2022-017 06 Aanmeldnotitie m.e.r. Veersepad 13.pdf
Tekst van het document
Aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas Postbus 7088 5980 AB PANNINGEN
datum
uw schrijven
ons schrijven
12 januari 2022
--
P01929
onderwerp
bijlagen
M.e.r.-beoordeling bestemmingsplan ‘Veersepad 13, Kessel’
M.e.r.-beoordeling
Geacht College, Op 6 juli 2017 is het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit milieueffectrapportage in het Staatsblad gepubliceerd en op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wetswijziging leidt ertoe dat een extra procedurele stap vereist is. Op grond van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer (Wm), waarin is aangegeven dat degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2 Wm, eerste lid, onder b, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dient de initiatiefnemer dit voornemen namelijk schriftelijk mede te delen aan het bevoegd gezag. Middels deze brief geven wij, namens Stichting Onze Toekomst , hieraan invulling. Voor elke aanvraag waarbij een m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet: Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft men niet in de Staatscourant te publiceren.
BRO | adviseurs in ruimtelijke ordening, economie en milieu BV statutair gevestigd te Vught. Rabobank, BAN NL21RABO0191661589, BIC-code RABONL2U, KvK nr. 16035601, BTW nr. NL003680496 B01, ISO 9001: 2015 gecertificeerd. Op alle opdrachten zijn de algemene voorwaarden van DNR 2011 van toepassing (gedep. Rechtbank Amsterdam 78/2011).
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro nl
Beknopte omschrijving initiatief Het plangebied is gelegen in het zuidoosten van de dorpskern Kessel en meer specifiek gelegen aan het Veersepad 13, op het perceel kadastraal bekend als Kessel, sectie E, nummer 353. Het plangebied wordt aan de zuidoostzijde begrensd door de Maas en heeft een oppervlakte van circa 2.635 m 2. Het voornemen bestaat om de bestaande woning op deze locatie te slopen en ter plaatse een duurzaam en levensloopbestendig zorgwonengebouw te realiseren met 13 wooneenheden en op de begane grond gemeenschappelijke voorzieningen. In de kelder van het gebouw worden parkeerplaatsen gerealiseerd voor gezamenlijk gebruik en in de voortuin worden aanvullende parkeerplaatsen gerealiseerd. De tuin is verder bedoeld voor gebruik als gemeenschappelijke tuin met ruimte voor een bijgebouw van maximaal 100 m2. De nieuwbouw heeft een voetprint van ongeveer 810 m 2. Toets m.e.r-plicht Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.
het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van een zorgwonengebouw met 13 appartementen en gemeenschappelijke ruimten. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.4 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.
Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te
1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.