2022-031 05 Toelichting BP Haagweg 58, Kessel.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
31
4.5 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied is bereikbaar via de Haagweg. De Haagweg is verder weer (via onder andere de Karreweg Noord) ontsloten op de Rijksweg (N273). De Haagweg betreft ter plaatse van het plangebied deels een 30 km/uur-weg en deels een 60 km/uur-weg. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er geen sprake zijn van een toename van verkeer ten opzichte van de huidige situatie. Parkeren Op het plangebied is het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeernota Peel en Maas van toepassing. Hierin zijn regels opgenomen voor parkeren. In dit bestemmingsplan is een dynamische verwijzing opgenomen naar de op 3 juli 2018 vastgestelde ‘Nota parkeernormen Peel en Maas 2018’. Voor de bedrijfswoning geldt een parkeernorm van twee parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om deze parkeerbehoefte op te vangen. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het initiatief.
4.6 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en
Hoofdstuk 4
32
bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een water robuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en waterkwaliteit, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater.
Grondwater en waterkwaliteit Het plangebied ligt niet binnen een waterwingebied, een grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Echter is het plangebied wel in de nabijheid van de Maas gelegen. Onderhavige ontwikkeling zorgt niet voor negatieve gevolgen voor de Maas. Uit zowel de POL2014- kaarten als de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijken geen belemmeringen voor het plangebied. Hemel- en afvalwater De beoogde ontwikkeling voorziet enkel in de verbouwing van de bestaande woning. Er vindt geen verandering plaats ten opzichte van de bestaande situatie ten aanzien van het afvoeren van hemelen afvalwater. Daarbij vindt er ook geen toename van verhard oppervlak plaats.
Hoofdstuk 4
33
Conclusies en overleg met de waterbeheerder Voor wat betreft het aspect water vinden er geen dergelijke veranderingen plaats dat het noodzakelijk is geacht om in overleg te gaan met de waterbeheerder. De huidige bedrijfswoning wordt enkel verbouwd en de bestaande riolering blijft gehandhaafd. Waterkeringen Het plangebied is deels gelegen binnen een buitenbeschermingszone van een waterkering. De beschermingszone en de buitenbeschermingszone is een aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens de keur van toepassing zijn. Nieuwbouw binnen de kern- en (buiten)beschermingszone wordt niet toegestaan, tenzij een zwaarwegend maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en er geen reële alternatieven voorhanden zijn (nee, tenzij). Om een toekomstige dijkversterking niet onnodig te hinderen moet nieuwbouw in ieder geval buiten het profiel van vrije ruimte blijven. Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in nieuwbouw. Ter plaatse van dit deel van het plangebied wordt enkel een nieuwe tuin aangelegd. Hierin zal geen sprake zijn van enige bebouwing.
Uitsnede Leggerkaart Waterschap Limburg met aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 4
34
4.7 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. De belangrijkste eis daarvoor is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De beoogde woning dient te voldoen aan de vereiste energieprestatie die op het moment van vergunningaanvraag geldig is. Voor woningen geldt momenteel een EPC-waarde van 0,4. Naast de Energie Prestatie Coëfficiënt zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen.
Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Conclusie In dit geval is slechts sprake van de verbouwing van een bestaande bedrijfswoningen. De vergunningaanvraag wordt getoetst aan het bouwbesluit, maar dan aan de eisen voor bestaande bouw.
Hoofdstuk 4
35
5.
UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). De toepassing van de Grexwet richt zich voor het afdwingbare kostenverhaal, op bouwplannen.
De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Bro: de bouw van een of meerdere woningen; de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². De bestaande bedrijfswoning wordt verbouwd en de uitbreiding is beperkt waarmee ruim onder de drempel van 1.000 m2 wordt gebleven. Er is dan ook geen sprake van verplicht kostenverhaal.
Hoofdstuk 5
36
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening dient een (concept) ontwerp bestemmingsplan te worden voorgelegd aan de daartoe in aanmerking komende instanties, zoals de provincie Limburg. Nu slechts sprake is van het positief bestemmen van een bestaande situatie, zijn er geen belangen van de provincie of het Waterschap waarmee rekening moet worden gehouden. Er wordt dan ook geen vooroverleg gevoerd en het bestemmingsplan zal meteen als ontwerp ter inzage gelegd worden. 5.2.2 Zienswijzenprocedure Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegen vanaf 28 december 2021 t/m 7 februari 2022, waarbij aan eenieder gelegenheid is geboden om een zienswijze op het plan in te dienen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend. 5.2.3 Procedure bestemmingsplan De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan.
De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 5
37
6.
JURIDISCHE TOELICHTING 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000.
6.3 Toelichting op de regels Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012), de gemeentelijke standaard, het vigerende bestemmingsplan ‘Neptunus Kessel’ en voorgaande bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemming gegeven; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels;
Hoofdstuk 6
38
Hoofdstuk 4:
Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. 6.2.1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening/ Wabo overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: a) Bestemmingsomschrijving b) Bouwregels c) Nadere eisen d) Afwijken van de bouwregels e) Specifieke gebruiksregels f) Afwijken van de gebruiksregels g) Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden h) Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk i) Wijzigingsbevoegdheid Duidelijk zal zijn dat een bestemming niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
Bedrijventerrein - 1 De voor ‘Bedrijventerrein - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a) bedrijven en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten welke zijn opgenomen in milieucategorie 1 t/m 2 van de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten Bedrijventerrein - 1', groothandelsbedrijven, en/of daarmee naar aard, omvang en invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten;
Hoofdstuk 6
39
met daaraan ondergeschikt en onder bepaalde randvoorwaarden: b) c) d) e) f) g) h) i) j) k) l)
wonen in een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; productiegebonden detailhandel; buitenstalling van ter plaatse vervaardigde of verhandelde producten; buitenopslag overeenkomstig; horeca van categorie 1 en 2 ondergeschikt aan de functie; evenementen; nutsvoorzieningen; tuinen, erven en terreinen; groenvoorzieningen; paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. parken; c. tuinen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - tuin'; met daaraan ondergeschikt: d. e. f. g. h. i. j. k.
bermen en beplanting; paden; speelvoorzieningen; dagrecreatief medegebruik evenementen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.3.2; waterlopen en waterpartijen, waaronder wadi's; terrassen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2.3 Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels zijn regelingen over ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en bestaande maten en afstanden opgenomen.
Hoofdstuk 6
40
De Algemene gebruiksregels bevatten een algemeen gebruiksverbod en een beschrijving van hetgeen dat wordt verstaan onder strijdig gebruik. De Algemene aanduidingsregels zien op de van toepassing zijnde gebiedsaanduidingen in het plangebied. In dit artikel is de regeling voor de aanduiding ‘geluidzone - industrie’ opgenomen. Binnen deze geluidzone mogen geen geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd. In de Algemene afwijkingsregels zijn enkele mogelijkheden opgenomen om af te kunnen wijken van de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen. De Algemene wijzigingsregels verschaffen het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de Overige regels zijn een verwijzing naar de geldende wet- en regelgeving en een parkeerregeling opgenomen. 6.2.4 Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan moeten worden aangehaald.
Hoofdstuk 6
41
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl