2021-061 04 Toelichting, incl. Aeriusberekeningen gebruik en aanleg en Geurberekening voorgrond.pdf
Tekst van het document
Document:
Bestemmingsplan “Breestraat ong. Maasbree”
IDN:
NL.IMRO.1894.BPL0246-ON01
Status:
Concept
Datum:
19 april 2021
Aanvrager:
Gemeente Peel en Maas
Auteur:
ing. N.A.H van den Ekker
Bureau Leefomgeving Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
4.
5.
6.
INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3
1.2
Plangebied en begrenzingen ...................................................................................................................................................................... 3
1.3
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 4
HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................6 2.1
Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 6
2.2
Ruimtelijke structuur.................................................................................................................................................................................... 6
2.3
Functionele structuur................................................................................................................................................................................... 7
PLANBESCHRIJVING .......................................................................................................................................8 3.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan................................................................................................................................. 8
3.2
Landschappelijke inpassing ......................................................................................................................................................................... 8
BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 10 4.1
Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 10
4.2
Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 13
4.3
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 18
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ............................................................. 21 5.1
Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 21
5.2
Kabels en leidingen ..................................................................................................................................................................................... 30
5.3
Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 30
5.4
Waterhuishouding...................................................................................................................................................................................... 32
5.5
Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 34
5.6
Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 35
5.7
Volksgezondheid ......................................................................................................................................................................................... 36
JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 37 6.1
Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 37
6.2
Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 37
7.
HANDHAVING ................................................................................................................................................ 40
8.
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE ................................................................................................... 41 8.1
Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 41
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 41
8.3
Procedure....................................................................................................................................................................................................... 42
Concept
1
BIJLAGEN Bijlage 1: Berekeningen voorgrondbelasting Bijlage 2: AERIUS-berekeningen Separate bijlagen: ▪ Landschappelijk inpassingsplan (Van den Broek) ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep) ▪ Akoestisch onderzoek (HMB Groep) ▪ Flora- en faunainspectie (Faunaconsult)
Concept
2
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas, aan de Breestraat in Maasbree, naast de bestaande woning met huisnummer 8.
Afbeelding 1.Locatie beoogde Ruimte voor Ruimtewoning
Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” is de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning niet toegestaan. De ontwikkeling voldoet echter wel aan de overige provinciale en gemeentelijke beleidskaders. De gemeente Peel en Maas heeft daarom in principe medewerking toegezegd aan de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning op deze locatie. Om de Ruimte voor Ruimtewoning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt aan de beoogde locatie voor de Ruimte voor Ruimtewoning een woonbestemming met bouwrecht toegekend.
1.2
Plangebied en begrenzingen
De locatie is gelegen in het buitengebied van Maasbree, in de noordwestelijke hoek van de Breestraat met de Breukerheideweg. De locatie wordt in het oosten en zuiden dan ook begrensd door wegen. In het noorden ligt de locatie tegen de woning Breestraat 8 aan. In het westen grenst de locatie aan landbouwgrond met daarachter het agrarisch bedrijf aan de Breukerheideweg 5.
Concept
3
Afbeelding 2. Luchtfoto van het plangebied en omgeving
Het perceel waarop de Ruimte voor Ruimte woning is beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Maasbree, sectie T en nummer 677. Deze locatie wordt in het vervolg aangeduid als “het plangebied”. Het plangebied bevindt zich circa 450 meter ten zuiden van de kern Maasbree. Het plangebied is thans onbebouwd en in gebruik als landbouwgrond.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingplan “Buitengebied Peel en Maas” (vastgesteld d.d. 5 februari 2013 en gedeeltelijk opnieuw vastgesteld bij het besluit van 5 november 2013) en is bestemd als ‘Agrarisch’. Daarnaast is de locatie voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 5’ en van de gebiedsaanduidingen ‘provinciale ontwikkelingszone groen’, ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’, reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en wro-zone – wijzigingsgebied 2 ko’.
Concept
4
Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas”, met plangebied rood omlijnd
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig gebruik. Op de als zodanig bestemde gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. De voor ‘Waarde – Archeologie – 5’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Indien bij een ontwikkeling de grond voor een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 dieper dan 40 cm wordt verstoord is eerst archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het niet mogelijk op om binnen het plangebied een Ruimte voor Ruimtewoning te realiseren. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn niet bestemd voor woondoeleinden en er ontbreekt de mogelijkheid tot het oprichten van gebouwen.
Concept
5
2.
HUIDIGE SITUATIE
2.1
Algemeen
Het plangebied waar de Ruimte voor Ruimtewoning beoogd is, is gelegen ten zuiden van de kern Maasbree. Maasbree maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas, en is gelegen in het noordoosten van deze gemeente. Ruim 5.000 inwoners bevolken de kern.
Afbeelding 4. Ligging plangebied ten opzichte van omgeving
2.2
Ruimtelijke structuur
Het plangebied is gelegen aan de Breestraat. De Breestraat vormt een zijweg van de Provincialeweg (N275) die de zuidelijke grens vormt tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Het buitengebied van Maasbree kenmerkt zich als een agrarisch gebied bestaande uit landbouwgrond en agrarische bedrijvigheid. Het landschap in de omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door het kleinschalige half open ontginningslandschap. Met behulp van de ontginning zijn de natte en minder gunstige hoge akkers ontgonnen. Het half open ontginningslandschap bestaat uit een landschap met veel bos, afwisselend weilanden en akkers en onverharde wegen en bospaden. Het patroon van de wegen is afwisselend recht en gebogen.
Concept
6
Afbeelding 5. Impressie Breestraat
Afbeelding 6. Impressie Breukerheideweg (zijde van het plangebied)
Ten oosten van het plangebied is de Breukerheide gelegen. Dit bosgebied vormt samen met de bosgebieden Dubbroek, de Kraijelheide, Koelbroek en de Blerickse Bergen een aaneenschakeling van kleine bosgebieden, graslanden en natuurakkers met daartussen kleinschalige landbouw en kleine buurtschappen. De Breukerheide is een bosgebied met hoofdzakelijk naaldhout.
2.3
Functionele structuur
In het buitengebied van Maasbree overheerst de agrarische functie. In het buitengebied zijn onder andere (intensieve) veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en andere agrarisch bedrijven gelegen. De onbebouwde agrarische percelen zijn in gebruik als akker- of weiland. Daarnaast liggen in het buitengebied verspreid liggende burgerwoningen. In de omgeving zijn ook veel bosgebieden gelegen waardoor de natuurfunctie prominent aanwezig is.
Afbeelding 7. Impressie plangebied
Afbeelding 8. Impressie Breukerheideweg tegen bosgebied de Breukerheide aan‘
Aan de Breestraat is sprake van verspreid liggende bebouwing bestaande uit agrarische bedrijvigheid afgewisseld met burgerwoningen. De onbebouwde gronden tussen deze agrarische bedrijven en burgerwoningen in zijn in agrarisch gebruik als zijnde akkergrond. Ten noorden van het plangebied, op een afstand van ca 450 meter, ligt de bebouwde kom van Maasbree. In de bebouwde kom overheerst de woonfunctie. Het centrum van Maasbree is gelegen aan de Dorpstraat en bestaat uit diverse winkels, horecavoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen.
Concept
7
3.
PLANBESCHRIJVING
3.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken een nieuwe Ruimte voor Ruimtewoning met bijgebouwen op te kunnen richten aan de Breestraat, direct ten zuiden van de woning met huisnummer 8. De woning zal worden gerealiseerd op een bouwkavel met een oppervlakte van 1.000 m2. De woning mag worden opgericht met een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 9 meter. De inhoud van de woning, inclusief bijgebouwen, mag maximaal 1.250 m3 bedragen. Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet één specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. De voorgevel van de Ruimte voor Ruimtewoning is gelegen op een afstand van 7,5 meter vanaf de perceelgrens. Hiermee is aangesloten bij de rooilijn van de eerder opgerichte Ruimte voor Ruimtewoning aan de overzijde van de weg (met huisnummer 5b).
3.2
Landschappelijke inpassing
Voor het oprichten van de Ruimte voor Ruimtewoning is een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld, waarmee is gegarandeerd dat de woning op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omringende landschap. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van 1.000 m2. Dit betekent dat er ten minste 100 m2 als groen zal moeten worden ingericht en dat er voldoende aandacht dient te zijn voor voorkomen van problematiek van hemelwater. Als basiskwaliteit wordt een inheemse beukenhaag rondom het perceel geplant. Met deze beukenhaag blijft de bebouwing wat meer uit het zicht. Deze haag (Fagus sylvatica) krijgt een lengte van 180 meter en de breedte zal uitkomen op 50 cm (90 m2). Daarnaast komt er een grote waterpoel voor de opvang van het hemelwater (30 m2). Het hemelwater van de nieuw te bouwen woning zal infiltreren binnen het plangebied door middel van deze waterpoel.
Normaal gesproken dient er maximaal 1000 m3 aan gebouwen gebouwd te worden, echter in dit geval is sprake van een overschrijding van 250 m3. Hierdoor is een aanvullende kwaliteitsverbetering benodigd. Voor 1 m3 geldt een bijdrage van 15 euro. Dit is 250 x 15 euro = €3.750,- voor de gehele overschrijding. Uitgaande van €6,- per m2 dient de aanvullende kwaliteitsbijdrage in totaal 625 m2 te bedragen (3.750/6). Als aanvullende kwaliteit wordt een groot bosplantsoen aangelegd van 535 m2. Daarnaast worden vijf leibomen, zes solitaire bomen en vijf fruitbomen geplant.
1
Van den Broek, Landschappelijke kwaliteitsbijdrage, 8 maart 2021
Concept
8
Afbeelding 9. Landschappelijke inpassing van het plangebied
De landschappelijke inpassing is niet alleen binnen de woonbestemming beoogd maar ook daarbuiten (zie afbeelding 9). Ter plaatste van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing breestraat ong.’ is de landschappelijke inpassing beoogd. Met deze landschappelijke inpassing wordt er een landschappelijke inpassing van 725 m2 gerealiseerd. Hierdoor wordt voldaan aan de eisen uit het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas.
Concept
9
4.
BELEIDSKADER
In dit hoofdstuk worden de voor het plangebied en de ontwikkeling relevante beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Peel en Maas.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Concept
10
Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 4.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de Rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ de bereikbaarheid verbeteren; ▪ zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten hebben in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte.
Provincies en gemeenten zijn volgens het Rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning.
Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten. Het Rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere Rijksbelangen. Op dit bestemmingsplan zijn geen directe Rijksdoelen betrokken. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen in het licht van het initiatief (zie hoofdstuk 5). Uit de beoordeling blijkt dat het initiatief geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van bodem, water en lucht. Verder heeft het gestelde in dit bestemmingsplan uitsluitend betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. Het initiatief is op nationaal niveau van een ondergeschikte omvang. Vanuit de SVIR bestaan er derhalve geen belemmeringen, provinciale belangen zijn vastgelegd in het POL2014.
Concept
11
4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.
Met het oprichten van de Ruimte voor Ruimtewoning worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is geen sprake van een gebiedsreservering. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.4 Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Allereerst dient er sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling'.
Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr. 201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals de Ruimte voor Ruimteregeling, worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting bij de wijziging van art. 3.1.6 Bro (Staatsblad 2017, 182).
Concept
12
Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat de toevoeging van één Ruimte voor Ruimtewoning in Maasbree evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft in dit geval dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het POL2014 vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden. Het POL2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij de aanpak van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal.
Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het landelijk gebied in Limburg is heel aantrekkelijk. Dat wil de provincie graag zo houden. Niet voor niets is een leidend principe in dit POL “meer stad, meer land”. Reden om bijzonder terughoudend te zijn met nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied.
Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), biodiversiteitsopgave, waterkwaliteitsopgave en opgaven in de watervoorziening. Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn, zoals de land- en tuinbouw, deels intensief en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties. En daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie. Ook het leegstandsvraagstuk speelt nadrukkelijk in het landelijk gebied, vooral in Noord- en Midden-Limburg. Daar wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. De kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in steden en dorpen. Het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het landelijk gebied voor toerisme en recreatie betekent overigens niet alleen dat agrariërs rekening houden met toeristen en burgers, maar zeker ook dat burgers worden aangesproken op begrip voor de bedrijfsvoering van agrariërs.
Concept
13
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Bebouwd gebied
Zone Stedelijk centrum
Overig bebouwd gebied
Landelijk gebied
Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone
Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Afbeelding 10. Zonering POL2014
Het plangebied is voor een deel gelegen in de zone ‘Buitengebied’ en voor een deel in de zone ‘Bronsgroene landschapszone’. De zone ‘Buitengebied’ omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ Kwaliteit en functioneren ondergrond.
Concept
14
Met betrekking tot wonen zijn de beleidsopgaven in het buitengebied als volgt: balans in de woningvoorraad en behoud en hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, met oog voor het op peil houden van de leefbaarheid en identiteit. In het buitengebied is in principe geen plaats meer voor woningbouw (met uitzondering van noodzakelijke bedrijfswoningen). Nieuwbouw vindt alleen nog binnen bestaand bebouwd gebied plaats. Daarnaast mogen (voormalig agrarische) gebouwen in het buitengebied worden omgezet naar of vervangen door woningen. In het voorliggende geval is sprake van een Ruimte voor Ruimtewoning in ruil waarvoor reeds stallen zijn gesloopt en mest- en ammoniakrechten zijn ingeleverd. De ontwikkeling is hiermee passend binnen de zone ‘buitengebied’. De zone ‘Bronsgroene landschapszone’ betreffen de beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap en omvat ook het winterbed van de Maas. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Kwaliteit en functioneren regionaal watersysteem; ▪ Ontwikkeling landbouw in balans met omgeving; ▪ Versterken kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie; ▪ Recreatief medegebruik.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling binnen de bronsgroene landschapszone dienen de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten beschreven te worden, alsmede een motivering hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijke karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Deze zijn aangeduid in het Landschapskader Noord- en Midden Limburg. Blijkens de bij het Landschapskader behorende kaart ligt het plangebied in ‘Beekdal’. De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. De belangrijkste kwaliteiten in dit landschapstype worden gevormd door de lagere ligging en de nattere gronden. Een beekdal wordt gekenmerkt door een halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. De verkaveling in deze gebieden is kleinschalig en onregelmatig of in strokenverkaveling loodrecht op de beek. De wegen lopen parallel aan het beekdal op de hogere en drogere zandgrond. De ontwikkelvisie van dit landschapstype is gericht op het ontwikkelen van de beekdalen tot herkenbare, structurerende elementen in het landschap. Dit is van belang voor de leesbaarheid van het landschap, het waterbeheer, recreatie en de natuur en ecologische verbindingen.
Bebouwing dient voornamelijk te worden opgericht in bestaande bebouwingsstructuren (de bestaande linten en kernen).
Concept
15
Afbeelding 11. Uitsnede kaart Landschapskader Noord- en Midden-Limburg
Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimtewoning in het buitengebied van Maasbree. De Ruimte voor Ruimte woning is beoogd in het bestaande lint van de Breestraat en doet daarmee gaan afbreuk aan de landschapselementen van het beekdal. Gesteld kan worden dat het landschap juist wordt versterkt door de woning landschappelijk in te passen. Met de aanwezige landschappelijke kwaliteiten wordt dan ook rekening gehouden met de inrichting en inpassing van het plangebied. Conclusie Over Ruimte voor Ruimtewoningen worden in het POL2014 geen beleidslijnen aangegeven. Wel wordt opgemerkt dat de in 2011 gemaakte afspraken tussen de provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte C.V. door het POL niet worden gewijzigd. De ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning is mogelijk op basis van afspraken die voor het inwerkingtreden van het POL2014 reeds zijn gemaakt en op basis daarvan niet in strijd zijn met het provinciaal beleid. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen.
De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019.
Concept
16
Wat betreft woningen wordt in artikel 2.4.2 lid 1 van de Omgevingsverordening bepaald dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Uit een brief2 van de provincie Limburg van 14 juni 2017 blijkt echter dat de realisatie van Ruimte voor Ruimtewoningen een op zichzelf staande opgave is. Deze woningen mogen additioneel op de taakstelling in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg gerealiseerd worden. Zoals hierboven is beschreven past de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimtewoning binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 4.2.3 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Peel en Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld.
Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Peel en Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 156 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Peel en Maas de gestelde opgave heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren.
Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.
2 Provincie Limburg, brief aan alle Limburgse gemeenten m.b.t. Ruimte voor Ruimte, kenmerk 2017/42236, 14 juni 2017
Concept
17
Het initiatief betreft de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning, naar aanleiding van de vraag naar dergelijke specifieke woningen. Volgens de Regionale Woonvisie is aansluiting op de vraag van de consument noodzakelijk (de marktvraag). Woningen zijn in de huidige woningmarkt alleen af te zetten wanneer deze qua prijs, locatie en kwaliteit aansluiten bij de vraag van de kritische consument. Dit is niet alleen in het voordeel van de consument, maar ook in het belang van de verschillende belanghebbenden op de woningmarkt (gemeente en marktpartijen). De betrokken gemeenten voegen in principe alleen plannen toe die aansluiten bij de kansrijke segmenten (passend binnen regionale en lokale kwalitatieve woningbehoefte). Daarnaast betreft het voorliggende initiatief een Ruimte voor Ruimtewoning. De realisatie van Ruimte voor Ruimtewoningen is een op zichzelf staande opgave. Deze woningen mogen additioneel op de taakstelling in de Regionale Woonvisie gerealiseerd worden. Het initiatief is daarom niet in strijd met de Regionale Woonvisie.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De gemeente Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor: 1. Zogenaamde win-win situaties; 2. Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale gemeenschappen; 3. Verzoeken die die passen binnen de Ruimte voor Ruimteregeling; 4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden; 6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Een van de voorwaarden betreft het ontwikkelen van een Ruimte voor Ruimtewoning, waarvan in dit geval sprake is.
De volgende voorwaarden worden door de gemeente aan een Ruimte voor Ruimtewoning gesteld: a) de bouwkavel heeft een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 b) toepassing wordt gegeven aan de basiskwaliteit (inpassing) uit het gemeentelijk kwaliteitskader en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De oppervlakte van de bouwkavel waarbinnen de Ruimte voor Ruimtewoning ontwikkeld zal worden bedraagt 1.000 m2. Er wordt voldaan aan deze voorwaarde. Voor wat betreft de basisinpassing wordt verwezen naar de volgende paragraaf. 4.3.2 Structuurvisie buitengebied en kwaliteitskader In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie.
Concept
18
De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid. Het plangebied is volgens de structuurvisie gelegen in de zone ‘kleinschalig half open ontginningslandschappen’. De kleinschalige halfopen ontginningslandschappen zijn ontstaat op gronden die van oudsher natter en minder gunstig waren dan de hogere akkers. Door de ontgingen en het aanplanten van bos ontstond een kleinschalig landschap met veel bos, heideterreintjes, velden en daardoorheen paden. Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbetering. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing. Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing er is sprake van Basiskwaliteit.
Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. De verplichting voor de landschappelijke inpassing van een Ruimte voor Ruimtewoning komt uit de beleidsregel “Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018”. De te hanteren richtlijn voor de inpassing sluit aan bij de Basiskwaliteit. Dat betekent dat 10% van het bouwvlak voor de Ruimte voor Ruimtewoning moet worden ingepast met groen. De oppervlakte van het bouwvlak voor de Ruimte voor Ruimtewoning bedraagt 1.000 m2. De inpassingseis bedraagt derhalve 100 m2. Daarnaast wordt in totaal bebouwing opgericht met een inhoud van 1.250 m3. Er dient derhalve nog een aanvullende kwaliteitsverbetering geleverd te worden van 625 m2. De landschappelijke inpassing (zie paragraaf 3.2) heeft een omvang van 725 m2. Daarmee wordt voldaan aan de eis uit de structuurvisie en het kwaliteitskader. 4.3.3 Kaderstelling Ruimte en Economie In november 2017 is de notitie ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Ruimte en Economie vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente.
Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. De economische crisis heeft partijen (overheid, ondernemers, inwoners) geleerd naar mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatismen en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en in partnership. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol. Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: ▪ van Individueel naar Samen; ▪ van Omgevingskwantiteit naar Omgevingskwaliteit; ▪ van Lineair naar Circulair; ▪ van Gesloten naar Open; ▪ van Consumeren naar Beleven;
Concept
19
▪ van beheersen naar ruimte geven en vertrouwen; ▪ van overheidssturing naar omgevingssturing. Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven. De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud voor de programmadoelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Ruimte betreft het dan de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving’. Voor de onderhavige ontwikkeling is binnen het thema ruimte het navolgende programmadoel relevant: Wonen duurzaam in balans De gemeente Peel en Maas heeft op termijn te maken met demografische veranderingen en wel zodanig dat er sprake is van afname en veranderende samenstelling van de bevolking (vergrijzing) en daarmee veranderende samenstelling van de woningvoorraad. Dit heeft rechtstreeks gevolgen voor de vitaliteit en leefbaarheid van de kernen binnen de gemeente. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden is het zaak om samen met de samenleving het woningbestand toekomstgericht duurzaam in balans te brengen. De gemeente staat voor een duurzaam woningbestand waarin ze op een voorwaarde scheppende manier kwalitatief zorgt voor een passend woonaanbod voor iedereen en daarmee de leefbaarheid van de dorpen op peil houdt. Kernwoorden hierbij zijn dorps, levensloopbestendig en duurzaam.
De gemeente staat, samen met de samenleving, voor een duurzaam woningbestand waarin er wordt gezorgd voor een passend woonaanbod voor iedereen. Daarmee wordt de leefbaarheid van onze dorpen op peil gehouden en wordt er ruimte gemaakt voor passende nieuwbouwplannen. De plancapaciteit zal daarom worden afgestemd op de natuurlijke behoefte voor Peel en Maas, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de vastgestelde Regionale structuurvisie Wonen. Met onderhavig initiatief wordt één Ruimte voor Ruimtewoning opgericht in Maasbree. In de gemeente Peel en Maas is een vraag naar Ruimte voor Ruimtewoningen. De gemeente geeft aan dat de woningen passend dienen te zijn binnen de Regionale structuurvisie. In de Regionale structuurvisie Wonen is opgenomen dat bij woningbouwinitiatieven aansluiting kan worden gezocht bij de marktvraag. In de gemeente Peel en Maas is vraag naar Ruimte voor Ruimtewoningen, het initiatief past zowel binnen het beleid van de gemeente Peel en Maas als binnen de Regionale structuurvisie.
Concept
20
5.
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN
Met de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1
Milieuaspecten
5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe woonfunctie. Daarom is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek3 conform NEN 5740 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie verdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging met OCB. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 waarbij de onderzoeksstrategie voor een verdachte heterogene niet-lijnvormige locatie (VED-HE-NL) is gecombineerd met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” stand houdt aangezien lichte verontreinigingen met alfaendosulfan en DDD zijn aangetoond. In het grondwater zijn lichte verontreiniging met barium, cadmium en nikkel aangetoond.
De lichte verontreinigingen met alfa-endosulfan en DDD kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden aan het (voormalige) agrarische gebruik van de onderzoekslocatie. Voor de lichte verontreinigingen met metalen (barium, cadmium en nikkel) in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreiniging in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreft. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen.
Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven.
3
HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek, Breestraat (ong.) Maasbree, 3 maart 2021, kenmerk: 21214101A
Concept
21
Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden deze twee verschillende omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die standaard uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Rondom het plangebied liggen namelijk diverse functies, voornamelijk woningen afgewisseld met agrarische bedrijven met daartussen andersoortige bedrijven c.q. functies. In geval van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit indicatieve bedrijvenlijst – zonder dat dit ten koste van het woon- en leefklimaat – met één afstandsstap worden verkleind.
Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Breestraat 7, afstand tot het plangebied 30 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Breestraat 10, afstand tot het plangebied 30 meter; ▪ Niet-grondgebonden agrarisch bedrijf Breukerheideweg 5, afstand tot het plangebied 45 meter; ▪ Paardenhouderij Breestraat 3, afstand tot het plangebied 88 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Breestraat 4, afstand tot het plangebied 110 meter; ▪ Glastuinbouwbedrijf Breestraat 5, afstand tot het plangebied 130 meter; ▪ Glastuinbouwbedrijf Leemvenweg 5-5a, afstand tot het plangebied 130 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Schuttenbos 8-8a, afstand tot het plangebied 130 meter; ▪ Niet-agrarisch verwant bedrijf Leemvenweg 7, afstand tot het plangebied 150 meter; Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, boomkwekerij (melk)rundveehouderij of een paardenhouderij.
Voor een akkerbouwbedrijf of boomkwekerij (Akkerbouw en fruitteelt) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 0 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Voor een (melk)rundveehouderij (Fokken en houden van rundvee) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 50 m ▪ stof: 10 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Voor een paardenhouderij (Paardenfokkerijen) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 30 m ▪ stof: 10 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m
Concept
22
Aan de richtafstanden van een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt voldaan, met uitzondering van de richtafstand voor het aspect geur in het geval van een (melk)rundveehouderij voor de locaties Breestraat 7 en 10. Op deze locaties zijn thans geen veehouderijen gevestigd, waardoor feitelijk wél voldaan wordt aan alle richtafstanden. Op deze locaties is het daarnaast niet mogelijk een veehouderij op te richten vanwege de korte afstand tot de omliggende woningen. De richtafstand van een paardenhouderij bedraagt 30 meter (geur) en 10 meter (stof en geluid). Aan de afstand van een paardenhouderij wordt voldaan voor de paardenhouderij aan de Breestraat 3. Voor een glastuinbouwbedrijf (kassen zonder verwarming/ kassen met gasverwarming) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst minimaal de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 0 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Aan de richtafstanden van een glastuinbouwbedrijf worden ruimschoots voldaan. Een niet-grondgebonden bedrijf heeft betrekking op een champignonkwekerij of een viskwekerij.
Voor een viskwekerij (visteeltbedrijven) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 30 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 0 m Voor een champignonkwekerij (champignonkwekerijen (algemeen)) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 10 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Aan de richtafstanden van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf wordt voldaan. Het niet-agrarisch verwant bedrijf betreft een bedrijf in de houtbewerking en handel in hout en houtproducten. Voor een houtbewerkingsbedrijf (Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 0 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Aan de richtafstanden van een houtbewerkingsbedrijf worden ruimschoots voldaan. Conclusie Er wordt voldaan aan de alle richtafstanden. Omliggende milieubelastende functies vormen daarmee geen belemmering voor de nieuwe woning.