CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-097 06 Verordening Wmo 2023.docx

Commissie 29 november 2022, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Actualiseren verordeningen Sociaal Domein (2022-097)15.986 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

DE RAAD VAN DE GEMEENTE PEEL EN MAAS Gelet op het voorstel van burgemeester en wethouders nr 2640626 Gelet op het bepaalde in artikel 147 en 149 van de Gemeentewet. Gelet op het bepaalde in artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Gelet op artikel 3.8, tweede lid, en 5.4, eerste en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Gehoord de beraadslagingen. BESLUIT Vast te stellen de: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Peel en Maas 2023 HOOFDSTUK 1:

Artikel 1 1.

BEGRIPPEN

Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder: a. Beroepsmatige ondersteuning: ondersteuning uitgevoerd door een daartoe opgeleide beroepskracht; b. Beschermd wonen : betreft een maatwerkvoorziening bestaande uit de volgende kenmerken: kenmerken: 1.

wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de burger of anderen, bestemd voor burgers met psychische of psychosociale problemen, die niet in staan zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en; 2. de begeleiding wordt planbaar en onplanbaar (24 uur per dag) geboden op gevraagde en ongevraagde momenten, zodat er goed kan worden ingespeeld op de (al dan niet geëxpliceerde) vraag van de burger; 1. Bijdrage in de kosten 2. Budgethouder 3. Budgetplan

4. Burger

: bijdrage als bedoeld in artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; : de burger die het persoonsgebonden budget toegekend krijgt; : plan van de budgethouder waarin vermeld staat welke ondersteuning wordt ingekocht en welke bedragen per zorgverlener worden besteed. Een budgetplan wordt ingediend na ontvangst van een leefzorgplan; : persoon met een ondersteuningsvraag, zijnde de burger zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

5. Dorpsvoorziening hulp bij het huishouden : Bij de dorpsvoorziening ligt het eigenaarschap, de regie en de uitvoering van hulp bij het huishouden volledig bij de zorgcoöperatie/dorpen. De hulp wordt laagdrempelig en dichtbij de inwoners georganiseerd. Het eerste aanspreekpunt zijn de dorpsondersteuners in eigen dorp. 6. Hulpvraag

: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; 7. Ingezetene : burger die hoofdverblijf heeft in de gemeente Peel en Maas; 8. Leefzorgplan : plan dat in overleg met de burger is opgesteld, waarin de gesprekken en afspraken in de onderzoeksfase staan. Dit dient tevens als verslag zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de Wet en waarmee de burger een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan indienen; 9. Maatschappelijke opvang: voorzieningen zoals omschreven in de Wmo 2015, artikel 1.1.1 onder opvang, inclusief: a. winteropvang: een algemeen toegankelijke opvangvoorziening welke wordt opengesteld door de opvanginstelling zodra de koude en/of winterregeling van kracht wordt; b. acute opvang: opvangvoorziening voor spoedeisende gevallen waarbij het college onverwijld in afwachting van het onderzoek opvang ter beschikking stelt; 10. Melding

: het kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; 11. niet-beroepsmatige ondersteuning: ondersteuning uitgevoerd door iemand uit de sociale omgeving van de burger, niet handelend vanuit de verantwoordelijkheid van een professionele organisatie; 12. overbelaste mantelzorger: een mantelzorger is overbelast als hij/zij aangeeft dat de draaglast (belasting) en draagkracht (belastbaarheid) in de zorgtaken voor een naaste niet meer in balans zijn. Dit kan op psychisch, sociaal, fysiek of financieel vlak zijn. Iemand is overbelast als de zorg voor de ander ten koste gaat van de eigen verplichtingen of behoeften. 13. persoonlijk plan: plan waarin de burger de omstandigheden, bedoeld in art. 2.3.2, vierde lid, onderdelen a t/m 9 van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is; 14. Plan van aanpak : het plan van aanpak per burger dat de zorgverlener samen met de burger opstelt waarin staat welke maatschappelijke ondersteuning de zorgverlener aanbiedt om de resultaten (doelen) te behalen uit het leefzorgplan; 15. Raamovereenkomst : een overeenkomst tussen de aanbestedende diensten en aanbieders met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te gunnen opdrachten vast te leggen; 16.

Traject : een tijdsduur waarbinnen de burger maatschappelijke ondersteuning ontvangt van de zorgverlener om de resultaten te behalen. Een traject is gekoppeld aan een unieke burger; 17. Uitvoeringsbesluit : Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

2.

18. Wet : Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 1.

Aanbod algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen

De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar a.

Een maaltijdvoorziening tijdens de dagbesteding bij de maatwerkvoorziening onder lid 2 sub c, e en f;

b.

dorpsvervoer

c.

dorpsontmoeting;

d.

maaltijdvoorziening/eetpunten;

e.

Kesje 6;

TWP;

2.

f.

Inloop Ggz;

g.

Algemeen maatschappelijk werk;

h.

Logeren bij Plattelandshoës;

De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a.

Beschermd Wonen;

b.

Maatschappelijke opvang;

c.

Traject volwassenen met een complexe en meervoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding);

d.

Traject volwassenen met een kortdurende en enkelvoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding);

e.

Traject volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding);

f.

Traject volwassenen met ouderdomsproblematiek (individuele begeleiding en dagbesteding);

g.

Traject hulp in het huishouden;

h.

Logeren;

i.

Hulpmiddelen;

j.

Woningaanpassingen;

k.

Collectief vraagafhankelijk vervoer.

HOOFDSTUK 2: MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG

Artikel 3 1. 2. 3.

Een hulpvraag kan door of namens een burger vormvrij bij het college worden gemeld. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 4 1. 2.

2.

3.

4.

5.

2.

3.

Vooronderzoek: verzamelen gegevens en indienen persoonlijk plan

Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de burger en zijn situatie en maakt, indien nodig, zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. Voor het gesprek verschaft de burger het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daarbij geeft de burger in ieder geval aan of hij ingezetene is van de gemeente Peel en Maas, of op korte termijn ingezetene wordt. Als de burger genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de burger gemotiveerd afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Het college informeert de burger over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. In overleg kan deze termijn worden aangepast. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening.

Artikel 6 1.

Cliëntondersteuning

Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning. Het college wijst de burger en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 5 1.

Melding

Onderzoek

De onderzoeksfase bestaat uit zoveel als nodig persoonlijke gesprekken om de situatie van de burger helder te krijgen. Het gesprek of de gesprekken worden gevoerd met de burger, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie en/of cliëntondersteuner. Indien nodig is ook een professional die bij de burger is betrokken aanwezig bij het gesprek. Indien nodig vindt afstemming plaats met professionals in het netwerk. De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek of de gesprekken als bedoeld in het eerste lid. Op basis hiervan wordt de ondersteuningsbehoefte bepaald. Tijdens het gesprek of de gesprekken wordt besproken welke mogelijkheden hiervoor bestaan. Het gaat daarbij om de keuze voor zorg in natura of een persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn.

4.

Het college wijst de burger dan wel zijn vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 8 in te dienen.

Artikel 7

Leefzorgplan

Na het onderzoek verstrekt het college dan wel zijn vertegenwoordiger een schriftelijk weergave van de uitkomsten van het onderzoek via een leefzorgplan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de burger worden aan het leefzorgplan toegevoegd. Artikel 8 1.

2.

Advisering

Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad cq met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 5 is gevoerd. b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 5 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. c. Het college dat overigens gewenst vindt.

Artikel 9

Aanvraag

Een burger of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college, door: 1.

een schriftelijke ingevulde en ondertekende aanvraag, of;

2.

een door de burger ondertekend leefzorgplan als bedoeld in artikel 7.

HOOFDSTUK 3: MAATWERKVOORZIENING

Artikel 10

Criteria voor maatwerkvoorziening

1.

Het college neemt het leefzorgplan zoals bedoeld onder artikel 7 als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

2.

Een burger komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de burger ondervindt, voor zover de burger deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere burgers uit zijn sociaal netwerk dan wel gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren

van een situatie waarin de burger in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3.

Een burger met psychische of psychosociale problemen en een burger die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huislijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de burger deze problemen naar het oordeel van het college zich niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere burgers uit zijn sociale netwerk dan wel gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 genoemde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de burger aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de burger in staat wordt gesteld om zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

4.

Als het college van oordeel is dat een burger zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de burger niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie.

5.

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven. a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de burger zijn toe te rekenen; b. tenzij de burger geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer de oplossing biedt voor de behoefte van de burger aan maatschappelijke ondersteuning.

6.

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening, zoals bedoeld in artikel 2 lid 2.

Artikel 11 1.

Algemene voorwaarden, verplichtingen en weigeringsgronden

Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. indien de burger aanspraak kan maken op enige andere passende voorziening of dienst op grond van andere wet- of regelgeving; b. voor zover de burger op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de hulpvraag kan invullen; c. voor zover de burger met gebruikmaking van een dorpsvoorziening of algemene voorzieningen in de hulpvraag kan voorzien d. indien de benodigde voorziening voor de burger algemeen gebruikelijk is; e. indien het een voorziening betreft die burger vóór de datum van de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd; f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan burger al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de

2.

burger zijn toe te rekenen, of tenzij burger geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; g. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; h. indien de burger tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond. Een burger is verplicht om zorgvuldig met de aan hem verstrekte voorziening om te gaan.

3.

Het college is bevoegd om overige, bijzondere, voorwaarden en verplichtingen op te leggen.

4.

Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. als deze niet langdurig noodzakelijk is; b. als de burger geen ingezetene is van de gemeente Peel en Maas.

Artikel 12 1.

2. 3.

Specifieke voorwaarden, verplichtingen en weigeringsgronden

Geen woningaanpassing of woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, (pré) mantelzorgwoningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers; c. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; d. als de burger niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid, participatie en beschermd wonen wordt verstrekt als deze niet langdurig noodzakelijk is. Een burger kan voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in aanmerking komen wanneer

de burger vanwege beperkingen, chronisch psychische problemen of psychosociale problemen het openbaar vervoer niet kan bereiken en/of gebruiken. 4.

Een sportvoorziening wordt verstrekt wanneer het voor de burger zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport. De aanvrager moet aantonen dat: a. b. c.

er sprake is van een actieve sportbeoefening én; dat dit voor de burger nodig is om te participeren én; er voor de burger geen andere mogelijkheden zijn om te participeren.

Artikel 13

Inhoud beschikking

1.

In de beschikking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt

2.

Het leefzorgplan maakt onderdeel uit van de beschikking

3.

De door burger en college gekozen zorgverlener maakt gezamenlijk met de burger het plan van aanpak. In het plan van aanpak tussen zorgverlener en de burger wordt aangeven welke maatschappelijke ondersteuning wordt geboden om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan.

4.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval gemotiveerd vastgelegd: a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is, dit wordt beschreven in het leefzorgplan; b. wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden.

5.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval gemotiveerd vastgelegd: a. voor welk beoogd resultaat het pgb dient te worden aangewend, dit wordt beschreven in het leefzorgplan; b. wat de ingangsdatum en de duur van het pgb is; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de maatwerkvoorziening; d. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe gekomen is; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een pgb zijn verbonden.

6.

Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten, wordt de burger daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 14 1.

Hoogte en voorwaarden persoonsgebonden budget (pgb) algemeen

De hoogte van het pgb: a.

wordt vastgesteld aan de hand van een door de burger opgesteld budgetplan waarin in ieder geval is uiteen is gezet: 1e welke diensten, hulmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren de burger van het budget wil betrekken, en 2e indien van toepassing, welke hiervan de burger wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk;

b.

wordt berekend op basis van een prijs of tarief: 1e waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te betrekken;

2e waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de burger diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren te betrekken; 3e waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in lid 1 onder b gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de burger de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en 4e wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c.

2.

bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura zoals bedoeld in artikel 2 en zoals vastgelegd in de regionaal afgesloten raamovereenkomsten met aanbieders.

De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de burger opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

3.

Een pgb dient door de burger binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het beoogde resultaat waarvoor het is verstrekt.

4.

Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het pgb worden betaald.

5.

De pgb-beheerder stelt het belang van de burger centraal en er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling. De zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatie adviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon mogen daarom geen pgb-beheerder zijn.

Artikel 15

Eigen verantwoordelijkheden van de budgethouder

De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor: a. b. c.

het inkopen van de maatwerkvoorziening, hulpmiddel of hulp; het onderhoud, de reparaties en de verzekering van het hulpmiddel; het afsluiten van een zorgovereenkomst met elke zorgverlener en het aanleveren van deze zorgovereenkomst(en) bij de SVB.

Artikel 16

Hoogte pgb bij diensten in de vorm van hulp bij het huishouden, de trajecten zoals genoemd onder artikel 2, lid 2, sub c, d, e en f en logeren

Bij de hoogte van het tarief voor het pgb gelden twee tarieven: 1. voor beroepsmatige ondersteuning wordt, na bepaling van het traject/ segment waaronder de gevraagde hulp valt, uitgegaan van tarieven die bepaald zijn binnen de regionale afgesloten

raamcontracten voor beroepsmatige ondersteuning. Deze tarieven staan vermeld op de site van de MGR www.sociaaldomein-limburgnoord.nl. 2. voor niet-beroepsmatige ondersteuning wordt deze gebaseerd op het in het eerste lid van artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg genoemde gangbare tarief voor een persoon uit het sociale netwerk. Bij hulp bij het huishouden bedraagt de hoogte van het pgb 75% van dit tarief.

Artikel 17

Hoogte pgb bij vervoer naar dagbesteding

Voor de hoogte van het pgb wordt uitgegaan van tarieven voor vervoer naar dagbesteding die bepaald zijn binnen de regionale afgesloten raamcontracten voor beroepsmatige ondersteuning. Deze tarieven staan vermeld op de site van de MGR www.sociaaldomein-limburgnoord.nl

Artikel 18

Hoogte pgb bij woningaanpassingen

1.

De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van bouwkundig advies;

2.

De afschrijvingstermijn bij woningaanpassingen bedraagt 25 jaar. Binnen deze termijn wordt in de regel geen nieuw pgb verstrekt, tenzij hiervoor bijzondere gronden zijn.

Artikel 19 1.

Hoogte pgb bij woonvoorzieningen en hulpmiddelen

De hoogte van het pgb voor woonvoorzieningen en hulpmiddelen wordt vastgesteld op basis van: a. de kostprijs van de woonvoorziening of hulpmiddel conform contractafspraken met leverancier; b. bij de toekenning verstrekken we geen apart pgb bedrag voor het onderhoud, reparatie en (eventuele) verzekering. De uitbetaling hiervan geschiedt op declaratiebasis.

2.

De afschrijvingstermijn van woonvoorzieningen en hulpmiddelen bedraagt 7 jaar. Bij woonvoorzieningen en hulpmiddelen voor kinderen geldt 5 jaar. Een uitzondering hierop is de traplift: hiervoor geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaar. Binnen deze termijnen wordt in de regel geen nieuw pgb verstrekt, tenzij hiervoor bijzondere gronden zijn.

Artikel 20

Hoogte pgb bij sportvoorzieningen

Een persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening bedraagt:

a. een vastgesteld bedrag van € 4000,00 voor aanschaf en eventueel onderhoud van sportvoorzieningen en -hulpmiddelen gedurende een periode van 3 jaar.

Artikel 21 1.

Hoogte en voorwaarden pgb bij beschermd wonen

De hoogte van het pgb bij beschermd wonen bedraagt bij: a. professionele en gediplomeerde hulp: maximaal de kostprijs van deze voorziening vermeld in de PGB tarieftabel beschermd wonen op de site van de MGR www.sociaaldomeinlimburgnoord.nl;

b. gediplomeerde ZZP’ers, maximaal 90% van de kostprijs van deze voorziening vermeld in de PGB tarieftabel beschermd wonen op de site van de MGR www.sociaaldomeinlimburgnoord.nl; c. niet-professionele hulp uit het eigen sociaal netwerk: 75% van het tarief voor professionele hulp van de kostprijs van deze voorziening vermeld in de PGB tarieftabel beschermd wonen op de site van de MGR www.sociaaldomein-limburgnoord.nl tot een maximumbedrag van € 20 per uur. 2.

Indien uit het onderzoek blijkt dat een burger structureel behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning kan in uitzonderlijke gevallen een toeslag intensieve ondersteuning toegekend worden. Deze toeslag wordt toegekend indien er: a. als een gevolg van een lichamelijke of somatische aandoening, inzet van (verpleegkundige) ondersteuning nodig is aanvullend op beschermd wonen en/of; b. er sprake is van dermate complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met ernstige gedragsproblematiek, waardoor er inzet van begeleiding nodig is aanvullend op beschermd wonen.

3.

Indien uit het onderzoek blijkt dat een burger behoefte heeft aan een geregisseerde dagbesteding, kan er een dagbesteding aanvullend op beschermd wonen worden toegekend.

4.

Voor de toepassing en berekening van de tariefdifferentiatie, zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 van deze verordening, wordt in de basis uitgegaan van fictief aantal te leveren uren van voor beschermd wonen acht uur ondersteuning per week.

Artikel 22

Pgb voor inzetten sociaal netwerk

Het verstrekken van een pgb, zoals bedoeld in artikel 16 van deze verordening, als een financiële compensatie voor ondersteuning door mensen in de sociale omgeving van de burger is mogelijk onder de volgende voorwaarden: a. b. c.

als de ondersteuning de gebruikelijke hulp en mantelzorg overstijgt en het leidt tot een doelmatiger, efficiënter en tot effectievere ondersteuning; de motivatie voor deze inzet wordt opgenomen in het leefzorgplan; Het tarief voor niet-professionele hulp uit het eigen netwerk wordt gehanteerd.

Artikel 23 1.

2.

Besteding en verantwoording kosten pgb

De schriftelijke (zorg)overeenkomst die de budgethouder sluit met iedere persoon of instantie bij wie hij een maatwerkvoorziening inkoopt, moet in overeenstemming zijn met de door het college afgegeven beschikking (inclusief leefzorgplan). Indien het college van mening is dat de zorgovereenkomst hier niet aan voldoet, wordt de budgethouder in de gelegenheid gesteld om de overeenkomst in de gewenste zin aan te passen. De goedkeuring door het college is een voorwaarde voor de Sociale Verzekeringsbank om tot uitbetaling aan de zorgverlener over te kunnen gaan. Zonder een goedgekeurde zorgovereenkomst vindt namelijk geen uitbetaling plaats. Indien het college wel akkoord is met de zorgovereenkomst dan wordt dit doorgegeven aan de Sociale Verzekeringsbank en tevens wordt dan aangegeven wat het maximumtarief is per zorgovereenkomst. Er is een vrij besteedbaar bedrag van € 250 per kalenderjaar toegestaan bij de besteding van het persoonsgebonden budget. Dit moet de budgethouder wel zelf vrij spelen in het toegekende budget, door bijvoorbeeld goedkoper in te kopen of niet alle uren te besteden.

3.

Indien de indicatie gedurende het kalenderjaar start of korter dan 1 jaar duurt, dan geldt het bedrag naar rato. De volgende kosten zijn uitgesloten uit het persoonsgebonden budget: a. een eenmalige uitkering of een feestdagenuitkering voor de ondersteuner;

4. 5.

b. reiskosten van de ondersteuner; c. kosten voor bemiddelingsbureaus, tussenpersonen of belangenbehartigers; d. administratiekosten. Indien het leefzorgplan meerdere typen ondersteuning bevat mag de budgethouder hiermee binnen het verstrekte pgb schuiven indien dit leidt tot een meer adequate ondersteuning; Eenmalige pgb’s voor bijvoorbeeld woningaanpassing of hulpmiddelen verlopen vooralsnog niet via het SVB/trekkingsrecht. Bij hulpmiddelen, woonvoorzieningen en woningaanpassingen vindt de uitbetaling van het pgb plaats na indiening van de factuur.

Artikel 24

Controle pgb

Via periodiek overleg over het leefzorgplan vindt controle van het gebruik en de besteding van de maatwerkvoorzieningen en het persoonsgebonden budget plaats. Dit kan leiden tot bijstelling van de omvang van de maatwerkvoorzieningen en/of het persoonsgebonden budget.

Artikel 25

Controle op het gebruik of de besteding van verstrekte voorzieningen

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op het gebruik of de besteding van de verstrekte voorziening.

Artikel 26 1.

2.

Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een burger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de burger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de burger niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; c. de burger niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of; d. de burger de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt, of; e. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; f. indien de burger ondersteuning ontvangt in natura en wenst over te stappen naar een andere aanbieder of naar een pgb; g. indien de burger ondersteuning ontvangt in de vorm van een pgb en wenst over te stappen naar ondersteuning in natura

3.

4.

5. 6. 7. 8.

9.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de burger opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de burger en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Het college kan uit het oogpunt van de kwaliteit van de geleverde zorg nadere regels vaststellen voor de besteding van het pgb. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en/of niet-gebruik van de wet. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

HOOFDSTUK 4: BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Artikel 27

Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

1.

Een burger is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb.

2.

Een burger is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de burger van deze voorziening gebruik maakt.

3.

4.

De bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, is gelijk aan de kostprijs, tot maximaal € 19,00 per maand voor de ongehuwde burger of de gehuwde burgers tezamen. De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

5.

De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald:

6.

a. door een aanbesteding; b. na een consultatie in de markt of; c. in overleg met de aanbieder. De kostprijs van een pgb is gelijk aan het verstrekte bedrag.

7.

De bijdrage in de kosten voor algemene voorziening hulp bij huishouden worden door st. Kernkracht vastgesteld en geïnd.

8.

Voor het collectief vraagafhankelijk vervoer geldt het maatwerk Omnibuzz tarief, zoals vastgesteld in het vervoersreglement vraagafhankelijk vervoer Limburg.

9.

De bijdrage voor de verstrekking van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 28

1.

2.

Voor de volgende algemene voorzieningen is de burger een bijdrage in de kosten verschuldigd: a. Maaltijden bij dagbesteding b. dorpsvervoer; c. dorpsontmoeting; d. maaltijdvoorziening/eetpunt; e. Kesje 6; De bijdrage in de kosten van: a.

3.

Bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

Maaltijd dagbesteding bedraagt tussen de € 5 en € 10

b. het dorpsvervoer bedraagt maximaal € 1,50 per rit binnen Peel en Maas; c. de dorpsontmoeting bedraagt maximaal € 12 per dag; d. de maaltijdvoorziening/eetpunt bedraagt de volledige kostprijs: e. Kesje 6 bedraagt € 5 per keer. Kwijtschelding van de eigen bijdrage voor de dorpsontmoeting is mogelijk voor burgers: a. b. c. d. e.

met een uitkering op grond van de Participatiewet; periodieke bijzondere bijstand; die toegelaten zijn tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP); die toegelaten zijn tot de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); Indien sub a. tot en met d. van dit artikel niet van toepassing zijn, kan op basis van een draagkrachtberekening worden bepaald of in bepaalde situaties een lagere inkomensafhankelijke bijdrage of kwijtschelding mogelijk is.

Artikel 29

Eigen bijdrage in de kosten bij maatschappelijke opvang

1.

De hoogte van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang wordt bepaald met inachtneming van artikel 3.20 uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

2.

De hoogte van de eigen bijdrage voor winteropvang en acute opvang: a. Voor gebruikers van de winteropvang tijdens de duur van de winter- en of kouderegeling geldt dat er geen eigen bijdrage verschuldigd is. b. Gedurende de onderzoeksperiode zoals bedoeld in de beleidsregel landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang, is de burger geen eigen bijdrage verschuldigd voor acute opvang. Deze periode is gemaximeerd tot 2 weken. c. Vanwege de complexiteit van de zorgvraag van sommige burgers kan het college besluiten tot verlengd en verdiepend onderzoek naar de zorgvraag en het organiseren van een passende oplossing, zoals bedoeld in de beleidsregel landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang. Het gaat hierbij om burgers (met of zonder kinderen) uit de regio Noord- en Midden Limburg die verblijven in de acute opvang. Indien de termijn van 2 weken verlengd wordt, kan het college besluiten dat de burger ook voor deze periode geen eigen bijdrage verschuldigd is. d. Het is de opvanginstelling toegestaan burgers (met of zonder kinderen) die verblijven in de acute opvang een vergoeding te vragen voor verstrekte maaltijden.

De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan die het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) berekent als gemiddelde voedingskosten.

Artikel 30 1.

2.

Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke opvang en huiselijk geweld

De eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang en slachtoffers huiselijk geweld is gelijk aan het verschil tussen de bijstandsnorm die voor de burger geldt en de norm persoonlijke uitgaven zoals bepaald in artikel 23 van de Participatiewet. Voor burgers in de opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld bedraagt de bijdrage € 227,50 per maand, waarbij de burgers zelf verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse voeding. HOOFDSTUK 5: KWALITEIT EN VEILIGHEID

Artikel 31

Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

1.

De kwaliteit van de ondersteuning en zorg in natura wordt geborgd door inzet van beroepskrachten die past bij de mate van kwetsbaarheid van de deelnemers en gebruikers.

2.

Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door:

3.

4.

a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de burger; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van ondersteuning en zorg; c. het erop toezien dat beroepskrachten over voldoende deskundigheid beschikken en tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de kwaliteit van voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten die deze verstrekken. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op het voldoen aan het gestelde in lid 1, 2, en 3 door periodieke overleggen met de aanbieders, periodiek ervaringsonderzoek onder deelnemers en gebruikers en het zo nodig in overleg met de burger ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 32 1.

Verhouding prijs en kwaliteit levering diensten door derden

Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2.

Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

3.

4.

a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 33

Meldingsregeling calamiteiten en geweld

1.

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan;

2.

Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar;

3.

De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld;

4.

Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld.

HOOFDSTUK 6: WAARDERING MANTELZORGERS

Artikel 34

Waardering mantelzorgers

Het college geeft in samenspraak met het mantelzorgforum en het Steunpunt Mantelzorg Peel en Maas invulling aan de waardering van mantelzorgers die zorg verlenen aan burgers van de gemeente Peel en Maas. Dit gebeurt jaarlijks rondom de Dag van de Mantelzorg met o.a. de mantelzorgbloem en met diverse speciale activiteiten voor mantelzorgers gedurende het jaar.

HOOFDSTUK 7: KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 36

Klachtregeling

1.

Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van burgers ten aanzien van de voorzieningen die het onderwerp zijn van de met hen door de gemeente gesloten raamcontracten.

2.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een periodiek ervaringsonderzoek onder deelnemers en gebruikers.

Artikel 37

Medezeggenschap bij aanbieders

1.

Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van burgers over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de maatwerkvoorzieningen die het onderwerp zijn van de met hen door de gemeente gesloten raamcontracten.

2.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 38

Betrekken van ingezetenen bij het beleid

In de verordening die betrekking heeft op co-creatie, meespraak en advisering in het sociale domein is bepaald hoe ingezetenen betrokken worden bij het beleid.

HOOFDSTUK 8: OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 39

Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt ten minste eenmaal per jaar geëvalueerd. Het college zendt een rapportage over het gevoerde beleid en de effecten daarvan aan de gemeenteraad.

Artikel 40

Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de burger afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 41

Nadere regels

Het college kan nadere regels vaststellen. Het college stelt in ieder geval nadere regels vast: a. b.

voor de wijze van berekening en inning van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang; door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4 lid 7 Wmo 2015, de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd.

Artikel 42

Overgangsbepalingen

1.

Aanvragen die bij het College zijn ingediend voor 1 januari 2022 en waarop nog niet is beslist voor 1 januari 2022, worden afgehandeld volgens deze verordening.

2.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Peel en Maas, zoals vastgesteld op 15 december 2020, wordt beslist met inachtneming van de verordening waarop het besluit is gebaseerd, tenzij de toepassing van deze verordening gunstiger is voor de bezwaarmaker.

3.

Een burger houdt het recht op een lopende voorziening in de vorm van zorg in natura verstrekt voor 1 januari 2022, tot de datum waarop de verstrekte voorziening eindigt, of totdat het college een ander besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze lopende voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

4.

Een burger houdt het recht op een persoonsgebonden budget verstrekt voor januari 2022, tot de datum waarop het verstrekte pgb eindigt.

5.

Het Besluit beschermd wonen en opvang, vastgesteld door het college op 6 januari 2020 en genomen krachtens de verordening zoals bedoeld in eerste lid geldt als besluit genomen krachtens deze verordening.

Artikel 43 1.

De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Peel en Maas, vastgesteld door de raad op 21 december 2021 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2023;

Artikel 44 1. 2.

Intrekking oude verordening

Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023; Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Peel en Maas 2023.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van: 13 december 2022

De raad van de gemeente Peel en Maas,

de griffier,

de voorzitter,

Drs. E.J.C. Apeldoorn-Feijts

W.J.G. Delissen-van Tongerlo

Toelichting Algemeen

In Nederland vinden we het belangrijk dat mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen. Ook dat mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen. Het is de taak van de gemeente om haar burgers hierbij te helpen.

Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat hierbij uit van het volgende: 1. 2.

Burgers zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van genoemde doelen; Burgers zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken;

3.

De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert burgers om zelf oplossingen te vinden voor problemen. Bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk);

4.

Kwetsbare groepen hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving. Het gaat hierbij om burgers met: •

met een beperking of

• met psychische of psychosociale problemen • die de thuissituatie hebben (moeten) verlaten, bijvoorbeeld in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.

De gemeente Peel en Maas vindt het belangrijk om bovenstaande – kwetsbare- burgers te ondersteunen. Dit doen we door het beschikbaar stellen van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Alle beschikbare – algemene en maatwerk- voorzieningen staan in deze verordening. Ook staan hierin genoemd de voorwaarden, manier van aanvragen en – mogelijkekosten of eigen bijdrage.

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de burger en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of - als dat niet volstaat - een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Er moet telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden: •

om de hulpvraag van de burger, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen;

•

•

om te achterhalen wat de burger op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren; om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.

De Wmo 2015, deze verordening en de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Peel en Maas leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

Als de burger van mening is dat: • het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of; • de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of; • hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de burger in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.

De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening moet overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: •

• • • •

op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een burger voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van burgers vereist is; ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van burgers over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;

•

• •

op welke wijze ingezeten, waaronder burgers of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van burgers in de gemeente.

Ook moet de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: • •

voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: • •

• •

•

bepalen dat burgers voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de burger de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een lagere bijdrage wordt gegeven voor burgers die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de burger en zijn echtgenoot; bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd; bepalen dat aan burgers met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht; bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Deze verordening kan niet los worden gezien van de kaderstelling sociaal domein, die de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 heeft vastgesteld op 23 mei 2017. In deze kaderstelling is het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd (zie 2017-029 03 Waardenoriëntatie en kaderstelling ).

Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1: Begrippen

Artikel 1

Begripsbepalingen

Ad. a

Beroepsmatige ondersteuning

Deze definitie spreekt voor zich.

Ad b.

Beschermd wonen

Deze definitie spreekt voor zich.

Ad. c

Bijdrage in de kosten

Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. Burgers zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld. Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van de eigen bijdrage. Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de burger in de kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning). Deze bijdrage kan, anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.

Ad. d

Budgethouder

Deze definitie spreekt voor zich.

Ad. e

Budgetplan

Deze definitie spreekt voor zich.

Ad. f

Burger

Deze definitie spreekt voor zich.

Ad. g

Dorpsvoorziening hulp bij huishouden

Deze definitie spreekt voor zich.

Ad h.

Hulpvraag

De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de burger zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk.

Ad. i

Ingezetene

De burger kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de burger in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont dan wel zijn hoofdverblijf heeft. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend. Uit jurisprudentie (CRvB 03-03-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5333) blijkt dat met ‘hoofdverblijf’ navolgende wordt bedoelt: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de gehandicapte zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijke woonadres indien het een gehandicapte met een briefadres is. Het is dus altijd noodzakelijk een hiervoor grondig onderzoek in te stellen naar de werkelijke feiten en omstandigheden.

Voor wie niet staat ingeschreven en een aanspraak op ondersteuning op grond van deze verordening wil maken is, het mogelijk om de gebondenheid aan de gemeente Peel en Maas op een andere manier vast te stellen. Wel wordt in de Memorie van Toelichting ook aangegeven dat opvang bij voorkeur verstrekt wordt door het college van de gemeente waar een opvangtraject en bijbehorende ketenbenadering voor betrokkene de meeste kans van slagen heeft. De Wmo 2015 spreekt ook van een ‘passende bijdrage’ aan het voorzien in de behoefte van de burger aan opvang (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo 2015). Het onderzoek dat voorafgaat aan een te verstrekken voorziening zal zich daar ook op richten. Daarbij kan bijvoorbeeld meespelen het aspect van de afwezigheid van een netwerk in de gemeente waar de burger zich heeft gemeld en de beschikbaarheid daarvan in een andere gemeente. Vanzelfsprekend wordt ook de wens van de burger in het onderzoek betrokken. Is het college van oordeel dat de opvang en het bijbehorende traject meer kans van slagen heeft in een andere gemeente, dan is de gemeente tot welke iemand zich heeft gewend, verantwoordelijk voor een ‘warme’ overdracht naar de andere gemeente.

Ad. j

Leefzorgplan

In het leefzorgplan wordt de gehele invulling van de ondersteunings- en/of hulpvragen uitgewerkt en vastgelegd. Bij het arrangeren en het voeren van het gesprek wordt de arrangementenwaaier als hulpmiddel gebruikt. Daarin zijn de levensdomeinen en het domein regievoeren ingedeeld naar

het eigen kracht principe. De ondersteuningsvraag wordt met behulp van de zelfredzaamheidsmatrix geanalyseerd over regievoering en de levensdomeinen heen. Op het moment dat het leefzorgplan volledig is uitgewerkt en vastgelegd, wordt het ter ondertekening toegestuurd aan de burger. Dit wordt het conclusie leefzorgplan genoemd en is tevens de definitieve aanvraag voor ondersteuning.

Ad. k

Maatschappelijke opvang

Deze definitie spreekt voor zich.

Ad. l

Melding

Iedereen kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de burger de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de burger zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.

Ad. m Niet-beroepsmatige ondersteuning Ondersteuning uitgevoerd door iemand uit de sociale omgeving van de burger. Dit kan bijvoorbeeld een familielid, buren en/of vrienden zijn. Zij handelen niet vanuit de verantwoordelijkheid van een professionele organisatie maar uit hun persoonlijke betrokkenheid met betreffende burger.

Ad. n

Overbelaste mantelzorger

Doordat niet iedere mantelzorger hetzelfde is en/of in dezelfde omstandigheden verkeerd, is er geen exacte definitie te geven voor overbelasting. Alleen de mantelzorger zelf kan aangeven of er sprake is van overbelasting.

Ad. o

Persoonlijk plan

In het plan kan de burger - al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk - de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e Wmo, worden onderzocht door het college. Doordat de burger hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de burger zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk leefzorgplan dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de burger een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van burgers in de Wmo versterkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=f918bdd8-7691-4d9d-ad2b-898ae5663a52