2023-059 08 Toelichting- BP Leeuwerik 5 Maasbree.pdf
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Leeuwerik 5 Maasbree NL.IMRO.1894.BPL0297-VG01
Kadastrale gegevens
: : :
Maasbree T 563
Opgesteld door
:
Arvalis B.V.
Referentie
:
2022/707461
: :
13-01-2023 04-07-2023
Datum
Ontwerp: Vastgesteld:
Gemeente Sectie Nummer(s)
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 4 1.1.
Aanleiding en doel ..................................................................................... 4
1.2.
Ligging en begrenzing ................................................................................ 4
1.3.
Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 5
1.4.
Leeswijzer ................................................................................................ 6
Planbeschrijving .............................................................................................. 7 2.1.
Huidige situatie ......................................................................................... 7
2.2.
Beoogde situatie ....................................................................................... 7
2.3.
Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling .........................10
Beleidskader ..................................................................................................11 3.1.
Inleiding..................................................................................................11
3.2.
Rijksbeleid ...............................................................................................11
3.2.1.
Nationale omgevingsvisie ....................................................................11
3.2.2.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .........................................11
3.2.3.
Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................12
3.2.4.
Besluit m.e.r. .....................................................................................13
3.3.
3.3.1.
Provinciale Omgevingsvisie ..................................................................13
3.3.2.
Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” ............................15
3.3.3.
Omgevingsverordening Limburg ...........................................................15
3.4.
4.
Provinciaal beleid .....................................................................................13
Gemeentelijk beleid ..................................................................................16
3.4.1.
Structuurvisie Buitengebied .................................................................16
3.4.2.
Archeologiebeleid gemeente Peel en Maas .............................................16
3.4.3.
Bestemmingsplan toetsing...................................................................17
Omgevingsaspecten ........................................................................................20 4.1.
Bodem ....................................................................................................20
4.2.
Bedrijven en milieuzonering .......................................................................20
4.3.
Geur .......................................................................................................21
4.4.
Luchtkwaliteit ..........................................................................................24
4.5.
Geluid .....................................................................................................26
4.6.
Externe veiligheid .....................................................................................26
4.7.
Cultuurhistorie en Archeologie ...................................................................27
4.7.1.
Cultuurhistorie ...................................................................................27
4.7.2.
Archeologie .......................................................................................28
4.8.
Flora en Fauna .........................................................................................28
4.8.1.
Gebiedsbescherming ...........................................................................28
4.8.2.
Soortenbescherming ...........................................................................29
4.9.
Landschappelijke inpassing ........................................................................29
4.10.
Water ..................................................................................................30
4.10.1.
Provinciaal waterplan Limburg ..........................................................30
4.10.2.
Watertoets .....................................................................................31
4.10.3.
Hemelwaterinfiltratie .......................................................................31
4.11. 5.
Mobiliteit en parkeren ............................................................................31
Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................32 5.1.
Economische haalbaarheid.........................................................................32
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................32
5.2.1.
6.
Omgevingsdialoog ..............................................................................32
5.3.
Procedure ................................................................................................32
5.4.
Vooroverleg en inzage ..............................................................................32
Juridische planopzet .......................................................................................33 6.1.
Inleiding..................................................................................................33
6.2.
Toelichting op de verbeelding ....................................................................33
6.3.
Toelichting op de regels ............................................................................33
Bijlage(n) Bijlage 1: Principebesluit Bijlage 2: Bodemonderzoek Bijlage 3: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 4: Landschappelijke inpassing
1. Beschrijving bestaande situatie 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemers zijn voornemens de locatie Leeuwerik 5 aan te kopen van hun (schoon)moeder. De locatie was in het verleden in gebruik als glastuinbouwlocatie en is de afgelopen jaren als zodanig verhuurd geweest. Daar de kas door de leeftijd niet meer up-to-date is om te gebruiken voor glastuinbouw en het feit dat initiatiefnemers werkzaamheden elders hebben, oriënteren initiatiefnemers zich op alternatieve mogelijkheden voor de locatie. Meest voor de hand liggend en aansluitend aan de wensen van de initiatiefnemers is het wijzigen van de bestemming naar “Wonen” en de huidige bedrijfswoning te bestemmen als (burger)woning. Initiatiefnemers hebben dit voorgelegd aan de gemeente welke middels een positief principebesluit (bijlage 1) gereageerd heeft.
1.2. Ligging en begrenzing De locatie is gelegen in het buitengebied van Maasbree ten zuiden van de kern van Maasbree en de provinciale weg N275, in een bebouwingsconcentratie van woningen en agrarische en niet-agrarische bedrijven. De nabij gelegen burgerwoningen omvatten grotendeels voormalige agrarische bedrijfswoningen. Het grotere gebied ten zuiden van de kern van Maasbree kenmerkt zich door een verscheidenheid aan agrarische (verwante) bedrijven, landerijen, burgerwoningen en natuur.
Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart.
Het plangebied is aan de west- en zuidzijde gelegen aan de Leeuwerik en wordt aan de Noordzijde begrenst door de aanwezige waterloop.
4
1.3. Vigerend bestemmingsplan In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.6.
Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” vastgesteld op 05-11-2013 en 21-12-2014. De locatie heeft de enkelbestemming “Agrarisch – Glastuinbouw”, de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie – 7”, een bouwvlakaanduiding en de gebiedsaanduidingen “provinciale ontwikkelingszone groen” (deels), “reconstructiewetzone- extensiveringsgebied” en “wro-zone – wijzigingsgebied 2 ko”.
5
1.4. Leeswijzer Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • •
• •
6
plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6;
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de beoogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.
2.1. Huidige situatie Het plangebied is gelegen in een bocht van de Leeuwerik en is in de huidige situatie ingericht als glastuinbouwlocatie. Binnen het plangebied bevinden zich; de woning, glasopstanden (circa 5.500 m2), een loods (circa 250 m2) en een tweetal oude bijgebouwen (circa 40 m2 en 55 m2).
Afbeelding 3. Overzichtstekening huidige situatie
2.2. Beoogde situatie Initiatiefnemers zijn voornemens de locatie te herbestemmen als “Wonen”. De aanwezige glasopstanden en de oude bijgebouwen worden gesloopt. De aanwezige loods en een klein deel van de kas blijft behouden en de bestaande woning wordt (op termijn) uitgebreid. Initiatiefnemers wensen de loods, ketelhuis (170 m2) en een klein deel van de kas (circa 4 %van de totale oppervlakte van de kas) te behouden. De loods, ketelhuis en kas zijn als 1 geheel gebouwd, het ketelhuis en de kas doen dienst als “zijwand” van de loods, hierdoor is het lastig om deze te slopen en de loods te behouden. Door het ketelhuis en een deel van de kas te behouden kan relatief eenvoudig de extra zijwand aan de zijde van de kas geplaatst worden.
7
Initiatiefnemers zien de loods, het ketelhuis en een deel van de kas één van de redenen om de locatie aan te kopen. Initiatiefnemers wensen de loods en het ketelhuis te gaan gebruiken als ondermeer garage voor de eigen auto’s, opslag van diverse materialen onder andere ten behoeve van het onderhoud van de locatie, hierbij kan gedacht worden aan zitmaaier/ minitrekker etc. De bestaande woning kent verder geen bijgebouwen en dus ook geen garage en opslagmogelijkheden. Tevens zijn in het ketelhuis diverse installaties aanwezig welke ook in de toekomstige situatie gebruikt kunnen worden op de locatie (beregening en dergelijke). Daarnaast wensen initiatiefnemers de locatie te voorzien van zonnepanelen om de duurzaamheid van de locatie te vergroten, hiervoor is het dakoppervlak van zowel de loods als het ketelhuis gewenst. Het te behouden deel van de kassen zal door initiatiefnemers gebruikt worden ten behoeve van de productie van groenten en fruit aangezien initiatiefnemers de wens hebben zo veel mogelijk zelfvoorzienend te zijn in groenten en fruit. Hiernaast heeft de kas een sentimentele waarden voor initiatiefnemers, aangezien hij als zoon van een tuinder opgegroeid is op de locatie en middels het behoud van een klein deel van de originele kassen een knipoog naar het tuindersverleden wenst te behouden op de locatie.
Tevens wordt het stenen bijgebouwtje aan de oostzijde van het perceel behouden. Dit betreft een gebouwtje welke reeds in 1850 al aanwezig was op de locatie en deel uitmaakte van “Boerderij de Leeuwerik” welke de start vormde voor de bebouwing rond de locatie. De aanwezige, te behouden, bijgebouwen zijn een dusdanige kwaliteit dat deze passend zijn in de omgeving en een duidelijke meerwaarde zijn voor de locatie. Op de locatie blijft circa 600 m2 aan bijgebouwen behouden. De totale sloop op de locatie bedraagt circa 5.100 m2. Initiatiefnemers zijn voornemens het deel van het plangebied welke de enkelbestemming “Agrarisch” krijgt in gebruik te nemen als grasland/weide. Echter houden initiatiefnemers ook de opties open om dit deel van het perceel tijdelijk te verhuren en aan derden.
8
Te behouden bakhuis
Afbeelding 4. Te behouden en te slopen bebouwing.
De totale inhoud van de, zoals bovenstaand beschreven, te behouden bijgebouwen en woning overschrijdt de maximale inhoud van 1.000 m3 zoals vastgelegd in het vigerend bestemmingsplan. Daar de gemeente de meerwaarde ziet in de te behouden gebouwen maar een overschrijding van de totale inhoud van de woning en bijgebouwen wenst te beperken en ook de eventuele nieuw- en herbouw wil beperken tot een geconcentreerd gebied nabij de woning om zodoende versnippering van bijgebouwen binnen de woonbestemming tegen te gaan wordt binnen de woonbestemming een bouwvlak opgenomen. Het te behouden ketelhuis en de kas liggen buiten dit bouwvlak. Herbouw van deze gebouwen is dan ook niet toegestaan. De inhoud van deze gebouwen wordt ook niet meegenomen in de maximaal te realiseren kuubs binnen het bouwvlak. Aangezien de huidige woning naar huidige maatstaven relatief klein en gedateerd. Initiatiefnemers zijn een jong (groeiend) gezin en wensen de woning op termijn dan ook uit te bouwen om de woning up-to-date en passend voor hun gezin te maken. De totale inhoud van de binnen het toekomstige bouwvlak gelegen gebouwen bedraagt op dit moment 1.339 m3 (woonhuis 489 m3 + loods 850 m3).
De uitbreiding van woning omvat in de plannen van initiatiefnemers ondermeer het uitbreiden van de bestaande keuken, het realiseren van wasruimte/bijkeuken met technische ruimte voor het plaatsen van een warmtepomp, het realiseren van een werk/ kantoorruimte, het toevoegen van een extra slaapkamer en het vergroten van de zolderruimte. Hoewel er op dit moment nog geen definitieve plannen voor een verbouwing van de woning hebben de initiatiefnemers een berekening gemaakt met betrekking tot de gewenste toevoegingen aan de woning. In deze berekening is de woning aan de korte zijde verlengt en wordt de bestaande achterbouw en overkapping gesloopt en vergroot herbouwd. De totale uitbreiding van de woning zo dan circa 360 m3 omvatten. De totale inhoud van de woning zou dan uitkomen op circa 850 m3. Hiermee ontstaat een woning 9
welke passend is in het buitengebied. In combinatie met de loods zal een maximale inhoud van 1.700 m3 vastgelegd worden.
2.3. Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas”. Het bestemmingplan “Buitengebied Peel en Maas” kent een wijzigingsbevoegdheid naar “Wonen”. In paragraaf 3.5.3 wordt getoetst aan de voorwaarden die gesteld worden aan het wijzigen van “Agrarisch – Glastuinbouw” naar “Wonen”.
10
3. Beleidskader 3.1. Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.
3.2. Rijksbeleid 3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
3.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp 11
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening.
In Limburg is het Nationale Natuurnetwerk in de provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) aangeduid als Natuurnetwerk Limburg.
3.2.3. Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.
Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. De ladder van duurzame verstedelijking is van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De onderhavige planlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas en er wordt geen woning toegevoegd. Mede hierdoor is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. 12
3.2.4.Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht).
In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. Het voorliggende initiatief betreft het bestemmen van een agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Gezien de kleinschaligheid van deze ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
3.3. Provinciaal beleid 3.3.1. Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. 2. 3.
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied;. b. In landelijk gebied;. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; Klimaatadaptieve en energietransitie;
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: 13
• •
Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën: • • •
Groenblauwe mantel Natuurnetwerk Limburg (incl. Natura2000 gebieden) Buitengebied
Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diversere wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.
Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. opgericht waardoor deze woningen uitermate geschikt zijn voor senioren.
Het slopen van de glasopstanden en het wijzigen van de bestemming naar “Wonen” draagt bij aan deze hoofdopgaven zoals gesteld in de provinciale omgevingsvisie Limburg. Waarbij bovenal een aantrekkelijke woon- en leefomgeving gecreëerd wordt. 14
3.3.2. Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid.
Afbeelding 5. Uitsnede kaart aandachtsgebieden Provinciale omgevingsverordening.
Binnen het plangebied zijn geen milieubeschermingsgebieden gelegen.
3.3.3. Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld op 16 december 2021. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening. Het plangebied is volgens de ontwerp omgevingsverordening net als in de vigerende Omgevingsverordening gelegen in het buitengebied. Met betrekking tot wonen dient er volgens de ontwerp Omgevingsverordening rekening gehouden te worden met hoofstukken 3 en 5 van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 15
en de regionale woonvisies. Zowel aan de Provinciale Omgevingsvisie Limburg en het regionaal beleid wordt in onderhavig planvoornemen getoetst.
3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1. Structuurvisie Buitengebied In december 2011 is de structuurvisie Buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, kwaliteitskader, VAB beleid, archeologiebeleid, Structuurvisie IV en Glas) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van bestaand beleid. Daarnaast zijn er enkele aanvullingen en uitwerkingen opgenomen, waardoor het beleid beter aansluit bij de recente ontwikkelingen in het buitengebied. Het beleid uit het structuurplan bood namelijk niet altijd een gepast antwoord op dynamische ontwikkelingen. Daarom is het beleid voor bepaalde thema’s herzien, zoals bijvoorbeeld Vrijkomende Agrarische Bebouwing en huisvesting van buitenlandse werknemers. De structuurvisie buitengebied heeft twee doelstellingen te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan Buitengebied en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • • • • •
algemene beleidsuitgangspunten voor het buitengebied; beleidsuitgangspunten met betrekking tot landschap en functies; beleidsuitgangspunten voor intensieve veehouderij en glastuinbouw (afkomstig uit de thematische structuurvisie Intensieve Veehouderij en Glastuinbouw); het kwaliteitskader voor het buitengebied, dat een instrumentarium bevat om ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met de gewenste kwaliteitsverbetering; uitgangspunten voor archeologiebeleid en een uitvoeringsparagraaf, die in aansluiting op het kwaliteitskader de grondslag vormt voor bedragen die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.
In het hiervoor opgenomen schema is de opzet van de Structuurvisie Buitengebied en de relatie met het bestemmingsplan Buitengebied weergegeven. Hierbij wordt de kanttekening geplaatst, dat het niet realistisch zou zijn te veronderstellen dat de geformuleerde beleidsuitgangspunten een antwoord hebben op alle ontwikkelingen die zich de komende tien jaar zullen voordoen. Daarom wil de gemeente de vinger aan de pols houden door „midden in het buitengebied te staan‟. Het gewenste effect van het beleid voor het buitengebied is namelijk dat er ruimte moet zijn om te ontwikkelen met oog voor kwaliteit. Immers, als er geen ontwikkeling is, gaat dit ten koste van de kwaliteit. Aan de andere kant dienen ontwikkeling en kwaliteit gelijk op te trekken. Hiermee voldoet het initiatief aan de structuurvisie.
3.4.2. Archeologiebeleid gemeente Peel en Maas Door de gemeente Peel en Maas is het beleidsplan Archeologie opgesteld. Dit beleid is voortgekomen uit de wettelijke taak die de gemeente heeft gekregen om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed. De gemeente heeft gekozen voor een pragmatisch en maatschappelijk verantwoord archeologiebeleid waarbij aandacht is voor zowel het economische belang als het cultuurhistorische belang.
16
In het beleidsplan is vastgelegd dat er sprake is van 7 verschillende archeologische (verwachtings)waarden waarbij er per verwachtingswaarde een ondergrens is vastgesteld voor een onderzoekplicht. De gemeenteraad van Peel en Maas heeft in de vergadering van 28 juni 2011 de archeologische verwachtings- en beleidskaart, met bijbehorende ondergrenzen als basis voor het gemeentelijke archeologische beleid, als onderdeel van de Structuurvisie buitengebied, voor de gemeente vastgesteld. In de bijbehorende tabel bij het archeologisch beleid is op basis van het archeologisch gebied, de verstoringsdiepte en verstoringsoppervlakte bepalend of er wel of geen onderzoek plicht aanwezig is bij bestemmingsplan ontwikkelingen. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de gevolgen van het beleid voor planlocatie.
3.4.3. Bestemmingsplan toetsing Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas”. Het bestemmingplan kent middels artikel 56.5, onder voorwaarden, een wijzigingsbevoegdheid naar “Wonen” en ‘Wonen – Plattelandswoning”. In onderhavig plan is sprake van het wijzigen naar “Wonen”; 56.5 Wijziging in de bestemming ' Wonen' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingen 'Agrarisch - Glastuinbouw', ' Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden', 'Agrarisch - Paardenhouderij', 'Agrarisch - Plattelandsondernemer', 'Bedrijf - Agrarisch verwant', 'Bedrijf - Niet agrarisch verwant', 'Detailhandel', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' en 'Sport' met een bouwvlak en de bestaande bedrijfswoning te wijzigen in: a. de bestemming 'Wonen' dan wel 'Wonen - Plattelandswoning b. de bestemming 'Agrarisch' waarin het bestemmingsvlak ligt voor de resterende grond; De locatie zal middels onderhavig plan de bestemming “Wonen” krijgen zoals aangegeven in de bij het plan behorende verbeelding, het overige deel van het plangebied wordt bestemd met de enkelbestemming “Agrarisch”; mits: a.
wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'concentratiegebied glastuinbouw 1' en 'concentratiegebied glastuinbouw 2'; Het plangebied is niet gelegen binnen de aanduiding 'concentratiegebied glastuinbouw 1' of 'concentratiegebied glastuinbouw 2; b. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' of 'maximum aantal wooneenheden 0'; Binnen het plangebied zijn de aanduidingen ‘bedrijfswoning uitgesloten’ of maximum aantal wooneenheden 0’ niet aanwezig; c. de woonfunctie slechts is toegestaan in de hoofdbebouwing; Initiatiefnemers zijn voornemens in de huidige bedrijfswoning (hoofdbebouwing) te gaan wonen; d. aangetoond wordt dat het huidige gebruik als (agrarisch) bedrijf/ de huidige voorziening niet meer mogelijk is; De glasopstanden op de locatie zijn naar de huidige maatstaven niet meer up-to-date en dusdanig oud dat ze niet meer bruikbaar zijn voor het beroepsmatig gebruik als 17
tuinbouwkas. Tevens is de beperkte oppervlak van de glasopstanden een beperkende factor; e. het huidige gebruik als (agrarisch) bedrijf/ van de huidige voorziening dient te zijn beëindigd; Het huidige agrarische bedrijf is reeds een aantal jaren beëindigd. Meest recent zijn de kassen verhuurd aan derden, echter is ook dit al enige jaren geleden geëindigd. Het slopen van de aanwezige glasopstanden maakt deel uit van onderhavig planvoornemen; f.
uitsluitend het deel van het perceel met de woning en het daarbijbehorende erf mag worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen - Plattelandswoning'. De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd de bestemming 'Agrarisch' met de daarbij behorende gebiedsaanduiding;
Binnen het plangebied wordt ca. 4.000 m2 bestemd als wonen, dit betreft de woning, bijgebouwen en het erf van de locatie; g. het aantal woningen mag niet toenemen; De huidige bedrijfswoning wordt omgezet naar woonbestemming, er wordt op de locatie geen woning toegevoegd; h. in voldoende mate wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, dan wel in een andere vorm van kwaliteitsverbeterende maatregelen; Middels een landschappelijke inpassing, de sloop van overtollige bebouwing en glasopstanden wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, zie paragraaf 4.8; i.
overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij deze bebouwing valt onder de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie';
De overtollige bebouwing, te weten, de glasopstanden en 2 “oude” bijgebouwtjes wordt gesloopt, deze vallen niet onder de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'; j.
de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie. De landschappelijke inpassing wordt in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen met een daaraan gekoppelde aanleg- en instandhoudingsverplichting;
Door het slopen van de oude glasopstanden en bijgebouwen en de landschappelijke inpassing wordt de omgevingskwaliteit verbeterd. Onderhavig planvoornemen voorkomt verloedering van de aanwezige glasopstanden en de omgeving. De locatie is niet meer geschikt als glastuinbouwlocatie en wordt door onderhavig planvoornemen weer courant; k. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het woon- en leefklimaat; 2. de milieusituatie; 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 4. gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing; Door het beëindigen van de glastuinbouw op de locatie en het wijzigen van de bestemming naar wonen, vindt geen onevenredige aantasting plaats van het woon- en leefklimaat, de milieusituatie, de bestaande natuurlijke, landschappelijke, 18
cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden en de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing. Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 4; k. in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden, met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura-2000 gebieden; In paragraaf 4.9.1 wordt ingegaan op de effecten op Natura-2000 gebieden. Onderhavig planvoornemen heeft geen negatieve effecten op de aanwezige Natura-2000 gebieden; l.
voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 27;
Er wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden in artikel 27. Zoals aangegeven in bovenstaande kan onderhavig planvoornemen voldoen aan de gestelde voorwaarden voor het wijzigen van de bestemming van “AgrarischGlastuinbouw” naar “Wonen” en “Agrarisch”. Initiatiefnemers zijn voornemens een deel van de bestaande bijgebouwen te behouden en de huidige woning op termijn beperkt te vergroten. Het vigerende bestemmingsplan kent middels artikel art. 27.2.3 onder c een maximale inhoud van de woning en bijbehorende bouwwerken van 1.000 m3. Middels een sloop-bonusregeling (art 55.2) kent het bestemmingsplan een mogelijkheid om maximaal 1.500 m 3 aan inhoud te behouden. Initiatiefnemers zijn voornemens de volgende gebouwen te behouden; Loods (ca. 850 m3), ketelhuis (503 m3), kas (879 m3) en woning (ca. m3, inclusief toekomstige uitbreiding). De totale inhoud van de aanwezige gebouwen is groter dan de gestelde 1.500 m3. Hiervoor is onderhavige bestemmingsplanprocedure opgesteld. Uitgaande van de sloop-bonusregeling waarbij maximaal 2/3e van de te slopen bebouwing mag worden teruggebracht, wordt op de locatie in verhouding meer gesloopt dan noodzakelijk is volgens sloop-bonusregeling.
19
4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-) effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.
4.1. Bodem De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In onderhavige situatie is dit het geval. Door HMB B.V. is op de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte’ locatie stand houdt. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met drins, hexachloorbenzeen, cadmium en PCB aangetoond.
In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, koper, molybdeen en nikkel. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreinigingen in het grondwater verhoogd achtergrondgehalten betreffen. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderhavige locatie vormt geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan
4.2. Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinderveroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een 20
matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. In onderhavig planvoornemen is sprake van het omgevingstype gemengd gebied. De lintbebouwing aan de Leeuwerik kenmerkt zich door een verscheidenheid aan woningen en agrarische bedrijvigheid. Hiermee kunnen de richtafstanden met 1 stap verlaagd worden Zoals wordt aangetoond in tabel 1 wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten stof, geur, geluid en gevaar In de nabije omgeving van het plangebied zijn verschillende (agrarische) bedrijven gevestigd, zie tabel 1.
Bedrijven en milieuzonering Locatie
Functie
Milieucategorie
Leeuwerik 3
Agrarisch Grondgebonden Agrarisch Grondgebonden Agrarisch – Intensieve veehouderij Agrarisch Grondgebonden
Leeuwerik 4 Leeuwerik 9 Leeuwerik 11
2
Maximale afstand (m) 10
Feitelijke afstand (m) 9
2
10
15
4.1
100
102
2
10
160
Tabel 1. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied
Uit bovenstaande tabel blijkt dat niet voor alle locaties voldaan kan worden aan maximale richtafstanden. Voor de locatie Leeuwerik 9 heeft dit betrekking op de afstand ten aanzien van geluid. In de desbetreffende paragraaf wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de gestelde normen. Voor de Leeuwerik 3 geldt dat de de afstand tot de beoogde woonbestemming niet iets korter (9m) is dan de gestelde afstand (10m). Echter, vanwege de dubbelbestemming “Waterstaat – Beschermingszone watergang” zijn de bouwmogelijkheden zodanig beperkt dat er niet binnen 10m van het beoogd bestemmingsvlak “Wonen” gebouwd kan worden. Hier meer wordt ook voor de locatie Leeuwerik 3 voldaan aan de gestelde afstanden Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3. Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Voorgrond en achtergrondbelasting Conform de Regeling geurhinder en veehouderijen kan de geurbelasting van individuele veehouderijen berekend worden met het verspreidingsmodel “V-Stacks vergunning 2010”. Omdat met dit verspreidingsmodel echter geen geurcontouren berekend kunnen worden, wordt hiervoor het verspreidingsmodel “V-stacks gebied 2010” gebruikt. Bij deze
21
uitkomsten en geurcontouren gaat het dan om de voorgrondbelasting van een individuele veehouderij en deze kunnen getoetst worden aan de normen uit de Wgv. Voornoemde methodiek is echter niet voldoende bij ruimtelijke plannen. Bij ruimtelijke plannen moet in principe gemotiveerd worden dat er ter plaatse van het ruimtelijke plan (indien het gaat om een geurgevoelig object) sprake is van een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om dit te kunnen bepalen, is naast de geurbelasting van een individuele veehouderij, ook de geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het ruimtelijke plan bepalend. Het gaat hier dan om de zogenaamde cumulatieve geurbelasting oftewel achtergrondbelasting. Deze kan berekend worden met het verspreidingsmodel “V-stacks gebied 2010”. De uitkomsten van deze berekening kunnen eveneens worden weergegeven via een geurcontour. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgv geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de Wgv geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen.
Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van de verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is. Voorgrondbelasting (Een–bron situatie)
Achtergrondbelasting (Meer-bron situatie)
Milieukwaliteit Geur gehinderden 98 percentiel OUe/m3 98 percentiel OUe/m3 Zeer goed
< 5%
< 1.5
< 3.1
Goed
5 -10%
1.5 – 3.8
3.1 -7.4
Redelijk goed
10 – 15%
3.8-6.6
7.4 - 13.1
Matig
15 – 20%
6.6 - 10
13.1 - 20
Tamelijk slecht
20 – 25%
10 - 14.2
20 - 28.3
Slecht
25 – 30%
14.2 - 19.2
28.3 - 38.5
Zeer slecht
30 – 35 %
19.2 - 25.3
38.5 - 50.7
Extreem slecht
35 - 40 %
25.3 - 32.8
> 50.7
Tabel 2. Milieukwaliteit, voorgrond- en achtergrondbelasting.
Milieukwaliteit in relatie tot individuele en cumulatieve geurbelasting Concluderend kunnen we derhalve het volgende stellen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een goed dan wel aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot 22
geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt toetsing plaats aan de wettelijke norm van 3 OUe/m3 voor de bebouwde kom en aan de wettelijke norm van 14 OUe/m3 voor buiten de bebouwde kom. De norm voor de bebouwde kom valt in de milieukwaliteitsklasse “goed” (1,5 tot 3,8 OUe/m3), de norm voor buiten de bebouwde kom valt in de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht” (10,0 tot 14,2 OU e/m3). Op grond hiervan wordt afgeleid, dat binnen de bebouwde kom een milieukwaliteit “goed” aanvaardbaar is en in geval van buiten de bebouwde kom een milieukwaliteit “tamelijk slecht” aanvaardbaar is. Als we deze wettelijke normen doortrekken naar de achtergrondbelasting kunnen we stellen dat binnen de bebouwde kom bij een norm gelegen in de klasse 3,1 tot 7,4 OUe/m3 (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “goed”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en in geval van buiten de bebouwde kom bij een norm gelegen in de klasse 20 – 28,3 OUe/m3 (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Maasbree waarbij dus rekening gehouden dient te worden met de wettelijke norm van 14 OUe/m3 voor de voorgrondbelasting en de klasse 20 – 28,3 OUe/m3 (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht”) voor de achtergrondbelasting. Uit een berekening met V-stacks gebied en V-stacks vergunning blijkt dat de locatie voldoet aan de gestelde normen.
Afbeelding 6. Uitkomsten V-stacks gebied.
Afbeelding 7. Uitkomsten berekening V-stacks -Vergunning.
23
Hiermee vormt het onderdeel geur geen belemmering voor onderhavig planvoornemen
4.4. Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •
negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm).
Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 15 μg/m³ en de PM2,5 op 8.6 μg/m³, zie afbeelding 8 en 9. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 11.22 μg/m³, zie afbeelding 10. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.
24
Afbeelding 8. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)
Afbeelding 9. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5)
25
Afbeelding 10. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NOx)
4.5. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buiten stedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). In de huidige situatie is reeds sprake van een (bedrijfs)woning. Welke reeds een geluidsgevoelig object is, hierdoor is er geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object en is een toetsing aan de geluidsnormen niet noodzakelijk. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • • 26
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.
Afbeelding 11. Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Volgens de Risicokaart liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen of wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet binnen de invloedssfeer van het plangebied. Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico: De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.