoeven geen ingrepen in de bodem plaats te vinden, waardoor er geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van archeologie. Derhalve is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek ter plaatse niet noodzakelijk.
4.8. Flora en Fauna 4.8.1.Gebiedsbescherming De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. 26
Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ (tevens wetland ‘Deurnsche Peel’) is het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van zo’n 5 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Beoordeeld moet worden of de omgevingsvergunning significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. Het planvoornemen heeft geen negatieve effecten op het Natura2000 gebied. Door het voorliggende plan wordt een deel van een agrarische glastuinbouwlocatie omgezet naar een woonlocatie. Er zijn geen fysieke veranderingen te verwachten ten aanzien van de vigerende situatie. Deze blijft identiek.
4.8.2.Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: ▪
▪
▪
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Door de bestemmingswijziging worden eventuele aanwezige beschermde dieren- of plantensoorten niet verstoord. De woning blijft immers fysiek zoals bestaand, in stand. Hetzelfde geldt voor bijgebouwen en de vergunde (middels een separate procedure) mantelzorgwoning. Gezien het voorgaande zal de externe invloed op de omliggende natuur niet significant zijn.
4.9. Landschappelijke inpassing Door Ing. Ron Janssen van Ron Janssen erf- en landschapsverfraaiing is een landschappelijke inpassing opgesteld voor het voorliggende planvoornemen. Het volledige plan is als bijlage 1 aan deze toelichting gevoegd. Omwille van de leesbaarheid van dit plan wordt naar bijlage 1 verwezen. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering vanuit de provincie en gemeente.
27
4.10.
Water
4.10.1.
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Per 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 20222027 vastgesteld. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de Stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor de 3 hoofdambities van het NWP: • • •
Een veilige en klimaatbestendige delta; Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
4.10.2.
Provinciaal waterplan Limburg
Op 30 maart 2021 heeft Provinciale Staten het ontwerp Provinciaal Waterplan Limburg 2022 – 2027 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2016 -2021. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie.
Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.
4.10.3.
Watertoets
Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een 28
instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en bestemmingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).
Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen.
4.10.4.
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie
Het initiatief heeft betrekking op de herbestemming van een reeds aanwezige situatie. Hierbij wordt niet meer verhard oppervlak gerealiseerd dan nu reeds binnen het plangebied aanwezig of vergund is. Dit betekent dat er sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Voor de bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. Zo kan voldoende water geborgen worden op de omliggende, in eigendom zijnde, gronden. Het water dat op de veldschuur (midden op het perceel) valt wordt middels de aanwezige dakgoot opgevangen en vervolgens geïnfiltreerd op het omliggende grasland. Voor de veldschuur aan het Paltserpad geldt dat het hemelwater ook via aanwezige dakgoten opgevangen wordt. Vervolgens wordt ook deze geïnfiltreerd in het omliggende grasland. Mocht dit in de toekomst tot problemen leiden dan zal initiatiefnemer zoergdragen voor een infiltratiesloot op eigen terrein. Voor het glastuinbouwbedrijf geldt dat de bestaande situatie, opvang van hemelwater middels het hemelwaterbassin en hergebruik in de teelt, gehandhaafd blijft. Voor de tijdelijke mantelzorgwoning geldt dat het hemelwater ter plaatse zal infiltreren in de bodem rondom de mantelzorgwoning en op en onder het omliggende grasland worden geïnfiltreerd. Het huishoudelijk afvalwater wordt via het bestaande riool afgevoerd.
Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.10.5.
Afvalwater
De woning alsmede de mantelzorgwoning blijft onveranderd aangesloten op het riool. Er is sprake van een gescheiden afvoer. Het hemelwater loost op het omliggende grasland.
4.11. Mobiliteit 29
Mobiliteit en parkeren
De bestemmingswijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning veroorzaakt geen toename van de verkeersgeneratie. Verkeer en infrastructuur vormen dan ook geen belemmering voor het onderhavige initiatief. Parkeren De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het ‘Parapluplanbestemmingsplan Parkeernota Peel en Maas’, d.d. 19 juni 2018. Voor een woonhuis buiten de bebouwde kom geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is meer dan voldoende ruimte voor aanwezig. Bij de woning zijn reeds parkeerplaatsen in gebruik. Derhalve kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte ter plaatse van het plangebied.
30
5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1. Economische haalbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Gemeentelijke financiën zijn in dit plan niet in het geding. De gronden zijn niet in eigendom van de gemeente. In het kader van de Grex-wet is met de bestemmingswijziging geen sprake van een bouwplan. Een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer is om die reden niet benodigd. Planschade is geregeld in een tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer afgesloten overeenkomst. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Peel en Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.
5.2.1.Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. De omgevingsdialoog is uitgevoerd en is separaat aan dit bestemmingsplan aan de gemeente aangeboden.
5.3. Vooroverleg en inzage Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het ontwerp bestemmingsplan Groenstraat 7a en 7b te Panningen heeft ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen.
31
6. Juridische planopzet 6.1. Inleiding Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2. Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).
6.3. Toelichting op de regels Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied 2009. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:
32
Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Wijzigingsregels.; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen
Arvalis Roermond
Arvalis Den Bosch
Steegstraat 5
Onderwijsboulevard 225
6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl
5223 DE ‘s Hertogenbosch +31 (0)732173580 infozbg@arvalis.nl
Arvalis Venlo
Arvalis Colijnsplaat
Villafloraweg 1
Noordlangeweg 42-B
5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl
4486 PR Colijnsplaat +31 (0)113247747 infozbg@arvalis.nl
Arvalis Maastricht Airport
Arvalis Deurne
Europalaan 24
Heuvelstraat 12
6199 AB Maastricht Airport +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl
5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl
33