CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-023 06 Toelichting.pdf

Commissie 7 maart 2023, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “4 woningen aan de Napoleonsbaan Noord te Baarlo" (2023-023)12.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn voorts regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De normen voor het risico dat burgers mogen lopen als gevolg van een ongeval met transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet.

24

Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. Zoals al aangegeven is, wordt getoetst aan een plaatsgebonden- en een groepsrisiconorm die bepalen wat de maximale kans op dodelijke slachtoffers mag zijn in geval van een incident. Deze normen hebben het karakter van grenswaarden (zijnde het maximaal toelaatbaar risico) en richtwaarden in het milieubeleid. Voor ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het invloedsgebied van de risicovolle activiteit geldt een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico.

Deze verantwoordingsplicht geldt ongeacht of normen worden overschreden. Uitgangspunt voor het beleid is dat burgers voor de veiligheid in hun woonomgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico): er mogen zich dus geen kwetsbare bestemmingen bevinden binnen de zone van het maximaal toelaatbaar risico. De kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers (groepsrisico) moet expliciet worden afgewogen en verantwoord. Voor de locatie geldt op dit moment een bestemmingsplan dat de realisatie van 35 zorgappartementen mogelijk maakt. Middels dit plan wordt dat omgezet naar de realisatie van een viertal woningen. Door de vaststelling van het plan neemt het groepsrisico af, aangezien er in 35 zorgappartementen meer mensen verblijven dan in de vier te bouwen woningen. Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg kan geconcludeerd worden dat er geen relevante risico’s in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied ligt aan de Napoleonsbaan Noord te Baarlo, oftewel de N273. Dit is een Provinciale weg waarover transport van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. De risicocontour ligt over de weg zelf, niet daarbuiten. Daarnaast betreft meest dichtbij het plangebied gelegen risico een LPG tankstation, bijna 450 meter ten westen van het plangebied (gelegen aan Bong 36).

Het plaatsgebonden risicocontour van dit tankstation is bepaald op 40 meter. De verantwoordingsplicht inzake het groepsrisico is voor dit tankstation bepaald op 150 meter. Aan beide afstanden wordt ruimschoots voldaan. Door de grote onderlinge afstand tussen het plangebied en het tankstation is er geen sprake van het realiseren van woningen binnen het plaatsgebonden risico of een verslechtering van het groepsrisico. Conclusie luidt dan ook dat het aspect externe veiligheid niet van toepassing is voor de realisatie van de vier woningen.

5.2 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd.

25

Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.3 Geur De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De gemeente Peel en Maas heeft geen geurverordening vastgesteld. Dit betekent dat de gemeente aanvragen in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening toetst aan de wettelijke normen uit de Wet geurhinder en veehouderijen. De normen voor de voorgrondbelasting geur zijn 3 OUe/m3 voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en 14 OUe/m3 voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. De gemeente Peel en Maas ligt in een concentratiegebied, het plangebied ligt in de bebouwde kom. Uit de Herijking en Monitoring beleid IV gemeente Peel en Maas (d.d. 1 juli 2021) blijkt de indicatieve achtergrondbelasting van geur. Uit de kaart blijkt dat er qua milieucategorie ter plaatse van het plangebied sprake is van de milieucategorie “zeer goed”. Voor de kern van Baarlo wordt een streefkwaliteit van zeer goed nagestreefd.

Afbeelding 8: achtergrondbelasting van geur uit Herijking en Monitoring beleid IV Peel en Maas

26

Geurhinder vormt gezien de lage belasting van geur ter plaatse geen belemmering voor de realisering van de vier woningen. Tevens liggen er rondom het plangebied reeds veel bestaande woningen. Aangezien tussen de veehouderijen in de nabijheid van de kern Baarlo en het plangebied deze bestaande woningen liggen, worden de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen door de realisatie van de woningen niet belemmerd.

5.4 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.4.1 Flora en fauna Het plangebied ligt braak waardoor beplanting volledig ontbreekt en het ligt in de kern van Baarlo. Hier zijn geen ecotopen aanwezig voor beschermde dieren of planten. De realisatie van de woningen heeft derhalve geen negatieve consequenties voor flora en fauna. 5.4.2 Natura 2000 Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 5 km tot het Natura 2000-gebied 'Schwalm – Nette – Platte mit Grenzwald und Meinweg' (Duitsland) en op circa 10 km van het Natura 2000-gebied ‘Swalmdal’. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 5,4 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het projectgebied op de Natura2000gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting.

Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Aanlegfase Gedurende de aanlegfase van de woningen kan er bij de bouw emissie van NOx plaatsvinden. Tijdens de bouwfase varieert de emissie per woning van 1 kg tot 50 kg NOx. De emissie hangt mede af van de hoeveelheid grondwerk, te gebruiken machines en werktuigen, etc. Als worstcase scenario is daarom uitgegaan van een emissie van 50 kg NOx per woning. Bij 4 woningen komt de emissie uit op 200 kg NOx. Deze emissie is ingevoerd in het programma Aerius. Hieruit blijkt dat er ter plaatse van N2000 gebieden sprake is van een depositie van 0.00 mol per jaar.

Gebruiksfase Voor het bepalen van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de Handreiking woningbouw en Aerius die is opgesteld door de Rijksoverheid. In de handreiking wordt voor 50 woningen op een afstand van

27

minimaal 5 km van een Natura2000-gebied uitgegaan van een indicatieve depositie van 0,00 mol/ha/jaar. Omdat er in dit geval slechts vier woningen wordt gerealiseerd, op een afstand van meer dan 5 km van de Natura2000-gebieden kan worden aangenomen dat negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden in de gebruiksfase zijn uit te sluiten. Het initiatief heeft derhalve geen negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden.

5.5 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform deze kaarten blijken er geen specifieke waarden voor het plangebied.

28

Bodemgesteldheid en grondwater De bodem tet plaatse bestaat uit een matig fijne zandgrond vanaf maaiveld tot ongeveer 6 meter beneden maaiveld. Op het perceel is door HMB B.V. de bodemdoorlatendheid onderzocht (bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat de gemiddelde doorlatendheid 3.3 meter per dag bedraagt. Bij een dergelijke doorlatendheid is infiltratie van hemelwater ter plaatse (zeer) goed mogelijk. Op 4 april 2018 is ter plaatse de grondwaterstand gemeten. Deze bedroeg 4,5 meter beneden maaiveld. Het grondwater zit daarmee ter plaatse voldoende diep om op eigen terrein een infiltratievoorziening te kunnen realiseren. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Er bevindt zich geen oppervlaktewater binnen het plangebied. Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zullen voor de nieuwe woningen aansluitingen gemaakt worden op het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel. Hiervoor zal een per woning een nieuwe rioolaansluiting aangevraagd worden via de gemeentelijke website. De belasting op het bestaande riool van het huishoudelijk afvalwater van slechts vier nieuwe woningen zal gering zijn. Er zijn derhalve geen aanpassingen noodzakelijk zijn voor het bestaande riool.

Hemelwater Conform de richtlijnen van het Waterschap Limburg dienen de infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt en waarbij 50 mm neerslag valt. Daarnaast mag een bui die eens in de 100 jaar voorkomt en waarbij 84 mm valt, geen overlast voor derden veroorzaken. De infiltratievoorzieningen dienen boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand te worden aangelegd. In het gebied geldt grondwatertrap VII. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op meer dan 80 cm onder het maaiveld. Dit betekent dat het goed mogelijk is infiltratievoorzieningen boven de GHG aan te leggen. In de nieuwe situatie zullen 4 vrijstaande woningen in het plangebied worden opgericht. Aangenomen kan worden dat het dakoppervlak van hoofd- en bijgebouw per kavel circa 250 m2 zal bedragen. Ten aanzien van de erfverharding kan worden aangenomen dat per perceel circa 100 m 2 erfverharding zal worden aangelegd. Ter plaatse van de overgang van rijbaan/trottoir naar de eigen verhardingen zal een lijngoot worden aangebracht die wordt aangesloten op de eigen infiltratievoorziening. In totaal kan gerekend worden met een verhard oppervlak van circa 350 m2 per kavel. Afwateringssysteem Het afwateringssysteem dient gedimensioneerd te worden op een bui van T=10 (50 mm) met een doorkijk naar T=100 (100 mm).

Per bouwkavel betekent dit dat bij een bui van T=10 circa 17,5 m3 afgekoppeld dient te worden en bij een bui van T=100 ongeveer 35 m3 . Op de toekomstige percelen is voldoende ruimte aanwezig voor de aanleg van infiltratievoorzieningen (bijvoorbeeld infiltratiekratten) op eigen terrein. Deze zullen gedimensioneerd worden op een bui van T=10 en derhalve overeen capaciteit van circa 17,5 m3 dienen te beschikken. De infiltratievoorzieningen dienen over een zodanige leeglooptijd te beschikken dat deze

29

binnen 24 uur weer gereed zijn voor een nieuwe maatgevende bui van T=10. Een bui van 100 mm met kans op voorkomen van eens per 100 jaar mag geen overlast voor derden veroorzaken. Indien een bui heviger dan T=10 in het plangebied valt zal het hemelwater dat niet in de infiltratievoorzieningen kan worden geborgen afstromen over de eigen tuinen en verhardingen. Dit betekent dat op deze verhardingen kortstondig een dunne laag water zal staan. Gezien de beperkte frequentie van dit soort hevige buien en de beperkte overlast welke deze tot gevolg hebben kan dit acceptabel worden geacht. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen zal de exacte uitvoering en dimensionering van de infiltratievoorziening uitgewerkt worden. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de constructie van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen zoals zink of lood.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.

Afbeelding 9. Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart

De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied grotendeels gelegen in een AMK-terrein van zeer hoge archeologische waarde en voor een klein deel in een AMK-terrein. Conform het vigerende

30

bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ respectievelijk ‘Waarde – Archeologie 3’ toegekend. Aan een AMK-terrein van zeer hoge archeologische waarde zijn de volgende ondergrenzen gesteld: 40 cm diepte en 100 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van te voren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 100 m² bedraagt. Aan een overig AMK-terrein geldt dezelfde ondergrens voor wat betreft de diepte. De te verstoren oppervlakte bedraagt echter 250 m2. De in het vigerende bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemmingen aangaande de archeologische waarde wordt in onderhavig bestemmingsplan overeenkomstig opnieuw opgenomen. Archeologie vormt daarmee geen beperkende factor voor de bestemmingswijziging.

5.7 Verkeer en parkeren Verkeer De nieuwe woningen zullen worden ontsloten via de Napoleonsbaan Noord. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de 4 woningen is in verhouding tot het totaal aantal bewegingen over de Napoleonsbaan Noord marginaal te noemen. Tevens is de verwachting dat door de nu voorgestelde inrichting het aantal bewegingen kleiner is dan het aantal bewegingen bij een invulling conform de vigerende bestemming (maatschappelijk). Er is daarmee geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen op de Napoleonsbaan Noord en omringende wegen.

Parkeren Op 19 juni 2018 is het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas vastgesteld. Dit plan heeft tot doel de (beperkte) ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten en in het openbaar gebied parkeeroverlast zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Daartoe legt het plan als algemeen uitgangspunt vast dat een concreet initiatief op eigen terrein kan voldoen aan de parkeervraag. Om de parkeerbehoefte te bepalen is gebruik gemaakt van het ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas’. In het projectgebied worden vier woningen opgericht. Gekeken is naar de categorie “woonhuis in de rest bebouwde kom”. Per woning dienen 2,0 parkeerplaatsen te worden opgericht. Bij elke woning dienen dan ook twee parkeerplaatsen te worden opgericht. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte ten behoeve onderhavig initiatief. Ter plaatse worden twee inritten gerealiseerd vanaf de Napoleonsbaan Noord. Op het eigen terrein zal een “ventweg” gerealiseerd worden (uit te voeren als éénrichtingsverkeer). Hiermee wordt voorkomen dat elke woning een eigen in- en uitrit nodig heeft op de Napoleonsbaan Noord. Dit naar aanleiding van afstemming met de Provincie Limburg. Voor deze inritten zal gelijktijdig met de aanvraag voor omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen toestemming gevraag worden bij de gemeente Peel en Maas.

Deze is namelijk het bevoegde gezag voor de inritten.

31

6. JURIDISCHE ASPECTEN Het bestemmingsplan “Napoleonsbaan Noord Baarlo” is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemmingen voor de gronden gelden. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Voor de gronden kunnen meerdere tekens gelden, dit betreffen aanduidingen of dubbelbestemmingen. De aanduidingen betreffen in dit geval gebruiks-, gebieds- of maatvoeringsaanduidingen. Als een aanduiding of dubbelbestemming is opgenomen zijn daarvoor in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welke gebied het bestemmingsplan betrekking heeft. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. Op de analoge verbeelding wordt door middel van bouwvlakken en matrices specifieke informatie weergegeven, zoals het maximale bebouwde oppervlak.

6.2 Toelichting op de planregels Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012), de Handreiking Ruimtelijke plannen gemeente Peel en Maas en de Standaardregels bestemmingsplannen kernen (mei 2011). De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels en algemene wijzigings- en procedureregels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Qua bestemmingsregels behorend bij de bestemming `Wonen` is aangesloten bij de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan `Kern Baarlo`. Er wordt daarmee niet meer of minder mogelijk gemaakt dan op basis van de regels voor de bestemming `Wonen` mogelijk zou zijn voor onderhavig perceel. De dubbelbestemmingen `Waarde Archeologie 2` en `Waarde Archeologie 3` en de algemene bestemmingsregels blijven 1 op 1 van toepassing.

32

7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. Voor onderhavig plan zal een anterieure overeenkomst worden afgesloten met initiatiefnemer. Deel van deze overeenkomst is een planschadeverhaalsovereenkomst.Voor de gemeente Peel & Maas zal de ontwikkeling kostenneutraal verlopen.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Met de direct omwonenden is onderhavig plan gecommuniceerd. Het gaat daarbij om de bewoners/eigenaren van de woningen Napoleonsbaan Noord 33, 35, Grotestraat 36 en Zuivelstraat 5. Deze adressen zijn door initiatiefnemer persoonlijk benaderd en op de hoogte gesteld over onderhavig bestemmingsplan en de daarop volgende bouwactiviteiten. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Napoleonsbaan Noord’ heeft vanaf 11 november 2022 op grond van artikel 3.8 Wro gedurende zes weken ter inzage gelegen. Deze ter inzage legging is gepubliceerd in de plaatselijke huis- aan- huisbladen en in de Staatscourant. Tevens is het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende de termijn van ter inzage ligging digitaal raadpleegbaar op de website www.ruimtelijkeplannen.nl en de gemeentelijke website (www.peelenmaas.nl). Gedurende de termijn van ter inzagelegging is eenieder in de gelegenheid gesteld om mondelinge of schriftelijke zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

33

8. OVERLEG EN INSPRAAK De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

8.1 Uitkomsten vooroverleg Het 1e conceptplan is bij de Provincie Limburg en het Waterschap Limburg aangeboden in het kader van het vooroverleg. Beiden hebben aangegeven in te kunnen stemmen met voorliggend plan.

8.2 Uitkomsten inspraak In het kader van dit bestemmingsplan is geen mogelijkheid tot inspraak geboden.

34

9. PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; Op basis van het 1e concept van het plan is er advies gevraagd bij de Provincie Limburg en het Waterschap Limburg. Zij hebben ingestemd met het voorliggende plan. ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden ▪ Inwerkingtreding op

de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=291c7d6c-7a80-46b5-b44b-87d134ec01f2