2024-027 08 Toelichting
Tekst van het document
Nabij de locatie zijn tevens de sportvelden van Meijel gelegen. De afstand van de sportvelden tot de bestaande woning en de locatie van de nieuwe woning bedraagt circa 220 m.
Toets besluitgebied Op basis van het vigerend bestemmingsplan zijn er in de nabijheid van het besluitgebied agrarische bedrijven toegestaan, deze hebben, afhankelijk van het bedrijfstype, een richtafstand tussen de 30 en 200 meter. Nabij het plangebied is het agrarische bedrijf Heufkesweg 24 gelegen. Heufkesweg 24 betreft volgens het vigerend bestemmingsplan een intensieve veehouderij. Inmiddels is de intensieve veehouderij op de locatie beëindigd en is op de locatie sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw). De afstand van de bestaande woning tot het grondgebonden agrarisch bedrijf bedraagt ca. 35 m. Zoals reeds aangegeven zijn de meest nabij gelegen bedrijven grondgebonden agrarische bedrijven (akkerbouw). Deze bedrijven behoren tot categorie 2. Bij deze categorie behoren de maximale richtafstanden van 30 meter (omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied) en 10 meter (gemengd gebied). De sportvelden behoren tot de categorie 3.1. Bij deze categorie behorende de maximale richtafstanden van 50 meter (omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied) en 30 meter (gemengd gebied). Hiermee wordt dus voldaan aan de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG (2009). Hiermee wordt de aangetoond dat de wijziging naar wonen en het toevoegen van een woning op de locatie geen beperking vormen voor de nabijgelegen inrichtingen.
Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er derhalve geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie Geconcludeerd kan dan ook worden dat wordt voldaan aan de richtafstanden welke in het kader van de richtlijn bedrijven en milieuzonering gehanteerd moeten worden.
4.2 Cultuurhistorie en Archeologie Cultuurhistorie In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waarop een negatieve invloed uitgeoefend zou kunnen worden met het slopen van de bedrijfsgebouwen en het realiseren van de woning.
Archeologie Uit het bureauonderzoek door Archeopro (bijlage 3) blijkt dat voor het plangebied op basis van zowel de landschappelijke situering als de reeds verrichte archeologische waarnemingen een middelhoge archeologische verwachting voor resten uit alle periodes geldt. Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat er sprake is van een LaatPleistoceen eolisch dekzandpakket. In de top van het dekzand heeft zich een Holocene veldpodzolbodem gevormd die nog grotendeels intact is. De middelhoge archeologische verwachting met betrekking tot zowel behoudenswaardige steentijdvindplaatsen uit het
paleolithicum en/of mesolithicum als voor sporenvindplaatsen uit het neolithicum en latere perioden dient te worden gehandhaafd. Uit beoordeling door de gemeente Peel en Maas blijkt dat de beoordelaar zijn bedenkingen bij de brede (zij het middelhoge) verwachting die voor dit plangebied wordt gegeven. Er wordt aangegeven dat niet dit waarschijnlijk is voor een relatief laat ontgonnen Peelheide gebied. Het waren geen aantrekkelijke gebieden voor boeren in de Late prehistorie tot in de twintigste eeuw. De toponiemen op de Tranchotkaart liegen er niet om. In de periode vóór de grote veen(moeras)vorming - in het Laat Paleolithicum en (vroegmidden) Mesolithicum - zullen ongetwijfeld kleine en grotere zandruggen langs de vennen en laagten aantrekkelijk geweest zijn voor het inrichten van - en regelmatig terugkerende tijdelijke jachtkampen. Veel van de venen zijn echter verveend en uiteindelijk in de twintigste eeuw ontgonnen tot strak verkavelde landbouwgebieden. Dat proces doet zich ook hier voor. Bekijk je een meer gedetailleerd AHN-beeld (van het plangebied, dan valt juist op dat deze tot 80 cm lager (ca 33.00 +NAP) ligt, dan de percelen aan de (zuid)oostkant van het plangebied (33.80 + NAP). Bovendien tekent zich een scherpe rand aan de zuidoostkant af, wat te meer duidt op ontginning -ontgronding/egalisatie van het plangebied in de afgelopen eeuw/einde negentiende eeuw.
Het verbaast beoordelaar echter dat de boringen nog wel een restant B-horizont vertonen. Hoeveel van het oorspronkelijke ‘loopniveau’ is verdwenen, is moeilijk vast te stellen. Een kijkje met een boring op het hogere deel had hier ongetwijfeld meer inzicht in gegeven. Beoordelaar komt tot de conclusie dat eventuele goed geconserveerde vuursteenvindplaatsen uit de steentijd vanwege de 19de/20ste eeuwse ontginning weinig kans hebben gehad te overleven. Gezien de (minder dan) middelhoge verwachting voor behoudenswaardige archeologische resten op het perceel (ca 1500 m²) waar een nieuwbouwwoning wordt gerealiseerd, is de beoordelaar van mening dat een nader archeologisch (voor)onderzoek hier weinig zinvol is. De dubbel bestemming “Waarde Archeologie -5” blijft behouden binnen het plangebied Hiermee vormt het onderdeel Archeologie en Cultuurhistorie geen belemmering voor onderhavig planvooornemen.
4.3 Leidingen en infrastructuur In of nabij het besluitgebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische beschermd moeten worden. Kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen
4.4 Ecologie Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora - en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland, 2. Decentralisatie van verantwoordelijkheden en 3. vereenvoudiging van regels. Vanaf 1 januari bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. De provincie is primair verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen.
Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen alle bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken. Verder gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd, landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en tenslotte alle 164 aangewezen Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. In de nieuwe Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt wel te vervallen.
Provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het NNN of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap. Beoordeeld moet worden of de wijziging significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. De locatie is gelegen op circa 1,6 km van het Natura2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel en op circa 3 km van het Natura2000 Gebied Groote Peel.
Afbeelding 10, nabijgelegen Natura2000-gebieden.
Soortenbescherming Zowel in de oude Flora- en faunawet als in de nieuwe Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Verboden activiteiten wijzigen nauwelijks. Wel zijn enkele definities aangepast. Zo is onopzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan. Maar verstoren zonder dat tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd, blijft strafbaar. Met de nieuwe wet wijzigt wel de lijst van beschermde soorten. Waar de Flora- en faunawet uitgaat van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. De bescherming van vaatplanten uit tabel 1 en tabel 2 is vervallen. Onder de Wet natuurbescherming worden nog 75 soorten vaatplanten beschermd, waaronder soorten die niet eerder werden beschermd. De bij het plangebied behorende gronden zijn reeds in gebruik als agrarische gronden, hierdoor is de aanwezige plantdiversiteit al jaren de mens gereguleerd. Door BNL advies is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 4).
Hieruit blijkt dat het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn nesten van de huismus aangetroffen. Voorafgaand aan de sloop, dient deze soort dan ook nader onderzocht te worden, om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Overige soorten met jaarrond beschermde
nesten zoals de gierzwaluw en uilen zijn in de bouwwerken/ beplantingen/ bomen binnen en aangrenzend aan het plangebied niet aangetroffen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten met jaarrond beschermde nesten en het essentieel leefgebied wordt dan ook niet nodig geacht. Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er aanleiding om een aanvullend flora en faunaonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van de huismus. De huismus en de vaste rust-, verblijfs- en voortplantingsplaatsen van de huismus zijn jaarrond beschermt volgens de Wet natuurbescherming. Naar aanleiding van bovengenoemd onderzoek is op de locatie een aanvullend onderzoek huismussen uitgevoerd (Bijlage 7). Tijdens het onderzoek zijn er diverse huismussen (man en vrouw), huismussennesten/ nestlocaties waargenomen binnen het plangebied. De nesten/ nestlocaties zijn aangetroffen onder het dak van de woning en onder het dak van de meest noordelijke stal. Onder de daken van de overige stallen zijn geen nesten/ nestlocaties aangetroffen. In totaal zijn drie nesten/ nestlocaties tijdens het veldbezoek op 11 april en drie nieuwe nesten/ nestlocaties op 22 april aangetroffen. In totaal zijn dus zes nesten/ nestlocaties binnen het plangebied aanwezig, waarvan er twee gaan verdwijnen door de geplande ontwikkeling.
Tijdens de inventarisatiemomenten zijn er ook huismussen waargenomen ten zuiden en noordwesten van het plangebied op daken van woningen op de buurkavels. De huismussen welke rondom de stallen aanwezig waren gedurende het nader onderzoek, vlogen ook met enige regelmaat over van stallen naar woningen op buurkavels waar ze hun nesten hebben. Naar alle waarschijnlijkheid kwamen de huismussen foerageren op overgebleven voer van de kippen welke ooit in deze stallen gehouden werden. Als er bebouwingen binnen het plangebied gesloopt gaan worden, dan gaat er functionele leefomgeving in de vorm van nestlocaties van de huismus verloren. Het kennisdocument huismus schrijft voor dat: Voor elke nestplaats die aangetast of verwijderd worden minimaal twee nieuwe nestplaatsen aangeboden. Dit in de vorm van bijvoorbeeld vogeldakpannen, gierzwaluwpannen/stenen, huiszwaluwnestkommen, nestkasten, neststenen, mussenpotten, dakvoetsystemen of vergelijkbare voorzieningen of door het maken van toegangen in gebouwen tussen dakbedekking en isolatielaag of het verwijderen van aanwezig vogelschroot. Gezien het aanwezige vogelschroot onder het dak van de woning, is het logisch om deze te verwijderen / hoger te plaatsen onder de 3e rij dakpannen, om het complete dak van de woning geschikt te maken voor de huismus.
Nu kunnen ze op 4 plaatsen onder het dak komen doordat het vogelschroot niet goed aansluit/ aangebracht is. Door het verwijderen van de vogelschroot onder het dak van de bestaande woning worden meer als voldoende nieuwe nestmogelijkheden gecreëerd ter compensatie van de te verwijderen nesten door de sloop van de pluimveestallen.
4.4.1 Natura2000 notitie AERIUS Calculator 2020 is het rekeninstrument voor het bepalen van de stikstofdepositie door een project of andere handeling. Met AERIUS Calculator 2020 kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. Voor zowel de sloop-, bouw-, aanleg en gebruiksfase zal gelden dat de totale emissie ten aanzien van de huidige situatie (intensieve veehouderij) zal verminderen. Hiermee zijn
significante negatieve effecten op de nabij gelegen Natura2000 gebieden niet van toepassing.
4.5 Landschappelijke inpassing Het Limburgs Kwaliteitsmenu van provincie Limburg heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in het onderdeel Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/ of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Ontwikkelingen die niet passen in het bestemmingsplan worden op basis hiervan alleen toegestaan als er een tegenprestatie wordt geleverd in de vorm van landschappelijke inpassing. Voor de locatie is een landschappelijke inpassing opgesteld voor zowel de nieuw te realiseren als de bestaande woning. Deze landschappelijke inpassing is als bijlage 5 toegevoegd. Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas Middels bovenstaande inpassing wordt voldaan aan de Basiskwaliteit zoals gesteld in het kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas. Aanvullende op de nieuwe bebouwing en verharding wordt tevens de reeds bestaande woning landschappelijk ingepast. Voor het realiseren van een nieuwe solitaire woning wordt vanuit het kwaliteitskader een bijdrage gesteld van 100,- euro per m2 kaveloppervlakte. Op de locatie wordt een woonbestemming van 1.000 m2 gerealiseerd. Dit zou betekenen dat er een bijdrage van 1.000* 100,- =100.000,- euro gevraagd wordt voor het toevoegen van een nieuwe woning.
Op zowel de locatie Heufkesweg 24 als de locatie Heufkesweg 33 worden ter compensatie stallen gesloopt. De totale sloop bedraagt 4.034 m2. Als sloop wordt ingezet wordt uitgegaan van een normbedrag van 25,- euro per m2. De sloop van de stallen compenseert hiermee de gevraagde bijdrage uit het kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas ( 4.034 m2 * 25,-=100.850,- euro).
4.6 Verkeer en parkeren De nieuwe ontwikkeling maakt gebruik van de bestaande infrastructuur. Daardoor wijzigt de verkeerssituatie ter plaatse nauwelijks. De nieuwe woning wordt ontsloten door de Vieruitersten welke hiervoor voldoende capaciteit heeft. Op de locatie wordt een intensieve veeohuderij beeindigd, hierdoor neemt de verkeersintensiteit af. Voor zowel de bestaande (bedrijfs)woning alsmede de nieuw te realiseren woning zal gelden dat parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein. In 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 vastgesteld. Aangezien de locatie zich buiten de bebouwde kom bevindt zijn volgens de parkeernota zowel voor de locatie Heufkesweg 33 alsmede de Vieruitersten ong. 2 parkeerplaatsen benodigd. Hiervoor is op beide locaties voldoende ruimte op eigen terrein.
4.7 Waterparagraaf Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan.
4.7.1 Provinciaal Waterplan Limburg Op 20 november 2009 heeft provinciale staten het Provinciaal Waterplan Limburg vastgesteld. Dit plan is een actualisatie van het waterbeleid uit het POL2006. Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. De operationele uitwerking vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels, die bij de verschillende hoofdstukken genoemd zijn. Samen met deze uitwerkingen vormt het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 het nieuwe provinciale waterhuishoudingsplan.
Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de ecologische en mensgerichte functies: de specifiek en algemeen ecologische functie (SEF resp. AEF) en de functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Conform het stroomschema van het waterschap is voor de beoogde planwijziging een “Watertoets” uitgevoerd.
4.7.2 Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als
waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1). Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het toevoegen van één woning en het bestemmen tot burgerwoning van een agrarische bedrijfswoning. De bestaande woning is reeds voorzien van hemelwaterafvoeren en hierin zal dan ook geen wijziging plaats vinden. Uitgaande van een nieuw te bouwen woning van 150 m2 en een overige erfverharding van 100 m2 is er binnen de grenzen van het perceel meer als voldoende ruimte voor het realiseren van voorzieningen ten behoeve van de infiltratie. Deze voorziening dient in ieder geval een inhoud van 25 m3 te hebben. Het totale verhard oppervlak op de locatie zal door de sloop van de aanwezige stallen afnemen.
5 UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE 5.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
5.2 Planschade Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Voor de overige schade kan een tegemoetkoming worden aangevraagd bij het college van burgemeesters en wethouders. Indien het bestemmingsplan niet wordt geïnitieerd door de gemeente, dan zal de gemeente de schade verhalen op de initiatiefnemer van het plan. In vorige sub paragraaf is aangegeven dat gemeente Peel en Maas met de initiatiefnemer een overeenkomst is aangegaan. In deze overeenkomst is ook de eventuele planschade afgewenteld op de initiatiefnemer. Daarmee is zeker gesteld dat initiatiefnemer volledig verantwoordelijk is voor de tegemoetkoming in eventuele planschade, die mogelijk ontstaan is als gevolg van onderhavig plan.
5.3 Maatschappelijke haalbaarheid De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is
5.3.1 Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen
van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. De direct omwonenden zijn door de initiatiefnemer schriftelijk geïnformeerd over de plannen. In deze informatie zijn zowel de wijzigingen aan de Heufkesweg 33 alsmede de Heufkesweg 24 meegenomen. Het planvoornemen heeft geen aanleiding voor omwonenden gevormd om opmerkingen te maken over het plan. Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht .
5.4 Procedure Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het bestemmingsplan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.5 Vooroverleg en inzage Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Op 18 mei 2022 heeft de Provincie Limburg gereageerd op het kader van het wettelijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro aangeboden stukken. De door de provincie gemaakt opmerkingen op het plan zijn verwerkt in bovenstaand planvoornemen.
6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).
6.3 Toelichting op de regels Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:
Hoofdstuk 1:
Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten
Hoofdstuk 2:
Bestemmingsregels.;
Hoofdstuk 3:
Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels;
Hoofdstuk 4:
Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen