2024-006 03 Toelichting met bijlagen
Tekst van het document
Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200
Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woning. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd.
Vastgesteld
23
De te ontwikkelen Ruimte voor Ruimtewoning ligt binnen de geluidszones van de Nobisstraat en andere omliggende wegen. In dat kader is een akoestisch onderzoek noodzakelijk om de exacte gevolgen van (weg)verkeerslawaai te bepalen. Voor de nieuwe woning is dan ook een akoestisch onderzoek4 uitgevoerd, Uit het onderzoek volgt: ▪ dat voor alle omliggende wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde; ▪ dat de nieuw beoogde woonbestemming geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; ▪ dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen gewaarborgd is. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde herbestemming. 5.1.4 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht.
Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,3 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,2 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,8 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit De AMvB ‘NIBM’ legt vast, wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een ontwikkeling altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen en kantoren gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: ▪ Woningen; maximaal 1.500 ▪ Kantoren; maximaal 100.000 m2 bvo Het initiatief omvat de ontwikkeling van één woning. Dit aantal is ruim beneden het aantal van 1.500 woningen, de grens voor NIBM. Het ontwikkelen van de Ruimte voor Ruimtewoning draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit.
4
HMB Groep, Akoestisch onderzoek Nobisstraat 4 Panningen, 1 maart 2023, kenmerk: 23213102N
Vastgesteld
24
5.1.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De gebouwen voor huisvesting betreffen derhalve geurgevoelige objecten. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? Goed woon- en leefklimaat De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de Wgv vastgesteld op 14 OU/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen).
Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De te ontwikkelen woning binnen het plangebied kan wel geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich de volgende (intensieve) veehouderijen: ▪ Een melkveehouderij aan de Nobisstraat 5, afstand tot het plangebied 80 meter; ▪ Een paardenhouderij aan de Vosberg 5a, afstand tot het plangebied 110 meter; ▪ Een varkenshouderij aan de Vosberg 11a, afstand tot het plangebied 350 meter; ▪ Een pluimveehouderij aan de Vosberg 14, afstand tot het plangebied 470 meter. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (paarden en melkvee), tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Bij de varkenshouderij en de pluimveehouderij worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze veehouderij is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bijlage 1).
Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak. Nummer X-coördinaat Y-coördinaat Vosberg 11a Vosberg 14 Hoek 1 195 751 372 504 1,0 0,8 Hoek 2 195 753 372 462 0,9 0,8 Hoek 3 195 777 372 463 1,0 0,8 Hoek 4 195 776 372 505 1,1 0,8 Middelpunt 195 765 372 484 1,0 0,8 De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 1,1 OU/m3. Op basis van de Wgv is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen (zie bijlage 3).
Vastgesteld
25
In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt
X-coördinaat 195 751 195 753 195 777 195 776 195 765
Y-coördinaat 372 504 372 462 372 463 372 505 372 484
Berekende waarde 3,1 3,2 3,3 3,1 3,2
De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 3,1 en 3,3 OU/m3. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgv geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de Wgv geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv (welke gaat over de beoordeling van ruimtelijke plannen, aanvulling 23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling 1 mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen. Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van de verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is. Milieukwaliteit
Geur gehinderden
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
< 5% 5-10% 10-15% 15-20% 20-25% 25-30% 30-35% 35-40%
Voorgrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 1,5 1,5-3,8 3,8-6,6 6,6-10 10-14,2 14,2-19,2 19,2-25,3 25,3-32,8
Achtergrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 3,1 3,1-7,4 7,4-13,1 13,1-20 20-28,3 28,3-38,5 38,5-50,7 > 50,7
Concluderend kan derhalve het volgende gesteld worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt toetsing plaats aan de wettelijke norm van 14 OU/m3 voor buiten de bebouwde kom. De norm voor buiten de bebouwde kom valt in de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht” (10,0 tot 14,2 OU/m3). Op grond hiervan wordt afgeleid dat buiten de bebouwde kom een milieukwaliteit “tamelijk slecht” aanvaardbaar is. Als deze wettelijke normen worden doorgetrokken naar de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat buiten de bebouwde kom bij een norm gelegen in de klasse 20 – 28,3 OU/m3 (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 3,3 OU/m3. Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een milieukwaliteitsklasse “goed”, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting.
Vastgesteld
26
Effect voor veehouderijen in de omgeving Hierboven is gemotiveerd dat, om een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen, de afstand tussen een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig object minimaal 50 meter dient te bedragen (afstand tussen emissiepunten veehouderij en een geurgevoelig object). Indien geurgevoelige objecten dichter dan 50 meter bij een veehouderij worden opgericht zullen deze geurgevoelige objecten de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden binnen een agrarisch bouwvlak van betreffende veehouderij belemmeren. Het is dan namelijk niet toegestaan voor betreffende veehouderij emissiepunten te realiseren. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De nieuwe woning, welke verder van de intensieve veehouderijen wordt gepositioneerd dan bestaande woningen, heeft derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.
5.1.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het projectgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken.
Vastgesteld
27
Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn.
Afbeelding 11. Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied rood omcirkeld)
Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart ligt ten zuidoosten van het plangebied een LPG tankstation. Ongeveer 180 meter ten zuidoosten van het plangebied, aan de Ninnesweg 94, is een LGP-tankstation gelegen. Op deze locatie zijn een vulpunt, reservoir en afleverinstallatie aanwezig. Voor de afleverinstallatie bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 15 meter, voor het reservoir 25 meter en voor het vulpunt 35 meter. Het invloedsgebied inzake het groepsrisico bedraagt 150 meter. Zoals te zien is in de uitsnede van afbeelding 9 ligt het plangebied buiten de plaatsgebonden risicocontour, buiten het brandaandachtsgebied (BAG) en buiten het explosieaandachtsgebied.
Vastgesteld
28
Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied is gelegen aan de Nobisstraat. Over deze weg, alsmede over de omringende wegen binnen 200 meter van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats dat invloed heeft op het plaatsgebonden of het groepsrisico. Conclusie Binnen het plangebied worden geen verminderd/beperkt zelfredzame personen gehuisvest. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, wegen of leidingen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van onderhavig bestemmingsplan.
5.2
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.3
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de nieuwe woning hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie5 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen.
Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de opgaande vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
5 Faunaconsult, Flora- en fauna-inspectie Nobisstraat 4 te Panningen, 7 maart 2023
Vastgesteld
29
Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, ligt op 6 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 6,0 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met onderhavig initiatief wordt een Ruimte voor Ruimte woning gerealiseerd aan de Nobisstraat.
De exacte effecten van de bouw- en gebruiksfase op de Natura2000- gebieden is berekend middels AERIUS Calculator. Bouwfase Het voornemen bestaat om aan de Nobisstraat een nieuwe Ruimte voor Ruimte woning te realiseren. Bij de realisatie van de woning en de inrichting van het perceel wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof, deze emissie is berekend.
Bouwjaar
Brandstof
Vermogen (kW)
Belasting (%)
Liters diesel per uur*
Draaiuren
Brandstof verbruik (l/j) Adblue verbruik
Betonpomp Mobiele hijskraan Graafmachine Laadschop Totaal
2014 2015 2014 2014
Diesel Diesel Diesel Diesel
200 100 200 200
50 50 60 60
27,78 14,02 33,09 33,09
7 8 40 8
194 112 1.324 265
0 0 92 0
Totale emissie
Werktuig
Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen.
6,4 1,7 1,6 8,8 18,5
* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO
Ten tijde van de bouw vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 4 bedrijfsbusjes per etmaal. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 6 vrachtwagens aanwezig zijn.
Vastgesteld
30
Afbeelding 12. Uitsnede berekening AERIUS Calculator bouwfase
Tijdens de bouwfase is sprake van een toename van 19,3 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief (zie bijlage 2: AERIUSberekening bouwfase). Gebruiksfase Als gevolg van onderhavig initiatief kan de emissie van stikstof vanuit het plangebied toenemen vanwege het gebruik van de woning en de toename van verkeer van en naar de locatie. Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer, derhalve vindt de uitstoot van stikstof in het geval van de nieuwe woning uitsluitend plaats door verkeer van en naar de locatie. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van de functie ‘koop, huis, vrijstaand’ en van het gebiedstype buitengebied in matig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 8,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 4,3 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen).
Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s).
Afbeelding 13. Uitsnede berekening AERIUS Calculator
Vastgesteld
31
Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 0,3 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden (zie bijlage 3: AERIUS-berekening gebruiksfase).
5.4
Waterhuishouding
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging.
Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving.
Vastgesteld
32
5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als laarpodzolgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75 tot 1,5 m/dag. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat ten oosten en zuiden van het plangebied de Ninnes stroomt. Dit betreft een secundaire watergang van het waterschap. De Keur van het waterschap is op deze watergang van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. De woning en bijgebouwen zullen op minimaal 5 meter afstand van deze watergang worden gerealiseerd. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. In het vigerende bestemmingsplan is deze watergang beschermt middels de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. Om de watergang te bescherming wordt deze dubbelbestemming opnieuw van toepassing verklaard. Afvalwater / riolering Het afvalwater van de nieuwe Ruimte voor Ruimtewoning zal worden aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.
Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. 5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) De gemeente Peel en Maas streeft naar het afkoppelen van hemelwater. Nieuwbouwwoningen in de gemeente worden standaard niet meer op het riool aangesloten voor de afvoer van hemelwater. Bij de nieuwe woning zal het hemelwater dan ook op eigen terrein worden opgevangen. Hiervoor is voldoende ruimte. De oppervlakte van ca. 300 m2 verharding geeft met een bui T= 100 een hoeveelheid regenwater wat afgevoerd moet worden van 30 m3. Dit zal geleid worden naar de infiltratiewadi, in de achterhoek van het erf, zodat het als “infiltratiewadi” in de tuin/grasveld mooi past. Hier kan het regenwater infiltreren. De infiltratiewadi is een laagte van 12 x 7 x 0,40 meter, creatief vormgegeven/gemaakt met flauw talud en daarom ook onderdeel van het erf-tuindeel. De infiltratielaagte voldoet hiermee aan de normen van de watertoets en zal op deze grond functioneel zijn en 30 m3 kunnen opvangen en hier laten infiltreren. Dit gaat hier gezien de zanderige grondsoort erg snel en zal daarom zelden water bevatten. In het kader van de realisatie van de uitrit dient in een later stadium een melding te worden gedaan of een watervergunning te worden aangevraagd.
Dit is afhankelijk van de inrichting van de uitrit (een duiker of een brug). Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen zullen de benodigde voorzieningen voor de omgang met hemelwater nader worden uitgewerkt.
Vastgesteld
33
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 7’ toegekend.
Afbeelding 14. Uitsnede archeologische waardenkaart
In de archeologische dubbelbestemming zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 2.500 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van te voren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 2.500 m² bedraagt. De archeologische dubbelbestemming blijft gehandhaafd. Als de gestelde ondergrenzen worden overschreden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. In de nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle panden of objecten gelegen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Vastgesteld
34
5.6
Verkeer en parkeren
Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer De nieuwe woning zal worden ontsloten via de Nobisstraat. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Gekeken wordt naar het buitengebied in een matig stedelijk gebied.. De nieuwe woning zal op basis daarvan 7,8 – 8,6 motorvoertuigen per etmaal genereren. Gezien het profiel van de Nobisstraat en de omliggende wegen zullen deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen door slechts één nieuwe woning goed kunnen verwerken. Parkeren Het parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein. Gezien de omvang van het plangebied kan worden voorzien in minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.
5.7
Volksgezondheid
Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In Noord-Limburg wonen veel mensen in de buurt van een of meerdere veehouderijen. Sommige mensen vragen zich af of het ongezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen. Daarom is een grootschalig onderzoek gedaan naar de gezondheid van omwonenden bij veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen.
Endotoxine (pluimvee- en varkenshouderijen) Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Op een afstand van 350 meter is de dichtsbijzijnde varkenshouderij gelegen en op een afstand van 470 meter is de dichtstbijzijnde pluimveehouderij gelegen. Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en de varkens- en pluimveehouderij voldoende zijn om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Geitenhouderijen in de omgeving Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen.
Vastgesteld
35
Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Het plangebied ligt buiten deze richtafstand rondom geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Vastgesteld
36
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Het voorliggende bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas”.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is volledig bestemd tot ‘Wonen’ en aan het plangebied is een bouwvlak toegekend. Het hoofdgebouw (zijnde de woning) en bijgebouwen dienen binnen dit bouwvlak te worden opgericht. Tevens is aan het plangebied de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Nobisstraat ong. Panningen’ toegekend zodat wordt geborgd dat het gebruik van de locatie voor woondoeleinden pas is toegestaan indien de landschappelijke inpassing is opgesteld, uitgevoerd en in stand wordt gehouden.
Voor het plangebied zijn de gebiedsaanduidingen ‘ontwikkelingszone bebouwingslinten’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en wro-zone – wijzigingsgebied 1 ob’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie - 7’ en ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’ opgenomen zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is.
6.2
Toelichting op de planregels
Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” van de gemeente Peel en Maas. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de regels is om de bouw- en gebruiksregels van de nieuwe bestemmingen aan te geven.
Vastgesteld
37
6.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP2012. Wijze van meten (artikel 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels Ter verkrijging van een logische opbouw wordt de navolgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden voor de opgenomen bestemmingen: 1. Bestemmingsomschrijving 2. Bouwregels 3. Specifieke gebruiksregels 4. Afwijken van de gebruiksregels 5. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden 6. Wijzigingsbevoegdheid In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is.
In de specifieke gebruiksregels staat aangegeven welke gebruik in ieder geval strijdig is met de bestemmingsomschrijving. Van de gebruiksregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning voor meer gebruiksmogelijkheden (afwijken van de gebruiksregels). In de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen onder welke voorwaarden een bestemming omgezet kan worden naar een andere bestemming. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij wordt, conform SVBP2012, een alfabetische volgorde aangehouden. Artikel 3 Wonen Ten behoeve van de geprojecteerde woning is een woonbestemming opgenomen. Binnen het bouwvlak is één woning inclusief aan huis gebonden beroep toegestaan. Het hoofdgebouw (de woning) dient binnen het bouwvlak opgericht te worden. De maximale goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 respectievelijk 9 meter. De inhoud van de woning en bijgebouwen mag maximaal 1.000 m³ zijn. Er mogen bijbehorende bouwwerken worden opgericht met een maximale goothoogte van 3,3 meter en met een maximale bouwhoogte van 6 meter. Tevens mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 12 meter. Burgemeester en wethouders kunnen, onder voorwaarden, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan voor het aan huis uitoefenen van een Bed en Breakfast en voor mantelzorg.
Vastgesteld
38
Artikel 4 Waarde – Archeologie – 7 Voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 7’ opgenomen ten behoeve van de instandhouding daarvan. Dit volgt uit het gemeentelijk archeologiebeleid, als opgenomen in de Structuurvisie buitengebied. Voor gebieden aangewezen met deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod, met uitzondering van het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken met een bodemverstoringsoppervlakte van minder dan 2.500 m² of die minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld, voor bouwwerken ten behoeve van archeologisch onderzoek en bouwwerken waarvoor reeds een vergunning is verleend. Onder voorwaarden is het mogelijk om af te wijken van de bouwregels. In het betreffende gebied is tevens een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor wat betreft het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden, waarvoor de genoemde ondergrenzen bodemverstoring van toepassing zijn. Artikel 5 Waterstaat – Beschermingszone watergang De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het beheer van de watergang met inachtneming van de Keur van het Waterschap. Binnen deze gronden is het realiseren van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan.
6.2.3 Algemene regels In artikel 6, de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In artikel 7 zijn algemene bouwregels opgenomen, met daarin regels voor ondergrondse bouwwerken en ondergeschikte bouwdelen. In artikel 8 tot en met 11 algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels opgenomen. Deze verschaffen Burgemeester en Wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In artikel 12 zijn de overige regels opgenomen, met een verwijzing naar de wettelijke regelingen. 6.2.4 Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht (artikel 13) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel (artikel 14) is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Vastgesteld
39
7.
HANDHAVING
Het handhavingstoezicht ten aanzien van bestemmingsplannen wordt uitgevoerd door medewerkers van de gemeente Peel & Maas. Met betrekking tot dit handhavingstoezicht wordt gestreefd naar samenwerking tussen de gemeentelijke afdelingen en diensten die een controlerende functie hebben zoals de inspecteurs omgevingsvergunningen en naar samenwerking met niet-gemeentelijke instanties, o.a. de politie. Deze samenwerking komt tot uiting in het periodieke handhavingsoverleg waaraan verschillende gemeentelijke afdelingen en de politie deelnemen. De samenwerking moet uiteindelijk leiden tot een integraal handhavingsbeleid.
Vastgesteld
40
8.
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE
8.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente ontwikkelt zelf deze Ruimte voor Ruimtewoning, de betreffende gronden zijn dan ook in eigendom van de gemeente. Kosten worden terugverdiend door uitgifte van de bouwrijpe grond. Kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd. Voor de planlocatie is een grondexploitatie opgesteld, waarin de kosten en baten tegen elkaar zijn afgezet. Uit de grondexploitatie blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. De ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning in het buitengebied is niet opgenomen op de provinciale uitzonderingenlijst. Vooroverleg met de provincie is dan ook noodzakelijk. De provincie Limburg heeft in de mail van 23 mei 2023 het volgende aangegeven: “Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen”. Het bestemmingsplan is daarnaast nog voorgelegd aan waterschap Limburg. Waterschap Limburg geeft in de mail van 9 mei 2023 het volgende aan: “Plan ziet er goed uit (100 % afkoppeling) berging op eigen perceel van 100 mm in 24 uur, bij een eventuele overloop van de berging richting waterloop is een watervergunning nodig. Verder dient men voor de uitrit (middels duiker) een watervergunning in te dienen, wil men dit uitvoeren met een brug dan is dat meldingsplichtig”.
8.2.1 Inspraakprocedure Het bestemmingsplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure. 8.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Om die reden is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg en Waterschap Limburg. Waterschap Limburg heeft in de mail van 9 mei 2023 de volgende reactie gegeven: “Plan ziet er goed uit (100 % afkoppeling) berging op eigen perceel van 100 mm in 24 uur, bij een eventuele overloop van de berging richting waterloop is een watervergunning nodig. Verder dient men voor de uitrit (middels duiker) een watervergunning in te dienen, wil men dit uitvoeren met een brug dan is dat meldingsplichtig”. Naar aanleiding van de opmerkingen van het waterschap is paragraaf 5.4 aangepast
Vastgesteld
41
Provincie Limburg heeft in de mail van 23 mei 2023 de volgende reactie gegeven: “Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen”. Provincie Limburg heeft geen opmerkingen c.q. aanvullingen op onderhavig bestemmingsplan en is derhalve akkoord met onderhavig bestemmingsplan. 8.2.3 In gesprek met Peel en Maas De toekomstige bewoners van de Ruimte voor Ruimte woning betreffen de huidige bewoners van de Nobisstraat 4 en zijn zodoende op de hoogte van de voorgenomen ontwikkeling. In de periode maart / april hebben de toekomstige bewoners de bewoners van de Nobisstraat 1, 3, 5, 6 en de bewoners van de Ninnesweg 67 en 69 op de hoogte gesteld van de voorgenomen ontwikkeling. Alle omwonenden reageerden positief op het initiatief. Een verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 4 behorende bij onderhavig bestemmingsplan. 8.2.4 Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 september 2023 t/m 26 oktober 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend
8.3
Procedure
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter
van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vastgesteld
42
Gegenereerd op: 24-02-2023
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: Nobisstraat ong. Panningen - Vos Gemaakt op: 2023-02-24 10:53:24 Rekentijd: 0:00:19 Naam van het bedrijf: Nobisstraat ong. Panningen Berekende ruwheid: 0,318 m
Brongegevens: Volgnr. BronID 1
Vosberg 11a
X-coord. 196 151
Y-coord. 372 378
EP Hoogte 6,0
EP Diam. 0,5
Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
2
1
195 751
372 504
14,0
1,0
3
2
195 753
372 462
14,0
0,9
4
3
195 777
372 463
14,0
1,0
5
4
195 776
372 505
14,0
1,1
6
5
195 765
372 484
14,0
1,0
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag 4,00
16 932
Geb. Hoogte 6,0
Gegenereerd op: 24-02-2023
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 2
Gegenereerd op: 24-02-2023
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: Nobisstraat ong. Panningen - Vos Gemaakt op: 2023-02-24 10:54:31 Rekentijd: 0:00:19 Naam van het bedrijf: Nobisstraat ong. Panningen Berekende ruwheid: 0,318 m
Brongegevens: Volgnr. BronID 1
Vosberg 14
X-coord. 196 333
Y-coord. 372 434
EP Hoogte 6,0
EP Diam. 0,5
Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
2
1
195 751
372 504
14,0
0,8
3
2
195 753
372 462
14,0
0,8
4
3
195 777
372 463
14,0
0,8
5
4
195 776
372 505
14,0
0,8
6
5
195 765
372 484
14,0
0,8
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag 4,00
25 956
Geb. Hoogte 6,0
Gegenereerd op: 24-02-2023
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 2
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Bureau Leefomgeving Schoolstraat 7, 5961EE Horst Nobisstraat ong. Panningen bouw woning
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RgtWgRuXvm3s 15 juni 2023, 13:48 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Bouwfase - Beoogd Bouwfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RgtWgRuXvm3s (15 juni 2023)
2023 -
0,5 kg/j
19,3 kg/j
2/7
Projectberekening
Bouwfase (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | bouwlocatie Verkeersnetwerk
RgtWgRuXvm3s (15 juni 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,4 kg/j 23,2 g/j
18,5 kg/j 0,8 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RgtWgRuXvm3s (15 juni 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Bouwfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RgtWgRuXvm3s (15 juni 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Bouwfase, Rekenjaar 2023 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte
bouwlocatie X:195763,19 Y:372484,73 0,11 ha
NOₓ NH₃
Naam
Stageklasse
Betonpomp
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
Mobiele hijskraan
Brandstofverbruik
194 l/j 112 l/j
Graafmachine Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
1324 l/j
Laadschop
265 l/j
2
bouwverkeer X:195793,64 Y:372453,76 84,14 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Max. snelheid
7 u/j
0 l/j
Stof Emissie
NOₓ
8 u/j
NOₓ NH₃
40 u/j
92 l/j
NOₓ NH₃
8 u/j
0 l/j
NOₓ NH₃
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
Draaiuren AdBlue verbruik
NH₃
Stage-IIIA, 2006-2010, 75-560 kW, diesel, SCR: nee
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
18,5 kg/j 0,4 kg/j
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Voertuigbewegingen
0,0 p/etmaal 4,0 p/etmaal 6,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal
6,4 kg/j 46,6 g/j 1,7 kg/j 0,0 kg/j 1,6 kg/j 0,3 kg/j 8,8 kg/j 63,6 g/j 0,8 kg/j 0,2 kg/j 23,2 g/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
RgtWgRuXvm3s (15 juni 2023)
6/7
Projectberekening
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2022.1_20230606_5e1adbf5a8 Database versie 2022.1_5e1adbf5a8 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RgtWgRuXvm3s (15 juni 2023)
7/7
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Bureau Leefomgeving Schoolstraat 7, 5961EE Horst Nobisstraat ong. Panningen Gebruik woning
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RwcDsf1DV3ao 15 juni 2023, 13:48 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Gebruiksfase - Beoogd Gebruiksfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RwcDsf1DV3ao (15 juni 2023)
2023 -
6,0 g/j
52,0 g/j
2/6
Projectberekening
Gebruiksfase (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1
Wonen en Werken | Woningen | Woning Verkeersnetwerk
RwcDsf1DV3ao (15 juni 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
6,0 g/j
52,0 g/j
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RwcDsf1DV3ao (15 juni 2023)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Gebruiksfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RwcDsf1DV3ao (15 juni 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)