CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-030 14 Toelichting bijlage - Archeologisch onderzoek.pdf

Raad 19 april 2022, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Uitbreiding Johannes-Hoeve“ in Baarlo (2022-030)5.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BAARLO - NAPOLEONSBAAN NOORD 8 INVENTARISEREND VELDONDERZOEK DOOR MIDDEL VAN PROEFSLEUVEN

Martijn Bink Yannic Rabou

Zuidnederlandse Archeologische Notities 957

Amsterdam 2021 VUhbs archeologie

De serie Zuidnederlandse Archeologische Notities is een uitgave van VUhbs archeologie, Amsterdam

2

Colofon Opdrachtgever: Project: Gemeente: Provincie: Plaats documentatie: Bevoegd gezag: Adviseur: Registratienr.: CIS code: Coördinaten:

B&B Johannes Hoeve Baarlo Napoleonsbaan Noord 8 Peel en Maas Limburg Provinciaal depot bodemvondsten Limburg Gemeente Peel en Maas F. Kortlang (ArchAeO) PM BNN 21 4932182100 204.654; 372.551

Auteur: Illustraties: Omslagontwerp: Autorisatie:

drs. M. Bink / Y.D. Rabou, MSc B. Bussemaker, BA M.H. Kriek drs. M. Bink

ISBN:

978 90 8614 945 2

©VUhbs archeologie, Amsterdam, juni 2021 De Boelelaan 1105 1081 HV AMSTERDAM

3

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

2

HISTORISCHE EN ARCHEOLOGISCHE ACHTERGROND

7

3

DOEL VAN HET ONDERZOEK 3.1 ONDERZOEKSVRAGEN

8

4

ONDERZOEKSSTRATEGIE 4.1 ONDERZOEKSMETHODE 4.2 AFWIJKINGEN T.O.V. HET PVE

10

5

RESULTATEN 5.1 BODEM EN LANDSCHAP 5.2 SPOREN EN STRUCTUREN 5.3 VONDSTEN

13

6

CONCLUSIE EN ADVIES

21

7

LITERATUUR

26

BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4

27 28 29 30

4

1

INLEIDING

Op dinsdag 5 januari 2021 hebben archeologen van VUhbs archeologie in opdracht van B&B Johannes Hoeve een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO P) uitgevoerd aan de Napoleonsbaan Noord 8 te Baarlo, gemeente Peel en Maas (fig. 1.1). Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 17.750. Hiervan is een gebied van 6.675 m2 aangemerkt als onderzoeksgebied. Op dit terrein zullen meerdere bungalows, een keuken, twee waterpartijen, een zwembad en een galerie worden gebouwd. Deze plannen vormen een bedreiging voor de eventuele archeologische resten in de ondergrond. Aangezien de bodemingreep groter zal zijn dan 250 m2 en deze dieper dan 0.5 m is hier archeologisch onderzoek verplicht. Het plangebied is in 2019 onderzocht middels een verkennend booronderzoek.1 Hieruit bleek dat in vrijwel het gehele plangebied een intacte bodem aanwezig is en de kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten onder de bouwvoor.

Het oostelijk deel van het plangebied is hoger gelegen en heeft een hogere verwachting op het aantreffen van archeologische resten.2 Tijdens het bureauonderzoek is vastgesteld dat een lage verwachting geldt voor resten uit het Midden Paleolithicum en een hoge verwachting voor de periode Laat Paleolithicum tot en met Nieuwe Tijd.3 Op grond van deze resultaten is besloten een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO P) te laten uitvoeren. Aan de hand van het vooronderzoek is door Aeres Milieu een Programma van Eisen (PvE) opgesteld. Hierin is een puttenplan opgenomen dat voorziet in vijf proefsleuven van 35 bij 4 meter, waarmee een totaal van 700m2 zou worden onderzocht, ofwel 10,5 % van het onderzoeksgebied. Tijdens het veldwerk werd het bevoegd gezag vertegenwoordigd door , als beleidsmedewerker van de gemeente Peel en Maas en extern adviseur F. Kortlang (ArchAeO). Zij hebben tijdens het onderzoek een bezoek gebracht op locatie om eventueel een besluit tot een doorstart naar een opgraving te kunnen nemen. De opdrachtgever is B&B Johannes Hoeve. Het veldwerk werd uitgevoerd onder leiding van senior KNA archeoloog M. Bink. Deze werd tijdens het werk ondersteund door M. van de Merwe en Y. Rabou. Het mechanisch grondverzet werd uitgevoerd door Luyten Verhoeven Archeologisch Grondwerk

1

Kruithof e.a., 2019. Kruithof e.a., 2019. 3 Kruithof et al., 2019. 2

5

Fig. 1.1. Baarlo Napoleonsbaan Noord. Ligging van het onderzoeksgebied. Inzet: ligging van Baarlo in Nederland. Schaal 1:25.000.

6

2

HISTORISCHE EN ARCHEOLOGISCHE ACHTERGROND

Het plangebied ligt ten noorden van de dorpskern van Baarlo. Het dorp Baarlo ligt op een soort eiland tussen de Maas in het Oosten en een pleistocene Maasmeander in het westen,4 en staat bekend staat als kasteeldorp. Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het grootste deel van het plangebied onbebouwd was tot aan het midden van de 20ste eeuw. In de omgeving van het plangebied zijn resten gevonden uit de Volle Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Het gebied stond onder bestuurlijk gezag van Pruisen, Frankrijk, België en Nederland. Het plangebied bevindt zich direct ten oosten van een oude meanderzone van de Maas, zoals goed te zien is op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3; fig. 2.1). De flanken van hoger liggende plekken in het landschap, zoals een Maasterras in het onderhavige geval, waren aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor jagers verzamelaars uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum. De verwachte archeologische resten uit die periode kunnen bestaan uit haardkuilen, vuurstenen artefacten, tijdelijke kampementen of natuurstenen gebruiksvoorwerpen. De relatief hoge ligging van het plangebied zal ook in latere periodes een aantrekkelijke factor zijn geweest. Het is daarom aannemelijk dat er ook resten gevonden kunnen worden uit de periode tussen het Laat Neolithicum en de Vroege Middeleeuwen.

Fig. 2.1. Baarlo

4

Napoleonsbaan Noord 8. Het plangebied op het AHN.

Renes 1999, 249.

7

3

DOEL VAN HET ONDERZOEK

De doelstellingen van het onderzoek zijn verwoord in het Programma van Eisen:5 “Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek (IVO) is het vaststellen van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het IVO gebeurt door middel van proefsleuven, waarbij extra informatie wordt verkregen over de bekende of verwachte archeologische waarden, en door het nader inventariseren en waarderen van archeologische vindplaatsen. Daarbij dient de aan of afwezigheid van archeologische waarden vastgesteld te worden. Indien delen van een vindplaats worden aangetroffen dient de inhoudelijke fysieke kwaliteit (aard, datering, karakter, omvang, gaafheid, conservering) van de vindplaats bepaald te worden.” Indien een behoudenswaardige archeologische vindplaats wordt aangetroffen, wordt binnen dit PvE de mogelijkheid tot doorstart naar een opgraving voorzien. De classificatie van een vindplaats als zijnde behoudenswaardig gebeurt in overleg met het bevoegd gezag. Aanvullingen op dit PvE kunnen in het geval van een opgraving noodzakelijk zijn. Bij een opgraving van archeologische resten is het doel het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. 3.1 ONDERZOEKSVRAGEN

Om deze doelstelling zo goed mogelijk te volbrengen zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld in het PvE: 1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? 2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? 3. In hoeverre komen de onderzoeksresultaten uit het vooronderzoek overeen met de resultaten uit het proefsleuvenonderzoek? 4. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van de aangetroffen sites aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysische en inhoudelijke kwaliteit daarvan? Gaafheid en conservering van de vindplaatsen 5. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? 6. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? Perioden en sites 7. Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? 8. Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang? 9. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: 1.

de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing 2. de geologische en/of bodemkundige eenheid 3. de omvang (inclusief verticale dimensies)

5

Vroomans 2020.

8

4. aard /complextype / functie 5. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) 6. de vondst en spoordichtheid 7. de stratigrafie 8. de ouderdom, periodisering, typo chronologische classificatie 10. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off site patronen) in de zin van wegen, perceelsindeling, akkers, grondstofwinning, vennen, etc.? 11. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 9 te geven? 12. Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? 13. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? Landschap en bodem 14. Wat is de fysiek landschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? 15. Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Wat zijn de kenmerken van de stratigrafische eenheden? Is er sprake van loopvlakken, begraven bodems, ophogingslagen of cultuurlagen? 16. Wat is het paleo ecologische potentieel van het onderzoeksgebied? Liggen in de omgeving locaties die voor analyse bemonsterd kunnen worden? 17. Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het akkerdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming van dit akkerdek? 18.

Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de archeologische resten? De komende jaren wensen provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis. In dat kader volgen onderstaande onderzoeksvragen:  Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017?  Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)?

9

4.2. AFWIJKINGEN T.O.V. HET PVE

Tijdens het onderzoek bleek dat enkele putten niet conform het PvE aangelegd konden worden (fig. 4.1). De meest noordwestelijke sleuf (werkput 2) is doormidden gedeeld zodat er een afrastering met schrikdraad omzeild kon worden (zie fig. 4.2). Ook werkput 4, ten noordwesten van de huidige bewoning, is gesplitst. In dit geval werd de geplande proefsleuf oversneden door een poort. Beide helften hebben een kleine afwijking in oriëntatie aangezien de aanleg van het zuidoostelijke deel van werkput 4 werd bemoeilijkt door bomen en plaveisel. In dit deel van de sleuf werd een massief betonnen terras aangetroffen net onder het maaiveld waardoor ca. 25% van deze proefsleuf niet dieper kon worden aangelegd. Werkput 5, ten zuiden van het huis, bleek sterk verstoord door bouwpuin en ander recent afval (zie fig. 4.3). Ook was er weinig ruimte tussen huis, terras, bomen en vijver om alle stort uit de sleuf kwijt te kunnen. Omdat tevens parallel aan de achterzijde van het huis leidingen aanwezig waren is besloten de sleuf niet verder door te trekken dan tot de achterzijde van het huis. Enkele sleuven zijn wat krom aangelegd. Dit is omdat de machinist van de graafmachine minder ervaren was met de aanleg van archeologische proefsleuven. Het onderzoek is verder uitgevoerd conform het PvE.7

Fig. 4.1. Baarlo Napoleonsbaan Noord 8. Overzicht van geplande en aangelegde proefsleuven en locatie coupes en profielen.

7

Vroomans 2020.

11

Fig. 4.2. (links) Baarlo Napoleonsbaan Noord 8. De twee delen van werkput 2. Fig. 4.3. (rechts) Baarlo Napoleonsbaan Noord 8. Werkput 5 met verstoringen door recent bouwpuin.

12

5

RESULTATEN

5.1

BODEM EN LANDSCHAP

Mark Groenhuijzen 5.1.1 INLEIDING

Het onderzoeksgebied ligt in het Brabants Limburgse zandgebied, in het gebied van de Maasterrassen. Om een goed beeld te verkrijgen van de fysiek landschappelijke ligging en bodemkundige opbouw van het onderzoeksgebied, wordt in dit hoofdstuk eerst een overzicht gegeven van de reeds bekende informatie met betrekking tot het onderzoeksgebied, waarna vervolgens de resultaten van het huidige onderzoek worden gepresenteerd en geplaatst in de bestaande context. 5.1.2 ACHTERGROND

Baarlo is gelegen in het stroomgebied van de Maas, met de huidige Maasgeul op circa 1 km ten oosten van het onderzoeksgebied. De ondergrond in de omgeving van het onderzoeksgebied bestaat dan ook voor een belangrijk deel uit rivierafzettingen van de Maas die zijn afgezet gedurende het Kwartair (vanaf circa 1.8 miljoen jaar geleden). Het Kwartair wordt gekenmerkt door een afwisseling van koudere en warmere perioden, de zogenaamde ijstijden en tussenijstijden. Tijdens de koudere perioden was de Maas een vlechtende rivier, waarbij over een breed oppervlak zand en grind werd afgezet. In de warmere perioden veranderde de Maas in een meanderende rivier, welke zich heeft ingesneden in de riviervlakte. Door dit herhalende proces zijn de verschillende terrassen langs de Maas ontstaan. Het oudste en hoogstgelegen terras dateert in het Saalien, de voorlaatste ijstijd (circa 238.000 126.000 jaar geleden). Daaronder ligt het terras dat is gevormd tijdens het Weichselien, en meer specifiek in het Pleniglaciaal, de koudste fase van de laatste ijstijd (circa 73.000 14.500 jaar geleden).. In het Allerød interstadiaal, een korte warmere periode (circa 13.500 12.750 jaar geleden) sneed de rivier zich weer in dit tweede terras, waarbij een nieuw, circa vier meter lager terras is gevormd. Diverse meanders zijn nog zichtbaar als restgeulen in het huidige landschap.

Baarlo ligt als het ware op een eiland in dit Maaslandschap, tussen een fossiele geul in het westen en de huidige Maasgeul in het oosten. Tijdens de koudere fasen van het Weichselien heeft, door droogte en gebrek aan vegetatie, ook de wind nog invloed kunnen hebben op het landschap. Zand is hierbij door de wind op grote schaal verplaatst, en heeft buiten de rivierdalen voor dikke pakketten van zogenaamd dekzand gevormd. Ook op de Maasterrassen kunnen echter dekzandafzettingen voorkomen. Het onderzoeksgebied is bijvoorbeeld volgens de geomorfologische kaart (fig. 5.1) gelegen op zo’n dekzandeiland, omsloten door (fossiele) Maasgeulen.8 Volgens de bodemkaart kan de bodem van het onderzoeksgebied gekenmerkt worden als een holtpodzolgrond in lemig fijn zand.9 Het lemig fijn zand is kenmerkend voor het voorkomen van dekzand in de ondergrond. De holtpodzolgrond daarin is ontstaan tijdens het Holoceen, de huidige warme periode (sinds 11.700 jaar geleden). Door neerwaartse grondwaterstromen is organisch materiaal uit de bovengrond gespoeld en afgezet op een dieper niveau.

Hierdoor ontstaat een bodemprofiel dat normalerwijze bestaat uit een donkere, humeuze bovengrond (A horizont), een deels uitgespoelde overgangslaag (EB horizont), een donkerbruine inspoelingslaag (B horizont), gevolgd door een geleidelijke overgang (BC horizont) naar het lichtgekleurde, oorspronkelijke moedermateriaal (C horizont).10

8 Alterra 2008. 9 Alterra 2006. 10 De Bakker/Schelling 1989, 120 122.

13

Fig. 5.1. Baarlo Napoleonsbaan Noord 8. Geomorfologische kaart van de omgeving van het onderzoeksgebied (bron: Alterra 2008). A plateauterras; B dalvlakteterras; C dalvormige laagte; D restgeul; E rivierdalbodem; F dekzandrug; G dekzandwelvingen; H landduinen; I droogdal; J beekdalbodem; K laagte zonder randwal; K dijk; M storthoop; N holle weg; O afgraving; P bebouwde zone; Q water; R onderzoeksgebied.

In het onderzoeksgebied is eerder reeds een booronderzoek uitgevoerd.11 Hieruit is gebleken dat grotendeels sprake is van een intacte bodem. Eventueel aanwezige archeologische sporen en resten zouden in het grootste deel van het onderzoeksgebied verwacht kunnen worden vanaf het maaiveld of aan de basis van de moderne bouwvoor. Hierbij is nog onderscheid te maken in het lager gelegen westelijke deel van het plangebied, en de hoger gelegen oostelijke hoek van het plangebied (ter plaatse van de woning). In het westelijke, lagere deel is sprake van alleen dit ene potentiële niveau. In het oostelijke deel is echter nog een tweede bodemniveau aangetroffen vanaf circa 80 cm onder maaiveld. Deze bodem is waarschijnlijk gevormd in het Allerød interstadiaal en representeert daarmee een potentieel niveau uit het Laat Paleolithicum.

11 Kruithof et al. 2019.

14

5.1.3 RESULTATEN

Tijdens het veldonderzoek is de (natuurlijke) opbouw van de ondergrond beschreven aan de hand van de waarnemingen in het vlak en profielkolommen in alle werkputten. In totaal zijn 14 profielkolommen opgenomen verspreid over het onderzoeksgebied, die een representatief beeld geven van de stratigrafie en bodemopbouw in het gebied. De stratigrafie in het onderzoeksgebied is relatief uniform. Deze bestaat allereerst uit een moderne, donkergrijsbruine bouwvoor. Deze heeft een gemiddelde dikte van circa 35 cm, al kent deze in werkput 3 een oplopende dikte tot 60 cm. Werkputten 4 en 5 hadden daarnaast nog een enigszins afwijkend uiterlijk. In een deel van werkput 4 komt een circa 20 cm dikke vlekkerige laag voor onder de moderne bouwvoor, mogelijk als gevolg van verploeging. In werkput 5 is een circa 20 30 cm dikke, duidelijk puinhoudende laag onder de moderne bouwvoor en boven de natuurlijke ondergrond aangetroffen, welke een recente verstoring zal betreffen. De natuurlijke ondergrond begint op 30 40 cm onder maaiveld (22.10 21.26 m NAP) in werkput 1, 36 40 cm onder maaiveld (21.16 20.90 m NAP) in werkput 2, 42 60 cm onder maaiveld (21.68 21.34 m NAP) in werkput 3, 30 48 cm onder maaiveld (22.52 22.36 m NAP) in werkput 4, en 44 50 cm onder maaiveld (22.64 22.56 m NAP) in werkput 5. De natuurlijke ondergrond bestaat aan de basis uit (bruin)geel matig fijn zand.

Dit betreft de C horizont in dekzandafzettingen. In werkputten 1, 2, 3, en het noorden van werkput 4 (profiel WP4P1), komt daarnaast aan de top van het natuurlijke pakket nog een overgangshorizont (BC horizont) voor, gekenmerkt door een geleidelijke overgang van een meer bruine kleur naar een (bruin)gele kleur. Het bovenste deel van de nog intacte, natuurlijke stratigrafie bestaat uit een verbruinde Bw horizont. In figuur 5.2 is profiel WP1P3 uit werkput 1 opgenomen ter illustratie van de hier beschreven bodemopbouw in het onderzoeksgebied.

Fig. 5.2. Baarlo Napoleonsbaan Noord 8. Foto en interpretatie van WP1P3.

15

De resultaten van het onderzoek komen deels overeen met die van het vooronderzoek. Het onderzoeksgebied is inderdaad gelegen ter plaatse van een dekzandgebied. In de natuurlijke ondergrond is sprake van een hoge mate van verbruining. Door het proces van verbruining verkleurt de natuurlijke ondergrond, waarbij het onderscheid tussen archeologische sporen en de ondergrond vervaagt. Eventuele sporen tekenen zich dan pas goed af in de onderliggende, lichtere C horizont. Vaak zijn degelijke sporen niet zo diep ingegraven dat ze deze onderliggende C horizont bereiken, waardoor ze niet meer zichtbaar zijn. In dit onderzoek is gebleken dat de C horizont vrijwel niet aan verstoring onderhevig is geweest, waardoor sporen hierin goed bewaard zullen zijn gebleven. De bovenliggende laag betreft de moderne bouwvoor, en in het zuidoosten van het onderzoeksgebied (werkput 5) ook nog een puinhoudende verstoorde laag. Indicatief voor het reliëf is het profiel over proefsleuf 1, eindigend bij profiel 1 in proefsleuf 2 (fig. 5.3). Over een lengte van ruim 40 m daalt het maaiveld van 22,50 +NAP naar 21.40 +NAP.

Fig. 5.3. Baarlo Napoleonsbaan Noord 8. De profielen van proefsleuf 1 en profiel 2.1. Schaal 1:40.

16

Fig. 5.4. Baarlo Napoleonsbaan Noord. Allesporenkaart. Schaal 1:800.

Fig. 5.5. Baarlo Napoleonsbaan Noord. Coupe over houtskoolmeiler 3.002.

18

5.3

VONDSTEN

In totaal zijn gedurende het proefsleuvenonderzoek 36 scherven aardewerk, 1 fragment glas en 4 stuks vuursteen aangetroffen en verzameld (bijlage 3). Alle vondsten zijn verzameld tijdens de aanleg van het vlak. Vrijwel alle vondsten zijn aangetroffen in de verbruinde horizonten. Eén vondst (V11) is aangetroffen in de C horizont en één vondst (V1) op de overgang van verbruinde naar C horizont. Een laatste vondst (V2) is aangetroffen in de oude akkerlaag in profiel 1 van proefsleuf 1. Archeologische vondsten bestaan voornamelijk uit afval, dat oorspronkelijk op het loopniveau (van bijvoorbeeld een boerderij) wordt achtergelaten. Een deel van dit afval komt bij afbraak van een gebouw in (paal)kuilen terecht, een ander deel komt naderhand door ploegen in de bodem terecht. Vervolgens kan het nog door bodemleven (m.n. mollen) enigszins verspreid raken. De te Baarlo gedane vondsten zijn aangetroffen in bodemlagen die waarschijnlijk nooit zijn verploegd. Ze kunnen dan afkomstig zijn uit grondsporen die niet meer zichtbaar waren door het proces van verbruining of door bioturbatie op deze diepere niveaus terecht zijn gekomen. In beide gevallen zou een archeologisch relevant niveau zonder dat sprake is van verbruining veel hoger gelegen dan waar het vlak van de proefsleuven nu is aangelegd. Op dit niveau zijn echter geen sporen (meer) te onderscheiden.

Fig. 5.6 Baarlo Napoleonsbaan Noord. De locatie van de vondsten (schematisch) aangeduid op het profiel over proefsleuven 1 en 2.

Alle vier de vuursteen objecten zijn gevonden in werkput 1 in bouwvoor en de laag net boven de BC horizont. Twee van de vuursteenvondsten zijn klingen, gebruiksvoorwerpen om mee te snijden of steken, en zijn typerend voor het Laat Paleolithicum. Het glazen fragment is afkomstig van een vijfribbige glazen armband uit de La Tène cultuur (250 v.Chr – 1ste eeuw v.Chr.) Het armbandfragment is kleurloos met een laag geel opaak glas, ook wel ‘gele folie’ genoemd, aan de binnenzijde. De vijfribbige uitvoering komt overeen met Haevernick type 7a.12 Dergelijke armbanden dateren tussen 250 en 100 v.Chr.13 Dit object is aangetroffen in werkput 2, in het relatief laaggelegen stuk van het plangebied, in de laag boven de C horizont.

12 13

Haevernick 1960. Roymans/Veniers 2009.

19

Fig. 5.7 Baarlo Napoleonsbaan Noord. Twee kenmerkende vondsten. Links randscherf van een klokbeker V5 en rechts een vijfribbige La Tène glasarmring V13.

Het aardewerk bestrijkt de Late Prehistorie tot en met de Late Middeleeuwen (fig. 5.8). Een fragment aardewerk kan toegeschreven worden aan de Klokbekercultuur (2500 2000 v.Chr.) Het betreft een intensief gedecoreerd wandfragment. Zeven scherven behoren tot de categorie handgevormd aardewerk. Deze scherven vertonen geen goed daterende kenmerken, zodat dit materiaal slechts algemeen tussen de Late Bronstijd en de vroeg Romeinse tijd kan worden gedateerd. Het gedraaide aardewerk is eveneens lastig dateerbaar en hoort thuis in de periode van de Romeinse tijd tot en met de Volle Middeleeuwen. Specifiek Romeins aardewerk is niet aangetroffen. Wel dateren enkele scherven in de periode Romeinse tijd Vroege Middeleeuwen. Andere scherven dateren juist eerder in de Vroege of Volle Middeleeuwen. Hiermee lijkt de kans op vroegmiddeleeuwse bewoning in de omgeving het grootst. Tenslotte zijn acht scherven Elmpter aardewerk en vier scherven middeleeuws grijsbakkend aardewerk in de Volle of Late Middeleeuwen dateerbaar. Een steengoed kan dateert zeker uit de Late Middeleeuwen.

20

Fig. 5.8. Baarlo Napoleonsbaan Noord. Overzichtsfoto van verschillende vondsten.

21

6

CONCLUSIE EN ADVIES

6.1 CONCLUSIE

Tijdens het proefsleuvenonderzoek binnen het plangebied Napoleonsbaan Noord is gebleken dat de bodem in het onderzoeksgebied grotendeels intact is. Op het erf rondom de bestaande Johannes Hoeve is wel sprake van grootschalige verstoringen. Door het natuurlijke proces van verbruining is echter een dikke laag ontstaan waar de bodem zodanig verweerd is dat archeologische sporen niet meer zichtbaar zijn. De dikte van deze laag is met ca. 60 zo groot dat alleen zeer diepe sporen nog onder deze laag bewaard zullen zijn. Behalve een restant van een houtskoolmeiler zijn geen sporen aangetroffen. Mogelijk zijn de vondsten die in de verbruinde laag zijn gedaan in werkelijkheid uit grondsporen afkomstig. Dergelijke sporen zijn echter door het proces van verbruining niet meer te onderscheiden van de omliggende natuurlijke bodem. Tijdens het onderzoek zijn resten aangetroffen uit verschillende perioden. Dit kan geconcludeerd worden op basis van de aangetroffen vondsten. Er werd echter slechts één grondspoor teruggevonden, een houtskoolmeiler, dergelijke sporen dateren meestal in de (Vroege) Middeleeuwen, hoewel ze ook wel uit de Romeinse tijd of de IJzertijd kunnen dateren. Vuurstenen voorwerpen werden uitsluitend aangetroffen in het noordwesten van het plangebied en duiden op activiteit, mogelijk in het Laat Paleolithicum.

Een versierde scherf behoort toe aan de Klokbekercultuur en representeert het Laat Neolithicum. Een vondst van La Tène glas en handgevormd aardewerk is indicatief voor een vindplaats uit de IJzertijd, hoewel ook een datering in de Romeinse tijd niet uitgesloten kan worden. Het gedraaide aardewerk wijst op activiteit vanaf in ieder geval de Vroege Middeleeuwen tot en met de Late Middeleeuwen. Bij afwezigheid van grondsporen is het echter lastig om hierbij te spreken van vindplaatsen. De dikke B horizont die tijdens het onderzoek werd aangetroffen (verbruiningslaag) kan mogelijk alle grondsporen onleesbaar hebben gemaakt. Het is echter ook niet uit te sluiten dat eventuele grondsporen zich buiten de proefsleuven of zelfs buiten het onderzoeksgebied hebben bevonden. Op basis van de vondsten kan worden vastgesteld dat deze zich vooral in de proefsleuven 1 en 2 bevonden. De vondsten, met uitzondering van de vondsten uit de Steentijd, zijn redelijk gelijkmatig verdeeld over deze sleuven. De vondsten uit de Steentijd (twee vuurstenen klingen en een scherf handgevormd aardewerk) concentreren zich in proefsleuf 1.

22

Fig. 6.1. Baarlo Napoleonsbaan Noord. Advieskaart. Schaal 1:2.000.

6.2 ADVIES

Op basis van het proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd het terrein vrij te geven voor ontwikkeling. Wat betreft dit advies kunnen drie zones worden aangewezen binnen het terrein (fig. 6.1). In het noordelijke deel is sprake van een dikke verbruinde bodem waardoor eventuele grondsporen niet meer waarneembaar zijn. Hiervoor wordt vrijgave geadviseerd. In het oostelijke deel, rondom de bestaande bebouwing, is de bodem verstoord door de bouw en sloop van oudere bewoning. Ook hier wordt vrijgave geadviseerd. In het zuidelijke deel wordt niet gebouwd. Hier zijn dan ook geen proefsleuven gegraven. Voor dit terreindeel kan derhalve geen advies worden afgegeven, hoewel ook hier de kans groot is dat de bodem verbruind is.

23

6.3 BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN

1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) in de bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden?

Binnen het onderzoeksgebied is slechts een archeologisch relevant spoor gevonden. Alle overige sporen hebben een recente datering. Wel zijn er een meerdere (n 36) vondsten aangetroffen. Hiertoe behoren onder andere een wandscherf van een Klokbeker, twee vuurstenen klingen uit het Laat Paleolithicum en een fragment van een glazen armband uit de La Tène cultuur. Alle vondsten zijn aangetroffen in de verbruinde laag boven de (B)C horizont. 2. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven?

Uit de profielen blijkt dat sprake is van verbruining. Hierdoor zijn sporen vermoedelijk niet meer leesbaar. Het is echter niet uit te sluiten dat buiten de sleuven of buiten het onderzoeksgebied wel sporen aanwezig zijn. 3. In hoeverre komen de onderzoeksresultaten uit het vooronderzoek overeen met de resultaten uit het proefsleuvenonderzoek?

Het vooronderzoek veronderstelde een lage verwachtingsgraad voor het aantreffen van archeologische resten uit het midden paleolithicum en een hoge verwachtingsgraad voor het laat paleolithicum tot en met de nieuwe tijd door de aantrekkelijke ligging. De aangetroffen vondsten zijn inderdaad te dateren in het laat paleolithicum, laat neolithicum, de ijzertijd en de Middeleeuwen. 4. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van de aangetroffen sites aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysische en inhoudelijke kwaliteit daarvan?

Vermoedelijk zijn sporen door verbruining niet meer leesbaar geworden. Het blijft echter mogelijk dat buiten de sleuven of buiten het onderzoeksgebied (jongere) sporen wel bewaard zijn gebleven. 5. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? De gedane vondsten waren uitsluitend afkomstig uit de verbruinde laag, net boven de natuurlijke C horizont. De verwachting was dat het hoger gelegen deel van het plangebied het meest aantrekkelijk zou zijn geweest voor bewoning of activiteit. Helaas was dit deel meer verstoord. De vondsten zijn juist afkomstig uit het relatief later gelegen deel van het plangebied, in het noordwesten gelegen. 6. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten?

De mate van conservering van de vondsten is relatief goed. Het enige relevante spoor, een meiler, was in de verbuinde laag aanwezig, maar op vlakniveau was het reeds geheel vergraven. 7. Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden?

De vondsten bestrijken een brede periode vanaf het Laat Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. De vondsten zijn echter niet aan (grondsporen) sites te relateren.

24

8. Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang?

De verschillende vondsten dateren uit een zeer ruime tijdsspanne. De Laat paleolithische resten zijn aangetroffen in het noordwesten van het plangebied aangezien alle vuurstenen objecten daar gevonden zijn. Aangezien de vondsten niet afkomstig zijn uit sporen is verdere ruimtelijke spreiding lastig te interpreteren. 9. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing de geologische en/of bodemkundige eenheid de omvang (inclusief verticale dimensies) aard /complextype / functie de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) de vondst en spoordichtheid de stratigrafie de ouderdom, periodisering, typo chronologische classificatie

n.v.t. 10. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off site patronen) in de zin van wegen, perceelsindeling, akkers, grondstofwinning, vennen, etc.? n.v.t. 11. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 9 te geven? n.v.t. 12. Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? n.v.t. 13. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt?

n.v.t.

Landschap en bodem 14. Wat is de fysiek landschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)?

n.v.t. 15. Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Wat zijn de kenmerken van de stratigrafische eenheden? Is er sprake van loopvlakken, begraven bodems, ophogingslagen of cultuurlagen?

25

In het algemeen is sprake van een bouwvoor, waaronder soms nog een oudere akkerlaag aanwezig is. Hieronder is een pakket verbruinde grond aanwezig dat soms 60 cm dik is. In proefsleuven 4 en 5 is onder de bouwvoor een pakket puin aanwezig, waaronder soms nog een restant verbruinde bodem. 16. Wat is het paleo ecologische potentieel van het onderzoeksgebied? Liggen in de omgeving locaties die voor analyse bemonsterd kunnen worden?

Ten westen van het onderzoeksgebied bevindt zich een oude Maasarm. Gezien de resultaten van het onderzoek is bemonstering echter niet relevant. 17. Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het akkerdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming van dit akkerdek?

N.v.t. 18. Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de archeologische resten?

De bodem ter plaatse is sterk verbruind. Mogelijk zijn daardoor sporen onleesbaar geworden. De komende jaren wensen provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis. In dat kader volgen onderstaande onderzoeksvragen:  Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017?  Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)?

N.v.t.

26

7

LITERATUUR

Alterra, 2006: Bodemkaart van Nederland 1:50.000, Wageningen. Alterra, 2008: Geomorfologische Kaart Nederland 1:50.000, Wageningen. Bakker, H. de/J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus ( 2de, gewijzigde druk), Wageningen. Kruithof, L., Hagens, D. en de Kramer, J., 2019: Archeologisch bureau en karterend veldonderzoek, d.m.v. boringen, Napoleonsbaan Noord 8 te Baarlo, gemeente Peel en Maas, Roermond. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel: een toegepast historisch geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord en Midden Limburg, ####. Vroomans, M.A.K., 2020: Programma van Eisen IVO P Napoleonsbaan Noord 8 te Baarlo conform KNA 4.1, Roermond.

27

BIJLAGE 1 OVERZICHT ARCHEOLOGISCHE PERIODEN

28

BIJLAGE 4 ALLESPORENKAART MET VONDSTEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=6f8da4fe-019b-4d9a-a9e6-21d37eedad95