CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-017 03 Toelichting (aangepast - geanonimiseerd).pdf

Commissie 7 maart 2023, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “Ontwikkeling Ruimte voor Ruimte woning Berkenheg 7a, Meijel” (2023-017)16.626 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN “Berkenheg 7a Meijel” NL.IMRO.1894.BPL0284.VG01 Vastgesteld

Document:

Bestemmingsplan “Berkenheg 7a Meijel”

IDN:

NL.IMRO.1894.BPL0284.VG01

Status:

Vastgesteld

Datum:

21 maart 2023

Aanvrager:

Gemeente Peel en Maas

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

6.

INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3

1.2

Plangebied en begrenzingen ...................................................................................................................................................................... 3

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 4

HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................6 2.1

Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 6

2.2

Ruimtelijke structuur.................................................................................................................................................................................... 6

2.3

Functionele structuur................................................................................................................................................................................... 7

PLANBESCHRIJVING .......................................................................................................................................8 3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan................................................................................................................................. 8

3.2

Landschappelijke inpassing ......................................................................................................................................................................... 8

BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 10 4.1

Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 10

4.2

Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 12

4.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 16

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ............................................................. 20 5.1

Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 20

5.2

Kabels en leidingen ..................................................................................................................................................................................... 28

5.3

Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 28

5.4

Waterhuishouding...................................................................................................................................................................................... 30

5.5

Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 32

5.6

Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 33

5.7

Volksgezondheid ......................................................................................................................................................................................... 34

JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 35 6.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 35

6.2

Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 35

7.

HANDHAVING ................................................................................................................................................ 38

8.

UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE ................................................................................................... 39 8.1

Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 39

Vastgesteld

1

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 39

8.3

Procedure....................................................................................................................................................................................................... 40

BIJLAGEN Bijlage 1: Berekening voorgrondbelasting Bijlage 2: AERIUS-berekening Separate bijlagen: ▪ Akoestisch onderzoek (HMB Groep) ▪ Flora- en faunainspectie (Faunaconsult) ▪ Landschappelijk inpassingsplan (Erf- en Landschapsverfraaiing) ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep)

Vastgesteld

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas, aan de Berkenheg in Meijel, ten oosten van de bestaande woning met huisnummer 7.

Afbeelding 1.Locatie beoogde Ruimte voor Ruimtewoning

Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” is de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning niet toegestaan. De ontwikkeling voldoet echter wel aan de overige provinciale en gemeentelijke beleidskaders. De gemeente Peel en Maas heeft daarom in principe medewerking toegezegd aan de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning op deze locatie. Om de Ruimte voor Ruimtewoning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt aan de beoogde locatie voor de Ruimte voor Ruimtewoning een woonbestemming met bouwrecht toegekend.

1.2

Plangebied en begrenzingen

De locatie is gelegen in het buitengebied van Meijel. Het perceel waarop de Ruimte voor Ruimte woning is beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Meijel, sectie D en perceelnummer 2258. Deze locatie wordt in het vervolg aangeduid als “het plangebied”.

Vastgesteld

3

Afbeelding 2. Luchtfoto van het plangebied en omgeving

Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als moestuin. Ten behoeve van deze doeleinden is de locatie bebouwd met een kweekkas en voorzien van enkele kweektunnels en enkele kleine schuurtjes. De schuurtjes zijn in gebruik voor het opslaan van materialen voor de verzorging van de gewassen. De locatie wordt in het oosten begrensd door een zandweg en in het zuiden door de Berkenheg. In het westen grenst het plangebied aan de woning Berkenheg 7 en in het noorden grenst de locatie aan een landbouwperceel.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingplan “Buitengebied Peel en Maas” (vastgesteld d.d. 24 december 2014) en is bestemd als ‘Agrarisch’. Daarnaast is de locatie voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie - 4’ en ‘Waarde – Archeologie – 5’ en van de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied roerdalslenk zone 3’, ‘bolle akker’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en wro-zone – wijzigingsgebied 1 ob’.

Vastgesteld

4

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas”, met plangebied rood omlijnd

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig gebruik. Op de als zodanig bestemde gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. De voor ‘Waarde – Archeologie – 4’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Indien bij een ontwikkeling de grond voor een oppervlakte van meer dan 250 m2 dieper dan 40 cm wordt verstoord is eerst archeologisch onderzoek noodzakelijk. De voor ‘Waarde – Archeologie – 5’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Indien bij een ontwikkeling de grond voor een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 dieper dan 40 cm wordt verstoord is eerst archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het niet mogelijk op om binnen het plangebied een Ruimte voor Ruimtewoning te realiseren. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn niet bestemd voor woondoeleinden en er ontbreekt de mogelijkheid tot het oprichten van gebouwen.

Vastgesteld

5

2.

HUIDIGE SITUATIE

2.1

Algemeen

Het plangebied waar de Ruimte voor Ruimtewoning beoogd is, is gelegen ten noordwesten van de kern Meijel. Meijel maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas, en is gelegen in het westen van deze gemeente. Ruim 6.000 inwoners bevolken de kern.

Afbeelding 4. Ligging plangebied ten opzichte van omgeving

2.2

Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Meijel. Het landschap in de omgeving van het plangebied is te kenmerken als een oud bouwland. Deze gronden behoren tot de vroegste ontginningen, waarbij mensen stukken land geschikt maakten voor landbouw. De oude bouwladen waren van oorsprong grote open akkerbouwgebieden. De laatste jaren is het opengebied echter verkleind door de bebouwing. Kenmerkend voor dit type landschap zijn onregelmatige verkavelingen en een onregelmatig patroon in de wegen.

Afbeelding 5. Impressie Berkenheg

Vastgesteld

Afbeelding 6. Impressie plangebied

6

De nieuwe woning is beoogd aan de Berkenheg. De Berkenheg begint in de kern en loopt in westelijke richting naar het buitengebied. In de kern is uitsluitend aan de zuidelijke zijde van de weg bebouwing gelegen. De bebouwing bestaat met name uit halfvrijstaande woningen bestaande uit twee bouwlagen afgewerkt met een kap. Aan de noordelijke zijde van de weg is een openbaar park gelegen met speelvoorzieningen en wandelpaden. In het buitengebied is aan de zuidelijke zijde van de Berkenheg juist sprake van verspreid liggende bebouwing. De bebouwing bestaat uit twee burgerwoningen en één agrarisch bedrijf. Daarnaast is aan de zuidelijke zijde nog een waterberging gelegen behorend bij een waterzuiveringsinstallatie. In het buitengebied is aan de noordelijke zijde van de Berkenheg juist sprake van een cluster van bebouwing. De cluster bestaat met name uit burgerwoningen met daartussen één agrarisch bedrijf.

2.3

Functionele structuur

In het buitengebied van Meijel overheerst de agrarische functie. In het buitengebied zijn onder andere (intensieve) veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en ander soortige (agrarische) bedrijven gelegen. De onbebouwde agrarische percelen zijn in gebruik als akker- of weiland. Daarnaast liggen in het buitengebied verspreid liggende burgerwoningen. In de omgeving zijn ook veel bos- en natuurgebieden gelegen waardoor de natuurfunctie prominent aanwezig is. Op een afstand van 390 meter in zuidelijke richting is Simonshoekse bos gelegen. Daarnaast is circa 580 meter ten noordwesten Nationaal Park ‘De Groote Peel’ gelegen.

Afbeelding 7. Impressie oostelijke zijde plangebied

Afbeelding 8. Impressie landbouwgrond overzijde plangebied

In de ten oosten van het plangebied gelegen bebouwde kom van Meijel (op een afstand van circa 430 meter) overheerst de woonfunctie. Ondersteunende voorzieningen (winkels en horeca) bevinden zich voornamelijk aan de Dorpstraat, Kerkstraat en Schoolstraat.

Vastgesteld

7

3.

PLANBESCHRIJVING

3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken een nieuwe Ruimte voor Ruimtewoning met bijgebouwen op te kunnen richten aan de Berkenheg, direct ten oosten van de woning met huisnummer 7. De woning zal worden gerealiseerd op een bouwkavel met een oppervlakte van 1.000 m2. De woning mag worden opgericht met een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 9 meter. De inhoud van de woning, inclusief bijgebouwen, mag maximaal 1.000 m3 bedragen. Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet één specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. De oude boerderijen die aan de Berkenheg zijn opgericht als agrarische nederzetting staan op korte afstand van de weg terwijl de nieuwe woningen die in de loop der tijd zijn opgericht juist verder van de weg af liggen. Hierdoor is sprake van een verspringende voorgevelrooilijn met woningen op diverse afstanden tot de weg. Met de positionering van de voorgevel van de nieuwe Ruimte voor Ruimte woning is rekening gehouden met de verspringende voorgevelrooilijnen in de omgeving. De voorgevelrooilijn is in dat kader gelegen op een afstand van 5 meter vanaf de perceelgrens.

3.2

Landschappelijke inpassing

Voor het oprichten van de Ruimte voor Ruimtewoning is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarmee is gegarandeerd dat de woning op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omringende landschap. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van 1.000 m2. Dit betekent dat er ten minste 100 m2 als groen zal moeten worden ingericht en dat er voldoende aandacht dient te zijn voor voorkomen van problematiek van hemelwater. Visie De visie is om het nieuwe erf aansluitend aan het buurerf fraai in te richten en het zandpaadje een accent te geven. Met de bestaande omkadering met een beukenhaag is er al een mooi vertrekpunt en met de bomen langs het paadje een differentiatie tussen het met groen omkaderde cluster bebouwing en het omliggende opener landschap. Daar er in het landschap veel eiken staan, is het hier wenselijk het erfrandlaantje juist in te vullen met enkele lindes, een typische Limburgse erfboom.

Door de woonkavel af te ronden met een gemengde haag en ook hier een tweetal met hagen omkaderde kamers te maken (bloemen/ groente en de energiekamer) wordt de tuin wat knusser en deze elementen mooi ingekleed. Het achtererf met de bestaande fruitbomen zijn een mooie plek om op een extensieve manier te gebruiken. Enkele mooie poorten creëren een leuke doorkijk en speels effect binnen het intensievere tuindeel. Tenslotte is de mooie eik in de straat een soort “pluim op de hoed” bij het nieuwe huis.

Vastgesteld

8

Door de opsplitsing tuin en erf is er ook een verscheidenheid aan beheer, intensief en erf wat meer extensief. Hiermee vanuit beheer een opsplitsing van intensief naar meer extensief, waarmee het onderhoud te overzien is en het een leuke meerwaarde vormt t.b.v. de biodiversiteit. Met het juiste beheer vormt het een oase voor vele flora en fauna. Water De oppervlakte van ca. 300 m2 verharding geeft met een bui T= 100 een hoeveelheid regenwater wat afgevoerd moet worden van 30 m3. Dit zal geleid worden naar de infiltratiewadi, langs rand van het erfdeel, zodat het als “zaksloot” in de boomgaardzone en grasveld mooi past. Hier kan het regenwater infiltreren. Met de GHG van 1,20 meter onder maaiveld is er meer dan afdoende bufferruimte om het water kwijt te kunnen. Het landschappelijk inpassingsplan heeft geresulteerd in het volgende: A. Bestaande beukenhaag rond tuindeel (72 m2); B. Bestaande halfstamboomgaard (300 m2); C. Aan te planten erfrandbomen in totaal 5 stuks (20 m2); D. Aanplant gemengde haag grens erf-tuin en rond zonnepanelen in totaal 180 stuks (45 m2); E. Aanplant fruithagen in totaal 36 stuks (18 m2); F. Aan te leggen infiltratiewadi (30 m3)

Afbeelding 9. Impressie landschappelijke inpassing

Binnen het plangebied is de aanduidingen ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Berkenheg 7a Meijel’ toegekend waarmee is gewaarborgd dat de nieuwe woning pas mag worden gebruikt als de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand wordt gehouden. Hierdoor wordt voldaan aan de eisen uit het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas.

Vastgesteld

9

4.

BELEIDSKADER

In dit hoofdstuk worden de voor het plangebied en de ontwikkeling relevante beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Peel en Maas.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Vastgesteld

10

Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het oprichten van de Ruimte voor Ruimtewoning worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is geen sprake van een gebiedsreservering. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is in oktober 2012 ingevoerd en is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.

De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Allereerst dient er sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling'. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr. 201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3).

Vastgesteld

11

Ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals de Ruimte voor Ruimteregeling, worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting bij de wijziging van art. 3.1.6 Bro (Staatsblad 2017, 182). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat de toevoeging van één Ruimte voor Ruimtewoning in Meijel evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft in dit geval dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: ▪ Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; ▪ Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); ▪ Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Doorwerking initiatief De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas op korte afstand van de kern Meijel. De woning is beoogd in de cluster van bebouwing aan de Berkenheg. De cluster bestaat met name uit woningen. Gesteld kan worden dat de woning is beoogd op een planologisch aanvaardbare locatie. Het initiatief is daarmee in lijn met de Provinciale Omgevingsvisie Limburg.

Vastgesteld

12

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2021 zijn in dit geval van toepassing: ▪ Overstromingskansgebieden C ▪ Boringsvrije zone Roerdalslenk III ▪ Wonen, werken en recreëren Overstromingskansgebieden C Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen. In totaal zijn vijf gebieden opgenomen met de specificatie voor dat gebied en de gemiddelde overstromingskans per jaar. Tabel 1. Overstromingskans per jaar per gebied gespecificeerd

Gebied

Specificatie

Overstromingskansgebieden A

1. 2.

Overstromingskansgebieden B Overstromingskansgebieden C

Overstromingskansgebieden D Overstromingskansgebieden E

Natuurnetwerk Limburg Groenblauwe mantel langs alle natuurbeken en langs omgevingsgerichte wateren binnen beekdalen en natte laagten Groenblauwe mantel langs omgevingsgerichte wateren buiten natte laagten 1. Overige landbouwgebieden, recreatieparken 2. Bebouwing in bebouwde kernen langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg Glastuinbouwgebieden Bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

Gemiddelde overstromingskans per jaar Geen kans aangegeven

1:10 1:25

1:50 1:100

Het plangebied ligt in overstromingskansgebieden C. Voor dit gebied is een gemiddelde overstromingskans per jaar 1:25. De norm is uitgedrukt als maximale overstromingskans per jaar. Een norm van 1:25 geeft aan dat de kans per jaar 1:25 is dat een overstroming plaats vindt. Anders gezegd: een overstroming komt statistisch gezien niet vaker voor dan gemiddeld eens per 25 jaar. Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast binnen het plangebied zeer klein is, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Boringsvrije zone Roerdalslenk III In de boringsvrije zones wordt het grondwater afgedekt door een kleilaag. Deze kleilaag biedt een natuurlijke bescherming tegen vervuiling van het grondwater. Het doorboren van zo'n kleilaag zou kunnen leiden tot vervuiling van het grondwater en daarom worden er regels gesteld die het doorboren of op andere wijze aantasten van de kleilagen verbieden.

Vastgesteld

13

Het grondwater in de boringsvrije zones is gereserveerd voor drinkwater en water voor overige menselijke consumptie. Onder dat laatste wordt verstaan, water voor de vervaardiging, behandeling, conservering of het in de handel brengen van levensmiddelen. De boringsvrije zone Roerdalslenk is onderverdeeld in vier deelzones. Deze onderverdeling is gemaakt omdat de kleilaag niet in iedere deelzone even diep is. In het geval dat er een boring of andere ingreep in de bodem plaatsvindt in de Roerdalslenk is het dus afhankelijk van de diepte van de kleilaag tot hoe diep dat is toegestaan Ten aanzien van de Boringsvrije zone van de Roerdalslenk III zijn de volgende regels opgenomen: 1. Het is verboden een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in een waterwingebieden, als dat dieper dan drie meter beneden het maaiveld gedaan wordt. 2. Het is verboden een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in de boringsvrije zone Roerdalslenk, als dat dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei gedaan wordt. 3. Het is verboden een activiteit in de bodem te verrichten in een waterwingebieden als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. 4.

Het is verboden een activiteit in de bodem te verrichten in de boringsvrije zone Roerdalslenk als daardoor de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kan worden aangetast. 5. De verboden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, gelden niet voor: a. werkzaamheden ten behoeve van waterwinning met het oog op openbare drinkwaterproductie; b. een boorput ten behoeve van het grondwaterbeheer overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet; c. het saneren van de bodem overeenkomstig paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het saneren van de bodem of het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst overeenkomstig de Wet bodembescherming; d. bodemonderzoeken die in de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij of krachtens de Wet bodembescherming of voor een bouwactiviteit bij of krachtens de Omgevingswet zijn voorgeschreven. 6. De verboden bedoeld in het tweede en het vierde lid, gelden ook niet voor werkzaamheden ten behoeve van andere onttrekkingen dan onttrekkingen met het oog op de drinkwaterproductie, als deze uitsluitend bestemd zijn voor menselijke consumptie Met onderhavige ontwikkeling worden geen van bovenstaande ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Daarnaast worden er geen ingrepen verricht of stoffen gebruikt die de beschermende werking mogelijk zouden aantasten. De gebiedsaanduiding ‘milieuzone – Roerdalslenk III’ is opnieuw van toepassing verklaard voor het plangebied. Wonen, werken en recreëren In de Omgevingsverordening Limburg 2021 is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. Sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. Over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. Het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. Realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Vastgesteld

14

Onderhavig initiatief is hierboven getoetst aan het rijksbeleid en het provinciaal beleid en wordt hieronder getoetst aan het regionale en gemeentelijk beleid. Uit de toetsing blijkt dat het oprichten van een Ruimte voor Ruimte woning op deze locatie passend is. Conclusie Op dit moment geldt nog de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2023) is een nieuwe verordening nodig die de huidige gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hierna is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 4.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld en in werking getreden. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019.

Nieuwe woningen Wat betreft woningen wordt in artikel 2.4.2 lid 1 van de Omgevingsverordening bepaald dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Uit een brief1 van de provincie Limburg van 14 juni 2017 blijkt echter dat de realisatie van Ruimte voor Ruimtewoningen een op zichzelf staande opgave is. Deze woningen mogen additioneel op de taakstelling in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg gerealiseerd worden. Boringsvrije zone Roerdalslenk III Het is in het gebied Roerdalslenk III binnen en buiten inrichtingen verboden: a. Een boorput, een bodemenergiesysteem of aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, diepen dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei en/of dieper dan 80 meter beneden maaiveld; b. Werken op of in de bodem uit tevoren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Met onderhavige ontwikkeling worden geen van bovenstaande ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Daarnaast worden er geen ingrepen verricht of stoffen gebruikt die de beschermende werking mogelijk zouden aantasten. De gebiedsaanduiding ‘milieuzone – Roerdalslenk III’ is opnieuw van toepassing verklaard voor het plangebied. Conclusie De ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimtewoning past derhalve binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 4.2.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Peel en Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter.

1 Provincie Limburg, brief aan alle Limburgse gemeenten m.b.t. Ruimte voor Ruimte, kenmerk 2017/42236, 14 juni 2017

Vastgesteld

15

Voor de gemeente Peel en Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 156 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Peel en Maas de gestelde opgave heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren.

Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Het initiatief betreft de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning, naar aanleiding van de vraag naar dergelijke specifieke woningen. Volgens de Regionale Woonvisie is aansluiting op de vraag van de consument noodzakelijk (de marktvraag). Woningen zijn in de huidige woningmarkt alleen af te zetten wanneer deze qua prijs, locatie en kwaliteit aansluiten bij de vraag van de kritische consument. Dit is niet alleen in het voordeel van de consument, maar ook in het belang van de verschillende belanghebbenden op de woningmarkt (gemeente en marktpartijen). De betrokken gemeenten voegen in principe alleen plannen toe die aansluiten bij de kansrijke segmenten (passend binnen regionale en lokale kwalitatieve woningbehoefte). Daarnaast betreft het voorliggende initiatief een Ruimte voor Ruimtewoning. De realisatie van Ruimte voor Ruimtewoningen is een op zichzelf staande opgave. Deze woningen mogen additioneel op de taakstelling in de Regionale Woonvisie gerealiseerd worden. Het initiatief is daarom niet in strijd met de Regionale Woonvisie.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.

Vastgesteld

16

De gemeente Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor: 1. Zogenaamde win-win situaties; 2. Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale gemeenschappen; 3. Verzoeken die die passen binnen de Ruimte voor Ruimteregeling; 4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden; 6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Een van de gelimiteerde uitzonderingen betreft het ontwikkelen van een Ruimte voor Ruimtewoning, waarvan in dit geval sprake is. De volgende voorwaarden worden door de gemeente aan een Ruimte voor Ruimtewoning gesteld: a) de bouwkavel heeft een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 b) toepassing wordt gegeven aan de basiskwaliteit (inpassing) uit het gemeentelijk kwaliteitskader en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De gemeente Peel en Maas heeft negen Ruimte voor Ruimte contingenten van de Provincie Limburg en Ruimte voor Ruimte Beheer B.V. overgenomen. Met onderhavig initiatief wordt een Ruimte voor Ruimte woning gerealiseerd aan de Berkenheg in Meijel.

Deze woning wordt dan ook gerealiseerd middels een van de Ruimte voor Ruimte contingenten die de gemeente Peel en Maas tot zijn beschikking heeft. Hieronder wordt het initiatief getoetst aan de voorwaarden die de gemeente heeft gesteld voor Ruimte voor Ruimtewoningen. De oppervlakte van de bouwkavel waarbinnen de Ruimte voor Ruimtewoning ontwikkeld zal worden bedraagt 1.000 m2. Er wordt voldaan aan deze voorwaarde. Voor wat betreft de basisinpassing en de aanvullende kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar de volgende paragraaf. 4.3.2 Structuurvisie buitengebied en kwaliteitskader In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid.

Het plangebied is volgens de structuurvisie gelegen in de zone ‘oude bouwlanden’. Binnen de oude bouwlanden liggen de oude woongebieden. Hierin liggen de dorpen en de oude lintbebouwing. De oude bouwlanden worden nu gebruikt voor tal van functies. Doordat de dorpsbebouwing en de landbouw concurreerden om dezelfde gronden is de landbouw geïntensiveerd met onder andere glastuinbouw en intensieve veehouderij. De landbouwvelden hebben een onregelmatige verkaveling en de wegen hebben een onregelmatig patroon. Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbetering.

Vastgesteld

17

Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing. Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing er is sprake van Basiskwaliteit. Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. De verplichting voor de landschappelijke inpassing van een Ruimte voor Ruimtewoning komt uit de beleidsregel “Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018”. De te hanteren richtlijn voor de inpassing sluit aan bij de Basiskwaliteit. Dat betekent dat 10% van het bouwvlak voor de Ruimte voor Ruimtewoning moet worden ingepast met groen. De oppervlakte van het bouwvlak voor de Ruimte voor Ruimtewoning bedraagt 1.000 m2. De inpassingseis bedraagt derhalve 100 m2. De landschappelijke inpassing (zie paragraaf 3.2) heeft een omvang van 455 m2. Daarmee wordt voldaan aan de eis uit de structuurvisie en het kwaliteitskader.

4.3.3 Kaderstelling Ruimte en Economie In november 2017 is de notitie ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Ruimte en Economie vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente. Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. De economische crisis heeft partijen (overheid, ondernemers, inwoners) geleerd naar mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatismen en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en in partnership. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol. Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: ▪ van Individueel naar Samen; ▪ van Omgevingskwantiteit naar Omgevingskwaliteit; ▪ van Lineair naar Circulair; ▪ van Gesloten naar Open; ▪ van Consumeren naar Beleven; ▪ van beheersen naar ruimte geven en vertrouwen; ▪ van overheidssturing naar omgevingssturing. Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven.

De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud voor de programmadoelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Ruimte betreft het dan de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving’. Voor de onderhavige ontwikkeling is binnen het thema ruimte het navolgende programmadoel relevant: Wonen duurzaam in balans De gemeente Peel en Maas heeft op termijn te maken met demografische veranderingen en wel zodanig dat er sprake is van afname en veranderende samenstelling van de bevolking (vergrijzing) en daarmee veranderende samenstelling van de woningvoorraad. Dit heeft rechtstreeks gevolgen voor de vitaliteit en leefbaarheid van de kernen binnen de gemeente. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden is het zaak om samen met de samenleving het woningbestand toekomstgericht duurzaam in balans te brengen. De gemeente staat voor een duurzaam woningbestand waarin ze op een

Vastgesteld

18

voorwaarde scheppende manier kwalitatief zorgt voor een passend woonaanbod voor iedereen en daarmee de leefbaarheid van de dorpen op peil houdt. Kernwoorden hierbij zijn dorps, levensloopbestendig en duurzaam. De gemeente staat, samen met de samenleving, voor een duurzaam woningbestand waarin er wordt gezorgd voor een passend woonaanbod voor iedereen. Daarmee wordt de leefbaarheid van onze dorpen op peil gehouden en wordt er ruimte gemaakt voor passende nieuwbouwplannen. De plancapaciteit zal daarom worden afgestemd op de natuurlijke behoefte voor Peel en Maas, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de vastgestelde Regionale structuurvisie Wonen. Met onderhavig initiatief wordt één Ruimte voor Ruimtewoning opgericht in Meijel. In de gemeente Peel en Maas is een vraag naar Ruimte voor Ruimtewoningen. De gemeente geeft aan dat de woningen passend dienen te zijn binnen de Regionale structuurvisie. In de Regionale structuurvisie Wonen is opgenomen dat bij woningbouwinitiatieven aansluiting kan worden gezocht bij de marktvraag. In de gemeente Peel en Maas is vraag naar Ruimte voor Ruimtewoningen, het initiatief past zowel binnen het beleid van de gemeente Peel en Maas als binnen de Regionale structuurvisie.

Vastgesteld

19

5.

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN

Met de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe woonfunctie. Daarom is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek2 conform NEN 5740 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt verwacht dat op de locatie sprake zal zijn van aanwezigheid van bodemverontreiniging. In verband met het voormalige gebruik als boomgaard is de bodem verdacht voor een bodemverontreiniging met organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB). Voor het overige is de onderzoekslocatie onverdacht voor bodemverontreiniging. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 57404 waarbij de onderzoeksstrategie voor een verdachte heterogene niet-lijnvormige locatie (VED-HE-NL) wordt gecombineerd met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte nietlijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' stand houdt.

In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met DDD en koper aangetoond. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De lichte verontreiniging met DDD in de grond kan waarschijnlijk gerelateerd worden aan de voormalige boom\fruitgaard. Voor de lichte verontreiniging met koper in de grond is geen duidelijke oorzaak of bron aan het licht gekomen. Mogelijk betreft het een verhoogd achtergrondgehalte. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.

2

HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek, Berkenheg (ong.) Meijel, 8 maart 2022, kenmerk: 22213801A.v2

Vastgesteld

20

Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd.

Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Rondom het plangebied liggen namelijk diverse functies, waaronder woningen afgewisseld met (agrarische) bedrijven. In geval van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit indicatieve bedrijvenlijst – zonder dat dit ten koste van het woon- en leefklimaat – met één afstandsstap worden verkleind. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies.

In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Berkenheg 5, afstand tot het plangebied 45 meter; ▪ Glastuinbouwbedrijf aan de Eerenbeemd 10, afstand tot het plangebied 80 meter, ▪ Rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Eerenbeemd 4, afstand tot het plangebied 145 meter; ▪ Bedrijfslocatie aan de Berkenheg ong., afstand tot het plangebied 270 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Berkenheg 2, afstand tot het plangebied 270 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Astenseweg 10, afstand tot het plangebied 300 meter; De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 2). Tabel 2.Milieubelastende functies omgeving plangebied

Bedrijf

Adres

Grondgebonden agrarisch bedrijf*

Berkenheg 5 Berken heg 2 Astenseweg 10

Glastuinbouwbedrijf

Eerenbeemd 10

Vastgesteld

SBI2008 0141, 0142

011, 012, 013

Aan te afstanden ▪ Geur ▪ Stof ▪ Geluid ▪ Gevaar ▪ Geur ▪ Stof ▪ Geluid ▪ Gevaar

houden 50 meter 10 meter 10 meter 0 meter 0 meter 0 meter 10 meter 10 meter

Afstand tot plangebied 45 meter 270 meter 300 meter 80 meter

21

Rioolwaterzuiveringsinstallatie

Eerenbeemd 4

3700

Bedrijfslocatie milieucategorie 1 en 2

Berkenheg ong.

-

▪ ▪ ▪ ▪

Geur 100 meter Stof 0 meter Geluid 50 meter Gevaar 10 meter 10 meter

145 meter

270 meter

* Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking o op een akkerbouwbedrijf, boomkwekerij (melk)rundveehouderij of een paardenhouderij. Er is uitgegaan van een (melk)rundveehouderij aangezien dit type bedrijf de grootste richtafstanden heeft.

Conclusie Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Aan de hindercontour van het aspect geur, in het geval van een (melk)rundveehouderij aan de Berkenheg 5, wordt niet voldaan. Op deze locatie is thans geen veehouderij gevestigd, waardoor feitelijk wél voldaan wordt aan alle richtafstanden. Op deze locaties is het daarnaast niet mogelijk een veehouderij op te richten vanwege de korte afstand tot de omliggende woningen. Gezien bovenstaande is er geen hindercontour die het plangebied overlapt. In de beoogde nieuwe woning kan derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Tevens vormt de nieuwe beoogde woning geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven omdat reeds bestaande woningen dichterbij de inrichtingen zijn gelegen. Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 5.1.3 Verkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen.

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=840f62c7-14a3-4ffa-95ea-c05f2b051a39