2021-057 17 BIJLAGE Inventariserend archeologisch onderzoek uitbreiding Traffic Port 2021 Econsultancy.pdf
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK UITBREIDING TRAFFIC PORT 2021 OLIVIER VAN NOORTWEG (ONG.) TE MAASBREE GEMEENTE PEEL EN MAAS
archeologisch onderzoek uitbreiding Traffic Port 2021 Olivier van Noortweg (ong.) te Maasbree Opdrachtgever
Tradeport OG Postbus 2760 5902 MB Venlo
Rapportnummer
13083.002
Versienummer1
1
Datum
30 juni 2020
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
Dhr. drs. J. Holl
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Dhr. drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
13083.002
Toponiem
Olivier van Noortweg (ong.)
Opdrachtgever
Tradeport OG
Gemeente
Peel en Maas
Plaats
Maasbree
Provincie
Limburg
Kadastrale gegevens
Gemeente Maasbree, sectie S, nummers 470, 491, 492 701, 737, 738 en 741
Omvang onderzoeksgebied
circa 4800 m2
Kaartblad
52 G (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 202.628/Y: 378.580
Bevoegde overheid
Gemeente Peel en Maas Postbus 7088 5980 AB Panningen
T. 077-3066666 E. info@peelenmaas.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
ArchAeO Archeologische Advisering en Ondersteuning Rapelenburglaan 9 5654 AP Eindhoven
Dhr. Drs. F.P. Kortlang T. 06-22505236 E. advies@archaeo.nl
ARCHIS3
4870663100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg
Uitvoerders
Econsultancy, dhr. drs. J. Holl & dhr. P.H. de Heer (stagiair Saxion Hogeschool)
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Tradeport OG een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Olivier van Noortweg (ong.) te Maasbree in de gemeente Peel en Maas. Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de geplande uitbreiding van het bedrijventerrein Traffic Port Venlo. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek In het eerder uitgevoerde bureauonderzoek is de volgende verwachting opgesteld: De losse vondsten uit het Paleolithicum die in de directe omgeving van het plangebied en in het zuiden van het plangebied zijn gevonden, toont aan dat er vanaf het Paleolithicum al mensen door het gebied trokken. Op de helling van de zandrug in het plangebied kunnen mogelijk resten van een kampement uit deze periode worden gevonden. Mogelijk aanwezige sporen worden direct onder de bouwvoor (binnen 50 cm -Mv.) verwacht. Daarnaast kunnen ook resten van jachtattributen en werktuigen als losse vondsten op het maaiveld gevonden worden. Uit de bekende archeologische gegevens blijkt dat er in de omgeving van het plangebied verschillende vindplaatsen uit de Romeinse tijd en de metaaltijden zijn aangetroffen. Hierdoor is niet uit te sluiten dat er binnen het plangebied ook resten uit deze periode worden aangetroffen.
Tevens blijkt uit onderzoek ten noorden van het plangebied dat het niet valt uit te sluiten dat er in het plangebied nog resten van landinrichting in de LateMiddeleeuwen en/of Nieuwe tijd aanwezig zijn. Resultaten inventariserend veldonderzoek Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat de bodem omgewerkt is tot in de C-horizont (50 à 70 cm -mv). In boring 5 is deze horizont afgedekt door een laagje lichtgrijsbruin zand dat mogelijk een pakket stuifzand betreft. In veel boringen is een 10 à 30 cm dikke, lichtgrijs/donkergrijs gevlekte laag aangetroffen die een verstoord restant van de C-horizont (of in boring 5 van de stuifzandlaag) betreft. Theoretisch zouden onder het stuifzandniveau archeologische resten van voor de Middeleeuwen kunnen voorkomen.. Indien dit inderdaad een stuifzandlaagje betreft, zou in dit geval echter het gehele onderliggende podzolprofiel reeds uitgestoven zijn. Bovendien is het mogelijke stuifzandlaagje slechts in één boring aangetroffen. Op basis van deze gegevens wordt de kans klein geacht dat ter plaatse nog behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Conclusie en advies Op basis van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.
Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Peel en Maas), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13083.002 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1 1.1
2
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ................................................................................ 2 2.1 2.2 2.3
3
Resultaten vooronderzoek ................................................................................................ 1
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Resultaten ......................................................................................................................... 3
CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................... 4
LITERATUUR ........................................................................................................................................ 5 BRONNEN ............................................................................................................................................ 5
Rapport 13083.002 versie 1
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied op de Bonnekaart uit circa 1900 Boorpuntenkaart Foto representatieve boring (boring 3) Foto en beschrijving noordprofiel uit profielputje
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMZ-cyclus Boorprofielen
Rapport 13083.002 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Tradeport OG een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Olivier van Noortweg (ong.) te Maasbree in de gemeente Peel en Maas (zie figuur 1, 2 en 3). Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de geplande uitbreiding van het bedrijventerrein Traffic Port Venlo. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 2). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 3). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni 2020 door drs. J. Holl (senior KNA Prospector) en P.H. de Heer (stagiair Saxion Hogeschool). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). 1.1
Resultaten vooronderzoek
Het onderzoeksgebied ligt in een zone met een middelhoge verwachtingswaarde op de gemeentelijke beleidskaart (zie figuur 4). Voor dergelijke gebieden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 40 cm -mv. In april 2019 is door Arcadis een bureauonderzoek uitgevoerd voor het gehele plangebied (circa 7,6 ha).3 Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat het plangebied in een dekzandgebied met ruggen en vlaktes ligt (zie figuur 5), waar een goed ontwaterde veldpodzol aanwezig is. Het plangebied bevindt zich op de noordoostelijke flank van een dekzandrug die overgaat in een vlakte. In het plangebied liggen geen AMK-terreinen, er zijn wel sporen en vondsten bekend uit de IJzertijd en de Nieuwe tijd in het onderzoeksgebied (zie figuur 6). Een paar kilometer ten oosten en zuiden van het plangebied liggen twee grote AMK-terreinen met sporen uit verschillende perioden vanaf het Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd. Ten noorden van het plangebied is door RAAP in 2018 een proefsleuvenonderzoek/ opgraving uitgevoerd waarbij een schaapskooi en sporen van landinrichting zijn aangetroffen. In het plangebied zelf is nog geen onderzoek uitgevoerd. Het plangebied is vanaf waarschijnlijk de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd tot heideveld ontwikkeld. Tot het eerste kwart van de vorige eeuw is het plangebied als zodanig behouden (zie figuur 7).
De volgende gespecificeerde verwachting is opgesteld: De losse vondsten uit het Paleolithicum die in de directe omgeving van het plangebied en in het zuiden van het plangebied zijn gevonden, toont aan dat er vanaf het Paleolithicum al mensen door het gebied trokken. Op de helling van de zandrug in het plangebied kunnen mogelijk resten van een kampement uit deze periode worden gevonden. Mogelijk aanwezige sporen worden direct onder de bouwvoor (binnen 50 cm -Mv.) verwacht. Daarnaast kunnen ook resten van jachtattributen en werktuigen als losse vondsten op het maaiveld gevonden worden. Uit de bekende archeologische gegevens blijkt dat er in de omgeving van het plangebied verschillende vindplaatsen uit de Romeinse tijd en de metaaltijden zijn aangetroffen. Hierdoor is niet uit te sluiten dat er binnen het plangebied ook 3
De Jongh, 2019.
Rapport 13083.002 versie 1
Pagina 1 van 5
resten uit deze periode worden aangetroffen. Tevens blijkt uit onderzoek ten noorden van het plangebied dat het niet valt uit te sluiten dat er in het plangebied nog resten van landinrichting in de LateMiddeleeuwen en/of Nieuwe tijd aanwezig zijn. Op basis van deze verwachting is geadviseerd om in het zuidwesten van het plangebied (de zone met een middelhoge verwachting op de gemeentelijke verwachtingskaart) een verkennend booronderzoek uit te voeren, waarbij 4 boringen geplaatst worden. Bij het aantreffen van indicaties voor archeologische vindplaatsen is geadviseerd door te starten naar een karterend booronderzoek met 12 boringen binnen het plangebied. Deze zone met middelhoge verwachting betreft het huidige onderzoeksgebied. Om een beter landschappelijk beeld te krijgen is wat afgeweken van het advies en zijn zes verkennende boringen geplaatst, aangevuld met een profielput.
2
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats. 2.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 18 juni 2020 door drs. J. Holl (senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) zes boringen tot maximaal 1,1 m -mv gezet (figuur 8). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 4 De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het PvA ging uit van het plaatsten van karterende boringen indien archeologisch kansrijke lagen werden aangetroffen. Deze zijn echter niet aangetroffen, waardoor karterende boringen niet zijn geplaatst.
In het midden van het onderzoeksgebied is een profielputje van 1 bij 1 m tot 85 cm -mv gegraven, waarbij het noordelijke profiel is gefotografeerd en gedocumenteerd.
4
Bosch, 2005.
Rapport 13083.002 versie 1
Pagina 2 van 5
2.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 3 weergegeven. In figuren 9 en 10 zijn foto’s van respectievelijk een representatieve boring (3) en het noordprofiel van het profielputje weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: De natuurlijke ondergrond bestaat uit zeer fijn, matig siltig zand met wat roestvlekken. Dit betreft het verwachte dekzandpakket. In alle boringen is alleen een lichtgrijze C-horizont aangetroffen. De top hiervan bevindt zich op 50 à 90 cm -mv (26,2 à 26,6 m NAP). In boring 5 is hierboven nog een 20 cm dikke laag lichtgrijsbruin, zwak siltig, zeer fijn zand aangetroffen. Dit betreft vermoedelijk een laagje stuifzand. De top hiervan bevindt zich op 26,4 m NAP. Op basis van het bureauonderzoek vonden vanaf de Middeleeuwen zandverstuivingen plaats in het gebied. Hierboven bevindt zich in de boringen 1, 3, 4, 5 en 6 een 10 à 30 cm dikke laag zeer fijn tot matig fijn, matig siltig zand. Over het algemeen is sprake van lichtgrijs zand met veel donkergrijze vlekken en in boring 4 van donkergrijs zand met veel lichtgrijze vlekken. Deze laag betreft een verstoord restant van de C-horizont, en in boring 5 van de top van het vermoede stuifzand. De bovenste 40 à 50 cm bestaat uit een pakket matig fijn, matig siltig, matig humeus zand.
Dit zand is donkergrijsbruin van kleur en bevat in boring 2 lichtgrijze vlekken. Deze laag is geïnterpreteerd als de bouwvoor, grotendeels gehomogeniseerde laag die het resultaat is van ploegen. Het opgenomen noordprofiel uit het profielputje laat een vergelijkbaar beeld zien. Wel zijn in het profiel twee lagen te herkennen in de bouwvoor, waar de bovenste laag wat vlekkeriger is. Dit onderscheid is niet gemaakt in de boringen. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Aangezien de bodem verstoord is tot in de C-horizont zijn geen karterende boringen geplaatst, die gericht zouden zijn op het opsporen van archeologische resten.
Rapport 13083.002 versie 1
Pagina 3 van 5
3
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging op de flank van een dekzandrug de kans hierop. Daarom is een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek direct gecombineerd met de karterende fase uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat de bodem omgewerkt is tot in de C-horizont (50 à 70 cm -mv). In boring 5 is deze horizont afgedekt door een laagje lichtgrijsbruin zand dat mogelijk een pakket stuifzand betreft. In veel boringen is een 10 à 30 cm dikke, lichtgrijs/donkergrijs gevlekte laag aangetroffen die een verstoord restant van de C-horizont (of in boring 5 van de stuifzandlaag) betreft. Theoretisch zouden onder het stuifzandniveau archeologische resten van voor de Middeleeuwen kunnen voorkomen.. Indien dit inderdaad een stuifzandlaagje betreft, zou in dit geval echter het gehele onderliggende podzolprofiel reeds uitgestoven zijn. Bovendien is het mogelijke stuifzandlaagje slechts in één boring aangetroffen. Op basis van deze gegevens wordt de kans klein geacht dat ter plaatse nog behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Op basis van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht.
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Peel en Maas), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed5).
5 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13083.002 versie 1
Pagina 4 van 5
LITERATUUR Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Holl, 2020: Plan van Aanpak booronderzoek; Olivier van Noortweg (ong.) te Maasbree. Zwolle (Econsultancy Projectnummer 13083.002). Jongh, I de, 2019: Bureauonderzoek archeologie klaver 8 zuid, ‘s Hertogenbosch (Arcadis Archeologie Rapport 183). BRONNEN Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juni 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, juni 2020. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home SIKB; internetsite, juni 2020. https://www.sikb.nl
Rapport 13083.002 versie 1
Pagina 5 van 5
Figuur 1. Situering van het plangebied en onderzoeksgebied binnen Nederland
Olivier van Noortweg (ong.) te Maasbree. Situering van het plangebied en onderzoeksgebied binnen Nederland Legenda Plangebied Onderzoeksgebied
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied en onderzoeksgebied
Olivier van Noortweg (ong.) te Maasbree. Detailkaart van het plangebied en onderzoeksgebied Legenda Plangebied
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied en onderzoeksgebied
Olivier van Noortweg (ong.) te Maasbree. Luchtfoto van het plangebied en onderzoeksgebied Legenda Plangebied
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 6
uit De Jongh, 2019; het als ‘onderzoeksgebied’ weergegeven gebied, betreft het toenmalige onderzoeksgebied van het bureauonderzoek. 6
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 7
7
Ibid.
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 6. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 8
8
Ibid.
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 7. Situering van het plangebied op de Bonnekaart uit circa 19009
9
Ibid.
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 8. Boorpuntenkaart
Olivier van Noortweg (ong.) te Maasbree. Boorpuntenkaart
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 9. Foto representatieve boring (boring 3)
Rapport 13083.002 versie 1
Figuur 10. Foto en beschrijving noordprofiel uit profielputje
0-25:zwak siltig, matig humeus, donkergrijsbruin zand, vlekkerig, bouwvoor
25-45/50: zwak siltig, matig humeus, donkergrijsbruin zand, bouwvoor
45/50-55: zwak siltig, lichtgrijs zand, veel donkergrijze vlekken, omgewerkt
55-75: zwak siltig, lichtgrijs zand, C-horizont
Rapport 13083.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 13083.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 13083.002 versie 1
Bijlage 2
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 13083.002 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 13083.002 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 13083.002 versie 1
Bijlage 3
Rapport 13083.002 versie 1
Boorprofielen
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 13083.002 versie 1