2023-003 03 Toelichting.pdf
Tekst van het document
Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. De verplichting voor de landschappelijke inpassing van een nieuwe woning in het buitengebied komt uit de beleidsregel “Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018”. De te hanteren richtlijn voor de inpassing sluit aan bij de Basiskwaliteit. Dat betekent dat 10% van het bouwvlak voor een nieuwe woning moet worden ingepast met groen. De ontwikkeling op de locatie Keup 11 heeft betrekking op een sanering van een intensieve veehouderij. De beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten heeft een positieve invloed op de omgevingskwaliteit in de directe omgeving van het plangebied en binnen de kernen Egchel en Helden. Daarnaast zorgt de sloop van de bedrijfsgebouwen eveneens voor een aanzienlijke verbetering van de omgevingskwaliteit. Bij het saneren van de intensieve veehouderij wordt de agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning hiermee worden aan deze locatie geen extra bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt. Basiskwaliteit vindt plaats door het slopen van de bedrijfsbebouwing, het niet langer kunnen houden van vee en het omzetten van de bestemming.
Vastgesteld
23
Voor de nieuwe woning aan de Keup ongenummerd is eveneens Basiskwaliteit van toepassing. Voor onderhavig initiatief is een landschappelijke inpassing uitgewerkt (paragraaf 3.2) welke voldoet aan de uitgangspunten van het kwaliteitskader. De landschappelijke inpassing is een onderdeel van dit bestemmingsplan met een voorwaardelijke verplichting inclusief instandhoudingsplicht. De andere woning wordt opgericht aan de Baarloseweg in Helden, binnen de dorpskern. De nieuwe woning die is beoogd aan de Baarloseweg ligt daarnaast in de voormalige ‘rode contour’. De rode contour betrof een gebied waar verstedelijking mag plaats vinden. Het kwaliteitskader is niet van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen binnen de dorpskern en is er geen landschappelijke inpassing vereist. 4.3.4 Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De gemeente Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor: 1. Zogenaamde win-win situaties; 2.
Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale gemeenschappen; 3. Verzoeken die die passen binnen de Ruimte voor Ruimte regeling; 4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het bestemmingsplan buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden; 6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Met onderhavig initiatief is sprake van een win-win situatie. De varkenshouderij van G.M. Aarts B.V. is gelegen op korte afstand van de kernen Egchel en Helden en heeft derhalve een negatief effect op het woon- en leefklimaat in deze kernen. Om het woon- en leefklimaat in met name Egchel te verbeteren heeft de gemeente Peel en Maas met de varkenshouder een overeenkomst afgesloten voor het saneren van de varkenshouderij. Ter compensatie van de sanering krijgt G.M. Aarts B.V. de mogelijkheid om elders twee nieuwe woningen op te richten. Indien sprake is van een woningbouwverzoek met een win-win situatie moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast moet worden voldaan aan artikel 5 en 8 van de beleidsregel. Artikel 5 Voorwaarden verzoeken win-win situatie a.
Er is sprake van een win-win situatie wanneer het sanering betreft van een intensieve veehouderij, waarbij sprake is van: ▪ Een maatschappelijk belang, dat verder gaat dan het economisch belang van de aanvrager én; ▪ Ligging in of nabij de kernrandzone, waarbij in het laatste geval sprake is van een vergelijkbare situatie als ware de locatie gelegen binnen de kernrandzone, zulks ter beoordeling van ons college, én; ▪ Het een inrichting betreft in de zin van de Wet milieubeheer met een geldende omgevingsvergunning milieu die wordt ingetrokken met als gevolg dat het woon- en leefklimaat van de woonomgeving en/of de kernen verbetert; b. Er moet worden gewaarborgd dat de bedrijfsbebouwing binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan / omgevingsvergunning wordt gesloopt en de omgevingsvergunning milieu wordt ingetrokken; c. De bestemming van de bestaande bedrijfswoning en de daarbij behorende huiskavel moet worden omgezet in de bestemming Wonen’; d. Er geldt een maximum van in totaal 10 te bouwen woningen met een maximum van 1 woning per win win-locatie. Voorwaarde is tevens dat toepassing dient te worden gegeven aan het gemeentelijk kwaliteitskader. Vastgesteld
24
Aan deze voorwaarden uit artikel 5 worden voldaan hieronder zal een toetsing en nadere motivatie plaatsvinden. Ad. a. Met onderhavig initiatief is sprake van een win-win situatie voor zowel de gemeente als voor G.M. Aarts B.V.. De varkenshouderij van G.M. Aarts B.V. is gelegen op korte afstand van de kernen Egchel (580 meter) en Helden (970 meter) en bevindt zich op zeer korte afstand van de als kernrandzone aangewezen gebieden (afstand bedraagt circa 25 meter). De varkenshouderij heeft een negatief effect op het woon- en leefklimaat in deze kernen door de emissie van ammoniak, fijnstof en geur. De gemeente heeft de varkenshouder dan ook benaderd om de varkenshouderij niet uit te breiden maar te saneren zodat het woon- en leefklimaat in de kernen kan worden verbeterd. Met de sanering wordt de bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt de geldende omgevingsvergunning ingetrokken. Met het initiatief is dan ook sprake van maatschappelijk belang, namelijk het verbeteren van het woon- en leefklimaat. Ad. b. De gemeente Peel en Maas heeft een sanerings- en ruilovereenkomst afgesloten met de G.M. Aarts B.V.. In deze overeenkomst is opgenomen dat G.M. Aarts B.V. direct start met de sanering van de intensieve veehouderij. Ook is in de overeenkomst opgenomen dat de milieuvergunning wordt ingetrokken met het onherroepelijk worden van de bestemmingswijziging.
Sloop van de stallen vindt inmiddels plaats. Gesteld kan worden dat binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig bestemmingsplan de bedrijfsgebouwen zijn gesloopt en dat de milieuvergunning is ingetrokken. Ad. c. Met onderhavig bestemmingsplan wordt de agrarische bedrijfswoning op de locatie Keup 11 omgezet naar een burgerwoning. De bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ wordt daarbij gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Ad. d. In de sanerings- en ruilovereenkomst is opgenomen dat de gemeente Peel en Maas een inspanningsverplichting heeft om twee bouwtitels te verkrijgen ter compensatie van de sanering. Ter compensatie van de sanering van de varkenshouderij en door de grondruil mag de varkenshouder twee woningen oprichten. Voor het oprichten van de nieuwe woningen geldt dat de gehele bouwkavel landschappelijk ingepast moet worden (Basiskwaliteit), voor zover gelegen in het buitengebied. Artikel 8 Voorwaarden planologische medewerking a. Het woningbouwverzoek moet voorafgegaan worden door een principeverzoek waarop een positief standpunt is ingenomen; b. binnen 1 jaar na datering van het principebesluit, dan wel binnen de in de privaatrechtelijke overeenkomst overeengekomen termijn moet een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning dan wel herziening van het bestemmingsplan zijn ingediend; c.
Er moet verder worden geborgd dat na indiening van een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning dan wel een ontvankelijke aanvraag om een herziening van het bestemmingsplan, dat de woning(en) ook op korte termijn worden gerealiseerd, hetgeen betekent dat: ▪ Wanneer gekozen wordt voor de planologische regeling met een omgevingsvergunning voor de activiteiten strijdig gebruik en bouwen, binnen 26 weken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, een start moet zijn gemaakt met de realisatie van de bouw. Dit wordt als voorwaarde verbonden aan de omgevingsvergunning. De beleidsregel “Uitvoeringsregels intrekken omgevingsvergunningen bouwen, slopen en aanleggen 2017” blijft onverkort van toepassing. ▪ Wanneer gekozen wordt voor de planologische regeling met een bestemmingsplanherziening wordt, behoudens situaties waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel andere afspraken zijn gemaakt, gebruik gemaakt van een op te nemen wijzigingsbevoegdheid om na 2 jaar vanaf het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de onbenutte bouwmogelijkheid te laten vervallen. Tevens moet binnen 1 jaar nadat de planologische regeling onherroepelijk is geworden, een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning bouw worden ingediend.
Vervolgens moet binnen 26 weken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, een start zijn gemaakt met de realisatie van de bouw. De beleidsregel “Uitvoeringsregels intrekken omgevingsvergunningen bouwen, slopen en aanleggen 2017” blijft onverkort van toepassing.
Vastgesteld
25
Aan deze voorwaarden uit artikel 8 worden eveneens voldaan hieronder zal een toetsing en nadere motivatie plaatsvinden. Ad. a. De gemeente Peel en Maas heeft G.M. Aarts B.V. benaderd om de varkenshouderij niet uit te breiden maar juist te saneren om de geurkwaliteit in Egchel te verbeteren. De gemeente heeft met de familie Aarts op 2 juli 2020 een sanerings- en ruilovereenkomst afgesloten. De gemeente Peel en Maas staat dan ook positief tegenover het initiatief voor het saneren van de varkenshouderij en het oprichten van twee nieuwe woningen. Ad. b. Na het ondertekenen van de sanerings- en ruilovereenkomst is begonnen met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor de drie betrokken locaties. Gesteld kan worden dat binnen één jaar na datering van de sanerings- en ruilovereenkomst een nieuw bestemmingsplan is opgesteld voor de locaties. Ad. c. Bij onderhavig bestemmingsplan wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen dat als niet binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is vergund c.q. wordt gestart met de bouw van de woningen het recht tot bouwen kan worden ingetrokken. De nieuwe woning die is beoogd aan de Keup sluit aan bij de lintbebouwing van deze weg. De nieuwe woning aan de Baarloseweg ligt in het bebouwingslint van deze weg, de nieuwe woning zal dan ook aansluiten bij dit bebouwinglint. Beide woningen zijn daarmee passend in de omgeving.
Het saneren van de intensieve veehouderij en daarvoor in de plaats het oprichten van twee nieuwe woningen is derhalve passend binnen de beleidsregel woningbouwverzoeken. 4.3.5 Kaderstelling Ruimte en Economie In november 2017 is de notitie ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Ruimte en Economie vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente. Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. De economische crisis heeft partijen (overheid, ondernemers, inwoners) geleerd naar mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatismen en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en in partnership. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol.
Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: ▪ van Individueel naar Samen; ▪ van Omgevingskwantiteit naar Omgevingskwaliteit; ▪ van Lineair naar Circulair; ▪ van Gesloten naar Open; ▪ van Consumeren naar Beleven; ▪ van beheersen naar ruimte geven en vertrouwen; ▪ van overheidssturing naar omgevingssturing. Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven. De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud voor de programmadoelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Ruimte betreft het dan de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving’. Voor de onderhavige ontwikkeling is binnen het thema ruimte het navolgende programmadoel relevant: Wonen duurzaam in balans De gemeente Peel en Maas heeft op termijn te maken met demografische veranderingen en wel zodanig dat er sprake is van afname en veranderende samenstelling van de bevolking (vergrijzing) en daarmee veranderende samenstelling van de woningvoorraad. Dit heeft rechtstreeks gevolgen voor de vitaliteit en leefbaarheid van de kernen binnen de gemeente. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden is het zaak om samen met de samenleving het woningbestand toekomstgericht duurzaam in balans te brengen.
De gemeente staat voor een duurzaam woningbestand waarin ze op een voorwaarde scheppende manier kwalitatief zorgt voor een passend woonaanbod voor iedereen en daarmee de leefbaarheid van de dorpen op peil houdt. Kernwoorden hierbij zijn dorps, levensloopbestendig en duurzaam. Vastgesteld
26
De gemeente staat, samen met de samenleving, voor een duurzaam woningbestand waarin er wordt gezorgd voor een passend woonaanbod voor iedereen. Daarmee wordt de leefbaarheid van onze dorpen op peil gehouden en wordt er ruimte gemaakt voor passende nieuwbouwplannen. De plancapaciteit zal daarom worden afgestemd op de natuurlijke behoefte voor Peel en Maas, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de vastgestelde Regionale structuurvisie Wonen. Met onderhavig initiatief wordt een intensieve veehouderij volledig gesaneerd om de geursituatie in Egchel te verbeteren. Als tegenprestatie voor het saneren van de varkenshouderij worden twee nieuwe burgerwoningen gerealiseerd. De gemeente geeft aan dat de woningen passend dienen te zijn binnen de Regionale structuurvisie. Onderhavig initiatief is in principe in strijd met de regionale structuurvisie. Echter de gemeente Peel en Maas geeft aan in de ‘beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018’ dat de gemeente hierop een gelimiteerde uitzondering wil maken bij een zogenoemde win-winsituatie. Met de win-winsituatie blijft de mogelijkheid bestaan voor intensieve veehouderijen, die in of tegen de kernrandzone liggen, om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen ter verbetering van het woon- en leefklimaat van de omliggende woonomgeving.
Het initiatief past derhalve binnen het beleid van de gemeente Peel en Maas als binnen de Regionale structuurvisie.
Vastgesteld
27
5.
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN
Bij het omzetten van de bedrijfswoning en het oprichten van de nieuwe woningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-) aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1
Milieuaspecten
5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Keup 11 Voor deze locatie is een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie verdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 5740. Geconcludeerd wordt dat de hypothese “verdachte locatie” formeel gezien stand houdt. In de grond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium, nikkel en koper aangetoond. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium, nikkel en koper) is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreiniging in het grondwater een verhoogd achtergrondgehalte betreft. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.
Keup ongenummerd Voor deze locatie is een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONVNL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese “onverdachte locatie” geen stand houdt. Enkele parameters in het grondwater zijn licht verhoogd aangetoond. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder cadmium en zink) is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreinigingen in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.
2 HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek, Keup 11 Egchel, 2 november 2020, kenmerk: 20262502A 3 HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek, Keup (ong.) Egchel, 6 oktober 2020, kenmerk: 20305402A
Vastgesteld
28
Baarloseweg ongenummerd Voor deze locatie is een verkennend bodemonderzoek4 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de locatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese “onverdachte locatie” formeel gezien geen stand houdt. Geen van de onderzochte parameters zijn in de grond aangetoond in een gehalte boven de streef-/achtergrondwaarde. In het grondwater wordt een lichte verontreiniging met zink aangetroffen. Het voorkomen van verhoogde gehalten zware metalen is echter een bekend verschijnsel in de regio. Het licht verhoogd gehalte zink is derhalve toe te schrijven aan van nature verhoogde achtergrondgehalten. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de nieuwbouw van een woning. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving.
Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden deze twee verschillende omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype.
De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die standaard uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Keup 11 Het saneren van de varkenshouderij voorziet in de beëindiging van een activiteit die milieubelastend is. Op deze locatie wordt de bedrijfswoning tevens omgezet naar een burgerwoning. De nieuwe functie als zijnde burgerwoning betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de woning milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. De Keup 11 is te typeren met het omgevingstype ‘rustig buitengebied’, in de nabijheid bevinden zich namelijk diverse functies. In de directe omgeving van de Keup 11 bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een glastuinbouwbedrijf op de locatie Keup 10-10a, afstand tot het plangebied 5 meter; ▪ Een hoogspanningsstation op de locatie Keup 17, de capaciteit van dit station bedraagt volgens informatie van TenneT 33 MVA.
De afstand tot het plangebied 110 meter; ▪ Een grondgebonden agrarisch bedrijf op de locatie Keup 9a, afstand tot het plangebied 120 meter 4 HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek, Baarloseweg (ong.) Helden, 24 september 2020, kenmerk: 20305302A
Vastgesteld
29
Een grondgebonden agrarisch bedrijf op de locatie Keup 8, afstand tot het plangebied 165 meter; Een grondgebonden agrarisch bedrijf locatie Roggelseweg ong., afstand tot het plangebied 170 m.
▪ ▪
De milieuruimte van milieubelastende functies in de omgeving van de Keup 11 is geïnventariseerd aan de hand van de SBIcode en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 3).
Keup 11
Tabel 3.Milieubelastende functies omgeving Keup 11
Bedrijf
Adres
SBI2008 011, 012, 013
Aan te houden afstanden
Glastuinbouwbedrijf
Keup 10-10a
▪ ▪ ▪ ▪
Geur Stof Geluid Gevaar
Hoogspanningsstation
Keup 17
35
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Keup 9a
011, 012, 013
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Keup 8
011, 012, 013
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Roggelseweg ong.
011, 012, 013
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter 0 meter 0 meter 50 meter 30 meter
Afstand tot plangebied 5 meter
110 meter
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
120 meter
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
165 meter
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
170 meter
Aan de gestelde richtafstanden wordt voor alle bedrijven voldaan met uitzondering van het glastuinbouwbedrijf aan de Keup 10-10a. De afstand is gemeten vanaf het bouwvlak van het plangebied tot het bouwvlak van het glastuinbouwbedrijf. De feitelijke afstand tussen de woning en het glastuinbouwbedrijf bedraagt 13 meter. Aan de richtafstanden voor geur, stof en gevaar wordt daarmee wel voldaan. De woning is echter wel gelegen binnen de geluidszone van het glastuinbouwbedrijf. De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is daarmee gelijk aan een burgerwoning en betreft derhalve een geluidgevoelig object. Om te voorkomen dat de woning Keup 11 dichterbij het glastuinbouwbedrijf komt is de ‘milieuzone – geluidsgevoelige functie uitgesloten’ opgenomen. Omliggende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor de bestemmingswijziging. Keup ongenummerd Aan de Keup ongenummerd mag G.M. Aarts B.V. een nieuwe woning oprichten. Een woning betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de woning milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Het omgevingstype van de Keup ongenummerd is eveneens te typeren als ‘rustig buitengebied’.
In de directe omgeving van de Keup ongenummerd bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een glastuinbouwbedrijf op de locatie Keup 10-10a, afstand tot het plangebied 12 meter; ▪ Een bedrijf dat handelt in aanhangwagens op de locatie Keup 1b, afstand tot het plangebied 94 meter; ▪ Een melkveehouderij op de locatie Keup 4, afstand tot het plangebied 95 meter; Vastgesteld
30
▪ Een agrarisch bedrijf op de locatie Keup 3, afstand tot het plangebied 105 meter; ▪ Een agrarisch bedrijf op de locatie Keup 8, afstand tot het plangebied 118 meter; ▪ Een agrarisch bedrijf op de locatie Roggelseweg 68, afstand tot het plangebied 240 meter; ▪ Een agrarisch bedrijf op de locatie Roggelseweg 66, afstand tot het plangebied 240 meter. De milieuruimte van milieubelastende functies in de omgeving van de Keup ongenummerd is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 4).
Keup ongenummerd
Tabel 4. Milieubelastende functies omgeving Keup ongenummerd
Bedrijf
Adres
SBI-2008
Glastuinbouwbedrijf
Keup 10-10a
011, 013
Bedrijfslocatie
Keup 1b
Categorie 1 t/m 2
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Keup 4
011, 013
012,
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Keup 3
011, 013
012,
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Keup 8
011, 013
012,
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Roggelseweg 68
011, 013
012,
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Roggelseweg 66
011, 013
012,
012,
Aan te afstanden ▪ Geur ▪ Stof ▪ Geluid ▪ Gevaar
houden 10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
30 meter ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar
Afstand tot plangebied 12 meter
94 meter
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
95 meter
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
105 meter
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
118 meter
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
240 meter
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
240 meter
De nieuwe woning aan de Keup ongenummerd is gelegen binnen de geluidszone van het glastuinbouwbedrijf aan de Keup 10-10a. Binnen 30 meter van het glastuinbouwbedrijf worden geen geluidsgevoelige gebouwen gerealiseerd. Om dit vast te leggen is de ‘milieuzone – geluidsgevoelige functie uitgesloten’ opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de woning, of andere geluidsgevoelige objecten, binnen 30 meter van het glastuinbouwbedrijf kunnen worden gerealiseerd. Baarloseweg ongenummerd Aan de Baarloseweg ongenummerd mag G.M. Aarts B.V. eveneens een nieuwe woning op richten. Het omgevingstype van de Baarloseweg ongenummerd is eveneens te typeren als ‘rustige woonwijk’. In de directe omgeving van de Baarloseweg ongenummerd bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een zorgwijnboerderij op de locatie Baarloseweg 8a, afstand tot het plangebied 13 meter; ▪ Een paardenhouderij op de locatie Baarloseweg 15b, afstand tot het plangebied 210 meter; ▪ Een agrarisch bedrijf op de locatie Baarloseweg 14b, afstand tot het plangebied 220 meter; ▪ Een agrarisch bedrijf op de locatie Kloosterstraat 36b, afstand tot het plangebied 240 meter; ▪ Een agrarisch bedrijf op de locatie Baarloseweg 15a, afstand tot het plangebied 250 meter; Vastgesteld
31
De milieuruimte van milieubelastende functies in de omgeving van de drie locaties is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 5).
Baarloseweg ongenummerd
Tabel 5. Milieubelastende functies omgeving Baarloseweg ongenummerd
Bedrijf
Adres
SBI-2008
▪
Aan te houden afstanden
Zorgwijnboerderij
Baarloseweg 8a
011, 013
▪ ▪ ▪ ▪
Geur Stof Geluid Gevaar
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
Paardenhouderij
Baarloseweg 15b
0145
▪ ▪ ▪ ▪
Geur Stof Geluid Gevaar
50 meter 30 meter 30 meter 0 meter
210 meter
Agrarisch bedrijf
Baarloseweg 14b
011, 013
012,
Kloosterstraat 36b
011, 013
012,
Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter 10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
220 meter
Agrarisch bedrijf
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Agrarisch bedrijf
Baarloseweg 15a
011, 013
012,
▪ ▪ ▪ ▪
Geur Stof Geluid Gevaar
10 meter 10 meter 30 meter 10 meter
250 meter
012,
Afstand tot plangebied 90 meter
240 meter
Voor de locatie Baarloseweg wordt aan alle richtafstanden voldaan. Omliggende bedrijvigheid heeft zodoende geen negatieve consequenties op het woon- en leefklimaat in de op te richten woning. Conclusie Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. In de woningen kan een aanvaardbaar woonen leefklimaat worden gegarandeerd en andere functies worden niet belemmerd met het initiatief. 5.1.3 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie tabel 6), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Tabel 6.Geluidzone in meters van wegen in stedelijk of buitenstedelijk gebied
Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer
Vastgesteld
Breedte van de geluidszone (m) Stedelijk 200 350 350
Buitenstedelijk 250 400 600
32
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Voor geluidsgevoelige objecten geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige objecten niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Keup 11 Met onderhavig plan wordt de bedrijfswoning op de locatie Keup 11 omgezet naar een burgerwoning. Met de omzetting van deze woning wordt geen nieuwe woning c.q. geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Keup ongenummerd Een van de op te richten woningen wordt gerealiseerd aan de Keup. De Keup betreft een weg in het buitengebied waar een maximum snelheid van 60 km/h geldt. De nieuwe woning ligt dan ook in de geluidzone van deze weg. Daarnaast is de nieuwe woning gelegen in de geluidszone van de Roggelseweg (N562). Om de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd5 (zie separate bijlage).
Uit het onderzoek volgt dat de gecorrigeerde gevelbelasting voor elke zoneplichtige weg lager ligt dan de voorkeursgrenswaarde en dus wordt voldaan aan de eisen uit de Wet geluidhinder. Aangezien de ongecorrigeerde totale geluidbelasting niet hoger ligt dan 53 dB, wordt tevens voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aanvullende akoestische maatregelen aan de woning zijn niet noodzakelijk. Hierbij is uitgegaan van een gevelopbouw van metselwerk met maximaal 30% van het oppervlak dubbel glas en een deugdelijke kierdichting. Bebouwing kan vanuit akoestisch oogpunt gezien plaatsvinden. Baarloseweg ongenummerd De andere woning wordt gerealiseerd aan de Baarloseweg. De Baarloseweg kent ter hoogte van dit deel van het plangebied een maximum snelheid van 60 km/h. De nieuwe woning is derhalve gelegen in de geluidzone van deze weg. Om de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd6 (zie separate bijlage). Uit het onderzoek volgt dat de gecorrigeerde gevelbelasting ten gevolge van de Baarloseweg hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar wel voldoet aan de maximale ontheffingswaarde. Maatregelen om de geluidbelasting tot beneden de voorkeursgrenswaarde te krijgen lijken niet reëel. Het is derhalve noodzakelijk om bij College van B&W in het kader van de Wet geluidhinder ontheffing aan te vragen voor een hogere grenswaarde.
Het Bouwbesluit vereist een karakteristieke gevelgeluidwering van minimaal 20 dB(A) en een binnengeluidniveau in de woning van ten hoogste 33 dB. Omdat de gecumuleerde ongecorrigeerde gevelgeluidbelasting hoger is dan 53 dB dient aanvullend onderzoek te worden verricht naar eventueel benodigde bouwkundige maatregelen opdat het maximaal toelaatbaar binnengeluidniveau in de woning is gewaarborgd. Aanvullend onderzoek kan pas worden uitgevoerd op het moment dat een definitieve ontwerptekening van de woning beschikbaar is.
5 HMB Groep, Akoestisch onderzoek, Keup (ong.) Egchel, 3 maart 2021, kenmerk 20305401N 6 HMB Groep, Akoestisch onderzoek, Baarloseweg (ong.) Helden, 3 maart 2021, kenmerk 20305301N
Vastgesteld
33
5.1.4 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. In tabel 7 is de achtergrondconcentratie binnen het plangebied weergeven. Deze waarden zijn afkomstig van de kaarten van het RIVM. Tabel 7. Huidige achtergrondconcentratie plangebied
Keup 11 Keup ongenummerd Baarloseweg ongenummerd
fijn stof (PM2,5) 10,6 10,7 10,8
fijn stof (PM10) 17,7 17,8 18,7
stikstofdioxide (NO2) 14,2 15,2 15,2
Conclusie In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende waardoor er op alle drie de plekken van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit De AMvB ‘NIBM’ legt vast, wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een ontwikkeling NIBM, als aannemelijk is dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De ministeriële regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg. De functionele wijziging van de bestaande woning en het oprichten van twee nieuwe woningen draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast verdwijnen door het saneren van de varkenshouderij de transportbewegingen van met name zwaar verkeer en de uitstoot van fijn stof door het vee. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit.
Vastgesteld
34
5.1.5 Geur Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Geurhinder kan leiden tot lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn, misselijkheid, verstoorde ademhaling en verstoorde hartslag. Ook kan geur psychische klachten veroorzaken, bijvoorbeeld spanningen, structurele onvrede over het woonen leefklimaat en vermindering van activiteiten buitenshuis. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten in relatie tot geur afkomstig van veehouderijen. Individuele geurbelasting Keup 11 Het saneren van de varkenshouderij heeft een volledige stopzetting van de geuremissie vanuit dit deel van het plangebied tot gevolg, dit is positief voor de geursituatie in de omgeving. Bij de sanering wordt de huidige agrarische bedrijfswoning omzetten naar een burgerwoning. In de woning dient echter wel te worden aangetoond dat sprake is van een goed woonen leefklimaat. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied is slechts één veehouderij gelegen, op de locatie Roggelseweg 89. Hier worden paarden gehouden. Voor het houden van paarden dient, op basis van de Wgv een afstand van 50 meter te worden aangehouden.
De afstand tussen het plangebied en de paardenhouderij bedraagt circa 300 meter. Er wordt derhalve voldaan aan deze afstand, er is dus geen sprake van geuroverlast van deze paardenhouderij. Keup ongenummerd Aan de Keup ongenummerd wordt één woning opgericht. Een woning is een geurgevoelig object. De woning kan derhalve geurhinder ondervinden van veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn na de sanering van de Keup 11 geen veehouderijen gelegen. Geconcludeerd kan worden dat, door de grote afstanden tot de veehouderijen, ter plaatse geen sprake kan zijn van een aantasting van het woon- en leefklimaat door geur. Baarloseweg ongenummerd Aan de Baarloseweg ongenummerd wordt eveneens één nieuwe woning opgericht. Ook voor deze woning dient te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: ▪ Een paardenhouderij aan de Baarloseweg 13. Afstand tot het plangebied bedraagt 100 meter; ▪ Een paardenhouderij aan de Baarloseweg 15b. Afstand tot het plangebied bedraagt 220 meter. ▪ Een varkenshouderij aan de Kloosterstraat 36a. Afstand tot het plangebied bedraagt 300 meter; ▪ Een pluimveehouderij aan de Kloosterstraat 36c. Afstand tot het plangebied bedraagt 380 meter; ▪ Een pluimveehouderij aan de Kloosterstraat 39.
Afstand tot het plangebied bedraagt 400 meter. Voor de paardenhouderijen geldt volgens de Wgv een vaste afstandsnorm van 50 meter tussen emissiepunten en gevoelige objecten en een afstand van 25 meter tussen dierenverblijven en gevoelige objecten. Aan deze afstandsnormen wordt ruimschoots voldaan door een onderlinge afstand van 100 meter en 220 meter. Voor de varkenshouderij en de pluimveehouderijen aan de Kloosterstraat dient de geurbelasting berekend te worden. Deze wordt berekend met het programma “V-Stacks vergunning” (zie bijlage 1). Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak.
Vastgesteld
35
Tabel 8. Rekenresultaten voorgrondbelasting Baarloseweg ong.
Nummer
X-coördinaat
Y-coördinaat
Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt
198 182 198 226 198 176 198 222 198 203
371 023 371 016 370 957 370 955 370 983
Kloosterstraat 36a 2,1 2,2 2,4 2,7 2,4
Kloosterstraat 36c 0,7 0,8 0,8 0,9 0,8
Kloosterstraat 39 2,2 2,5 2,3 2,6 2,4
De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 2,7 OU/m3. Op basis van de Wgv is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m3. Er wordt daarmee ruimschoots aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven.
Baarloseweg ong.
Keup ong.
Keup 11
Tabel 9. Rekenresultaten achtergrondbelasting
Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Middelpunt Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt
X-coördinaat 196640 196690 196673 196628 196651 196777 196773 196888 196811 198182 198226 198176 198222 198203
Y-coördinaat 369007 368989 368937 368954 368971 369253 369153 369150 369167 371023 371016 370957 370955 370983
Berekende waarde zonder Keup 11 2,6 2,5 2,5 2,6 2,5 0,0 0,0 0,0 0,0 3,3 3,6 3,6 4,0 3,7
De cumulatieve geurbelasting binnen de Keup 11 varieert tussen de 2,5 en 2,6 OU/m3. Voor de Keup ongenummerd bedraagt de cumulatieve geurbelasting op elk hoekpunt 0,0 OU/m3. Bij de Baarloseweg varieert de cumulatieve geurbelasting tussen de 3,3 en 4,0 OU/m3. De Wgv geeft geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de Wgv geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv (welke gaat over de beoordeling van ruimtelijke plannen, aanvulling 23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling 1 mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen.
Vastgesteld
36
Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van de verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is. Tabel 10. Beoordeling milieukwaliteit
Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Geur gehinderden
Achtergrondbelasting
< 5% 5 – 10% 10 – 15% 15 – 20% 20 – 25% 25 – 30% 30 – 35% 35 – 40%
98 percentiel OU/m3 < 3,1 3,1-7,4 7,4-13,1 13,1-20 20-28,3 28,3-38,5 38,5-50,7 > 50,7
Concluderend kan derhalve het volgende gesteld worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. De hoogste achtergrondbelasting ter plaatse van de Keup 11 bedraagt 2,6 OU/m3. Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een milieukwaliteitsklasse “zeer goed”. Ter plaatse van de Keup ongenummerd bedraagt de hoogste achtergrondbelasting 0,0 waarmee sprake is van de milieukwaliteitsklasse “zeer goed”. De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 4,0 bij de Baarloseweg ongenummerd. Bij de Baarloseweg ongenummerd is sprake van de milieukwaliteitsklasse “goed”. Gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen in de omgeving van de delen van het plangebied geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat voor wat betreft de achtergrondbelasting. 5.1.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen.
De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Vastgesteld
37
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente).
Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 11. Wanneer verantwoorden?
Bron
Wanneer groepsrisicoverantwoording?
Inrichtingen (Bevi)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen
Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Keup 11 en Keup ongenummerd Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevindt zich in de omgeving van zowel de Keup 11 als de Keup ongenummerd slechts één enkel risico. Over de N562 Maasbree-Roggel worden gevaarlijke stoffen vervoerd.
Vastgesteld
38
N562
Afbeelding 15. Uitsnede risicokaart Nederland (Keup 11 groen omcirkeld en Keup ongenummerd blauw omcirkeld)
Inventarisatie risicobronnen Baarloseweg ongenummerd Volgens de Risicokaart van Limburg liggen er in de omgeving van de Baarloseweg ongenummerd een drietal risico’s. Ten eerste vindt over de N562 vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, ten tweede is op de locatie Molenstraat 87 een LPGtankstation gelegen en ten derde is op de locatie Kloosterstraat 36c een opslagtank voor propaan gelegen.
Tankstation
N562
Propaantank
Afbeelding 16. Uitsnede risicokaart Nederland (Baarloseweg ongenummerd rood omcirkeld)
Ongeveer 315 meter ten westen van de Baarloseweg ongenummerd, aan de Molenstraat 87, is een LGP-tankstation gelegen. Op deze locatie zijn een vulpunt, reservoir en afleverinstallatie aanwezig. Voor het vulpunt bedraagt het plaatsgebonden risicocontour 35 meter, voor de reservoir bedraagt dit 25 meter en voor de afleverinstallatie bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 15 meter. Voor het vulpunt en de reservoir is tevens een invloedsgebied van 150 meter vastgesteld. Het plangebied is buiten de plaatsgebonden risicocontouren en buiten het invloedsgebied van dit tankstation gelegen.
Vastgesteld
39
Op circa 320 meter ten zuidoosten van de Baarloseweg ongenummerd, aan de Kloosterstraat 36c, staat een opslagtank. De opslagtank heeft een inhouw van 8.000 liter en slaat propaan op. Voor de propaantank bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 25 meter. Het plangebied is buiten de invloedssfeer van de opslagtank gelegen. Transport gevaarlijke stoffen Risicovol transport kan plaatsvinden over de N562, welke in de nabijheid van alle delen van het plangebied is gelegen. De N562 is gelegen circa 227 meter ten westen van de Keup 11, circa 235 meter ten noorden en westen van de Keup ongenummerd en circa 310 meter ten westen van de Baarloseweg ongenummerd. De plaatsgebonden risicocontour van deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Volgens artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in het bestemmingsplan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 (groepsrisico) als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. Aangezien in onderhavige situatie dit niet het geval is voor alle delen van het plangebied is een verdere uitwerking niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. In de wijde omgeving rond het plangebied is er geen sprake van de aanwezigheid van risicovolle buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
5.2
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van alle delen van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.3
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden.
Vastgesteld
40
5.3.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in alle delen het plangebied aan te tonen en het effect van de sanering van de varkenshouderij en de bouw van de woningen hierop te onderzoeken is een flora- en faunaonderzoek7 uitgevoerd (zie separate bijlage). Het onderzoek is uitgevoerd door IVN afdeling Helden. IVN betreft een onafhankelijk en ter zake deskundig onderzoekbureau. Floretisch zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Rondom de te slopen stallen zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Op beide woningbouwlocaties staat maïs. Faunistisch zijn eveneens geen bijzonderheden aangetroffen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. 5.3.2 Natura2000 In de omgeving van het plangebied zijn twee Natura 2000-gebieden gelegen. Dit betreffen de gebieden Leudal (5,9 km) en Swalmdal (6,1 km). In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is.
Over een afstand van 5,9 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met het saneren van de varkenshouderij wordt de uitstoot van stikstof vanuit het plangebied volledig gestaakt. Dit heeft een bijzonder positief effect op de verzurings- en vermestingsproblematiek in de Natura2000-gebieden. Ter compensatie van het saneren van de varkenshouderij wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en worden twee nieuwe woningen opgericht.
Als gevolg van onderhavig initiatief wijzigt de emissie van stikstof volledig. De nieuwe situatie is afgezet tegen de vergunde situatie als zijnde varkenshouderij. Volgens AERIUS Calculator neemt de stikstofemissie op de Natura 2000-gebieden af (zie bijlage 2). Er is derhalve louter een positief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief.
5.4
Waterhuishouding
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. 7
IVN Helden, Flora en fauna quickscan Keup 11 Egchel, 26 september 2020
Vastgesteld
41
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.
Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de Provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Bodemgesteldheid en grondwater In tabel 11 zijn de bodemwaardes van het plangebied weergeven. Geconcludeerd kan worden dat alle delen van het plangebied een goede bodemdoorlatendheid hebben. Daarnaast hebben alle drie de delen van het plangebied een GHG van beneden de 180 cm. Tabel 12. Bodemkwaliteit plangebied
Keup 11
Keup ongenummerd
Baarloseweg ongenummerd
Soort grond
veldpodzolgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand
Bodemdoorlatendheid
0,75 tot 1,5 m/dag
hoge zwarte enkeerdgronden, bestaande uit zwak lemig fijn zand 0,75 tot 1,5 m/dag
hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand 0,45 – 0,75 m/dag
gemiddelde hoogste grondwaterstand
200 – 250 cm onder maaiveld
180 – 200 cm onder maaiveld
200 – 250 cm onder maaiveld
Vastgesteld
42
Afbeelding 17. Uitsnede kaart GHG met Keup 11 groen omcirkeld, Keup ongenummerd geel omcirkeld en Baarloseweg ongenummerd blauw omcirkeld
Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen alle delen van het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Wel ligt bij elk deel van het plangebied een watergang (tabel 12). Tabel 13. Bodemkwaliteit plangebied
Keup 11
Keup ongenummerd
Baarloseweg ongenummerd
Watergang Richting
Hoekspeel Noorden en westen
Hoekspeel Westen
Kwistbeek Oosten
Afstand watergang – plangebied
5 meter
175 meter
155 meter
Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. De afstand tussen de woningen en de watergang bedraagt 5 meter of meer. Dit is binnen het plangebied geborgd door de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. Binnen deze dubbelbestemming mogen zonder goedkeuring van de waterschap geen gebouwen worden opgericht. Afvalwater / riolering Voor de locatie Keup 11 geldt dat de locatie reeds is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Voor de twee nieuw op te richten woningen geldt dat het vuilwater van de woningen wordt geloosd op de aanwezige riolering. Het stelsel is voldoende van omvang om van slechts twee woningen en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken Grondwaterbescherming Alle delen van het plangebied zijn niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.