2023-100 04 Bijlage 2 Onderzoek Bouwhistorie St. Anthoniusmolen Kessel (geanonimiseerd)
Tekst van het document
aRRSR e
K
KL
v5b
KESSEL
- SINT ANTHONIUSMOLEN
Bouwhistorische verkenning
Projectnummer:
(geanonimiseerd) -
Datum:
10 augustus 2023
EAGM
NL:
=
+37
TASVELD 26
3484737581
G
=
=
34
BE
€:
NFOGEAGU.NL
=
1
WWW.EAGM.NL
66666
EAGM
î‚.— 0. COLOFON Datum rapport: 10
augustus 2023
4
Y4 /
4
í 4
_ Rapportnummer: (geanonimiseerd) —
4
4
4
g
Auteur:
e
Gosliga Kunsthistorisch onderzoek, hoofdstuk 3.
G
c
GEGEVENS
OBJECT
Naam: Sint Anthoniusmolen
Adres:
Roode Eggeweg 4 5995
PH
Kessel
Kadastrale aanduiding: KSLOO-E
a
- 575
rachtgever:
Gemeente Peel en Maas,
N N
Rijksmonumentnummer: 23644
Disclaimer:
De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. EAGM sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document.
Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt
door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van EAGM ‚en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd,
s
EAGM
î‚.— 0.1 Uittreksel rijksmonumentenregister
E
pijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
BSZZN initerievan Onderwijs, Culuren Wetenschap
‚4 4
4
4 ’4
Monumentnummer*: 23644
Strn
3811 G Amestoon
U
Postbus 1600
4
oo neston
4
venatnredegoetsl
4f
10334217456 Edogcunwseergoedt
status
rijsmonument
Kadaster deel/nr
82758/104
Inschijingregister®
11 februari1969
Kessel
eelen Maas
Umburg
Kessel
Kessel
B
575
Gesloten standerdmolen L Anthonius C3 1860
Boerderien, molensen bedrijven
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN
Degsoen D
e
o gsgege
e v
Indusrie- n poldermolen
renerese o
o
e
e
e
mm
s
Molen
Pr.
SeeeN
eo E e
1.
4 Gemeente
„DE HOLLANDSCHE MOLEN"
(Pröv.)
buurtschap _ 2Ê L m..…z Stafkaart
2
1 : 50.000
Type bouwstof doel naam
huurder
bouwjaar o“a-4fla‚u-#-—9-—»lb‚nê‚:.;-ü-_-û\;o‘ì verdwijningsdatum
É
SI
E
E
S.
d
4 Bjnorderieden hozef gearph hauub Asf bahilluiftjs aa het dik vwrgebeurd.
&‚…..„‚...‘..-4‚*49.„.,6..49&.,4-4‚..—.:«‚?4,_
0.1. Het Ten Bruggecatefiche (nr. 215, ingeschreven in april 1924) met vermelding van het type, locatie en eigenaar. Onder 4. Borst: geasph. hout
Het takelluifeltje aan het dak aangebouwd. Hersteld en gestroomlijnd 1943 en feestelijk in gebruik genomen 31 Juli 1943.”
a s
INHOUDSOPGAVE 0. COLOFON... GEGEVENS
SeeeN
OBJECT
…
0.1 Uittreksel rijksmonumentenregister
….……
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .
1.1 Overzichtsfoto's van de molen… 2.
SAMENVATTINGEN...
2.1
Samenvatting ontstaan, gebruiksgeschiedenis en bouwhistorie …
2.2 Samenvatting beschrijving van de bouwdelen.….
2.3 Samenvatting waardestellingen.. 2.4 Samenvatting conclusies en aanbevelingen …. 3. ONTSTAAN,
GEBRUIKSGESCHIEDENIS
EN BOUWHISTORIE...
3. Archiefonderzoek
3.1 Verantwoording archiefonderzoek.… 3.2 Historie van de Sint Anthoniusmolen te Kessel op basis van de archiefbescheiden. Bijlage 1: Inscripties in de Sint Anthoniusmolen, Kessel… 4. BESCHRIJVING
VAN
DE BOUWDELEN…
4.1 Inleiding.. OMGEVING
MOLEN..
4.2 Standplaats en molenerf aan de Roode Eggeweg
a
4.2 Standplaats molen Jacobs en nieuwe locatie Schijfweg Noord... ONDERSTEL .
4.3 Stiepen … 4.4 Veldmuren
.
4.5 Vloer… 4.5 Kruiswerk
4.6 Paraplu.… KAST..
4.7 Trap, galerij en staart . 4.8 Limburgse, jonge standerdmolens …
s
EAGM Y 4.9 Kast.
4.8 Beschot kast inclusief luiken en deuren incl. behandeling kleurstelling … 49 Kap.. GAANDE
SeeeN
WERKEN
4.9 Gevlucht.. 4.10 As …
4.11 Groot rad en vang... 4.12 Luiwerk.. 4.13 Molenstenen
en toebehoren
…
4.13 Overige gebruikerszaken … 5. WAARDESTELLINGEN
….
5.1 Inleiding.. 5.2 Contextuele waardestellin
Interne waardestellingen:. 5.3 De molen en zijn omgeving … 5.4 Onderstel
…
5.5 Kast..
5.6 Balklagen, trappen en zolders 5.7 Trap en staart… 5.8 Gaande
werk.
5.8.1 Gevlucht..
a
5.8.2 As, groot rad en vang. 5.8.3 Luiwerk.
5.8.4 Maalstenen…
59
_ Overige onderdelen
……
6. WAARDENKAART. 7. CONCLUSIES
EN ADVIES.
7.1 Inleiding.. 7.2 Totale waarde
van de molen
als bouwwerk.…
7.3 De waarde van de standplaats en de omgeving van de molen.. 7.4 Bouwfasen.
s
EAGM
T 7.5 Advies inzake verplaatsing . 7.6 Advies inzake beheeren onderhou
Aanbevelingen voor verder onderzoek. 8.
SeeeN
BRONVERMELDING
…
8.1 Archieven … 8.2 Literatuur …
8.3 Beeldbanken en websites…
a s
EAGM
î‚.— 1. INLEIDING De windvang van de Sint Anthoniusmolen te Kessel is in de afgelopen decennia sterk verslechterd. Bij de grote restauratie in 1989 is er al geopperd om de molen te verplaatsen naar
SeeeN
een locatie aan de Schijfweg-Noord te Kessel. Deze molen komt dan vlak bij het clubgebouw “De Witmaeker” van Schutterij, Fluit- en Tamboerkorps St. Hubertus Kessel te staan. Inmiddels is de
windvang nog verder verslechterd. Zo wordt momenteel ten zuidwesten van de molen een tweelaags appartementencomplex met een supermarkt gebouwd. De gemeente Peel en Maas,
eigenaar van de molen, heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed - hierna RCE, betrokken bij de plannen. De RCE vereist een bouwhistorisch onderzoek waarbij de volgende aspecten belicht worden!: 5
De totale waarde van molen als cultuurhistorisch bouwwerk.
#
De standplaats/omgeving van de molen.
In deze rapportage worden de cultuurhistorische aspecten van bovengenoemde zaken behandeld. Aanvullend wordt de beoogde, nieuwe standplaats aan de Schijfweg Noord tegen het licht gehouden. De windvang van de oude en nieuwe locatie wordt in een separaat molenbiotooponderzoek behandeld.
Met de verkenning wordt in kaart gebracht wat de bouwhistorische waarde van de diverse molenonderdelen is. Bij het opstellen van de rapportage zijn de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
(RCE) uit april 2009 aangehouden. Het archiefonderzoek is uitgevoerd door A. Gosliga. De resultaten van dit onderzoek worden in
a
hoofdstuk 3 weergegeven. Tevens zijn in het veld alle onderdelen onderzocht. De sporen die op de bouwdelen zijn gevonden, worden beschreven. Indien van toepassing, worden de interpretaties van deze sporen apart vermeld.
De indeling van de rapportage is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt de algemene samenvatting van de (ontstaans)geschiedenis en bouwhistorie van de molen beschreven. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 aan de hand van het veldwerk de bouwdelen beschreven. De rapportage wordt
afgesloten met conclusies en een advies in hoofdstuk 5.
1 Zie mail offerteaanvraag N
bij EAGM d.d. 5-6-2023.
s
1.1 Overzichtsfoto's van de molen
1.1 Het noordwestelijk aanzicht van de standerdmolen. Deze standerdmolen is uitgevoerd als gesloten standerdmolen waarbij de veldmuren rond zijn uitgevoerd.
â 4
4 4
1.2 De molen vanuit het zuidwesten gezien. De molen staat op een klein perceel. Op korte afstand
$
loopt de 150 kV-hoogspanningslijn Blerick-Buggenum.
4 4 4
4 4 4
4 4
4
44 4
Y 4 4 Y $ 4
s
1.3 De zuidoostelijke erfgrens is cirkelvormig. Naast de molen staat een kleine modelmolen.
1.4 Het oostelijk aanzicht van de molen. Achter de molen is nu een bijenweide gecreëerd.
í í í
í
í í
í í
í
í í í í í
í #
s
EAGM
T 2. 2.1
SAMENVATTINGEN Samenvatting ontstaan, gebruiksgeschiedenis en bouwhistorie
De molen is in
eSE
1802 in Meijel gebouwd. In 1878 is de molen door molenaars Pennings
aangekocht en naar Kessel verplaatst. Zijn vrouw en schoonmoeder waren in het bezit van een stuks bouwland.
Hier werd de molen gebouwd.
Er zijn diverse aanwijzingen dat het budget voor
de bouw krap was. In 1910 kreeg de molen een Fransen binnenroe. De buitenroe was nog een borstroe. Vermoedelijk
is gelijktijdig de huidige gietijzeren as geplaatst. In de jaren '40 leed de molen oorlogsschade en vonden diverse onderhoudswerkzaamheden plaats. De schaliën op het stormeind werden door potdekseldelen vervangen. De kast kreeg de
huidige grijze kleur (aluminiumverf). Vermoedellijk was de kast hiervoor ossenbloedrood. Al in 1955 kwam de molen in handen van de gemeente. In 1975 vond een beperkte restauratie plaats waarna de molen weer op vrijwillige basis in gebruik kwam. Na deze restauratie deden zich vele bouwkundige gebreken voor. In 1989 vond vervolgens een zeer omvangrijke restauratie plaats.
2.2 Samenvatting beschrijving van de bouwdelen De Sint Anthoniusmolen is een kenmerkend voorbeeld van een jonge Limburgse standerdmolen. Opmerkelijk is de ronde voet. Dit kwam in de regio Venlo/Roermond veelvuldig voor, maar hiervan
is alleen de Kesselse molen bewaard gebleven. In de molen bevinden zich nog talrijke inscripties. Bij de zeer grote restauratie in 1989 zijn echter diverse inscripties verloren gegaan.
a
2.3 Samenvatting waardestellingen Van alle afzonderlijke bouwdelen is genoemd welke monumentale waarde zij vertegenwoordigen. Dit gebaseerd op ouderdom, zeldzaamheid, streekeigenheid en bouwsporen. Ondanks dat de molen niet van een zeldzaam type is, is de contextuele waarde van de molen positief te noemen. De molen vertoont enkele bijzondere constructies. Het gangwerk en het kruiswerk is gaaf bewaard gegeven. De kast stamt grotendeels uit 1989 en heeft beperkte waarde.
2.4 Samenvatting conclusies en aanbevelingen De molen heeft in de loop der jaren verschillende wijzigingen ondergaan. Aanbevolen wordt om met restauraties en onderhoud in de toekomst de positief en hoog gewaardeerde bouwdelen alsmede de bouwsporen te conserveren en/of behoudend restaureren.
s
10
EAGM
î‚.— Deze bouwhistorische verkenning is opgesteld met het oog op een voorgenomen verplaatsing. Uit de verkenning blijkt dat de plattegrond van het perceel kenmerkend is, maar het erf verder
geen waardevolle elementen bevat. Op 400 meter van de voorgenomen nieuwe locatie ligt een zeer oude molenplaats. Tot 1944
eSE
stond hier de standerdmolen van Jacobs.
Het is technisch gezien mogelijk om de molen te verplaatsen zonder verlies van historisch materiaal. Het wiekenkruis is nieuw, dus demontage zal geen verlies aan historische waarde
opleveren. Ook de staart en de trap zijn betrekkelijk nieuw. De kast kan gemakkelijk in zijn geheel afgenomen worden. Ook als de kast voor het transport verder gedemonteerd moet worden, zal dit
N
niet direct tot verlies aan monumentale waarde leiden. Het historische kruiswerk zit met grote houtverbindingen in elkaar. Demontage en montage zal niet tot verlies aan monumentale waarde leiden.
Bij het verplaatsen van de onderbouw zijn er 2 opties:
-De onderbouw
in zijn geheel verplaatsen, dat wil zeggen inclusief de ringmuur en de stiepen.
- Het behoud van de fundering van de ringmuur en de stiepen als relict van de oude standplaats. In dat geval moet er degelijk beschermings- en beheersplan voor de oude locatie opgesteld
/
worden.
‘ _
{}_
S s
1
EAGM
T 3. ONTSTAAN, GEBRUIKSGESCHIEDENIS EN BOUWHISTORIE
3. Archiefonderzoek
eSE
In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van het archiefonderzoek, verricht voor het bouwhistorisch
onderzoek naar de Sint Anthoniusmolen (Roode Eggeweg 4, 5995 PH Kessel, monumentnr. 23644). Dit onderzoek is tussen mei-augustus 2023 uitgevoerd door A.N. Gosliga Kunsthistorisch onderzoek te Uitgeest in opdracht van EAGM te Montfoort.
3.1 Verantwoording archiefonderzoek Dit deel van het onderzoek heeft als doel de bouw- en wijzigingsgeschiedenis van de standerdmolen te achterhalen aan de hand van de beschikbare archiefbronnen. Een belangrijk deel van de voorgeschiedenis is al bekend en vastgelegd in een boek door A. Hendricks (Wetenswaardigheden over Kesselse molens de Sint Anthoniusmolen in het bijzonder, Kessel
1975)
en de verschillende molendatabases (Molendatabase.org en Allemolens.nl). Eerst werd dan ook de bestaande literatuur geraadpleegd. Nieuw onderzoek werd verricht naar de restauraties in de tweede helft van de twintigste eeuw, om te achterhalen wat nog oud is aan de molen.
De meeste archivalia m.b.t. de molen bevinden zich in het gemeentearchief Peel en Maas en zijn digitaal geraadpleegd. Voor de restauraties in de twintigste eeuw werd het dossier van de molen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geraadpleegd. Ook in het Brabants Historisch Informatiecentrum bleken enkele stukken over de molen te zitten.
In paragraaf 3.3 worden aanbevelingen gedaan voor eventueel nader onderzoek.
a
Voor hun hulp en nuttige wenken bij dit onderzoek ben ik dank verschuldigd aan (EAGM, Montfoort) en B Gemeente Peel en Maas). 3.2 Historie van de Sint Anthoniusmolen te Kessel op basis van de archiefbescheiden 3.2.1.
1802: De bouw van de molen te Meijel
De Sint Anthoniusmolen is een heropgebouwde standerdmolen, die eerder bij Meijel stond. De molen was daar een korenmolen.
In 1878 kocht Louis Pennings de molen en liet deze in Kessel
weer opbouwen. Van oudsher stond er in Meijel een banmolen aan de noordzijde van het dorp, aan de weg naar de
Schans richting Neerkant. [afb. 3.1] Dorp en molen waren toen in het bezit van de heer van Meijel. Dat was lange tijd de familie Ghoossen, gevolgd door de graven van Croy, tot in 1795 de heerlijke
rechten vervielen. Daarop werd de gemeente Meijel eigenaar van de molen. Op 9 november 1800
s
12
EAGM
î‚.— woei de molen om door storm.2 Volgens een modern rapport in opdracht van de gemeente was de molen daarvoor in 1780 laatst herbouwd. Het is niet duidelijk waar dit jaartal op gebaseerd is.3 In ieder geval besloot het gemeentebestuur de molen in 1801 ten zuiden van het dorp weer op te
bouwen (op perceel C 573).+ Op de standerd is nog de inscriptie ANNO 1800' te vinden en in de oude steenbalk het jaar 1802, die hiermee verband houden. In 1823 was de molen het eigendom van brander Joh. Bart. Goossens.5
3.1 Anoniem, Kaart van Meijel, 1591. Detail van de banmolen, links boven het dorp. Collectie
Historisch Centrum Limburg.
2 Medelo, Hoofdstuk 30,'Het Oude Licht tegen het Nieuwe Licht; https://wrerw medelo nl/images/files/49630_Het oude_tegen het nieuwe. licht.pdf. p. 192. 3 Silvrants Architecten, Studie locatie molen te Kessel15 oktober 2003. Zie voor een overzicht van de voorgeschiedenis van de molen te Meijel: H. Willems, ‘Over de Banmolen van Meijel, Medelo, z. z. p https://www.medelo.nl/images/files/888Van_de_Banmolen_van_Meijel.pdf\. * Medelo, Hoofdstuk 22, ‘Meijel bleef Meijel onder de Fransen’ p. 136. s Kadaster Meijel, OAT. Omvang 40 cc.
s
13
EAGM
T 3.2 Meijel op de Kuypers kaart (1868) met ten zuiden de verplaatste windmolen. 3.3 Het perceel B 218 waar de molen op gebouwd werd. Sinds de aanleg van het Kadaster (1823) was dit landbouwgrond. Bij dit onderzoek zijn geen nieuwe gegevens over de herbouw in 1801 gevonden. Wel zijn er veel inscripties in de molen aanwezig uit de Meijelse tijd, die informatie geven over de tijd na de
herbouw. Aan de hand hiervan kunnen delen gedateerd worden, voor zover nog aanwezig. Alle inscripties zijn opgenomen in Bijlage 1: Inscripties. Diverse inscripties zijn bij de restauratie in 1989 verdwenen of slechts als bouwfragment bewaard gebleven.
Brander Goossens verpachtte de molen. Uit deze tijd zijn twee molenaars bekend: Jozef Clephas (ca. 1759-1831, molenaar van 1794-1831) en Jan Cuppens (1797-1858, molenaar van 18311858). Alhoewel de ijzeren as van de molen 1865 gedateerd is, is het op basis van het beeldmateriaal waarschijnlijk dat deze pas later, als tweedehands as in de molen is geplaatst. Op 18 januari 1866 werd de ‘goed gekalandeerden in besten staat zijnde windgraanmolen’ te koop aangeboden bij notaris Haffman te Helden:
Op Donderdag 18 Januarij 1866, ten 3 ure
namiddags,
op
verzoek
als
voren,
te
Méijël,
ten huize van den Heer Burgemeester van der Steen:
Een’ goed gekalandeerden, in besten staat zijnde
Windgraanmolen, met woonhuis en bijgelegen groud
_
te Meijel op
de Donk, aan mate 30 roeden 5 ellen,
sectie
uummers
572, 578
‚|en
193, 194, sectie C
nummers
B
574.
‚|
> Verdere inlichtingen te bekomen ten kantore van voornoemden Notaris en biij den Heer H *|Goossens te Meijel, 3.4 Advertentie voor verkoop van de molen in 1866. Een akte van de verkoop werd niet gevonden. Mogelijk ging de veiling niet door, want de molen
werd binnen de familie verkocht. De aanleiding was mogelijk het huwelijk dit jaar van Willem Hendrik Goossens, een zoon van Johannes. De molen werd volgens het Kadaster gekocht door
s
14
EAGM
î‚.— zijn schoonvader Willem Venmans, maar voor 1/3 deel, terwijl Willem Hendrik Goossens en Jan Aerthijs, een oom van zijn bruid, elk voor een derde deel eigenaar werden.5
2 1878: Afbraak, verplaatsing en herbouw
SeeeN
In 1870 kreeg de molenaar van de standerdmolen te Meijel onenigheid met zijn klanten, die daarop besloten een maatschap op te richten en zelf een (stenen) molen te laten bouwen. Die
molen kreeg de naam ‘Het Nieuwe Licht’, waarop de standerdmolen voortaan bekend stond als ‘Het Oude Licht’. Aangezien de standerdmolen de concurrentie niet meer aankon, werd deze in
1878 te koop aangeboden door de toenmalige eigenaren: Petronella Aerthuis (de weduwe van
Willem Venmans), Jan Aerthuis en Willem Goossens. Hij werd via Jan Truijens verkocht.7 Op 6 juni 1878 diende molenaar Louis Pennings zijn verzoek in bij de gemeente Kessel ‘'om vergunning tot het oprichten van een windgraanmolen, op het perceel bouwland, kadastraal
bekend als Sectie B no. 218’. De gemeente stuurde het verzoek door naar de provincie, maar kon al op 21 juni 1878 de vergunning verlenen. De molen diende evenwel minstens 15 meter van de Gemeenteweg en de grens met de naastgelegen percelen bouwland te komen. Het molenaarshuis kwam verderop, aan de Rijksweg.® Het perceel B 218 werd nu gescheiden in B 2585, bouwland, en B 2586, de graanmolen. De grootte van de molen werd gegeven als 50 centiare, dus 10 centiare meer dan in Meijel.? De grond was eigendom van Catharina Elisabeth Kessels te Kessel voor % en van Anna Mertens voor %. Dit
waren de schoonmoeder en echtgenote van Louis Pennings. Louis en Anna trouwden op 23 mei 1879 te Kessel.
De molen werd in 1878 te Meijel afgebroken en in 1879 te Kessel opgebouwd. De molen was
vanaf 1880 belastingplichtig.'° Volgens Chris. van Bussel, die in 1943 betrokken was bij herstel van de molen, was ook ‘molenmaker Spoormakers' betrokken geweest bij de herbouw. ’! Spoormakers was niet de enige. Hendrickx meldt op pag. 22 dat Pennings goed bevriend was met molenmaker Hendrickx uit Beegden. Dit was een zeer bekende molenmaker in Midden
Limburg. Een opschrift in de molen getuigt van de verplaatsing (LP 1878, op de steenbalk). Hendricks zag in 1975 nog vele van de inscripties uit het de eerste helft van de negentiende eeuw,
a
en concludeerde daarom dat de molen, op mogelijke kleine reparaties na, ongewijzigd uit Meijel over was gekomen.’2
Tot in ieder geval 1910 had de molen een bekleding van schaliën (= eiken leien) op de borst. Mogelijk was ook het dak met schaliën bekleed. De leien waren zwart geteerd. De staart bestond
uit een gedisselde balk. De roeden waren nog van hout en Oud-Hollands opgehekt.'3
* Kadaster Meijel. Leggerartikel 633.
7 A.J.G. Hendricks, Wetenswaardigheden over Kesselse molens de Sint Anthoniusmolen in het bijzonder, Kessel 1975, p. 22. * A.J.G. Hendricks, Kessel maasdorp met een rijke historie, Venlo 1981, p. 105. 7 Kadaster Kessel, legerartikel 1156-1 9 Kadaster Kessel, bid. en Kadaster Meyel, leggerartikel 633. ' Archief Ver. DHM, Archief Van Bussel, brief 12 oktober 1930.
2 Hendricks (1975), p. 33 *3 Ibid,
s
15
SeeeN 3.5-3.6 C. van Bussel, De Sint Anthoniusmolen, ca. 1970. Collectie Vereniging De Hollandsche Molen.
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN
3.7 Anoniem, De Sint Anthoniusmolen, in bezit van Willem Pennings. Collectie Vereniging De Hollandsche Molen.
3.8 W.A. Hemsing, De Sint Anthoniusmolen van voren gezien, ca. 1970. RCE, nr. OF-02020.
s
16
3.2.3 De familie Pennings De molen zou geruime tijd in bezit van de familie Pennings blijven. In 1885 verkreeg men een jaar lang ‘vrijdom’, d.w.z. vrijstelling van belasting. De reden is onbekend. De belastbare opbrengst
werd daarna geschat op f 60,-, net als daarvoor.’*
SeeeN
Blijkbaar bezat Louis Pennings ook nog een windzaagmolen, bij zijn huis. Op 1 juli 1891 sloeg de bliksem in de windzaagmolen en woning van Pennings.’s In het kadaster is geen bewijs van deze
feiten te vinden, nog van de aanwezigheid van de windzaagmolen, maar in een advertentie bedankt Louis Pennings zijn verzekeringsmaatschappij ("De Belgische Vereeniging”) en molenmaker Josephus van der Steen (1838-1916) te Venlo voor het verhelpen van de schade.’® Mogelijk was Van der Steen ook de molenmaker die in die tijd werk aan de standerdmolen uitvoerde. [afb. 3.9]
3.9 Advertentie in het Venloosch Weekblad van 11 juli 1891. In 1894 kocht Anna Mertens de molen van haar moeder. Het perceel wijzigde daarbij in nr. B 2754, 'molen en bouwland'.’7 De omvang van de bebouwing was toen 60 ca. Mogelijk stond er een schuur bij de molen. Anna overleed op 27 maart 1900. In 1901 ging het bezit van de molen over op Louis Pennings en hun kinderen.’® Van hun kinderen werden zoons Pieter en Willem
molenaar. In de jaren daarop vond scheiding van het bezit van de molen plaats. In 1919 werden
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN
vader Louis en de zoons Pieter en Louis Anthonius elk voor een derde eigenaar. Na het overlijden van Louis senior in 1923
de dit, en werden Pieter en Louis Anthonius voor respectievelijk
5/8 en 3/8 eigenaar. Datzelfde jaar verkochten zij de molen aan broer Willem Pennings, die tot 1943 eigenaar bleef.’s In het begin van de twintigste eeuw onderging de molen nogal wat wijzigingen. In 1901 lezen we in vakblad De Molenaar dat op ‘de molen te Kessel’ door de storm een molensteen gesprongen is.
4 Kadaster Kessel, leggerartikel 1156-4 1 Berichten in De Zuid-Willemsvaart 4 juli 1891 en Venloosch weekblad, 4 juli 1891 1 NB: Van de verzekeringsmaatschappij "De Belgische Vereeniging’ lijkt geen archief bewaard te zijn. 7 Kadaster Meijel leggerartikel 1484-1. 1* Zie ook: Historisch Centrum Limburg, 07.D03 Memories van Successie, 1818-1900 (1905) inv.nr. 419. w Kadaster Kessel, Leggerartikelen 1018-9, 2095-1, 2204-5en 2287-1.
s
17
EAGM
î‚.— Deze ligger was van Duitse makelij. Het is niet duidelijk of dat op de Sint Anthonius was, of op de nabij gelegen ‘Molen van Jacobs'.2°
In 1910 is er een ijzeren roe, de binnenroe, gestoken zijn van het fabricaat Fransen. In 1934
SeeeN
volgde de buitenroe, toen de molen door noodweer lossloeg en een roede verloor. Vermoedelijk
werd in 1910 tegelijkertijd ook de huidige ijzeren as geplaatst. De as met nummer 348 werd oorspronkelijk in 1865 vervaardigd door de firma wed. A. Sterkman & Zn., ‘Prins van Oranje’, te Den Haag.?' Deze as is nog steeds aanwezig, de roeden zijn vervangen. In de jaren 1920 of 1930 heeft een wisseling plaats gevonden tussen de deuren en ramen van het
molenhok, waarbij een deur en een raam verwisseld zijn. Het was juist gebruikelijk dat de deuren tegenover elkaar stonden.
Volgens Hendricks (1075, p. 24) had Willem Pennings een elektrische hamermolen in het molenhok onder de molen. Deze motor moet er tussen 1933-1936 gekomen zijn. In 1936 bood Pennings de molen te koop aan. Uit de verkoopadvertentie blijkt dat er toen ook elektrisch
gemalen werd. [afb. 3.10] Helaas bleef het archief van de notaris (Van Crugten te Roermond) uit 1936 niet bewaard. Het is mogelijk dat de volgende eigenaar, Anton Gastreich, zich al aandiende als molenaar, maar pas in 1943 zou de standerdmolen zijn eigendom worden.
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN
3.10 Advertentie in de Limburger koerier: provinciaal dagblad, 4 januari 1936.
In ieder geval bleef de molen nog in bezit van Pennings, die evenwel weinig meer aan onderhoud liet doen. In 1937 ontving hij nog een bijdrage van f 37,- van Vereniging De Hollandsche Molen,
voor ‘belangrijk herstel' in 1936.22 Waaruit dit bestond wordt niet duidelijk.
7 De Molenaar, 27 november 1901.
?! In het kleine archief dat bewaard bleef van de ijzergieterij zijn geen verdere gegevens over de levering te vinden. 22 Archief Ver. DHM, Brief aan W. Pennings, 30 januari 1937.
s
18
EAGM
î‚.— 3.2.4 De molen in bezit van Antoon Gastreich
Antonius Hubertus Gastreich was in 1893 geboren als zoon van Heinrich en Anna Catherina Gommans. Hij trouwde op 19 april 1928 te Kessel met Ida Janssen. Bij zijn huwelijk was hij
landbouwer. Gastreich overleed in 1964. [afb. 3.11]
SeeeN 3.11 Anoniem, Anton Gastreich.
Op 20 maart 1943 koopt Gastreich de standerdmolen van Willem Pennings, voor f 2.500,-.23 In de Tweede Wereldoorlog leed de molen veel schade. Er is een opname van vlak voor de schade, van 7 januari 1943. De gemeente wordt dan gevraagd een enquête in te vullen voor de inventarisatie stand van windmolens in Nederland. De standerdmolen is in eigendom bij
Pennings, maar wordt bemalen door Gastreich. De molen heeft ijzeren roeden en ijzeren as, het gevlucht meet 25 m. Er wordt graan en tarwe gemalen. De elektromotor is aanwezig. De molen is
in onderhoud bij Adriaens te Weert. Hij is nog niet gestroomlijnd of anderszins verbeterd.2+ De molen werd begin 1943 hersteld door Gastreich met Chr. van Bussel en molenmaker Jan Stijnen. Volgens Hendricks (1975, p. 25) kwam er een nieuwe kast om de molen (vermoedelijk werd hier een nieuw beschot mee bedoeld) en werd de paraplu hersteld. De molen werd ook voorzien van stroomlijnwieken: ‘één van de mooiste molens van Nederland, herrezen in vol ornaat met stroomlijnwieken’, aldus Van Bussel.2 Gastreich vraagt begin augustus nog een koppel maalstenen (D 1,20 m) te koop, liefst met nieuwe maalstoel.2% Op 31 augustus kon de molen
a
feestelijk weer in gebruik genomen onderde nieuwe naam: Anthoniusmolen.27 In een verslag wordt gesproken van de molen ‘in nieuwe tinten'.25 Helaas kwam de molen in 1944 opnieuw onder vuurte liggen. Daarbij werd de buitenroe geraakt en sloeg krom. Ook het molenhuis en de onderbouw raakten zwaar beschadigd. In maart 1945 stelde Van Bussel voor Ver. De Hollandsche Molen een rapport op van de schade, dat neerkwam
op f 2.675,-. Het herstel werd uitgevoerd door molenmaker Beijk uit Afferden, in samenspraak met Van Bussel. De borst werd opnieuw bekleed met eiken planken, in visgraatmotief. De gebogen
roede werd mogelijk vervangen door een roe die toen in Beek en Donk lag, van makelij Fransen
7 Hendricks (197), p. 25, 33 2 Archief Ver. DHM, Moleninventarisatie, 7 januari 1943 3 Archief Ver. DHM, brief Van Bussel, 15 mei 1943
2 Advertentie, in: De Molenaar, 9 augustus 1944 7 P.W.E.A. van Bussel, De molens van Limburg, Eindhoven 1991 p. 551 7 Bericht in: Het Nationale Dagblad: voor het Nederlandsche volk, 5 augustus 1943
s
19
EAGM
î‚.— (België).29 Dit correspondeert niet sloopjaren van molens in Beek en Donk. Vermoedelijk lag deze daar bij een sloper of een ijzeropkoper. In ieder geval werd in 1945 een wiek gerepareerd door Jos Verlaak.
Desondanks werd er op 18 juli 1947 toestemming gevraagd door de gemeente Kessel om de
SeeeN
molen te mogen slopen. Deze was door oorlogsgeweld zwaar beschadigd. Het verzoek werd doorgestuurd naar Ver. De Hollandsche molen. Dhr. Gastreich was inmiddels van plan een nieuwe
malerij te bouwen. Aan de oude molen deed hij niks meer. De oorlogsschade bedroeg f 1.104,, waar in 1948 al voor f 785,- aan herstelwerkzaamheden waren uitgevoerd.3° De molen op Dorp 3 werd inderdaad gesloopt. De Sint Anthoniusmolen werd slecht onderhouden.3! Vereniging De Hollandsche Molen gaf geen toestemming voor sloop, om hem ‘te behouden voor het landschapsschoon’. Gastreich had de molen al ‘geruime tijd’ niet meer in gebruik, hij werkte
met de elektrische hamermolen.22 Hij kon de kosten voor een volledige restauratie niet opbrengen. In 1947 maakte molenmaker Beijk een opgave voor herstel, dat neerkwam op f 2.162,-, nog afgezien van verfwerk.33 Daarin nam hij op om het dak en molenhuis te bedekken met asfalt. De vloer van de maalzolder diende gerepareerd te worden, evenals het wiekenkruis (f 75,). Hier werd niets van uitgevoerd. Wel werd er dat jaar een reparatie aan de tanden en staven
gedaan door G. Hebben (f 103,60 en f 25,75), kwam Adriaens tweemaal langs (f 76,- en f 278,-).34 De Vereniging waaronder dhr. Bicker-Caarten bracht op 21 september 1951 een bezoek aan de molen, waarvan een kort verslag bewaard bleef: ‘De molen ziet er nog vrij behoorlijk uit, maar het
dak moet wat dichtgemaakt worden, anders gaat de toestand achteruit.’5 'Wanneer de molen gerestaureerd is, wil de mulder gaarne weer met het werktuig malen. De kapbedekking moet nagekeken en het verfwerk uitgevoerd. Verder dient ook het gangwerk nog eens nagezien te
worden. De capaciteit die met de molen is gehaald kan op 800 kg/uur gesteld worden terwijl met de hamermolen die momenteel het werk doet 1000 kg/uur gemalen wordt. De stroomkosten bedragen echter per maand circa f 150,-. Dit laatste stond de mulder ook niet zo bijster aan.”
Gastreich wachtte op uitkering Wederopbouwgelden om wat aan de molen te kunnen doen.3% Door tussenkomst van de gemeente, de Vereniging en dhr. A.H. Brouwers te Venlo als
a
zaakgelastigde van Gastreich, kon de oorlogsschade uiteindelijk toch worden vergoed. Daarop
werd molenmaker J. Adriaens te Weert ingeschakeld om het herstel uit te voeren. Hij begon eind november 1953. Volgens een later artikel werd daarbij ‘vooral het voorfront en de borst opnieuw gepotdekseld met eiken planken. Ook werd de kast vernieuwd. Van de restanten van de oude kast
werd de paraplu (het dak van het molenhok) gemaakt'.?7 Volgens de vereniging De Hollandsche
? Hendricks (1975), p. 35. % RCE, D157, brief 16 december 1948.
31 RCE, D157, brief 3 januari 1949 32 RCE, D157, brief 2 augustus 1951 en 24 september 1951 3 Archief Ver. DHM, brief Beijk, 24 november 1947. 3 Archief Peel en Maas, SA1798, inv.nr. 795. Overzicht van rekeningen herstel molen, 1945-1948. 3 RCE, D157, brief 24 september 1951 3 NB: De schade werd afgewikkeld door de Directie voor de Wederopbouw te Maastricht. Zo te zien bleef daar geen archief van bewaard.
7 'De Sint Anthoniusstandaardmolen te Kessel (Lb.), in: De Molenaar 78 (1975) 38, p. 1052
s
20
EALM
î‘.— Molen werd de oorlogsschade eerder maar deels hersteld, en later door Adriaens geheel.33 In ieder geval het exterieur werd daarbij geheel hersteld.® [afb. 3.12]
e
\
ND
N N 3.12 Rekening Adriaens, 12 januari 1954. Herstel oorlogsschade. Archief Peel en Maas, SA1798,
/‚ j
inv.nr. 795.
ZA g
///// / fL%
Y
Onder Gastreich volgden meer werkzaamheden. In 1948 werd de molen (deels?) van nieuw
gangwerk voorzien.“
NeeEeEeeEeEeEN e
3 RCE, D157, brief 15 juli 1954 9 RCE, D157, brief gemeente Kessel, 3 augustus 1954. * "Volgende molens van geheel of gedeeltelijk nieuw gangwerk voorzien: Kessel.” Vermeld in: De Molenaar, 5 januari 1949, p. 9
s
21
N N 3.13-3.14 De molen in de jaren 1930 of 1940, voor herstel. Beeldbank Peel en Maas.
N
DSSeeeeeeNeneeeeeeeeN!
3.15 Anoniem, De molen na de eerste restauratie onder Gastreich, juni 1943. Collectie Ver. De Hollandsche Molen. 3.16 O. Bakker, De Antoniusmolen in juni 1948. Collectie Ver. De Hollandsche Molen.
s
2
SeeeN 3.17-3.18 De molen na herstel in 1953, ansichtkaart van ca. 1960 en 1962, foto J. Sprey, oktober 1968. Beeldbank Peel en Maas, en Ver. De Hollandsche Molen.
3.2.5 1954-heden:
De molen in bezit van de
gemeente Kessel
In 1954 bood Gastreich de molen te koop aan. [afb. 3.19] >
f
TexooP
( STANDAARDMOLEN
a
en
woor afbraak
of
clectrische
zakkenlier
4 IJ_
| Kesse
verplaatsing
Veers
| £
#
3.19 Advertentie in: De Molenaar, 8 september 1954.
s
23
EAGM
T
3.20 Schets kadastrale situatie bij verkoop molen. 1954. Archief Peel en Maas, SA1798, inv.nr. 795. Op 30 mei 1954 stuurde dhr. Brouwer, de nieuwe zaakgelastigde van Gastreich, een brief naar de gemeente Kessel, waarin hij de standerdmolen te koop aanbood voor f 3.000,-. Gastreich wilde de molen 'om gezondheidsredenen' verkopen. De molen was toen ‘geheel van oorlogsschade
hersteld en bedrijfsklaar’. Dat had uiteindelijk f 4597,31 gekost. De uitgekeerde oorlogsschade bedroeg uiteindelijk f 3.057,- Gastreich legde zelf nog f 1.540,31 bij. De Rijkscommissie oordeelde positief. De gemeente antwoorde uiteindelijk dat het zeer te betreuren zou zijn, als de molen op den duur verloren zou gaan. Maar vond de kosten te hoog voor een molen die niet meer in bedrijf was. De Rijkscommissie kwam tussen beiden met het aanbod van een subsidie voor de aankoopprijs (45%) en verdere subsidie in onderhoud (40%).
Het voorstel werd besproken in de
raadsvergadering van 13 juni 1955. Uiteindelijk ging de gemeente overstag en werd in de
vergadering van 17 augustus 1955 besloten de molen te kopen voor f 2.800,-.“’ (perceel B 3330). [afb. 3.20]
* RCE, D157, brief 1 september 1955. Generale Staten van Limburg, besluit 23 januari 1956, 2de afdeling no. B 34831
s
24
EAGM
T Hoewel men er eerder vanuit ging dat de onderhoudskosten wel mee zouden vallen — de molen was immers net hersteld - werd in een brief van 8 augustus 1960 al gemeld dat er na onderzoek toch voor f 4.200,- aan restauraties te verwachten vielen.*2 De grootste post betrof de reparatie
eSE N
van één van de roeden, gevolgd door het dakwerk en vernieuwen van de trap. Ook moest de molen geheel geschilderd worden. Wellicht was de oorzaak dat de gemeente zelf weinig aan
onderhoud had gedaan in de tussenliggende jaren. De opname door Beijk in 1961 viel echter hoger uit met f 7.613,-. Daarbij was ook een reparatie aan de heklatten opgenomen, evenals het aanbrengen van een bliksembeveiliging.
De gemeente
kreeg daarop subsidie van het Rijk (f 3.045,-). Beijk kon in augustus 1962 aan de slag. Er was uiteindelijk nog meerwerk nodig in de vorm van 2 stuks hangijzers (f 65,-), nieuwe keerklossen en nieuwe wiggen op de askop (f 195,) en een gedeeltelijk nieuw voorschild (f 95,). De restauratie
kwam daarmee op totaal f 7.276,- uit.* [afb. 3.18] Vanuit het Rijk kreeg men subsidie ter hoogte van f 3.045,-.** De bliksembeveiliging werd toen niet aangebracht, omdat in de nabijheid van de molen zich hoogspanningskabels bevonden en men overslag daarop wilde voorkomen. In 1968 werd de molen geschilderd door de schilders van schildersbedrijf Harrie Kessels te
Kessel, die ene opschrift achterlieten op één van de zonnebokken (westzijde).
S
3.21 Dhr. Dings, Situatie molen in januari 1962. Archief Peel en Maas, SA1798, inv.nr 821.
3.22-3.23 De familie Beijk bij de gerestaureerde molen, 1963. Foto: Firma Beijk, Afferden.
*2 RCE, D157, brief 8 augustus 1960. *% RCE, D157, brief 8 februari 1964 * Archief Peel en Maas, SA1798, inv.nr. 821, brief 5 april 1962.
s
25
eSE 3.24. De Sint Antoniusmolen na restauratie in 1975. Foto: Firma Beijk, Afferden. 3.2.6 De restauratie van
1975
In 1972 was de molen aan een volgende restauratie toe. De Riijksdienst stelde daartoe een omschrijving op door W. Korpershoek en een verder rapport door dhr. Gunneweg van 24 augustus
1972. Daarop werd een bestek opgesteld. Beijk raamde de kosten daarop op f 44.000,-.*5 Zowel bij gemeente als de Rijksdienst ontbrak het echter aan de middelen, zodat niet gestart werd met de restauratie. Het Rijk stelde voor de aanvraag in 1976 weer in te dienen. Zo lang wilde de
gemeente echter niet wachten, omdat de toestand van molen daardoor achteruit zou gaan. Zij verzochten de Vereniging De Hollandsche Molen om de restauratie voorte financieren. In mei 1974 bleek er bij het Rijk toch voldoende middelen te zijn om de restauratie te subsidiëren. Op 8
augustus 1974 verleende de gemeente opdracht aan Beijk tot herstel van de molen.5 Er vonden ingrijpende werkzaamheden plaats. De paraplu bijvoorbeeld werd geheel gesloopt en vernieuwd, en nu afgedekt met dubbelgedekt ruberroid, bestreken met bitumenlak. Dat kwam ook
S
op de kap, waarvan ook de oude bebording verwijderd werd. De beplanking van de kast werd niet vernieuwd, zoals in het bestek was aangegeven, maar gerepareerd, evenals de deuren van de onderbouw. De kast, die naar voren helde, werd recht gezet door middel van een wig tussen
standerd en zetel. Trap en staart kwamen daarbij hogerte hangen. De roeden werden ontdaan van het systeem Van Bussel, vervangen door twee nieuwe Derckx-roeden (nrs. 142 binnenroe en 143 buitenroe), en Oud-Hollands opgehekt. De roeden dienden vervaardigd te worden naar tekeningen van de Rijksdienst voor de monumentenzorg, deze zijn niet teruggevonden. Deze roeden zijn in 2023 vervangen door de huidige. De wieken werden net als de rest van de molen geverfd in de kleuren van het wapen van Kessel: grijs, rood en blauw. Bij deze restauratie werden nog andere, eerdere kleuren van de molen
ontdekt: rood (‘doodskoppenrood’) aan de binnenkant van de bovenste deur en een lichtgroen.
* RCE, D157, brief 28 augustus 1973. Begroting van 30 maart 1973. * RCE, D157, brief 8 augustus 1974
s
26
EAGM
T Van het rood werd gezegd dat het bij de Meijelse periode hoorde, het groen was mogelijk in oorlogstijd aangebracht. De askop werd nu rood met een witte ster. Alle deuren werden wit geverfd en met zandlopers in ‘doodskoppenrood’, met een blauwe cirkel in het midden. De firma Beuken te Kessel verzorgde het pleisterwerk.
eSE
Om de molen maalvaardig te maken waren werkzaamheden begroot, die echter niet zo werden uitgevoerd. Er werd ook maar 1 spantbeen vervangen in plaats van de geplande 2.
Op 5 oktober 1975 kon de molen feestelijk in gebruik genomen worden. Op 19 oktober vond daarna nog ene eindinspectie plaats, waarbij geconstateerd werd dat Beijk het werk als afgesproken had opgeleverd.
Alleen werd er nog een bandje aangebracht om het gescheurde oor
van de steenkraanarm.‘ [afb. 3.25-3.26] Naar aanleiding van deze restauratie verscheen de publicatie van Hendricks (1975) over de molens van Kessel, met daarin een opmetingstekening vervaardigd door Provinciale Waterstaat. [afb. 3.27]
S
3.25 A. de Koning, De molen tijdens restauratie, zonder wieken, mei 1975. Collectie Ver. DHM.
# Hendricks (1975), p. 36. * RCE, D157, brief september 1975.
s
27
EAGM
T
SeeeN 3.26 A. de Koning, De molen na restauratie met de nieuwe kleuren, november 1975. Collectie Ver. DHM.
a s
28
Stanóaarómolen
SeeeN
/,)\
St. Antfhonius van Kessel ‘ ii
vang-ben
n
=
eenekns o
o
ben=
m
e
Mzoerk
e s pm
oh mgzif| pen=s0n pen
m
b de
s
“9
matseen
aa
(
stenzi
sten=balk
ostzsij
dk
E s
dm
ER
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN
3.2.7.
Al
n
1980-1989
: Onderhoud
en restauratie
tijdens de heropening van de molen
in 1975 bleek, dat een aantal constructieve delen die uit
bezuinigingen niet vervangen waren, slechter waren dan gedacht. In een opname van 11 mei
1976 door dhr. Prevaes van Provinciale Waterstaat worden 12 verbeterpunten genoemd, waaronder ontbrekende staartsteunen, een aantal kruipalen die te hoog geplaatst waren en
scheurtjes in de paraplu.** Ook werkte het luiwerk niet goed en was de steenkuip in slechte staat.
* RCE, D157, opname 11 mei 1976.
s
29
EAGM
î‚.— Vanaf 1976 werd er door de gemeente wel jaarlijks onderhoud uitgevoerd, waarvoor een subsidie werd verkregen vanuit het Rijk. Een van de werkzaamheden was het opnieuw afstellen van de vang.5
In 1980 ging men verder met groter herstel van de molen. De gemeenteraad stelde een krediet
SeeeN /
beschikbaar van f 17.700 (vergadering 3 maart 1980), op basis van een nieuwe opgave van molenmaker Beijk.5' Hiermee kon de afdekking vervangen worden evenals de rotte planken, en werd de molen opnieuw geschilderd.52 Ondertussen ging men verder met plannen voor een gehele restauratie, die op f 250.000,- werd
geraamd. In 1982 maakte G. Nienhuis van de Rijksdienst een (kort) rapport op van de toestand, met tekeningen.®3 [afb. 3.28-3.29] Het doel was om de molen weer maalvaardig te maken. In de
onderbouw had een van de kruisplaten een nieuw laseind nodig. De meeste werkzaamheden
zouden aan de kast plaatsvinden, waarvan de bekleding gedemonteerd moest worden. Daarbij diende de vochthuishouding in de molen verbeterd te worden, nu die niet meer dagelijks in gebruik was. Er werd aantasting door de bonte knaagkever geconstateerd in verschillende ‘zware onderdelen’ en ook schimmelvorming. Nienhuis stelde voor weer schaliën
toe te passen. De twee
voorste balken van de voorzolder diende vernieuwd te worden, en gezien de werkzaamheden daaraan ook de dekvloeren van de beide zolders. Bij de kap diende de voorkeuvelens vernieuwd te worden. Ook was een nieuwe spruit nodig. Over het gaande werk werd alleen gezegd dat dit
weer gangbaar diende te worden gemaakt. Tenslotte zou de molen geverfd moeten worden.
a
* RCE, D157, subsidieaanvraag 7 februari 1980. 51 RCE, D157, brief 17 maart 1980 52 RCE, D157, brief 25 februari 1980. * Archief Peel en Maas, SA1798, inv.nr. 821, rapport 22 april 1982
s
30
EAGM
î‚.— T
EN
HT $ UE|ii
É
ME
x
RECHTERBINT
{
a
EN
SeeeN rì‚‘‚a‘z Î\:Í j | L3 :f] z
/q
‚
MI
E SNFUER
l
a
|
Z
H
E iA |
LISS.
„}
“ì“@ij’ij‘äj Ä’ RECHTERBINT e BDORSTEINT H
Í
oo
hh
E
b
|
[eeseL
TRAFE T
"Ë
onsT dirnbausnore
LinKEee BINT-
Auaes
e
I Schets
e
93
NL-n
-
z |n g
: z
ë
k 5
|4
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN
E
1
_W
e
>
=z
2333
L
E
L
@sll
ES :
íp
z:
zai3
y‘
® n
z de
x{
TRAPGINT
|
|
s
LINKeR OINT
Wusd
KESSEL
cwramonasnoey
SCHETS 83 NL-42
ii
3.28-3.29 G. Nienhuis, aantekeningen en schetsen molen, 1982. Archief Peel en Maas, SA1798, inv.nr. 821.
s
31
‚
EAGM
T Op basis van zijn verslag maakte Nienhuis een bestek voor de restauratie. Beijk maakte daarop een begroting die neerkwam op f 188.030,30.
Ditmaal werd voor het eerste gesproken in de
gemeenteraad of het niet raadzaam was de molen te verplaatsen, aangezien de molenbiotoop
verslechterd was. De molen was inmiddels omringd door nieuwe bebouwing en hoog groen. Een
SeeeN
betere windvang zou leiden tot meer malen, en minder slijtage was de gedachte. Nu de molen toch al bijna geheel gedemonteerd werd voor restauratie, zagen molenaars en gemeentebestuur
de molen liever meteen verplaatst. Verschillende partijen waaronder de buurtvereniging kwamen daarop in het geweer. Tegenargumenten waren dat de molen al lange tijd op de historische plek stond, een beeldbepalend gezicht voor Kessel was, en dat met een aantal ingrepen de windvang
ook verbeterd kon worden. Gezien deze argumenten en de te verwachten extra kosten besloot de gemeente om de molen niet te verplaatsen.°* De restauratie kon uiteindelijk in 1989 van start en werd uitgevoerd door Beijk. Beijk kon zelf niet
eerder starten door een veelheid aan andere projecten. Verder werd er gewacht op de kap van bomen uit Frankrijk. Over de uitvoering zijn weinig stukken te vinden in de verschillende archieven. De uitvoering moet afgeleid worden uit aanwijzingen in de molen zef, het beeldmateriaal en het bestek.
Op de eerste restauratiedag vond een ongeluk plaats: molenmaker Beijk maakte een val van 10 meter door een rot onderdeel. Gelukkigerwijs raakte hij alleen gewond. Als eerste werd de kast ontdaan van de bekleding. De wieken werden gestreken en de kap met as van de molen gehaald.
Tijdens de restauratie bleken er meer houten onderdelen verrot en door houtworm aangetast dan gedacht, zodat ze niet meer te hergebruiken waren. Dit hield een meerwerkpost van f 11.155 in. Het ging om een nieuwe steenbalk met de verbindingen, zolderbalken, schuifplaten onder de
burries, 7 meelzolderribben en de steenbedding onder de maalstenen. Daarbij werd geconstateerd dat de molenmaker een aantal balken en andere houten delen had verwijderd, waarop inscripties waren. Beijk werd gevraagd deze terug te plaatsten. Het is
onduidelijk in hoeverre dit gebeurd is. Beijk stuurde daarop een staat van het hout. [afb. 3.30] Die zou eigendom worden van de gemeente bij de eerste betaling van het werk. In het bestek was namelijk bepaald dat al het afgaande hout aan de aannemer kwam.
a
Wat de kast betreft was in het bestek voorzien dat naast het beschot ook verschillende andere
onderdelen gedemonteerd moesten worden. Van de zijwegen waren dit de moerstijlen en schoren boven de steenlijsten. Langs de hoekstijlen in het trapbint diende een verticale strook
van ca een halve meter verwijderd te worden. Op het stormeind diende het rechterhoekeind bijgewerkt te worden t.b.v een aan te brengen laseind. De beide zolders werden gedemonteerd. Er moest behoorlijk wat houtwerk vernieuwd worden: naast de beplanking waren dit ondermeer de bovenste helft van de naald, de voorste 2 balken in de maalzolder, 2 moerlijsten, de steenbalk, het dek van de steenzolder en mogelijk de waterlijsten.
* Samengevat uit map '1980-1997', Archief Peel en Maas, SA1798, inv.nr. 821
s
32
EAGM
î‚.— De kap moest na demonteren los van de grond geplaatst worden. Ook de trap, staartwerk en voorkeulens werden gedemonteerd. Het staartwerk werd geheel vernieuwd.
De roeden dienden hersteld te worden, zodat de hekstokken met kluften weer te gebruiken waren.
SeeeN
Er werd echter meer werk aan uitgevoerd. De roeden werden verlengd en de ophekking geheel vernieuwd.
Het gaande werk werd hersteld nadat de zolders gereed waren. Het koppel stenen werd terug
geplaatst. De halsstopping werd nu lager geplaatst, pen- en ijzerbalk werden ontdaan van rot en opnieuw opgesloten met nieuwe wiggen (uit oud hout). Bovenwiel en rondsel werden weer recht opgehangen. Van de vang werden delen vernieuwd. Er werd een nieuwe penbalk ingebracht. Wat men niet deed was een nieuwe dakbedekking aanbrengen op de kap en paraplu.
Op 15 augustus 1989 vond een inspectie plaats van de onderbouw. In het bestek was hier alleen werk aan de kruisplaten voorzien. Bij de inspectie werd veel scheurvorming gezien, en bleek het metselwerk op meerdere plekken gehele los te zitten. Daarop werd besloten het slechte muurwerk te slopen en te vernieuwen in schoon metselwerk in halfsteens koppenverband. De steen werd geleverd door de gemeente. Monumentenzorg eiste daarop dat de muren opnieuw bestreken zouden worden. Verder werden van de onderbouw de twee toegangsdeuren vernieuwd. De ramen werden alleen hersteld, ze werden daarbij in de menie gezet.
De molen werd geverfd in de voorgaande kleuren. De restauratie werd op 21 januari 1991 voltooid.
a s
33
EALM
‘--=îïî=--. Houtstaat Kessel:
< ovousonr-
eiken
laseind 1/200x38x33 hoekstijlen 4/650x31x28
windpeluw 1/480x45x45 keeren weerstijl 2/165x19x15
ijzerbalk
1/400x27x27
10 11
daklijsten 2/600x31x31 waterlijsten 2/550x22x28 kroonstijlen 2/220x24x24 hangstijlen 4/350x18x16
12
regels
stormeind
plaat
1/420x38x30
13
regels
15 16 17 18 19 20 21
2/420x28x28 deurstijlen 2/390x17x18 naald 1/70x23x19 1/200x23x19 1/300x23x19 1/220x23x19 consoles 10/35x15x12
trapeind
22
steunbalk
23
baardschoren
24
schoren
32
+15 +12
schoren
schoren
cm
porring
porring
rond
voorkant
rond
1/420x32x28
1/420x22x22 2/270x13x10
zijwanden
8/240x15x12
stormeind
4/220x15x12 4/170x15x12 4/200x15x12 4/230x15x12 4/325x15x12 4/370x15x1 15x12 35 m
trapeind
15x12
33 34
dwarsburries
35
spruit
36
uitbrekers
37 38 39
2/420x14x10 trapbomen 2/750x20x10 traptreden 24/105x20x4
40
staart
41
leuningregels
Douglash zijwand
cm
voorkant
2/420x38x28
14
25 26 27 28 29 30 31
BSSSSSSSNSNSSSNSSNeNN
uit
pinbalk 1/420x40x40 uit plaat steenlijsten 2/550x55x32
24 mt
2/420x30x30 1/420x21x26
1/650x25x25 2/430x22x14
1/1050x35x35>23x23
4/400x7x6
77/665x25x2.7
voorwand
25/585x22x2.7
tengels scheien latten
80/665x5x1.5 120/500x10x4.5 ongekantrecht 100/600x6x2.2 ongekantrecht
borden
20/600x30x2.2
ongekantrecht
3.30 Houtstaat van Beijk, 1989. Archief Peel en Maas, SA1798, inv.nr. 821.
s
34
3.31-3.3 Anoniem, De molen tijdens de restauratie in 1989. Archief Peel en Maas.
s
35
EAGM
T
eSE 3.34 A.J. de Koning, De molen ontdaan van de kast, 1989. Coll. Ver. DHM. 3.2.8
1991-hedei
rkzaamheden
Na de grote restauratie werd er vanaf 1991 een plan opgesteld in samenspraak met Beijk en molenaar Hans van Bercken, om jaarlijks onderhoud aan de molen uit te voeren. Zo zou in 1993
de vang vernieuwd worden, en in 1994 de dakbedekking. Om de vijf jaar (1995 en 2000) zou de molen geverfd worden.5 Desondanks kwam de molen een paar maal tot stilstand (in 2009 en 2014). In 2005 werd onderhoud gepleegd aan het koppel maalstenen en werd het wiekenkruis verbeterd. In 2009 werd de molen stilgezet, omdat de stander verzakt was. Dit werd verholpen d.m.v.4 trekstangen. De molen werd weer draaivaardig gemaakt. In 2012 werd een nieuwe eiken achterspruitbalk geplaatst. De balk was afkomstig van Limburgs Hout te Kessel. Ook werden de heklatten op de wieken deels vernieuwd.
In 2014 kwam de molen als gezegd weer stil te staan. De steenbalk diende vervangen te worden
a
en de zetel moest nagekeken. In afwachting van nieuwe stenen werd het koppel maalstenen
(kunststenen) alvast gedemonteerd. In 2023 kreeg de molen nieuwe roeden van Beijk (no. 70 binnenroe/no. 71 buitenroe). Ook werden nieuwe kruipalen aangebracht.
* Samengevat uit: Archief Peel en Maas, SA1990, inv.nr. 1135,
s
36
3.35-3.37
F. Terpstra, De Antoniusmolen in 2002. Beeldbank RCE.
s
37
EAGM
î‚.— Bijlage 1: Inscripties in de Sint Anthoniusmolen, Kessel Hieronder volgt een overzicht met de betekenis, voor zover teruggevonden:
Jaar 1849
SeeeN
1830
Plaats Vangbalk
Vangbalk Meelgoot
inscriptie A. Woskij
Betekenis Andries Woskij (Woensel 1823 -7),
1849
molenaarsknecht
E. Kivits 1830 TP
NB: Meelgoot dateert uit de Meijelse tijd
in 1849
IT AP 1863
GVOT
1863
Meelgoot-
AVS
schuif
T.GOVERS
1853
Antoon van Someren
1853
oK TM
1800/1860
1800 (of 1860)
A. Workij
AW.
1830
1801
Meelgoot-
onderkant
1895
E. Kivits1830
AH(of W) 1801
Hendrikus van Bree uit Kessel, landbouwer
H. vBree
1895
Waarschijnlijk smid Hendrik Melsen
AH
a
HG
1860
smid
1845
vangbalk
A. Workij 1845 E. Kivits F.M Petrus
1878
B.
?
LP 1878
Louis Pennings, bij de verplaatsing in 1878
Steenlijst (vangzijde)
TH.Pen E. Kivits
Theodorus Pennink, zoon Louis
s
38
EAGM
î‚.— AW. RM.
ASELHORST
i.
;
â
1845
í $ ?
Buitenachterbak | N. Coppens
steenzolder
Binnen standvink Zonnebok
1845
| Antoon Selhorst, molenknecht tussen 1850-
1857 in Meijel
Molenaarte Meijel
RB.
Geschilderd, | Molen werd in 1968 geschilderd 1968
Standaard (NZ)
| GvdB
Linker spoorstijl
| H.Cuppen
kraan
HC
HvdB
Toegangsdeur
| W.PEN
Willem Pennings, zoon Louis
Collin
Mogelijk Paul Collin uit Venlo
- binnen
Deurstijlen
AH.
E. Kivits 1829
3.3 Aanbevelingen voor verder onderzoek Bij dit onderzoek lag de nadruk op de restauraties van de molen in de twintigste eeuw. Gezien de beschikbare tijd, en het feit dat het niet waarschijnlijk is dat er veel delen uit de achttiende eeuw
a
in de molen bewaard zijn, is daarom geen verder onderzoek
verricht naar de voorgeschiedenis
van de molen te Meijel. Hier stond al in ieder geval sinds de 154 eeuw een banmolen. Dergelijke houten standermolens waren gevoelig voor brand- en stormschade.
Zeker bij slecht onderhoud
waren af en toe zeer grote ingrepen nodig. Het kan interessant zijn om te herleiden wanneer de laatste grote herbouw vóór de verplaatsing in 1801 plaats vond.
Met betrekking tot de oorlogsschade is mogelijk meer informatie te vinden in het Nationaal archief (Den Haag): 2.17.03 dossier oorlogsschade, waaronder Kessel,1944 - 1966 1944 - 1966 omslag. Met 63 tekeningen, aan te vragen onder inv.nr. 10166. Beschikking nr. 114051 (14 januari 1953).
s
39
EAGM
T 4. BESCHRIJVING
VAN
DE BOUWDELEN
4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt per bouwdeel omschreven welke bouwhistorische sporen momenteel in de
molen zichtbaar zijn. De basis hiervoor ligt in het veldwerk ter plaatse. Naast de beschrijving van de bouwdelen, worden er, indien daar aanleiding toe is, interpretaties gedaan aan de hand van
geboren bouwsporen, opschriften enz. Er wordt een onderscheid gemaakt in het staande en het gangwerk. Voor de terminologie wordt, om historische redenen, de tot ongeveer 1980 algemeen
gebruikte zuidoost Nederlandse benaming aangehouden.
OMGEVING
MOLEN
4.2 Standplaats en molenerf aan de Roode Eggeweg De molen staat op een halve kilometer ten zuidwesten van de oude dorpskern van Kessel. Vlakbij
de molen bevindt zich de belangrijke kruising van de Napoleonsbaan (N273, straatnaam Riijksweg) met de doorgaande weg van Helden naar Kessel. Dit was ten tijde van de bouw in 1878 een hoge plekte midden van vrije veld met de nodige boerderijen. Een goede windvang is hier gegarandeerd en voor de directe klanten, de boerenbedrijven, was de molen goed bereikbaar.
Oudere molens lagen vaker op een strategische ligging van diverse uitvalswegen. Dit was bij de andere Kesselse molen, de molen van Jacobs aan de orde. Dit wordt verder in paragraaf 4.3 behandeld. Beoogde nieuwe locatie, exacte
standplaats is nog niet bekend
Locatie Schutterij Locatie molen van Jacobs
4.1 Het dorp Kessel via Google Maps, geraadpleegd 10-8-2023. De belangrijkste locaties die in dit ‘hoofdstuk behandeld zijn worden hier aangegeven.
s
40
EAGM
T De particuliere bouwheer Pennings heeft hier grond, dat eigendom van zijn vrouw en schoonmoeder was, kunnen gebruiken en een betrekkelijk gunstige locatie gevonden. Hierbij
komt dat het landschap ter plaatse vrij vlak is. De zwaar beladen boerenkarren konden eenvoudig de molen bereiken. De paarden zullen met de steile helling bij de molen van Jacobs zeker meer
SeeeN
moeite gehad hebben.
4.2 De omgeving van de molen op kadastraleKaart.com. Bij de gele pijl restauratie de Viersprong
(Rijksweg 30) op de kruising van de Napoleonsbaan met de weg Helden-Kessel. Hier woonde de familie Pennings. Bij de rode pijl de vroegere plaats van woning van molenaar Gastreich (Baarskampstraat 40) en bij de blauwe pijl de standplaats van de molen. SCHAAL
1:1000
A3
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN s
=
POSITIE N:
MOLEN; BESTAAND
51.29382380
0: 6.04738546
E
EAGM
T 4.2/4.3 Hierboven en naast
wordt ingezoomd op het kavel waar de molen staat. Dit kavel is sinds de bouw
SeeeN
van de molen onveranderd
gebleven.
Het molenerf is krap ingericht, maar er is duidelijk efficiënt met de ruimte omgegaan. De
zuidoostelijke erfgrens loopt in een cirkelsegment, net buiten de cirkel van de kruipalen om. Bij een standerdmolen kan er buiten de kruipalencirkel veilig gelopen worden zonder door het
draaiende gevlucht geraakt worden. De molen staat op zo'n 15 meter van de weg (dit was een eis uit de vergunningverlening, zie hfst 3.) en aan de noordoostzijde en de zuidwestzijde is het kavel ruimer. Een andere eis was dat de perceelgrenzen links en rechts intact moesten blijven. Op iedere windrichting kon de boer met zijn kar in een lus het erf oprijden tot onder de galerij voor het
luiwerk en het erf weer verlaten. Vanaf de noordwestzijde en de zuidwestzijde kon het erf betreden worden. Op deze windrichtingen zitten ook de deuren in de onderbouw.
Het erf is zodanig krap dat het gevlucht over de naastgelegen percelen “overbouwd” is. Rondom het perceel is een hekwerk geplaatst uit weidepalen en boskante schroten met poorten waardoor
DSSeeeeeeNeNeeeeeeeeN
de perceelgrenzen goed zichtbaar zijn. Voor de bouw van de molen is het oude kavel gesplitst. Deze splitsing is, met de eisen uit de vergunning, zorgvuldig uitgekiend om het kavel zo klein mogelijk te houden en zoveel mogelijk bouwland over te houden.
De molen staat direct op maaiveldniveau. Vanwege het krappe kavel was er ook geen ruimte om een hoge berg op te werpen. In de regio stonden meer standerdmolens en grondzeilers direct op
maaiveldniveau, zoals te Ospel (De Dankbaarheid), Beegden en Stramproy. Als er geen berg nodig was, werd deze dus ook niet gecrëerd. Het erf is altijd “een simpel grasveld” geweest. De kruipalen zijn er n twee varianten, de oude hebben een rechthoekige kop en lijken uit oude
meerpalen gemaakt te zijn, de jongste een vierkante kop. Aangezien kruipalen maar zo'’n 20 jaar mee gaan, zijn deze sinds de bouw al vele malen vervangen.
s
42
EAGM
T Op het erf is er de nodige losse inventaris aanwezig in de vorm van molenonderdelen en
“geriefszaken”. De molenonderdelen zijn:
SeeeN
- de doorgeslepen Derckx-roeden uit 1975. In 2023 heeft de molen een nieuw gevlucht gekregen; - de onlangs vernieuwde steenbalk, daterend uit 1989;
- de oude zetel, productiejaar niet bekend. -een ondereind van een Fransen-roe. Deze komt van de in 1944 verwoeste galerijmolen te Baarlo.
Tot enige jaren geleden waren er 2 ondereinden aanwezig. Het verdwenen exemplaar doet nu dienst als staartbalk van de in 2017 herbouwde molen “De Hoop” te Keldonk.56 - een recent vervaardigde modelmolen.
De steenbalk is onlangs vervangen. De oude, afkomende steenbalk ligt naast de molen. De reden van de vervanging is duidelijk, de oude, uit 1989 daterende, steenbalk is inwendig vermolmd.
a
De bijenweide achter de molen heeft geen binding met de molen.
* https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&nummer=4990, geraadpleegd 10-8-2023
s
43
De modelmolen in de noordwesthoek van het erf. Ernaast liggen de oude roeden. De Derckx-roeden uit 1975 zijn in 2023 vernieuwd.
De zetel is enige jaren geleden vernieuwd. De oude ligt naast de molen.
De houten onderdelen zijn inmiddels sterk verweerd.
s
44
44 4
4
4
4
4 4
4 4
44
De oude Fransenroe die afkomstig van de galerijmolen te Baarlo. De roe heeft na de verwoesting van deze molen dienst gedaan als ligger in een schuur. De oude teerlagen zijn verdwenen. In de hekgaten zijn hekbussen aangebracht. De andere Fransen-roe is in 2017 afgevoerd en doet nu dienst als staartbalk bij de molen te Keldonk. Dit was
de uit 1970 stammende
Fransen-roe van de Kesselse molen.
De “geriefszaken” bestaan uit bankjes, een houten fietsenrek en een blokhut dat als molenaarsverblijf dienst doet.
De vroegere woning van Gastreich aan de Baarskampstraat 40, is met de achtergelegen panden van de coöperatie, gesloopt.
S
De familie Pennings, die de molen heeft laten bouwen, woonde in dit molenaarshuis dat nu dienst
s
45
EAGM
î‚.— doet als café De Viersprong. Links van het pand is de molen zichtbaar, maar de afstand tot de molen is groot. Er is geen binding in de vorm van een molenerf.
De woning en de achtergelegen maalderij van molenaarA. Gastreich. De latere maalderij werd later in gebruik genomen door de Kesselse tuinbouwcoöperatie. Deze panden zijn inmiddels gesloopt en hebben plaats gemaakt voor nieuwbouwwoningen. Bron digitaal-geheugen Peel en Maas, https://digitaal-geheugen.peelenmaasnet.nl/mediabank/detail/d8aa1e0a-1515-d5a3-d843-
19210e6fe
7id=;
197&nav_id=2-28index=:
4.2 Standplaats molen Jacobs en nieuwe locatie Schijfweg Noord 4.2.1 Standplaats molen Jacobs Op een hoge plaats ten noorden van het dorp bevindt zich een oude molenlocatie. In 1498 werd door de Hertog Karel van Gelre vergunning verleend om een molen op de richten. De molen zelf is meerdere malen vervangen en is op 19 november 1944 door oorlogshandelingen verwoest. De hoge standplaats is nog duidelijk zichtbaar. Op de plaats van de molen staat nu een moderne vrijstaande woning met het adres Baarloseweg 36. De hoge standplaats bood een gunstige windvang en de bereikbaarheid was optimaal met de
ligging aan een vijfsprong, vanuit alle hoeken was de molen te bereiken. Bij banmolens, waar het graan verplicht gemalen moest worden, was dit ook gebruikelijk. Het laatste stuk van de route vanuit het dorp Kessel was niet prettig voor de boerenkarren. Dit is een steile helling. Bekend is
dat Jacobs een molenkar had en ook het graan bij klanten ophaalde en weer terugbracht57.
9 Zie "Wetenswaardigheden over Kesselse molen in het bijzonder over de SINT ANTHONIUS - STANDAARDMOLEN Roode Eggeweg, Kessel, T. Hendrickx, 1975, blz. 45
s
46
Ter plaatse van de rode cirkel bevond zich de molen van Jacobs. De vijf wegen die op deze plaats bij elkaar komen zijn al eeuwen oud. In het verleden lagen er nog 2 “molenpaadjes” richting de molen en de kapel, zodat er toen sprake was van een zevensprong.
In de 16° eeuw werd de molenkapel
gebouwd. De kapel zelf stamt in zijn huidige vorm uit 1918.
-
s
LE
w
De vijfsprong bij de zeer oude molenstandplaats van de molen van Jacobs. Deze standerdmolen stond ter plaatse van de woning Baarloseweg 36 (rode pijl). Links is de Molenkapel zichtbaar. Sinds de 16 eeuw bevindt zich hier een kapel.
s
47
SeeeN Naast de kapel ligt een ligger van een rechtsdraaiend koppel blauwe stenen (17der, diameter 1,50 m). De herkomst van deze maalsteen was niet te achterhalen.
a
De rode pijl wijst de Schijfweg Noord aan. Op ongeveer 400 meter vanaf de zevensprong is de geplande nieuwe locatie van de Sint Anthoniusmolen. Op deze opname komt de hoge ligging van de molen van Jacobs tot uiting. 422
ndpl:
De noordoostelijke uitvalsweg is de Schijfweg Noord. De beoogde nieuwe standplaats ligt ongeveer 400 meter verderop aan de linker kant van de weg. Hier bevindt zich het lokaal van de Schutterij. De locatie zelf is al eeuwenlang in gebruik als landbouwgrond. Ten tijde van de opname in augustus 2023 was het een aspergeveld. Deze locatie ligt in het vrije veld, zodat de
windvang goed is.
s
48
eSE Bij de rode pijl bevindt zich de voormalige standplaats van de molen van Jacobs. De gele pijl wijst
het kavel waar de molen gepland is aan. De exacte standplaats binnen het kavel is ten tijde van het opstellen (10 augustus 2023) van de bouwhistorische verkenning nog niet bekend.
S
Linksvoor is het aspergeveld zichtbaar waar de molen gepland is. Op de achtergrond het clublokaal “De Witmaeker” van de Schutterij, Fluit- en Tamboerkorps St. Hubertus Kessel.
ONDERSTEL
4.3 Stiepen De hoge stiepen zijn noord en zuid gepositioneerd, de lage stiepen oost-west.
De zijkanten zijn
met een bastaardmortel gepleisterd. Dit is dezelfde pleister waarmee de veldmuren aan de binnenzijde gepleisterd zijn
s
49
EAGM
T Bij de oostelijke stiep is een stukje pleisterwerk weggevallen, zodat er zicht op het metselwerk is. Deze bestaat uit roodbruine veldbrandstenen in kruisverband gemetseld, groot 230 x 110 x 60
mm. Er zijn dunne voegen toegepast. De koppen- en lagenmaat is niet te bepalen zonder het pleisterwerk te