2022-028 05 Bijlage 2 Toelichting - Berekening bedrijfsomvang.pdf
Tekst van het document
Bedrijfsomvang en -type volgens NSO-typering In statistiek en onderzoek worden bedrijven vaak ingedeeld naar bedrijfstype en bedrijfsomvang. Sinds 2010 wordt daarvoor de NSO-typering en de Standaardopbrengst (SO) gebruikt. Ook voor beleid wordt gebruik gemaakt van deze kengetallen. Wageningen Economic Research berekent en beheert de normen en biedt op internet een rekenmodule aan, waar bedrijfsgegevens kunnen worden ingevuld en waar deze rapportage wordt samengesteld. Dit rapport is via die rekenmodule samengesteld op
2021-08-27
De gegevens en de gebruikte normen horen bij de Landbouwtelling van 2020 De ingevoerde gegevens leiden tot de volgende informatie: Bedrijfstype volgens NSO-typering Hoofdtype
8 - Gewas/veecombinaties
Subtype
8400 - Overige gewas/veecombinaties Omschrijving
Resultaat
Eenheid
10
ha
Standaardopbrengst (SO)
117.780
euro
Standaardverdiencapaciteit (SVC)
26.730
euro
Grootteklasse o.b.v. SVC
Klasse 2: 25.000 – 60.000 euro: kleine bedrijven
Totale oppervlakte cultuurgrond
Specificatie van ingevoerde gegevens, normen en SO per product SO per eenheid
Standaardopbrengst
ha, gemeten maat
7.410
14.820
2
ha, gemeten maat
1.900
3.800
2
ha, gemeten maat
1.180
2.360
4
ha, gemeten maat
11.700
46.800
Fokpaarden jonger dan 3 jaar stokmaat >= 1.57 m
50
aantal dieren
400
20.000
Fokpaarden ouder dan 3 jaar stokmaat >= 1.57 m
50
aantal dieren
600
30.000
Categorie
Aantal
Eenheid
Aardappelen, consumptie
2
Korrelmais
Akkerbouwgewassen
Grasland en weiden Tijdelijk grasland Groenten, open grond Asperges, oppervlakte die productie oplevert Paarden, pony's en ezels
U kunt resultaten van groepen bedrijven bekijken in
Agrimatie
Wageningen Economic Research is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan door het gebruik van de Rekenmodule, door het beëindigen van het beschikbaar stellen ervan of door conclusies en besluiten van gebruikers op basis van de uitkomsten ervan.
Toelichting bij de kengetallen
Bedrijfstype De agrarische bedrijven in Nederland verschillen onderling sterk in bedrijfsopzet. Op het ene bedrijf wordt bijvoorbeeld melk geproduceerd en op een ander bedrijf appels. Om bedrijven te kunnen indelen en met elkaar te kunnen vergelijken wordt de Standaardopbrengst (SO) gebruikt. Met behulp van de SO-normen kunnen de appels en de koeien bij elkaar worden geteld en kan de economische bedrijfsomvang (SO) en het NSO-bedrijfstype (specialisatiegraad) van agrarische bedrijven worden berekend. Informatie over de verschillende typen is opgenomen in de notities op de website: Wageningen Economic Research
Standaardopbrengst (SO) De bedrijfsomvang van een bedrijf wordt gemeten in Standaardopbrengst (SO). Voor elke gewas- en diersoort uit de Landbouwtelling is een SO-norm berekend, die de opbrengsten per eenheid weergeeft die onder normale omstandigheden op jaarbasis behaald worden. De bedrijfsomvang wordt berekend als een sommatie van alle eenheden van de producten maal hun SO-norm. De opbrengsten van toeslagen, subsidies en verbredingsactiviteiten zijn niet meegenomen in de normen en dus ook niet in de totale SO van het bedrijf.
Standaard verdiencapaciteit (SVC) De bedrijfsomvang in SO is over bedrijfstypen heen niet sterk gerelateerd met de arbeidsinzet of het resultaat van een bedrijf. Een akkerbouwer houdt van 100.000 euro opbrengsten bijvoorbeeld meer over dan een vleesvarkenshouder. Met het kengetal SVC wordt daarvoor gecorrigeerd. De SVC geeft een beeld van de vergoeding voor de inzet van arbeid en kapitaal (toegevoegde waarde) die op basis van standaarden gemiddeld in een jaar wordt behaald met de betreffende agrarische productie. De werkelijk gerealiseerde toegevoegde waarde van een bedrijf zal nooit gelijk zijn aan de berekende SVC, vanwege verschillen in prijsvorming, technisch resultaat, productbewerking, subsidies en/of multifunctionele activiteiten. Grootteklasse SVC Voor het handiger gebruik van de SVC zijn standaard-grootteklassen vastgesteld. De gehanteerde grenzen van die klassen zijn gebaseerd op de gemiddelde verhouding van de SVC per arbeidskracht en dus min of meer bij een gemiddeld-efficiënte arbeidsinzet. De werkelijke arbeidsinzet van een bedrijf hangt mede af van de mate van mechanisering. Omdat de werkelijke toegevoegde van een bedrijf af kan wijken van de norm is het mogelijk dat de omschrijving bij de grootteklasse niet van toepassing is op het individuele bedrijf. De uitkomsten moeten dan ook vooral als een (globale) richtlijn worden gezien.
Er zijn 5 klassen gedefinieerd op basis van het bedrag aan SVC: 1. < 25.000 euro: zeer kleine bedrijven Deze bedrijven vragen voor de agrarische activiteit volgens de in gebruik zijnde standaarden een arbeidsinzet van maximaal 0,75 arbeidsjaareenheden (aje), tenzij de arbeid duidelijk minder efficiënt of tegen een lagere vergoeding dan gemiddeld wordt ingezet. 2. 25.000 – 60.000 euro: kleine bedrijven Deze bedrijven vragen voor de agrarische activiteit volgens de in gebruik zijnde standaarden een arbeidsinzet van 0,75 tot maximaal 1,5 aje, afhankelijk van de mate van automatisering en de efficiëntie waarmee de arbeid kan worden ingezet. 3. 60.000 – 100.000 euro: middelgrote bedrijven Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 1,5 tot 2,5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. 4. 100.000 – 250.000 euro: grote bedrijven Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 2,5 tot 5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. 5. >= 250.000 euro: zeer grote bedrijven Deze bedrijven kunnen aan meer dan 5 aje arbeid bieden tegen een gemiddelde vergoeding.