CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-067 03 Toelichting.pdf

Raad 5 juli 2022, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen ‘bestemmingsplan voor 5 woningen Roode Eggeweg-Baarskampstraat Kessel’ (2022-067)14.458 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2.5

Externe veiligheid

Risicovolle inrichtingen (bevi) De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).

Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 3 3

aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen.

De beoogde woningen zijn te kwalificeren als een kwetsbaar object. Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg ligt in de directe omgeving (in een straal van 200 m) van het plangebied géén risicovolle inrichting.

Figuur: uitsnede risicokaart Limburg

Het aspect externe veiligheid inrichtingen staat derhalve niet aan het project in de weg.

Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. | bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 3 4

Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn in casu met name de Maas en de N273 van belang. De Maas is gelegen op ruim 600 m vanaf het plangebied. Volgens de Risicoatlas Hoofdvaarwegen Nederland betreft de Maas in Limburg geen rivier waar het plaatsgebonden risico de waarde van 10-6/jr. de oever overschrijdt. Ook de oriënterende waarde van het groepsrisico wordt nergens overschreden. Op circa 100 meter ten oosten van het plangebied ligt de N273, waarvoor transport van risicovolle stoffen plaatsvindt. Op basis van de risicokaart geldt voor de N273 ter plaatse van het plangebied geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. Verder is op basis van de risicokaart sprake van een zeer laag groepsrisico, kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Hoewel sinds de opening van de A73 nog maar in zeer beperkte mate transport van gevaarlijke stoffen over de N273 plaatsvindt, dient gezien de ligging binnen het invloedgebied (200 m) van deze transportroute op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Omdat het groepsrisico in de huidige situatie kleiner is dan 0,1 maal de oriënterende waarde en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat als gevolg van de voorgestane ontwikkeling (bedrijfsfunctie wijzigt in reguliere woonfunctie) het groepsrisico met niet meer dan tien procent zal toenemen en de oriëntatiewaarde niet zal worden overschreden, kan op basis van artikel 8, lid 2, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval te worden ingegaan op: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is er een kans, dat een tankauto verongelukt, de tank scheurt en de gevaarlijke inhoud ontsnapt. Er zijn twee scenario’s denkbaar, waarvan de effecten tot in het plangebied merkbaar zijn: 1.

Explosie van een tot vloeistof verdicht brandbaar gas (BLEVE, Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) 2. Verspreiding van een giftige damp

Een beschrijving van deze scenario’s is opgenomen in het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Bestrijdbaarheid Randvoorwaarde voor een adequate inzet van hulpdiensten is een snelle alarmering en opkomst van de brandweer, een goede bereikbaarheid van de incidentlocatie en de beschikking over voldoende slagkracht en bluswater. Voor een effectieve bestrijding van beide scenario’s is een bluswatercapaciteit van 2 maal 90 m³/uur benodigd. Deze capaciteit is volgens de veiligheidsregio beschikbaar. De locatie is voldoende bereikbaar binnen de wettelijke

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 3 5

opkomsttijd.

Zelfredzaamheid Als het scenario van een explosie zich binnen een afstand van 380 meter voltrekt, is men in een gebouw niet veilig omdat de drukgolf leidt tot het sneuvelen van ramen of zelfs instorting van gebouwen en omdat de hittestraling leidt tot brand in of aan het gebouw. Als er een explosie dreigt, moet men vluchten naar een veilige zone, waar men wel in een gebouw kan schuilen. De omgeving biedt voldoende mogelijkheden om van het gevaar weg te vluchten. Als het incident verder weg optreedt, kan men in een gebouw schuilen, maar ook dan kan er schade ontstaan door de hittestraling. Veilig schuilen kan, als de gevels voldoen aan brandklasse B volgens de NEN- EN13501-1, een beperkte glasoppervlakte hebben waarbij de ramen voorzien zijn van scherfvrij glas. Bij het vrijkomen van een giftige damp, is schuilen in alle gevallen het beste. Om te voorkomen, dat de giftige damp het gebouw binnendringt, moeten men ramen en deuren sluiten en eventuele mechanische ventilatie uitschakelen. Van de toekomstige bewoners kan worden verwacht, dat zij in staat zijn om het gevaar te herkennen en overeenkomstig te handelen. De gemeente zal de aanbevelingen van de veiligheidsregio om bouwtechnische maatregelen te treffen niet als verplichting opnemen in de benodigde omgevingsvergunning voor het bouwen, omdat het risico op een dergelijke ramp verwaarloosbaar klein is.

In de behandeling van een bouwaanvraag zal het advies van de Veiligheidsregio ter informatie en als vorm van risicocommunicatie beschikbaar worden gesteld aan de aanvrager.

Ondergrondse buisleidingen Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi en bevat, analoog aan het Bevi, normen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Langs de noordwestelijke grens van het projectgebied is een aardgasleiding (NEN 3650-leiding) van Gasunie TransportServices gelegen. Het projectgebied is gelegen binnen het invloedsgebied van deze leiding. Door Kragten BV is op 8 december 2020 een rapportage opgesteld waarin is onderzocht of deze buisleiding A-520-01-deel-1 een belemmering vormt voor de planontwikkeling. De berekeningen hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA.

Uit het onderzoek van Kragten blijkt, dat de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico niet wordt overschreden en dat het groepsrisico zeer laag is en blijft (lager dan 10% van de oriëntatiewaarde). Er zijn dan ook geen risico verlagende maatregelen nodig. Wel is het op grond van artikel 12 van het Bevb nog verplicht om in te gaan op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. | bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 3 6

Het breken van een aardgasleiding heeft een fakkelbrand tot gevolg. In het advies van de veiligheidsregio is dit scenario beschreven.

Bestrijdbaarheid Bij een dreigende breuk richt de brandweer zich op het veiligstellen van het gebied en het voorkomen van de ontsteking. Indien een directe ontsteking plaatsvindt, ontstaat een fakkelbrand, die alleen effectief worden bestreden na het inblokken van de leiding door de leidingbeheerder. De hulpdiensten kunnen door de hittestraling beperkt optreden en zullen zich richten op het redden van slachtoffers en het bestrijden van secundaire branden in de omgeving van de fakkelbrand. Het gebied is daarvoor goed bereikbaar en er zijn voldoende blusmiddelen.

Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid van personen wordt in grote mate bepaald door de mogelijkheden om tijdig van de bron af te vluchten en door de mogelijkheden om te schuilen. Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten (uit het zicht van de brand, onder dekking van objecten zoals muren). Als er schuilmogelijkheden zijn, is dekking zoeken of een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief. Voor personen in gebouwen binnen 380 meter van de (dreigende) fakkelbrand is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Daarbuiten kan men het beste binnenblijven. Om veilig te kunnen schuilen, adviseert de veiligheidsregio om bouwtechnische maatregelen te treffen waardoor gebouwen beter bestand zijn tegen de hittestraling. Van de toekomstige bewoners kan worden verwacht, dat zij in staat zijn om het gevaar te herkennen en overeenkomstig te handelen. De gemeente zal de aanbevelingen van de veiligheidsregio om bouwtechnische maatregelen te treffen niet als verplichting opnemen in de benodigde omgevingsvergunning voor het bouwen, omdat het risico op een dergelijke ramp verwaarloosbaar klein is. In de behandeling van een bouwaanvraag zal het advies van de Veiligheidsregio ter informatie en als vorm van risicocommunicatie beschikbaar worden gesteld aan de aanvrager. Het treffen van maatregelen om een leidingbreuk te voorkomen is gezien het lage risico niet nodig.

Conclusie Er zijn risico’s in het gebied op schade, letsel of zelfs overlijden als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. De risico’s zijn laag en er zijn geen beperkingen voor een adequate inzet van hulpdiensten. De zelfredzaamheid is in het algemeen in orde, hoewel er situaties denkbaar zijn waarin men niet altijd veilig kan vluchten of schuilen. De kans op een ramp is nooit helemaal uit te sluiten. De gemeente heeft echter geen reden om de externe veiligheid met betrekking tot het ontwikkelplan als een bezwaarlijke factor te zien.

Beide rapportages zijn, evenals het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord, als bijlage toegevoegd.

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 3 7

Hoogspanningslijnen Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De Netkaart bevat o.a. gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones. Op basis van de informatie van o.a. de Netkaart blijkt dat er een hoogspanningslijn op een afstand van ruim 60 m vanaf de nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied ligt, maar deze is niet van invloed op onderhavig plan. De beperkingen vanuit deze hoogspanningsleiding hebben een ruimtebeslag van 20 m aan weerszijden.

5.3

Waterparagraaf

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden.

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater.

Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Evenmin is het gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied.

Oppervlaktewater In (de directe omgeving van) het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. In de toekomst wordt er ook niet voorzien in de aanleg van oppervlaktewater met een specifieke gebruikswaarde. In het plangebied bevinden zich ook geen zuiveringstechnische werken.

Afvoerend verhard oppervlak Binnen het plangebied vindt feitelijk geen toename van het (potentieel) afvoerend verhard oppervlak plaats. Door de sloop van een bestaand voormalig bedrijfsgebouw (circa 390 m2) en het verwijderen van de erfverharding welke nagenoeg het hele perceel betreft, zal het afvoerend verhard oppervlak juist afnemen na de realisatie van 5 woningen met een totaal bebouwd oppervlak van ongeveer 650 m2, aanleg van de noodzakelijke erfverharding (circa 400 m2) maar met toevoeging van circa 1200 m2 aan groenvoorziening (erfbeplanting). Omdat het een geheel nieuwe bebouwingssituatie betreft, zal de nieuwe verharding wel worden afgekoppeld en het hemelwater zal ter plaatse worden geïnfiltreerd. De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied bedraagt

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 3 8

volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Peel en Maas van het waterschap 0,45 - 0,75 m/dag. De onderhavige gronden zijn derhalve gemiddeld geschikt voor hemelwaterinfiltratie. Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de gekozen infiltratievoorziening wordt uitgegaan van een neerslaggebeurtenis waarbij 100 mm water geborgen moet kunnen worden in 24 uur. Benodigde buffercapaciteit bedraagt (650 + 400 =) 1050 m2 x 0,1 m = 105 m3 Er zal derhalve moeten worden voorzien in een hemelwaterinfiltatievoorziening van 105 m3. Deze open dan wel gesloten infiltratievoorziening zal geïntegreerd worden in de erven en kan gerealiseerd worden in de vorm van een vijver of bijvoorbeeld een grindkoffer of krat onder de bestrating.

Afvoer van huishoudelijk afvalwater dient plaats te vinden via het aanwezige rioleringssysteem.

5.4

Kabels en leidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer (artikelen 5.1 lid 1, 5.2 lid 1, 5.3 lid 1 en 2 en 9.2.2.1) en de Wet ruimtelijke ordening (artikelen 3.37 en 4.3 lid 1 en 2). Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi en bevat, analoog aan het Bevi, normen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. In de nabijheid van de plangebieden bevindt zich een ondergrondse gasleidingen, zoals beschreven in paragraaf 5.2.5. Het plangebied is niet gelegen binnen een (hinder)zone of werkstrook van de hoogspanningsleiding welke op een afstand van 60 m vanuit het plangebied ligt. Het plangebied is verder ook niet gelegen binnen een obstakelbeheer- of radarverstoringsgebied van een civiel of militair luchtvaartterrein en over het plangebied loopt geen straalpad van telecomaanbieders.

5.5

Natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wn) ingegaan. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora - en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland, 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden en 3. vereenvoudiging van regels. Vanaf 1 januari bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. De provincie is primair verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen.

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 3 9

5.5.1

Gebiedsbescherming

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen alle bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken. Verder gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd, landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en tenslotte alle 164 aangewezen Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied te zien ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het okerkleurige vlakje heeft betrekking op het Swalmdal (op een afstand van bijna 5 km ten zuiden van het plangebied).

Afbeelding: Natura 2000-gebieden rondom plangebied

Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het project. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woningen. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase met peiljaar 2020 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator en toegevoegd als bijlage 1. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 0

een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Enige andere aantasting van Natura 2000-gebieden op deze ruime afstand zal als gevolg van het project ook niet plaatsvinden. In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.

5.5.2

Soortenbescherming

Met de Wet natuurbescherming (Wn) wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtlijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt.

Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort; en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd. Quickscan flora en fauna Het plangebied was tot voor kort in gebruik als bedrijfslocatie met loods. Water is binnen het plangebied niet aanwezig. Het bestaande gebruik van het plangebied en de omgeving daarvan bestaat uit bedrijfsactiviteiten en erfverhardingen (ten behoeve van bedrijfsactiviteiten). Gelet op het feit dat oude bebouwing gesloopt wordt, is een verstoring van flora en fauna door onderhavig project niet onaannemelijk, waardoor er een noodzaak is tot het uitvoeren van ecologisch veldwerk. Op 15 januari 2020 is door Faunaconsult een flora en fauna-onderzoek verricht. Hierin is het volgende geconstateerd: 'Vogels

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 1

In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring en vernietiging van broedvogels en vogelnesten kan worden voorkomen door het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.'

De rapportage is als bijlage toegevoegd aan de planstukken.

5.6

Archeologie en cultuurhistorie

5.6.1

Archeologie

In haar vergadering van 28 juni 2011 heeft de raad van Peel en Maas het archeologie beleid vastgesteld. Dit archeologie beleid geeft aan op welke wijze de gemeente met archeologie om wil gaan. Om archeologische restanten zo goed mogelijk te kunnen bewaren is er een pragmatisch en goed doordacht beleidsplan en beleidskaart opgesteld. De raad heeft een generieke diepte van 40 cm vastgesteld. Dat wil zeggen dat tot een diepte van 40 cm geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Wil een initiatiefnemer dieper dan 40 cm de grond verstoren/bewerken dan geldt er een formele onderzoeksplicht. De archeologische beleidskaart fungeert dan als kompas. De archeologische beleidskaart geeft aan in welke gebieden de kans op archeologische resten hoog is en waar bijvoorbeeld middelhoog of laag. Hierdoor kan verschillend worden omgaan met mogelijke grondwerkzaamheden in een bepaald gebied. Daar waar een lage verwachting geldt, is verder geen archeologisch onderzoek nodig. In de andere verwachtingsgebieden moet, indien de grond dieper dan 40 cm wordt verstoord, mogelijk archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Dit is mede afhankelijk van de mate van de oppervlakte die verstoord gaat worden. Bij gebieden waar een hoge verwachtingswaarde geldt, geldt dat bij een verstoring groter dan 100 m² oppervlakte en dieper dan 40 cm onderzoek noodzakelijk is.

In een middelhoog gebied, geldt dezelfde dieptegrens, maar het oppervlakte wordt verruimd tot 2.500 m².

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 2

Figuur: Archeologische Maatregelenkaart plangebied

Figuur: kwantitatieve normen archeologische gebieden

Zoals op bovenstaande kaart te zien is, valt het plangebied in categorie 'gebied met hoge verwachting' (categorie 4). Hiervoor gelden nadere eisen ingeval van een verstoring van meer dan 250 m2. Het archeologisch beleid is verder doorvertaald in het bestemmingsplan Kernen Kessel en Kessel-Eik. Op basis van dit vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend. Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van (voorzover relevant): het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 3

het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van minder dan 250 m²; Onderhavig bestemmingsplan zorgt voor een positieve bestemming van 4 reeds vergunde seniorenwoningen en één bouwtitel voor een vrije sector woning. Planologisch gezien betreft deze laatste bouwtitel de toevoeging die tegen het licht van het aspect archeologie beschouwd dient te worden. De mogelijk te maken vrije sector woning zal in beginsel geen verstoring van meer dan 250 m2 tot gevolg hebben; echter, door de toekenning van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 aan deze locatie kan worden voorkomen dat, ingeval de drempel van de maximaal toegestane bodemverstoring wordt overschreden, mogelijk archeologische resten verloren gaan. Het aspect archeologie vormt derhalve vooralsnog geen belemmering voor onderhavig project.

5.6.2

Cultuurhistorie

De Sint Anthoniusmolen, welke recht tegenover het plangebied is gelegen, is een standerdmolen, het oudste molentype van het land. Het is de enige nog overgebleven standerdmolen in noordelijk Limburg. In Kessel werd de molen herbouwd rond 1878-1879; daarvoor stond hij in Meijel als banmolen voor plaatselijke heren. Gezien de constructiekenmerken moet het een laat 18e eeuwse molen zijn. De Kesselse molen is een gesloten standerdmolen, dat wil zeggen dat rondom de teerlingen (fundamenten) en de vaste houten steunconstructie van de molen is een onderbouw geplaatst, waardoor wat meer berg- of opslagruimte ontstond.

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 4

Afbeelding: Sint Anthoniusmolen

Tijdens de beschietingen vanaf de oostelijke Maasoever, kort na de bevrijding in 1944, leed de molen zware schade. Het wiekenkruis kreeg zelfs een voltreffer en een wiek werd krom geslagen. Gelukkig kon de schade spoedig hersteld worden en de molen bleef nog jarenlang in bedrijf. In 1954 biedt de particuliere eigenaar de molen te koop aan en een jaar later komt de Sint Anthonius in eigendom van de gemeente. Toen in de jaren tachtig duidelijk werd dat de molen een ingrijpende restauratie moest ondergaan, pleitten vereniging De Hollandsche Molen en de Molenstichting Limburg voor verplaatsing. Op de huidige plaats belemmeren woningen, bedrijfsgebouwen en hoge bomen een goede windtoetreding. De gemeente besloot de molen op de oude plek te handhaven en hij werd in de loop van 1989 wel gerestaureerd. De molen heeft daarna een tijd veevoer voor boeren in de omgeving kunnen malen. De molen is in 2009 stil gezet vanwege een door de zetel gezakte standerd. In december van dat jaar is de standerd middels vier trekstangen opgehangen aan de zetel en is de molen weer in bedrijf gesteld. Sindsdien maalt de molen zeer af en toe weer voor menselijke consumptie, indien de windvang dit mogelijk maakt.

Op het plangebied rust op basis van het vigerende bestemmingsplan dan ook de aanduiding 'vrijwaringszone-molenbiotoop'. Deze gronden zijn primair bestemd voor de bescherming van de belevingswaarde en het functioneren van de molen. | bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 5

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone-molenbiotoop' mag niet worden gebouwd indien de windvang van de molen daardoor onevenredig wordt aangetast. Uitgangspunt hierbij is dat de optimale windvang tot maximaal 5 % mag worden beperkt. Voor de bepaling van de toegestane bouwhoogtes gelden de hoogtes, zoals opgenomen op in de onderstaande matrix: Afstand tot de molen

Maximale bouwhoogte

100

4,5

150

5,5

200

6,5

250

7,5

300

8,5

Deze regels zijn niet van toepassing op bestaande bouwwerken.

Omdat onderhavig bouwplan op kortere afstand ligt dan 100 m vanuit de molen, zou de bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan 4,5 m. De vergunde bouwhoogte voor de seniorenwoningen bedraagt 4,2 m. Dit is lager dan de maximaal toegestane bouwhoogte binnen de molenbiotoop zodat ervan kan worden uitgegaan dat de windvang van de molen niet wordt belemmerd. Voor de nieuw te realiseren vrije sector woning aan de Baarskampweg zal eenzelfde goot- en bouwhoogte worden opgenomen als ter plaatse van de belendende percelen aan de Baarskampweg 40 en 42 geldt: 7 respectievelijk 11 meter. Tevens is over het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone-molenbiotoop' overgenomen, waarmee bij nieuw te realiseren woningen rekening dient te worden gehouden. De molen(biotoop) staat binnen die kaders niet aan de nieuwbouw in de weg. Zie hiervoor verder ook bijlage 7, waarin de molenbiotoop nader is beschouwd.

5.7

Verkeer en parkeren

Het plangebied blijft direct op de Roode Eggeweg ontsloten. Vanaf het voorerf is er goed zicht op de weg, welke verkeersluw is en gericht is op het verwerken van bewonersverkeer. Vanuit de Roode Eggeweg wordt aangesloten op de Baarskampstraat welke ter plaatse van de verkeerslichten ten zuidwesten van het plangebied de Rijksweg N273 kruist. De N273 is de grotere noord-zuidverbinding tussen Venlo en Roermond. Door de verkeerskundige kleinschaligheid heeft het project geen consequenties voor verkeersintensiteiten, verkeersveiligheid en het gebruik van openbare parkeerplaatsen. Het zwaardere bedrijfsmatige verkeer dat te relateren is aan de vigerende bedrijfsbestemming zal plaatsmaken voor het beperktere (qua intensiteit en omvang van voertuigen) bewonersverkeer van de vier seniorenwoningen. Aanpassingen in de openbare ruimte als gevolg van dit plan zijn niet noodzakelijk. Op 3 juli 2018 is de nota parkeernormen vastgesteld. Op basis van deze nota is de parkeereis berekend. Voor seniorenwoningen buiten het centrum is in deze nota een parkeernorm opgenomen van 1,5 parkeerplaatsen per woning. Bij vier seniorenwoningen komt dit dus neer op 4 x 1,5 = 6 parkeerplaatsen. Parkeren kan geheel op eigen terrein plaatsvinden. Echter, gelet op de feitelijke ligging van de Roode Eggeweg is er meer ruimte tussen de rand van

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 6

de openbare weg en de bebouwing in de nieuwe situatie dan de kadastrale grenzen laten zien. Er zullen per woning 2 parkeerplaatsen aan de Roode Eggeweg worden gerealiseerd, waarbij een deel van het kadastrale perceel E 557 wordt gebruikt. Voor vrijstaande woningen buiten het centrum is in de nota een parkeernorm opgenomen van 2 parkeerplaatsen per woning. Parkeren kan geheel op eigen terrein plaatsvinden; afhankelijk van de situering van de woning en inrichting van het voor- en zijerf, zijn er voor de 2 parkeerplekken meerdere varianten mogelijk.

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 7

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. In een tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst zal ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro worden opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Peel en Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2

Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Procedure

Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Conform artikel 3.1.1. Bro worden de provincie Limburg en Waterschap Limburg in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden; 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt; 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht; 5. de gemeenteraad beslist binnen 12 weken, na de ter inzage termijn omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan (termijn van orde). Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door de Gedeputeerde Staten (GS) een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling.

Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zendt het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan GS. Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.

6.2.2

Overleg

In het kader van het wettelijk overleg zal onder meer overleg plaatsvinden met Waterschap Limburg en provincie Limburg. De resultaten hiervan zullen te zijner tijd hieronder opgenomen worden.

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

Pagina | 4 8

6.2.3

Omgevingsdialoog

Omwonenden van het plangebied zijn door initiatiefnemer geïnformeerd en kunnen instemmen met het plan. Het verslag van de dialoog is ter hand gesteld aan het bevoegd gezag.

6.2.4

Zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan

Het ontwerp-besluit tot wijziging van het bestemmingsplan heeft met ingang van 7 april tot en met 18 mei 2022 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is door Gasunie Transport Services BV een zienswijze ingediend welke heeft geleid tot aanpassing van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' en een toevoeging van een bepaling ten aanzien van de prioriteit van bestemmingen.

| bestemmingsplan Roode Eggeweg Kessel | status: vastgesteld |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=672d9412-7279-4364-b321-62f5d4d523b3