2024-032 05 Bijlage 2 - Onderzoek bouwhistorie St. Anthoniusmolen Kessel (geanonimiseerd)
Tekst van het document
eSE
verwijderen. Door het wegevallen pleisterwerk op de noordelijke stiep is er zicht op het metselwerk. Het interieur van de
onderbouw.
De vloer
is van stampbeton. In het midden ligt een koppel stenen van 80 cm diameter. Deze horen bij een boerenmaalstoeltje.
Links het oude koppel stenen
van de molen zelf. De stiepen en de veldmuren zijn rondom gepleisterd, zodat het aflezen van bouwsporen niet mogelijk is.
4.4 Veldmuren
De veldmuren zijn, net als bij de standerdmolens te Bakel en Wanroij, rond uitgevoerd. De Narrenmühle te Dülken (bij Viersen) heeft eveneens een ronde onderbouw.
S
De stiepen staan los van deze veldmuren. Deze ronde veldmuren kwamen ook voor bij de nodige verdwenen standerdmolens in de regio, zoals de molen van Jacobs te Kessel, de molen van
Merums3, de molen van Gebr. Betteraay te Baarlo5? en de Rachelsmolen te Deurne?. veldmuren
verschaffen
onderbouw*’
Deze ronde
meer ruimte
in de
dan de veel meer voorkomende
achthoekige plattegrond waarbij meestal de kopse
* https://www.molendatabase. org/molendb.php?step=details&nummer=947
*h olendatabase.org/mole = mmer= ©*1 htips: olendatabase.or f = = Vergelijk ook Bakel, Dülken en Wanroij waar de grote ruimte ook direct opvalt
s
50
EAGM
î‚.— kanten van de stiepen een onderdeel vormen van de veldmuren. Deze ruime onderbouw zorgt voor heel wat opslagruimte en kon ook als wachtruimte dienst doen voor de klanten. Een heel groot bijkomend voordeel is dat de kruisplaten en standvinken beschermd worden tegen
weersinvloeden en de onderhoudskosten hierop veel lager zijn.5? Veel Limburgse standerdmolens
SeeeN
hebben een wachthuisje op de galerij gehad. Bij de Sint Anthoniusmolen lijkt deze nooit aanwezig te zijn geweest. Bijvoorbeeld de molen van Jacobs had er wel een.
In de onderbouw is opvallend veel licht. Aan de zuidwestzijde en de noordwestzijde bevindt zich een deur en aan de noordoostzijde en de zuidoostzijde zijn vensters geplaatst. Het noordoostelijk venster is veel groter uitgevoerd. In 1910 was dit nog een deur, getuige historisch fotomateriaal.
De deuren zitten ook direct bij de entree tot het erf, hoewel de noordwestelijke dus veel later verplaatst is. Bij de bouw is goed nagedacht over het gerief van de klanten in relatie tot het krappe erf en zoals eerder gemeld zo veel mogelijk behoud van het bouwland toen voor de bouw
van de molen het kavel gesplitst moest worden. Het budget zal klein geweest zijn. Er werd in 1878 immers gekozen voor een tweedehands molen van een verouderd type op zo weinig mogelijk grond. De molen lijkt direct met een gesloten voet uitgevoerd te zijn geweest. De meeste standerdmolens kregen in de tweede helft van de 19° eeuw een gesloten voet. In 1878 was het dus een gangbaar
type. Het bovengenoemde “slim ontwerp” wijst ook in deze richting.
De ramen en de deuren zijn recent vervangen, deze bevatten geen historisch materiaal. De veldmuren zelf lijken bij de restauratie in 1989 vrijwel volledig vernieuwd te zijn. Het zichtbare
schoon metselwerk, bestaand uit twee lagen direct onder de muurplaat, is nieuw. Dit metselwerk is in koppenverband gemetseld. De muren zijn zowel binnen als buiten gemetseld. De fundering van de veldmuren kan wel oud zijn. De betonvloer is duidelijk veel ouder dan 1989 en er zijn geen sporen van reparaties aan de rand.
a
«2 De ervaring leert dat bij een open standerdmolen het kruiswerk om de ca. 40 jaar vervanging toe is, een ingrijpend en kostbaar werk. Veel gesloten standerdmolens hebben nog een zeer oud en in goede staat verkerend kruiswerk
s
51
EAGM
T De bovenste twee lagen van de veldmuren zijn in schoon metselwerk uitgevoerd. Het metselwerk zelf stamt van de restauratie van 1989. Het ondergelegen deel kan vanwege het pleisterwerk niet beoordeeld worden.
De zuidwestelijke deur, de noordwestelijke is gelijk. De deur is met een bordeauxrood/wit zandlopermotief geschilderd.
s
52
SeeeN wijziging lijkt kort voor de oorlog tot stand gekomen te zij
É
iS
Op deze historische foto is de deur nog op de oude plek aanwezig. Op de achtergrond de bomen langs de Napoleonsbaan. De buitenroe s nog een borstroe, deze zal in 1934 door een Fransen-roe vervangen worden. Het metselwerk verkeert hier in slechte staat en
was blijkbaar al op leeftijd. De zandlopers op de deuren zijn hier ook zichtbaar. Bemerk het
slordig geplaatste kastbeschot met korte delen.
4.5 Vloer
a
In de molen ligt een stampbetonnen vloer. Wellicht is deze vloer eind jaren 40
aangebracht. In de periode na de oorlog heeft Gastreich
immers
diverse
onderhoudswerkzaamheden
verricht. Het
uiterlijk komt overeen met deze tijd. De vloer is grof afgewerkt en later voorzien van een coating. Aan de zuidzijde is de vloer ongeveer 10 cm hoger. Daar bevindt zich ook een spoor van een sokkel van een kleine motor, zie bij de rode pijl op de onderstaande foto. Bekend is dat Gastreich een hamermolen
in de onderbouw
van de molen had.
s
53
eSE Aan de zuidzijde is de betonvloer wat hoger dan in de rest van de onderbouw. Bij de rode pijl bevindt zich een spoor van een kleine motorsokkel. Tegen de stiep de oude loper.
4.5 Kruiswerk
Het kruiswerk is gaaf bewaard gebleven. Vermoedelijk zijn deze onderdelen nog uit Meijel afkomstig. Hieraan zijn kleine reparaties in de vorm van lasverbindingen verricht. Het houtwerk is met een kraanzaag gezaagd. Op de standvinken bevinden zich zowel teersporen als sporen van ossenbloedrode verf. Dezelfde kleur komt ook terug op de deurstijlen in de kast. De Meijelse molen is waarschijnlijk rood geweest. De teerlagen lijken jonger te zijn. Vermoedelijk was de Sint Anthoniusmolen voor 1943 ook ossenbloedrood.
De kruisplaten hebben sierlijke verzwaringen in het midden voor de opsluiting van de standerd.
a
Aanvullend zijn er sleutelwiggen. De molen is, zoals veel gesloten en halfgesloten standerdmolens, als open standerdmolen gebouwd. Over het algemeen vonden deze ombouwoperaties in de tweede helft van de 19° eeuw plaats, hoewel er veel oudere voorbeelden zijn. Zoals eerder gemeld is de molen waarschijnlijk in Kessel direct als gesloten standerdmolen gebouwd. In Meijel was sprake van een open standerdmolen. Of deze later in Meijel al gesloten is, is niet bekend. Opvallend is dat de zonneblokken op teerlingplaten liggen en niet direct op de stiepen zijn opgelegd.
s
54
Het kruiswerk is oud, zowel de standerd als de kruisplaten vertonen teersporen. Opvallend is dat tussen de zonneblokken en de stiepen teerlingplaten zijn gelegd.
De standerd is eveneens gaaf bewaard gebleven. De zetel is enige jaren geleden vernieuwd.
Links een opschildering uit 1860, de Meijelse periode in de kleuren wit en blauw.
4.6 Paraplu De paraplu is in 1975 geheel vernieuwd. De sporen en de
muurplaat zijn van eiken. Hierop is een horizontale, grenen bebording van geschaafd en geploegde delen aangebracht. De
dakbedekking is een ongemineraliseerde bitumen.
s
55
EAGM
î‚.— KAST
4.7 Trap, galerij en staart De eiken staartbalk bestaat uit één geheel. Dit is steeds op historisch fotomateriaal zichtbaar. Op de oudste foto's, een houten staartbalk en later heeft een oude roe als staartbalk dienst gedaan.
eSE
De eiken trap heeft aan beide zijden leuningen. In het verleden zat deze alleen aan de rechter zijde.
De galerij bestaat uit uitbrekers en korte galerijbalken. De uitbrekers zijn opvallend licht uitgevoerd. De constructiewijze wijkt niet af van andere zuidoost Nederlandse standerdmolens.
Het witte staketsel bestaat uit verticale spijlen. Op de oudste foto's zijn dit kruisen. Het galerijdek is van bilinga. Tussen de hoekstijl en de spruitbalk is een zware trekstang aanwezig. De molen wordt gekruid met een vierspakig kruihaspel. Op de oudste foto's zijn, net als op andere Limburgse standerdmolen, geen treeplanken aanwezig en was er een set nonnen, tegenwoordig zijn er twee rijen nonnen (nonnekes) en treeplanken. Dit komt meer overeen met de standerdmolens in Brabant en het Gelders Rivierengebied. Vermoedellijk is dit gelijk met het steken van de oude roe als staartbalk in 1934 gedaan. Deze staartbalk is immers veel rechter waardoor de tweede set nonnen nodig waren.
S
De trap is vrij smal uitgevoerd. In tegenstelling tot de andere Limburgse molens zijn er treeplanken onderaan de staart.
4.8 Limburgse, jonge standerdmolens De kast komt overeen met diverse andere Limburgse standerdmolen. Samen met de
standerdmolens te Klein Genhout (1801), Leut (1801), Urmond (1805) en Beegden (1856) vormt
s
56
EAGM
î‚.— de Kesselse molen een opvallende, jonge generatie standerdmolens. In Limburg is, ten opzichte van andere landstreken, de standerdmolen lang in gebruik geweest. De volgende redenen liggen
hier waarschijnlijk aan ten grondslag: -een standerdmolen maalt met de enkelvoudige, lage overbrenging makkelijk, vaak sneller dan
SeeeN
een bovenkruier. De gemiddelde windsnelheid ligt in Limburg wat lager en hiermee is het een goed bruikbaar molentype. In heel Zuid-Nederland heeft de standerdmolen zich goed kunnen handhaven. In Noord-Brabant en in het Gelders Rivierengebied is het eveneens een veel voorkomend type;
- de bouwkosten zijn betrekkelijk laag en er kunnen redelijk eenvoudig onderdelen van elders gebruikt worden. Dit is in Kessel duidelijk aan de orde. In 1878 werd de standerdmolen in Kessel herbouwd.;
- de Limburgse zandgronden boden betrekkelijk weinig mogelijkheden voor teelt van producten.
Aan een koppel roggestenen (gewoonlijk de voormolen), waarmee ook bonen gemalen konden worden en koppel boekweitstenen (gewoonlijk de achtermolen) was voldoende voor een bedrijf. De meeste bovenkruiers hadden ook maar 2 koppel stenen. - er was een boerengemaal. De klanten brachten het graan en namen het na vermaling weer mee. Dit vroeg niet om heel veel opslagruimte.
De jonge uitvoering van de molen is aan een aantal kenmerken ook zichtbaar: - vanaf het begin was de achtermolen in de huidige vorm aanwezig. Deze is ook uit oude delen opgebouwd. In Limburgse standerdmolens is de achtermolen ook groot. In Kessel is er voldoende plaats voor een koppel 17der stenen - Het groot rad heeft vanaf het begin al twee kammenkransen. Nu kan deze tweedehands zijn, waarover onder het gangwerk meer geschreven wordt.
a
- de molen is met twee dwarsburriebalken gebouwd. - De maalzolder is niet verlaagd, maar wel op de waterlijsten gebouwd. Er zijn dankzij de complete vervanging van de kast geen bouwsporen meer van de achtermolen.
4.9 Kast
De steenbalk is bij de restauratie in 1989 vernieuwd, een tafel is niet aanwezig. Deze steenbalk is niet lang meegegaan, enige jaren geleden is wederom een nieuwe, eiken steenbalk geplaatst. De
oude was door zwam aangetast. Hierbij is tevens de steenzolder achter de voormolen hersteld. De restauratie in 1989 betekende een complete vervanging van de kast. Hierdoor kunnen er geen
bouwsporen meer afgelezen worden. De enige oude onderdelen bestaan uit de deurstijlen, een
s
57
EAGM
î‚.— stijl van het luik onder de luias en de voegburrie. In deze deurstijlen bevinden zich talrijke inscripties. Ook zijn er sporen van ossenbloedrode verf.
De voegburrie is een waardevol onderdeel. De kalven zijn, net als bij de molens te Oploo en
eSE
Bergeijk met een doorgaande lip aangebracht. Dit lijkt een oude constructie. Wellicht zijn tijdens de bouw onderdelen gebruikt van de in 1801 omgewaaide molen. Aangezien er bij de rest van de
kast geen bouwsporen meer afgelezen kunnen worden, kunnen er geen interpretaties gedaan worden. Het is wel mogelijk om dendrochronologisch onderzoek te verrichten om na te gaan in
welk jaar de bomen voor de voegburrie gekapt zijn.
De kalven van de voegburrie zijn met doorgaande lippen uitgevoerd, een constructie die ook
voorkomt op de standerdmolens te Oploo en Bergeijk. Hierop zijn twee dwarsburriebalken gelegd. Deze zijn bij de restauratie in 1989 geheel vernieuwd.
a s
58
EAGM
T In 1989 is de kast geheel vervangen. Hierbij is veel historisch materiaal verloren gegaan. De
zolderbalken van de steenzolder zijn nog wel oud.
N
DSSeeeeeeNeneeeeeeeeN! s
59
EAGM
î‚.—
De deurstijlen zijn nog oud en hierop zitten ossenbloedrode verfsporen. De kast zal in de Meijelse periode rood geweest zijn. De standerdmolens te Beegden, Asten en Someren, niet ver van Meijel gelegen, hebben een vergelijkbare rode kleur.
De steenzolder bevat nog zolderbalken uit de bouwtij
n een van de meest waardevolle
onderdelen van de kast. Opvallend is dat deze uit onderslagbalken en kinderbalken bestaan. De onderslagbalken lopen parallel aan de steenlijsten. Dit lijken de oude vloerbalken. De kinderbalken zijn later toegevoegd. Aangezien er aan beide zijden nieuwe steenlijsten zijn, kunnen er geen bouwsporen afgelezen worden.
s
60
44 4
4
4
4
4 4
4 4
44
De steenzolder tussen het trapeind en de steenbalk is opvallend gemaakt. De oude vloerbalken zij nu onderslagbalken en hierop zijn lichte kinderbinten gemaakt.
De trap van de maal- naar de steenzolder stamt nog uit de bouwtijd. Deze heeft mooi uitgesleten
treden en ook hier zijn talrijke inscripties aanwezig.
S s
61
De trap naar de steenzolder stamt nog uit de bouwtijd en bevat diverse inscripties. F. Kivits staat
ook in de vangbalk. Hendrickx heeft in 1975 de inscripties zorgvuldig in kaart gebracht.
4.8 Beschot kast inclusief luiken en deuren incl. behandeling kleurstelling De zijwegen en het trapeind van de kast zijn voorzien van een verticaal, douglas beschot met
tengels. Over de naden zijn tengels aangebracht. De fluitluiken zijn even oud als het beschot. Opvallend is er dat geen fluitluiken zijn die bij de achtermolen horen.
In het verleden zaten die er
wel. Op de oude opnames, ook op de oudste van rond 1900, is steeds een vrij slordig aangebracht kastbeschot te zien. De delen gaan niet over de volledige hoogte en er is een deling bij de steenlijst zichtbaar. Een kastbeschot gaat lang mee, het beschot op de opname van 1900 moet
s
62
EAGM
î‚.— het eerste geweest zijn. Vermoedelijk zijn oude planken uit Meijel hergebruikt en aanvullend uitgestukt. Dit is wederom een aanwijzing dat de molen met een krap budget is gebouwd .
Wellicht zijn ze ook door de molenaar zelf aangebracht. Molenmaker Hendricks, die vermoedelijk de bouw verzorgde, stond goed bekend om het vakmanschap. Het is niet waarschijnlijk dat hij dit
SeeeN
inferieure werk geleverd heeft. Het matige beschot is niet bevorderlijk geweest voor de levensduur. In 1989 moest immers de gehele kast vervangen worden.
De kleurstelling wordt tevens beschreven in “Kleurstelling Kesselse molen 2016, M. Crins. De deuren zijn rood/wit gezandloperd. In het verleden was er een blauwe stip in het midden. Deze
was in 1975 als vingerwijzing naar de Heilige Maagd Maria in het wapen van Kessels. Bij de laatste schilderbeurt is dit gewijzigd naar de kleurstelling die in 1943 is aangebracht. Op de oudste foto's is een egale kleurte zien. De exacte kleur is niet bekend. Het verfwerk is duidelijk zeer schraal, mogelijk was de kast toen ossenbloedrood. De deuren waren toen ook al gezandloperd. Bij het herstel van oorlogsschade werden de schaliën op het stormeind door Beijk, toen nog in
opdracht van Chr. Van Bussel, vervangen door eiken potdekseldelen‘“. Bij het aanbrengen van de Van Busselwieken twee jaar eerder kreeg de kast de huidige grijze kleur. De trapbomen, de zwaarden en de spruitbalk hadden dezelfde grijze kleur. Sinds de restauratie in 1975 zijn deze zwart. De roeden waren eveneens met deze grijze aluminiumverf behandeld. In 1989 keerden op het stormeind weer de schaliën terug.
De deuren zijn recent vernieuwd, vermoedelijk bij de restauratie in 1989. Hierbij zijn wel het oude slot en de oude gehengen bewaard gebleven. Er lijken geen dikke verflagen op te zitten, maar op deze onderdelen zou een kleurenonderzoek resultaat op kunnen leveren.
a
* https://nl.wikipedia.org/wiki/Wapen_van_Kessel (Limburg), geraadpleegd 10-8-2023 * Zie Hendrikx, 1975, blz 35
s
63
Links, de oude deurgehengen zijn bewaard gebleven. Hetzelfde geldt voor het slot. Er zijn geen dikke verflagen aanwezig.
Een kleuronderzoek
is het proberen waard, maar zal vermoedelijk niet veel resultaat opleveren.
4.9 Kap De kap, is zoals in het zuidoosten van het land gebruikelijk is, voorzien van een uitgebouwde luikap. De eiken kapspanten boven het gaffelrad en het groot rad dateren grotendeels nog uit de bouwtijd. De overige spanten zijn, inclusief de kardoezen, vernieuwd. Hierover is een grenen beschot aangebracht. Op al het historisch fotomateriaal is een zwarte dakvilt zichtbaar. Momenteel is dit een ongemineraliseerde bitumen.
In 1989 is de kap vrijwel volledig vernieuwd. Alleen de spanten boven het gaffelrad en het groot rad zijn nog oud.
s
64
EAGM
î‚.— GAANDE
WERKEN
4.9 Gevlucht
Beide roeden zijn gelaste, stalen exemplaren met een lengte van 25 meter, een voor Limburgse molens een gemiddelde lengte. De roeden zijn in 2022, geproduceerd door Beijk BV, de binnenroe
eSE
heeft nr 70 en de buitenroe heeft nr 71. De merkplaatjes zijn nog niet gemonteerd. Dit gevlucht vervangt een gevlucht uit 1975. Dit waren gelaste Derckx-roeden met nummer 143 voor de binnenroe en nummer
142 voor de buitenroe.
In 1910 is de binnenroe vervangen door een Fransen-roe. Op de steenlijst ligt nog een keerklos
van Fransen. Op oude opnames is de buitenroe een borstroe. Deze is in 1934 vervangen door eveneens
een Fransen-roe.
Het gevlucht heeft een achterhekbreedte van 1,55 meter. Dit lijkt in het verleden ook ongeveer de maat geweest te zijn. Het voorhek is sterk gevlinderd uitgevoerd met een breedte onderaan van 47 cm. Bij het vorige gevlucht en de Oudhollands opgehekte gevluchten uit het verleden tonen deze vlindervorm niet consequent. Het voorhek is bovenaan onder een hoek van 45 graden afgekort. Op een oude opname komt dit ook voor.
a
Opname Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, documentnummer OF-02020.
s
65
EAGM
î‚.— Deze is met 1929 gedateerd, maar dat kan niet juist zijn. In 1910 is er immers de binnenroe door een Fransen-roe vervangen. Hier is de binnenroe een borstroe. De opname zal rond 1900 genomen zijn.
Het voorhek van de buitenroe is bovenaan onder 45 graden afgeschuind en is hier vlindervormig uitgevoerd. Opvallend is dat hier een kleine gietijzeren askop zichtbaar. Het kastbeschot ziet er veel
SeeeN
korte delen “rommelig” uit, maar zal gezien de toenmalige leeftijd in 1878 geplaatst zijn. Op deze opname van na 1910 waarbij de binnenroe een Fransen-roe is. Hier is het voorhek recht uitgevoerd. De askop is anders. Hier is de huidige as
al aanwezig. Het gevlucht is onlangs vernieuwd. Het voorhek is vlindervormig gemaakt waarbij de borden
bovenaan onder 45 graden is afgschuind. Het oude voorhek liep veel rechter en was bovenaan met een
halfronde hap afgewerkt. De stormplanken zijn wit en de voorzoom rood. De nieuwe roeden zijn zwart. De oude Derckx-roeden zijn tussen 1945 en ongeveer 2016 blauw geweest.
a
Tussen 1943 en 1975 was de molen uitgerust met Van Busselwieken zonder remkleppen. Opvallend is dat er gedurende enige tijd zwichtlatjes aanwezig waren. Deze zijn in Limburg niet
gebruikelijk. In het voorhek is om de andere schei een klos aangebracht. Het achterhek van Siberisch lariks en de klossen van eiken. De zeilen zijn lichtbruin. Op historisch fotomateriaal lijken de zeilen steeds
lichtbruin geweest te zijn, maar op de voorgaande opname zijn witte zeilen zichtbaar. De zeilen
s
66
EAGM
T werden wit gekocht en konden na een jaar met zeilensmeer behandeld komen. Dit komt overeen met het algeheel gebruik van zeilen in Limburg. In de Van Busselperiode waren de zeil
opgehangen aan schuifijzers. De Oud-Hollandse gevluchten, zowel voor als na de Van Busselperiode tonen consequent zeilkettingen.
eSE
4.10 As
Op de oudste opname is een kleine askop zichtbaar waarvan
het model overeenkomt met de
askoppen die in het nabijgelegen Rheinland zeer veel toepassing vinden.
De molens te Dülken,
Goch-Hassum, Kevelaer-Wetten en Kevelaer-Achterhoek zijn duidelijke voorbeelden. Deze bestaan uit een eiken asboom en een gietijzeren askop. Het vermoeden is dus dat dit een Duitse askop was, maar duidelijke bewijzen zijn er niet. Wellicht is deze in 1878 bij de bouw aangebracht.
De huidige as is n 1865 gegoten door Wed. A. Sterkman & Zn te Den Haag met het
nummer 348. Deze as is van een andere molen afkomstig. Het productiejaar ligt ver voor circa 1910 en de as is te zwaar voor de molen. Vanwege de grote asgaten zijn de roewiggen zeer zwaar uitgevoerd en de as is bij de pen ingekort. Het aslijf is achteraan afgedraaid waarmee een nieuwe pen gecreëerd i. Op de foto's met de met de Fransenroe als binnenroe is de huidige as te zien. Vermoedelijk is de as in 1910, gelijktijdig met de nieuwe Fransen-roe aangebracht.
De askop is zwaar uitgevoerd. Hierdoor moeten er zware roewiggen gebruikt
7
È
worden. De nieuwe roeden zijn iets dikker in de askop dan de voorgaande
man!
a
Derckx-roeden. Bij deze roeden waren de wiggen nog dikker.
Naar de herkomst van de as is beknopte zoektocht gedaan. Een as van Wed. Sterkman wijst op een Noord of Zuid-Hollandse herkomst.
Gezien de zwaarte van de as moet deze in een grote
molen met een vlucht van 27-28 meter dienst gedaan hebben. Deze grote vluchten wijzen weer naar Zuid-Holland. De Noord-Hollandse molens zijn immers wat kleiner. Met een zoektocht aan de hand
van de molendatabase
1910" komen
3 kanshebbers
met de zoektermen
“Zuid-Holland”
en “verdwenen
in 1909
en
naar voor:
s
67
EAGM
T - _ Rhoon, de molen van Buitenland van Rhoon®5. Deze molen valt af. Deze as doet dienst in
de Kerkhovense Molen te Oisterwijk. - _ Rotterdam, De Reus.
Deze molen valt eveneens af. De as van De Reus doet dienst in
molen “De Prins van Oranje” te Buren. Dit betreft overigens een zeer korte Fyenoordas.
- _ Zevenhuizen, Eendragtspolder, Nr. 10 Bovenmolen®s. Deze molen is in 1910 afgebrand. Er is een foto bekend via allemolens.nl. Hier kan op de askop ingezoomd worden.
eSE
De askop van molen Nummer 10 Bovenmolen van de Eendragtspolder te Zevenhuizen. De askop vertoont overeenkomsten met de askop van de Kesselse molen.
De Eendragtspolder werd bemalen door 8 molens in 2 gangen van 3 hoog en twee boezemmolens. Molen nummer 10 was de bovenmolen van een van deze twee gangen. Een boezemmolen is bewaard
gebleven, de Eendrachtsmolen®. Deze molen heeft ook een Wed. Sterkman-as, maar dan veel korter en ouder (nummer 200 uit 1852, lengte 4,38 m). Van de verbrande molen nummer 10 is ook een foto bewaard gebleven. Deze wordt op de beschrijving in de molendatabase getoond. De gevallen as is hierop goed te zien. De uitvoering
van de pen is opvallend en toont duidelijke overeenkomsten met de pen van de Kesselse as. Het bovenstaande berust op een aanname en geeft zeker geen sluitend bewijs. Het is raadzaam om
nader onderzoek te verrichten waarbij het polderarchief van de Eendragtspolder van dienst kan zijn.
a
S https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&nummer=2368 © https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&nummer=2084 © https://www.molendatabase.nl/nederland/molen.php?nummer=1140
s
68
EAGM
î‚.— De pen van de as van de Zevenhuizense molen is
op gelijke wijze afgewerkt
eSE
als in Kessel. Het is
mogelijk dat deze as uit deze verbrande molen in de Sint-Anthoniusmolen
dienst doet, maar het
bewijs is nog niet sluitend.
De vulstukken zijn bijzonder kort uitgevoerd. Er zit een rond gedeelte aan voor het gebruik van de steenreep. Opvallend is dat de vulstukken van standerdmolen “Sint Jan” te Stramproy op gelijke wijze uitgevoerd zijn. Tevens is er een sleepspoor van een touw. Dit was een touw die in een lus om de as liep en als een soort binnenluiwerk gebruikt werd. Eind jaren 70 is de steen nog een keer met
de reep open gelegd®. Hiervan is een film gemaakt. Deze heeft jaren online gestaan, maar was ten tijde van het opstellen van deze rapportage niet meer terug te vinden. De vulstukken zijn uit een stam gezaagd. Wellicht is de asboom hergebruikt.
De as is gelagerd op een arduinen baan- en pensteen. Beide stenen zijn oud. De baansteen is van een zware vellingkant voorzien.
De as is sterk ingekort. De
a
overeenkomst met de pen van de Zevenhuizense molen is opvallend.
* DoorJ. Derckx, J. van Woezik, J. Wengelaar 3.
s
69
SeeeN De merkgegevens van de as zijn duidelijk zichtbaar.
4.11 Groot rad en vang Het groot rad is van de meest waardevolle onderdelen van de molen. De voormolen heeft 73
stuks acacia kammen en de achtermolen ongeveer 65 stuks. De kammen van de achtermolen zijn van essen, maar vele exemplaren zijn gebroken of ontbrekend. Beide gangen zijn slepend
gestoken. De kruisarmen zijn van eiken, de velgen en de plooistukken van iepen. Het rad is vrij licht uitgevoerd. De voorzijde van het groot rad is blauw geschilderd. Dit komt op de Zuidoost-
Nederlandse standerdmolens veelvuldig voor, bijvoorbeeld te Boekel, Beegden, Bergeijk, Stramproy, Wanroij en Mierlo. Af en toe wijkt de kleurstelling wat af, zoals in Bakel (wat richting okergeel) of Moergestel (rood). De wat zuidelijker gelegen standerdmolens in Limburg, zoals Urmond, Leut en Klein-Genhout hebben geen geschilderde wielen. Naar verluid zou het blauw
a
insectenwerend
werken.
De voor- en achtermolen zijn op gelijke wijze uitgevoerd. Hieruit valt, net als overige details, te
herleiden dat deze, betrekkelijk jonge, standerdmolen direct met een achtermolen gebouwd is. De kruisarmen en spouwarmen zijn met doorgaande pennen van rechthoekige doorsnede gemonteerd. Dit fenomeen komt op standerdmolenwielen in de regio Eindhoven/Helmond voor,
zoals te Bakel, Someren, Moergestel (wiel afkomstig uit een andere standerdmolen die gebouwd is in Eersel, later verplaatst naar Eindhoven-Strijp en vervolgens naar Wintelre) en Geldrop (molen ’t Nupke, het groot rad van deze molen komt van een standerdmolen). Nu was Meijel het enige
s
70
EAGM
î‚.— dorp in de Limburgse Peel dat vanuit Brabant goed te bereiken was.°° Bij Meijel lag immers de enige doorgaande weg door de Peel. Hierdoor is niet ondenkbaar dat het groot rad door een
Zuidoost Brabantse molenmaker gemaakt is. Vanzelfsprekend kan het rad ook iets ouder zijn dan 1802 en tweedehands gekocht zijn, of de verwoesting door storm van de voorgaande molen
overleefd hebben en hergebruikt zijn. De bovengenoemde andere standerdmolenwielen zijn allemaal wat ouder (tweede helft 18° eeuw).
Het groot rad is blauw geschilderd en de verbindingen zijn met houten pennen verstevigd. Dit is een constructie die typisch voor de regio Eindhoven-Helmond is.
De achtermolen is verdwenen.
De
kammenkrans is nog wel aanwezig. Het groot rad is meteen als dubbel wiel gemaakt. De molen is dus direct met een
achtermolen gebouwd.
De vang bestaat uit vijf wilgenhouten stukken, onderling gekoppeld met smeedijzeren, scharnierende maanijzers. De maarnijzers zijn allemaal vrij kort uitgevoerd. De haal is van eiken. De vangbalk is uit dezelfde houtsoort en bevat talrijke inscripties. Deze zijn door Hendrickx in kaart gebracht. De vangblokken en de haal lijken bij de restauratie in 1989 vernieuwd te zijn. De vang wordt gelicht met een evenaar. Deze is ook niet oud. Dit zal van oudsher een binnenwipstok
“ Mede hierdoor heeft Meijel een dialect dat afwijkt van de andere nabijgelegen Limburgse dorpen met veel Brabantse invloeden
s
71
EAGM
î‚.— geweest zijn. Nu zijn deze zwaar om te bedienen. Om deze reden worden geregeld vermaakt tot evenaar. Tot slot is er een pal met twee kammen. Dit is een recente toevoeging.
De vang wordt gelicht met een evenaar. In de vangbalk bevinden zich diverse inscripties.
s
72
De inscripties in de vangbalk.
4.12 Luiwerk
Het is uitgevoerd als kammenluiwerk met een gaffelrad zoals op standerdmolens gebruikelijk is. Het sterwiel heeft beuken kammen. Dit wiel lijkt nog uit de bouwtijd te stammen. De luias oogt veel jonger en bestaat uit twee delen met een lasverbinding. Het gaffelrad is als armwiel gemaakt en heeft een smeedijzeren ring met gaffels. Molendeskundige Van Bussel paste vaak dit soort
gaffelraden toe.
Het gaffelrad is grotendeels van ijzer.
s
73
EAGM
î‚.— 4.13 Molenstenen
en toebehoren
De molen heeft twee koppel stenen gehad ‚ een voormolen op de steenzolder en de achtermolen op een halfzolder op de maalzolder. Alleen de voormolen is bewaard gebleven.
De voormolen is een koppel 17der blauwe stenen. Deze zijn in 2016 aangebracht. Voor deze tijd
eSE
lag er een koppel kunststenen waarbij de loper en ligger van elkaar afweken. Deze staan nu in de
onderbouw. Op deze stenen ontbreekt een fabricagestempel. De loper is oud, deze is niet van balanceerbussen voorzien. Het koppel stenen is voorzien van een pennetjeswerk.
Van oudsher werd de voormolen voor het boerengemaal en de achtermolen voor boekweit. Tarwe zal slechts op kleine schaal gemalen zijn. Dit kon ook op de achtermolen.
Het steenrondsel is vrij oud. Deze zou van de verplaatsing in 1878 kunnen stammen. De bladen zijn opgebouwd met kalven en maanstukken. De 14 palmhouten staven zijn als schietstaven uitgevoerd. Op het bovenblad worden deze met een houten ring geborgd. De overbrengingsverhouding bedraagt 1:5,21, een normale waarde voor een Limburgse standerdmolen.
De meelring is vierkant en dit is een oud onderdeel. De steenkuip met toevoeging zijn jonger. Het kaar is nieuw, maar de ribben van de steenkuip ogen ouder. Deze kunnen vooroorlogs zijn. Het koppel stenen wordt met een steenkraan opgelegd. Deze oogt vrij oud. De ligger en de schoor zijn in 1975 vernieuwd, de stijl is gedisseld. In Zuid-Nederland werden eind 19° eeuw de steenkranen algemeen en deze lijkt ook uit deze periode te stammen. De as toont wel sporen van het gebruik van een steenreep, maar deze lijkt slechts kort in gebruik geweest zijn. Het kan uiteraard wel een tweedehands steenkraan zijn. Het ijzerwerk is niet oud. Overigens past de steenkraan goed. Er is ook geen sparing in de trekbalk gemaakt om te spindel te laten passeren.
a
ù
Ec
s
74
EAGM
T De meelring is een oud onderdeel, evenals de ribben van de steenkuip. Tegen de meelkist staat een zakkenglijbaan. Deze is in de jaren 90 door oud-molenaar J. Kuitert vervaardigd”°. De stijl van de steenkraan is nog oud. Het touw over de steenkraan lijkt op een steenreep, maar is een modern touw.
De maalbalk bevat veel oude delen en op de gebruikelijke wijze uitgevoerd. De scheiplank is van
een stok voorzien. De meelpijp is nieuw, maar de maalbak is een van de meest waardevolle onderdelen van de molen.
79 Mededeling Jaap Kuitert aan auteur
s
75
EAGM
î‚.— De gaaf bewaard gebleven maalbalk. Voor de afstelling van de hellingshoek van het schoentje is er een palrad.
SeeeN De vonder stamt ook nog uit de bouwtijd. De steenspil7’ wordt gesteld door 2 spieën. Voor de axiale richting wordt de complete vonder in de haakse richting verschoven. Het smeedwerk is eveneens oud.
Zoals in Limburg gebruikelijk is, was de achtermolen ook groot uitgevoerd.7? Er is voldoende ruimte voor een koppel 17der stenen. In Brabant en het Gelders Rivierengebied waren de achtermolens
heel wat kleiner.
4.13 Overige gebruikerszaken
a
Deze blijven beperkt tot de gebruikelijke molenaarsgereedschappen, zoals bilhamers en de roehaak. Op dit gebied is, met een uitzondering, geen noemenswaardige inventaris behouden gebleven.
De oude Fransen-keerklos en stukken hout met inscripties moeten behouden blijven. Dit betreft een deel van een steenijst een stukje hout met 1802 dat uit de in
1989 vervangen steenbalk
komt.
7 Zijnde de Zuid-Nederlandse term, tegenwoordig ”stut voor pennetjeswerk”
s
76
De keerklos van smederij Fransen op de rechter steenlijst.
s
77
EAGM
T 5. WAARDESTELLINGEN
5.1 Inleiding
SeeeN
In dit hoofdstuk worden de in hoofdstuk 4 beschreven
bouwdelen
voorzien van een waarde.
Hierbij wordt de terminologie uit de richtlijn voor bouwhistorisch onderzoek van de RCE gebruikt.
- hoge monumentwaarden, deze zijn van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied.
- positieve monumentwaarden, deze zijn van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied.
- indifferente monumentwaarden,
deze zijn van relatief weinig belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied.
De waardestellingen zijn gedaan op basis van ouderdom, zeldzaamheid en streekeigenheid. Deze waardestellingen zijn alleen op de cultuurhistorische waarden gebaseerd.
Andere belangen, zoals
de bouwtechnische toestand, gebruikers- en bedieningsaspecten, eventuele ontwerpoverwegingen en financiële aspecten zijn, conform de bovengenoemde richtlijn, geen weegfactor.
5.2 Contextuele waardestelling
a
De molen is qua type, als standerdmolen, en bouwwijze, vrij algemeen voorkomend in de regio.
Als standerdmolen is de Kesselse representatief voor het Limburgs type waarbij de ronde onderbouw een opvallende toevoeging is. Dit kwam in de regio Venlo/Roermond meer voor, maar
Kessel is het laatste Nederlandse voorbeeld in deze regio. De architectonische waarde is, mede door de streekeigenheid, positief.
De molen heeft een zeer omvangrijke restauratie ondergaan. De kast is hierbij volledig vernieuwd,
maar het kruiswerk en het gangwerk zijn wel gaaf bewaard gebleven. De Kesselse molen is opvallend jong. In Limburg zijn, in tegenstelling tot de rest van het land, tot na 1850
standerdmolen gebouwd. De betrekkelijk jonge standerdmolen is vanuit historisch oogpunt
s
78
EAGM
î‚.— interessant. Het feit dat de molen bij de bouw van voor- en achtermolen is voorzien, is bijvoorbeeld weinig voorkomend fenomeen. De bouwhistorische en historische waarde is positief.
De molen is op een zeer klein kavel gebouwd. Hier is zo optimaal mogelijk met de ruimte
SeeeN
omgegaan. De omtrek van dit kavel is duidelijk zichtbaar door het veiligheidshek. Verder zijn er geen stedenbouwkundige zaken bewaard gebleven. De vroegere woning met maalderij van
Gastreich is gesloopt en de omgeving is sterk veranderd. In de jaren ’50 is er hoogspanningslijn naast de molen gekomen en rondom de molen is de nodige woningbouw verrezen en zijn bomen
aangeplant. De hoge ligging, om een goede windvang te krijgen is nog wel duidelijk zichtbaar. Van een ensemblewaarde is geen sprake meer. Samengevat is de stedenbouwkundige ensemblewaarde indifferent.
De molenaarswoning met de maalderij is verdwenen. De molen heeft zelf heeft, zonder
veel
wijzigingen, gemalen. Ongeveer 30 jaar is de molen met Van Busselwieken uitgerust geweest. Bij de grote restauratie in
1972 is, naar de algemene inzichten in die tijd, teruggegaan naar het oude
tuigage. De achtermolen is verdwenen. Het erf is in de plattegrond slim ontworpen om de boeren optimaal tot de molen te bieden in relatie tot weinig ruimte. Opvallend is dat in 1878 een standerdmolen, een sterk verouderd molentype, gebouwd werd. Gezien de gebrekkige uitvoering van het kastbeschot moet het budget bij de bouw zeer krap geweest zijn. Er wordt minimale familiegrond gebruikt om een verouderde molen vanuit Meijel over te brengen. Daarentegen lijkt de molen wel goed gefunctioneerd te hebben. Van de molen is het kruis- en gangwerk redelijk gaaf en origineel, maar de kast is compleet vernieuwd. Samengevat kan de waarde vanuit de gebruikshistorie positief genoemd worden.
a
Samenvattend is de contextuele waarde van de molen positief te noemen.
Interne waardestellingen: 5.3 De molen en zijn omgeving De omgeving en het erf zelf bevatten geen waardevolle zaken. De plattegrond van het erf is wel een opvallend onderdeel. Het vroegere molenaarshuis van Pennings staat op 200 meter afstand van de molen en is niet een bij de molen horend molenaarshuis. De woning met opstallen van Gastreich zijn gesloopt.
s
79
EAGM
î‚.— Vanwege het ontbreken van een ensemble met de omgeving wordt aan de huidige standplaats een indifferente waarde toegekend. Hierbij wordt wel aangetekend dat de plattegrond van het erf
kenmerkend is en behoudenswaardig is. Hiervoor geldt een positieve monumentale waarde.
SeeeN
Op het erf liggende losse goederen. Hiervan de modelmolen, de steenbalk uit
1989 en de oude, uit
1975 daterende Derkcx-roeden niet waardevol. Hetzelfde geldt voor de “geriefszaken", zoals
bankjes, vlaggenmasten en de blokhut. Deze hebben een indifferente waarde. Het stuk van de Fransenroe en de oude zetel zijn behoudenswaardig. Deze liggen nu onbeschermd in weer en wind, waardoor deze sterk te leiden hebben. Deze onderdelen hebben
een hoge monumentale waarde.
5.4 Onderstel
Het kruiswerk stamt deels uit de bouwtijd, de reparaties zijn zeer beperkt. De standerd stamt ook nog uit de bouwtijd. Uit bouwsporen is de ontwikkeling van open naar gesloten standerdmolen zichtbaar. De open standerdmolen stamt nog uit de Meijelse tijd. In Kessel lijkt de molen direct als gesloten standerdmolen gebouwd te zijn, in dit geval met een ronde voet. De stiepen zijn gaaf bewaard gebleven. Het kruiswerk met de stiepen hebben een hoge monumentale waarde.
De paraplu is in 1975 volledig vernieuwd en de veldmuren in 1989. Hieronder zit waarschijnlijk wel een oude fundering. De betonvloer vertoont geen sporen van reparaties als gevolg van een vervanging inclusief de fundering. De ronde onderbouw is wel een zeldzamer
a
kenmerkend
voor de molen.
Om
fenomeen en
deze reden wordt de monumentale waarde van de onderbouw
als positief geklassificeerd.
5.5 Kast
De kast is in 1989 vrijwel volledig vernieuwd, maar wel gekopieerd van de oude toestand. De
deurstijlen en de voegburrie is nog oud. In de deurstijlen bevinden zich de nodige historische inscripties.
Het beschot is nieuw, maar de gehengen en sloten zijn nog oud.
s
80
EAGM
T De kast wordt, als onlosmakelijk en gekopieerd onderdeel als positief beoordeeld. De oude onderdelen, bestaande uit het hang- en sluitwerk, de deurstijlen met inscripties en de voegburrie met de opvallende lipverbinding met de kalven hebben een hoge monumentale waarde. De twee oude spanten (boven het groot rad en het gaffelrad) hebben eveneens een hoge
SeeeN
monumentale
waarde.
Het beschot is in 1989 vernieuwd en bevat geen waardevolle onderdelen. Tegenwoordig is het beschot voorzien van tengels, voordien was er een glad beschot aanwezig. De monumentale waarde is indifferent.
5.6 Balklagen, trappen en zolders De balklagen van de steenzolder stammen voor een groot deel nog uit de bouwtijd. De monumentale waarde van deze zolderbalken is hoog.
De vloerdekken en de balklaag van de maalzolder zijn in 1972 grotendeels vervangen. Deze monumentale waarde van de vloerdekken en de balklaag van de maalzolder is indifferent.
De trap naar de steenzolder is oud en voorzien van diverse inscripties. Deze heeft een hoge
monumentale waarde. De waarde van de overige ladders, die niet oud zijn, is indifferent. De buitentrap wordt in volgende paragraaf beschreven.
5.7 Trap en staart De trap, met galerij en de staart zijn, als gevolg van de blootstelling aan weersinvloeden, niet oud.
a
Er hebben echter sinds 1975 geen significante wijzigingen plaatsgevonden. Wel is de kleurstelling
in de afgelopen jaren gewijzigd. In het verleden heeft het staketsel kruisen gehad in plaats van de huidige verticale spijlen. In de jaren ’40 is er een ijzeren hek gekomen.
De staartbalk is nu van eiken, op de oudste foto's is een gedisselde staart aanwezig en gedurende lange tijd deed een oude roe dienst als staartbalk.
Samengevat vormt de trap, met galerij en staart, een kenmerkend onderdeel van de molen waarbij
geen zeer grote wijzigingen gemaakt zijn. De monumentale van dit deel is positief.
s
81
EAGM
T 5.8 Gaande werk 5.8.1 Gevlucht
Het gevlucht is onlangs vervangen bevat geen bijzondere onderdelen. Het is geen kopie van voorgaande gevluchten en de roeden zijn van een gelaste constructie. Het voorhek is nu
SeeeN
enigszins gekopieerd van een oude borstroe. Op historisch fotomateriaal is deze uitvoering niet consequent aanwezig. De monumentale waarde is indifferent.
5.8.2 As, groot rad en vang De as stamt uit 1865 en is vermoedelijk in 1910 geplaatst. Deze te zware as is sterk ingekort. De vulstukken zijn vermoedelijk uit de oude asboom gemaakt en vertoont sporen van het gebruik van de steenreep. Samengevat heeft de as een hoge monumentale waarde. Het groot rad stamt nog uit de bouwtijd en heeft een grote gaafheid.
De voor de regio
Eindhoven/Helmond streekeigen verbindingen zijn typisch. Is dit een relict van de goede bereikbaarheid van Meijel richting Brabant? De monumentale waarde is hoog.
De oude maanijzers en de vangbalk met de inscripties zijn waardevol en hebben een hoge monumentale
waarde.
De waarde van de nieuwe vangblokken, de nieuwe pal en de, vermoedelijk in 1989 vernieuwde evenaar is indifferent.
5.8.3 Luiwerk
Het luiwerk is gaaf bewaard gebleven en stamt vermoedelijk grotendeels nog uit de bouwtijd. De
monumentale waarde is hoog.
a
5.8.4 Maalstenen
De molen heeft alleen nog een voormolen, de achtermolen is verdwenen. Het pennetjeswerk op de voormolen is ook al lang aanwezig. De meelring, de steenkuip en de maalbak en het steenrondsel zijn vrij gaaf bewaard gebleven. Hetzelfde geldt voor het lichtwerk. Samengevat wordt aan de voormolen een hoge monumentale waarde toegekend.
Dit met uitzondering van het recent vernieuwde kaar en beschot op de steenkuip. Deze hebben een indifferente waarde.
s
82
EAGM
T Het koppel blauwe stenen is oud, de herkomst was tijdens het onderzoek niet te achterhalen. Deze is in 2016
in de molen gelegd. De oude maalstenen staan nu in de onderbouw. Zeker de
loper is een wat ouder exemplaar. De molenstenen worden als positief geclassificeerd.
SeeeN /
5.9 Overige onderdelen Hierbij zijn zaken van belang om als inventaris vast te leggen en voor behoud in te staan: - de keerklos van de Fransen-roe;
- De houten delen met inscripties stuks steenbalk en steenlijst; - De oude Fransen-roe op het erf. De andere Fransenroe heeft een andere bestemming gekregen.
Deze doet nu dienst als staartbalk bij de molen te Keldonk. Het afvoeren met een dergelijke, vergelijkbare, goede bestemming is denkbaar. Deze oude roe is niet van de Kesselse molen afkomstig.
- De hiervoor genoemde molenstenen in de onderbouw, inclusief de kleine motorstenen; - De oude zetel op het erf.
a s
83
EAGM
T 6. WAARDENKAART Op de volgende afbeeldingen zijn de historische waarden aangegeven. Hiervoor worden drie kleuren gebruikt:
SeeeN Gehengenen deurslot Hoog
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN
- paars voor een hoge monumentwaarde; - groen voor
een positieve monumentwaarde en
- geel voor een indifferente monumentwaarde.
Brontekening: Doorsnede van een standerdmolen met een voor- en achtermolen . De achtermolen is
niet meer aanwezig in de molen van Kessel. (Bron:
s
Kijk op Molens van J. Th. Balk)
84
EAGM
T 7. CONCLUSIES
EN ADVIES
7.1 Inleiding
SeeeN
In de inleiding (hoofdstuk 1) zijn de volgende onderzoeksvragen beschreven: =
De totale waarde van molen als cultuurhistorisch bouwwerk.
&
De standplaats/omgeving van de molen
In deze conclusie worden de bovenstaande vragen beantwoord, conclusies uit de historische
gegevens en de waardestellingen gemaakt en een advies gegeven ten aanzien van de voorgenomen en het beheer en onderhoud in de toekomst.
7.2 Totale waarde
van de molen
als bouwwerk
De molen heeft in 1989 een zeer omvangrijke restauratie ondergaan. Met de vervanging van de kast is er veel historisch materiaal verloren gegaan. Hierbij zijn de voegburrie en de deurstijlen nog oud. De monumentale waarde van de kast wordt vooral uit deze onderdelen gehaald.
Het onderstel, bestaande uit de stiepen, het kruiswerk en de standerd zijn gaaf bewaard gebleven. De paraplu en de veldmuren zijn in resp. 1975 en 1989 vernieuwd. Dit zijn wel kopieën van het voorgaande, zodat het uiterlijk niet veel veranderd is. Het gangwerk, bestaande uit het groot rad, de complete voormolen, het luiwerk, de vang en de as zijn ook gaaf bewaard gebleven en vormen eveneens een van de meest waardevolle onderdelen van de molen.
De Kesselse molen is als Limburgse standerdmolen met een ronde gesloten voet het laatste
a
voorbeeld van dit type in Midden-Limburg. In de directe omgeving leek dit het meest algemene type onder de standerdmolens te zijn. Limburg kenmerkt zich, in tegenstelling tot de andere
“standerdmolengebieden” in ons land (Noord-Brabant, Zeeland en het Gelders Rivierengebied) met opvallend jonge standerdmolen uit de eerste helft van de 19° eeuw. Met het bouwjaar 1802 te Meijel en 1878 te Kessel is de Sint Anthoniusmolen een representatief voorbeeld van dit type.
Aan de hand van de verkenning kunnen een aantal conclusies genoemd worden: De molen is een aantal verschijningsvormen gehad. Van bouwfasen is echter geen sprake. Er hebben geen grote bouwkundige wijzigingen plaatsgevonden. De in de loop der jaren tot stand gekomen wijzigingen bevinden zich op afwerkingsniveau.
s
85
T 7.3 De waarde van de standplaats en de omgeving van de molen Deze standerdmolen staat op een opvallend klein kavel. Conform de vergunning moest de molen
15 meter van de weg gebouwd worden en moesten de erfgrenzen aan de aan de zuidwest en de noordwestzijde intact blijven. Het bestaande akkerland moest gesplitst worden. De erfgrens werd
SeeeN
in een cirkelsegment net buiten de kruipaalcirkel, aangebracht. Desondanks is het erf ruim genoeg voor de molen. Er lijkt geen “vierkante meter teveel gebruikt te zijn”. Het ontwerp is slim
uitgekiend binnen de kaders van deze vergunning. Bij de bouw is goed nagedacht over de toegang en de klandizie. De klanten konden waarschijnlijk beneden wachten de molen, stond in
tegenstelling tot de andere molen van Jacobs, aan een makkelijk bereikbare weg. Deze kenmerken zijn nog duidelijk zichtbaar en dankzij het veiligheidshek rondom het perceel valt
de omtrek van het erf zeer goed op. Er zijn, behoudens roerende goederen, geen waardevolle zaken op en rondom het erf bewaard
gebleven. Het erf bestaat alleen uit een grasveld en bevat geen verdere elementen. Molenaar Pennings woonde in het huidige café “De Viersprong” op ongeveer 200 meter afstand van de
molen. In 1943 kwam de molen in handen van A. Gastreich. Hij woonde op de hoek van de Baarskampstraat met de Roode Eggeweg.
Achter de woning stond een maalderij. Deze stond
volledig los van de molen. Deze opstallen zijn gesloopt en op deze plek staan nu moderne woningen. De waarde van de standplaats is beperkt.
7.4 Bouwfasen 180
878 Meijel
De molen is gebouwd als open standerdmolen als molen het Oude Licht. Er is geen beeldmateriaal van de molen bekend. In 1870 werd molen het Nieuwe Licht gebouwd. Al snel kon molen het Oude Licht verdwijnen als gevolg van de concurrentie. Het is niet bekend of de molen
a
in Meijel enige tijd ook een gesloten voet gehad heeft. Zowel op het kruiswerk als op de kast is een ossenbloedrode kleur aanwezig. Deze kleur zal in Meijel aanwezig geweest zijn. Dit is in de
lijn met de standerdmolens te Someren en Asten. 1878 -1943 Gesloten standerdmolen,
sober uiterlijk
Molenaars Pennings, afkomstig uit een molenaarsgeslacht in de buurt van 's-Hertogenbosch, liet de molen vanuit Meijel naar Kessel verplaatsen. In 1910 werd de binnenroe vervangen door een Fransen-roe. Er zijn zeer sterke aanwijzingen dat toen ook de huidige, te zware, Wed. Sterkman geplaatst is. Voor die tijd was er een houten as met een vermoedelijk Duitse askop. Of deze uit Meijel afkomstig is of in 1878 is geplaatst is niet duidelijk. In 1934 werd ook de buitenroe, voorheen een borstroe, vervangen door een Fransenroe.
s
86
EAGM
î‚.— De kleur van de kast in deze periode is niet bekend, maar het oude ossenbloedrood ligt hierbij het meest voor de hand. De deuren hadden al zandlopermotieven waarbij het ossenbloedrood
aansluit de kast. Een sluitend bewijs op basis van bronnen is helaas niet gevonden.
SeeeN
Een opname uit circa 1920 van de molen, Collectie Vereniging De Hollandsche molen, documentnummer LIMBURG-K-P_00215.0000070.1,
ingekleurd via myharitage.nl.
De aan noordoostzijde in de onderbouw zit nog een deur, dit is nu
} een groot raam.
a
In de oorlogsjaren onderging de molen een omvangrijk herstel. Het gevlucht werd voorzien van Van Busselwieken en de kast kreeg de grijze kleur. Het stormeind werd voorzien van gepotdekselde delen. De grijze kleur van de aluminiumverf komt ook terug op de spruitbalk de trapbomen en de roeden.
s
87
EAGM
T De molen in 1968. Deze opname is bijna op dezelfde plek gemaakt als de vorige, online ingekleurde foto.
De deur aan de noordoostzijde van de onderbouw is nu een groot raam en de molen is grotendeels grijs
eSE
geschilderd. De ossenbloedrode zandlopers zijn bewaard gebleven.
Op de achtergrond de gebouwen van de tuinbouwcoöperatie waarin Gastreich eerder zijn
maalderij had.
1975 — heden
In 1975 onderging de molen een groot onderhoud. Hierbij werd het gevlucht vervangen en het Oud-Hollands systeem keerde weer terug. De roeden zijn van een gelaste constructie en waren tot voor kort blauw van kleur. De voorzoom is rood en de borden wit. Dit gevlucht is in 2023 wederom vervangen waarbij het voorhek wat aanpassingen kreeg.
De grijze kleur op de kast bleef gehandhaafd. Wel werden de grijze onderdelen aan de trap en de staart weer
a
zwart.
In 1989 vond een zeer omvangrijke restauratie plaats. Hierbij werd vrijwel de gehele kast vervangen. Het uiterlijk van de molen veranderde beperkt. De potdekseldelen op het stormeind werden weer vervangen door de schaliën zoals de molen tot 1943 had.
s
88
EAGM
î‚.— De molen in 1976 met het nieuwe
Oud-Hollands opgehekte gevlucht en blauwe roeden.
Het stormeind is
nog met grijze potdekseldelen in visgraatverband gedekt.
N
Fotograaf A.J. de Koning heeft iets meer naar links (zuidoostelijker) van opzichte van de vorige foto's gestaan. Foto collectie Vereniging
N
De Hollandsche Molen, documentnummer DIA.2881.
N N
DSSeeeeeeNeneeeeeeeeN
Deze opname van 8-8-2023 is uit dezelfde hoek als de eerste twee opnames gemaakt. De kast is grijs, maar de grijstint is wat veranderd.
s
89
EAGM
T 7.5 Advies inzake verplaatsing Deze bouwhistorische verkenning is opgesteld met het oog op een verplaatsing van de molen naar de Schijfweg Noord. Een standerdmolen is een van de oudste “prefab-constructies” en laat zich eenvoudig verplaatsen. De molen zelf is immers een goed voorbeeld met de verplaatsing van
SeeeN
Meijel naar Kessel in 1878. Met een zorgvuldig plan zal er niet of nauwelijks historisch materiaal aan de molen verloren gaan. De molen heeft uiteraard een binding met de huidige standplaats. Er zijn echter geen
molengebonden zaken meer rondom het erf, zoals maalderijgebouwen en molenaarswoningen. Het kavel van de molen heeft een kenmerkende plattegrond. Bij een verplaatsing is het volgende van belang: - _ Het perceel van de molen moet gekopieerd worden. Een landmeter kan eenvoudig de
eenvoudige omtrek van de kavel inmeten met de positie van de kruipalen. Op de nieuwe locatie wordt dit dan overgezet.
Hiermee gaat het karakter van het krappe erf niet
verloren;
- _ De waardevolle roerende zaken op het erf moeten beter beschermd worden. De zetel ligt nu in weer en wind en kan beter in de onderbouw opgeslagen worden. De oude Fransenroeden zijn kaal en verdienen minimaal een goede schilderbeurt om de conditie niet
verder achteruit te laten gaan. -
Voor de fundering zijn er twee smaken; de fundering van de veldmuren en de teerlingen handhaven als monument van de oude standplaats. Dit vraagt wel om een zorgvuldig
beheerplan van het oude erf. Het is technisch goed mogelijk om de stiepen en de veldmuren inclusief de fundering over te brengen. - _ De in het rapport genoemde waardevolle roerende zaken, zoals de maalstenen in de paraplu, de oude balksegmenten met inscripties en de Fransen-keerklos moeten op zorgvuldige wijze meeverhuizen. De Fransen-keerklos kan hierbij ook aan de roe hergebruikt worden. Een dergelijke inpassing voorkomt dat er onbedoeld “opgeruimd” wordt.
- _ De geplande locatie is geen oude molenstandplaats, maar komt goed overeen met de locatie waarop de molen in 1878 aan de Roode Eggeweg gebouwd is. De nieuwe locatie
bestaat, net als het perceel in 1878, uit bouwland. Op 400 meter afstand van de beoogde
a
locatie ligt een zeer oude locatie. Deze standplaats is van de nieuwe plaats goed zichtbaar en vanuit het dorp wordt de oude standplaats van de molen van Jacobs
gepasseerd. Hierbij is het wenselijk om met informatieborden het publiek meer informatie te verschaffen op de molenstandplaatsen in Kessel.
7.6 Advies inzake beheer en onderhoud
Dit rapport is ook van dienst voor het beheeren onderhoud aan de molen in de toekomst.
Aan de
hand van de verkenning en de conclusies kunnen de volgende adviezen gegeven worden: -
Met restauraties en onderhoud in de toekomst de positief en hooggewaardeerde
bouwdelen
conserveren en/of behoudend
restaureren.
s
90
EAGM
î‚.— x
Bij het vervangen van onderdelen met een indifferente waarde, nagaan welke
verschijningsvormen het onderdeel in het verleden gehad heeft. Hierbij gaat het zowel om de
constructie, als om de kleurstelling. Het verdient de aanbeveling om zo veel mogelijk naar één tijdsbeeld toe te werken.
SeeeN
Aanbevelingen voor verder onderzoek -
In de molen bevinden zich vele, vaak moeilijk leesbare, inscripties. Door deze met meel in
de smeren kan de tekst wellicht beter zichtbaar gemaakt worden.
De inscripties zelf zijn door
Hendricks al goed in kaart gebracht. E
De gehengen op de luiken en de askop lenen zich voor eventueel kleurenonderzoek.
-
Met behulp van dendrochronolisch onderzoek kan nagegaan worden in welk jaar de boom
gekapt is voor het gebruik als molenonderdeel. Een degelijk onderzoek is zinvol bij de standerd en de voegburrie. Hierbij kan eventueel nagegaan worden of deze onderdelen in 1802 nieuw geproduceerd zijn of van een voorganger komen.
Vooral de wat verouderde verbindingen van de
kalven met de voegburrie wijst op hergebruik.
a s
91
EAGM )
SeeeN
8.
BRONVERMELDING
8.1
Archieven
(mú
Archief Peel en Maas
- SA1798, inv.nr. 821 -SA1990, inv.nr. 1135
Limburgs Historisch Centrum, Maastricht - Burgerlijke stand Kessel Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort - Dossier Sint Antoniusmolen, Kessel, map D157 Vereniging De Hollandsche Molen, Amsterdam - Verenigingsarchief, correspondentie m.b.t de Sint Antoniusmolen - Archief Chr. Van Brussel, correspondentie
8.2 Literatuur
Bussel, P.W.E.A., De molens van Limburg, Eindhoven 1991
‘De Sint Anthoniusstandaardmolen te Kessel (Lb.)'’, in: De Molenaar 78 (1975) 38, p. 1052 Hendricks, A.J.G., Kessel maasdorp met een rijke historie, Venlo 1981 Hendricks, A.J.G., Wetenswaardigheden over Kesselse molens de Sint Anthoniusmolen in het
bijzonder, Kessel 1975 Medelo, Hoofdstuk 22, 'Meijel bleef Meijel onder de Fransen’ Medelo, Hoofdstuk 30, ‘Het Oude Licht tegen het Nieuwe Licht’ Silvrants Architecten, Studie [ocatie molen te Kessel,15 oktober 2003
a
8.3 Beeldbanken
en websites
Allemolens.nl Beeldbank
RCE
Medelo.nl Molendatabase.nl
Molendatabase.org Peelenmaasnet.nl
Wikipedia.co
s
982