CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-030 03 Toelichting vastgesteld inclusief bijlagen.pdf

Commissie 18 mei 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Kloosterstraat ong. Helden” ter realisatie van één Ruimte voor Ruimtewoning aan de Kloosterstraat te Helden (naast de woning Kloosterstraat 60) (2021-030)17.630 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN “Kloosterstraat ong. Helden” NL.IMRO.1894.BPL0238-VG01 Vastgesteld

Document:

Bestemmingsplan “Kloosterstraat ong. Helden”

IDN:

NL.IMRO.1894.BPL0238-VG01

Status:

Vastgesteld

Datum:

8 juni 2021

Aanvrager:

Gemeente Peel en Maas

Auteur:

ing. P.W.M. van de Ligt

Bureau Leefomgeving Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

6.

INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3

1.2

Plangebied en begrenzingen ...................................................................................................................................................................... 3

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 4

HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................6 2.1

Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 6

2.2

Ruimtelijke structuur.................................................................................................................................................................................... 7

2.3

Functionele structuur................................................................................................................................................................................... 7

PLANBESCHRIJVING .......................................................................................................................................9 3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan................................................................................................................................. 9

3.2

Landschappelijke inpassing ......................................................................................................................................................................... 9

BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 11 4.1

Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 11

4.2

Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 13

4.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 17

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ............................................................. 20 5.1

Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 20

5.2

Kabels en leidingen ..................................................................................................................................................................................... 28

5.3

Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 29

5.4

Waterhuishouding...................................................................................................................................................................................... 32

5.5

Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 33

5.6

Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 35

5.7

Volksgezondheid ......................................................................................................................................................................................... 36

JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 37 6.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 37

6.2

Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 37

7.

HANDHAVING ................................................................................................................................................ 40

8.

UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE ................................................................................................... 41 8.1

Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 41

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 41

Vastgesteld

1

8.3

Procedure....................................................................................................................................................................................................... 42

BIJLAGEN Bijlage 1: Berekeningen voorgrondbelasting Bijlage 2: AERIUS-berekeningen Separate bijlagen: ▪ Landschappelijk inpassingsplan (IKL) ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep) ▪ Akoestisch onderzoek (HMB Groep) ▪ Flora- en faunainspectie (Faunaconsult) ▪ Archeologisch onderzoek (RAAP)

Vastgesteld

2

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas, aan de Kloosterstraat in Helden, naast de bestaande woning met huisnummer 60.

Afbeelding 1. Locatie beoogde Ruimte voor Ruimtewoning in relatie tot de bebouwde kom van Helden

Op basis van het vigerende omgevingsplan “Omgevingsplan Kwistbeek” is de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning niet toegestaan. De ontwikkeling voldoet echter wel aan de overige provinciale en gemeentelijke beleidskaders. De gemeente Peel en Maas heeft daarom in principe medewerking toegezegd aan de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning op deze locatie. Om de Ruimte voor Ruimtewoning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt aan de beoogde locatie voor de Ruimte voor Ruimtewoning een woonbestemming met bouwrecht toegekend.

1.2 Plangebied en begrenzingen De locatie is gelegen aan de Kloosterstraat, tussen de woning met huisnummer 60 en het agrarisch bedrijf met huisnummer 58, op het perceel kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie W, nummer 171. Schuin tegenover de locatie, aan de overzijde van de Kloosterstraat, ligt nog een woning (met huisnummer 59).

Vastgesteld

3

De Kloosterstraat is een zijweg van de Baarloseweg, een karakteristiek bebouwingslint, evenwijdig gelegen ten zuiden van de Kwistbeek. De Baarloseweg is van oorsprong een agrarisch bebouwingslint. In de loop der jaren zijn echter een groot aantal van deze agrarische bedrijven gestopt en wordt de voormalige agrarische bebouwing anders gebruikt, voornamelijk voor woondoeleinden. Ten zuiden van de Baarloseweg ligt het open landschapscomplex van de bolle akker met daaraan grenzend de Heldense Bossen.

Afbeelding 2. Luchtfoto van het plangebied en omgeving

De locatie, in het vervolg aangeduid als “het plangebied”, bevindt zich direct ten zuiden van het bebouwingslint van de Baarloseweg (de woning Kloosterstraat 60 maakt nog onderdeel uit van het bebouwingslint), aan de rand van de bolle akker. Het plangebied is thans onbebouwd en in gebruik als moestuin c.q. akker.

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het omgevingsplan “Omgevingsplan Kwistbeek” (vastgesteld d.d. 23 juni 2020) en is bestemd als ‘Agrarisch’. Daarnaast is de locatie voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Gebiedsbestemming oude bouwlanden’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – ontwikkelingszone bebouwingslinten’ (gedeeltelijk), ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied 1 ob’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig gebruik. Op de als zodanig bestemde gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een hoge archeologische waarde. Indien bij een ontwikkeling de grond voor een oppervlakte van meer dan 250 m2 dieper dan 40 cm wordt verstoord is eerst archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Vastgesteld

4

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding omgevingsplan “Omgevingsplan Kwistbeek”, met plangebied rood omlijnd

Op de voor ‘Waarde – Gebiedsbestemming oude bouwlanden’ aangewezen gronden is de ontwikkeling mede gericht op gebruiks- en bouwactiviteiten die bijdragen aan de gestelde landschappelijke koers en functionele ontwikkelingsmogelijkheden

Vastgesteld

5

2. HUIDIGE SITUATIE

2.1

Algemeen

Het plangebied waar de Ruimte voor Ruimtewoning beoogd is, is gelegen ten oosten van de kern Helden, aan de rand van de daar aanwezige bolle akker. Helden maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas, gelegen in het noorden van Limburg. Bijna 14.000 bevolken de kern (samen met Panningen, zijnde de dubbelkern Helden-Panningen).

Afbeelding 4. Ligging plangebied ten opzichte van omgeving

Direct ten noorden van het plangebied ligt de Baarloseweg; een typerend bebouwingslint dat evenwijdig ligt aan de Kwistbeek. De lintbebouwing van de Baarloseweg vormt de fysieke ruimtelijke grens van de aangrenzende bolle akker.

Afbeelding 5. en 6. Impressie huidige situatie plangebied

Vastgesteld

6

Het plangebied ligt aan de Kloosterstraat, direct ten zuiden van het bebouwingslint van de Baarloseweg. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en in gebruik als moestuin c.q. akker.

2.2

Ruimtelijke structuur

De belangrijkste ruimtelijke structuurdrager in het landschap ter plaatse is de Kwistbeek. Aan de rand van het beekdal vestigden zich de eerste boeren. Het natte beekdal leende zich ideaal als grasland voor vee, terwijl de hogere delen zich uitstekend leenden voor akkerbouw. Door de jaren heen zijn de hogere delen steeds verder opgehoogd met mest van het vee zodat een bolle akker ontstond, tegenwoordig nog steeds duidelijk herkenbaar als open landschapscomplex. Op de overgang tussen laag en hoog werd de (agrarische) bebouwing opgericht, zo is het bebouwingslint van de Baarloseweg ontstaan. Door de jaren heen is het bebouwingslint steeds verder verdicht. Vanuit de oost-west georiënteerde Baarloseweg gaan diverse (zand)wegen in zuidelijke richting, de bolle akker in, waaronder de Kloosterstraat. De Kloosterstraat vormt een verbinding tussen de Baarloseweg en de daar gelegen buurtschappen Onder en Eindt en de bebouwde kom van Helden. Via de Kloosterstraat is er een directe verbinding met het centrum van Helden (Mariaplein).

Afbeelding 7. Bebouwing aan de Baarloseweg

Afbeelding 8. Impressie Kloosterstraat richting het zuiden

De bolle akker kenmerkt zich door de grootschalig- en openheid, de glooiende ligging en de harde ruimtelijke grenzen van de Baarloseweg en de Heldensche Bosschen. Agrarische bebouwing, gelegen aan de Baarloseweg, steekt op sommige plekken ver de bolle akker in.

2.3

Functionele structuur

Van oorsprong had de bebouwing aan de Baarloseweg een agrarische functie. Tussen de agrarische bedrijven zijn in de loop der tijd diverse burgerwoningen gebouwd. De woonfunctie in de omgeving is daarna versterkt doordat een groot deel van de agrarische bedrijven zijn gestopt en waarbij de bedrijfswoning in gebruik is genomen als burgerwoning. Ten noorden van het plangebied, aan de Baarloseweg, bevinden zich daarom nu voornamelijk woningen. Tussen de burgerwoningen zijn ook in de omgeving van het plangebied echter nog steeds enkele agrarische bedrijven gelegen, waaronder het agrarisch bedrijf Baarloseweg 19a, tegenover het plangebied.

Vastgesteld

7

Aan de Kloosterstraat is juist meer sprake van een agrarische functie. De tegenover het plangebied gelegen woning heeft een woonfunctie, de rest van de verspreid gelegen bebouwing heeft louter een agrarische functie, waaronder het ten zuiden gelegen agrarisch bedrijf Kloosterstraat 58. De onbebouwde gronden tussen deze agrarische bedrijven is ook in agrarisch gebruik als zijnde akkergrond.

Afbeelding 9. Woning Kloosterstraat 60

Afbeelding 10 Woning Kloosterstraat 59

In de ten westen van het plangebied gelegen bebouwde kom van Helden (op een afstand van circa 0,5 km) overheerst de woonfunctie. Ondersteunende voorzieningen (winkels en horeca) bevinden zich voornamelijk in het compacte centrum van Helden, op een afstand van ruim 1 km. Aan de Kloosterstraat bevinden zich ook de plaatselijke sportvelden. Op grotere afstand van het plangebied is ook de natuurfunctie aanwezig, te weten de bosgebieden bij de Kwistbeek en de Heldensche Bosschen ten zuiden van de bolle akker.

Vastgesteld

8

3. PLANBESCHRIJVING

3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken een nieuwe Ruimte voor Ruimtewoning met bijgebouwen op te kunnen richten aan de Kloosterstraat, direct ten zuiden van de woning met huisnummer 60. De woning zal worden gerealiseerd op een bouwkavel met een oppervlakte van 1.000 m2. De woning mag worden opgericht met een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 9 meter. De inhoud van de woning, inclusief bijgebouwen, mag maximaal 1.000 m3 bedragen. Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet één specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. De voorgevel van Ruimte voor Ruimtewoning is daarbij vastgelegd op de denkbeeldig doorgetrokken voorgevelrooilijn van de naastgelegen woning Kloosterstraat 60. De voorgevel van de nieuwe woning moet daarbij minimaal in dezelfde lijn komen te liggen van de woning Kloosterstraat 60, of er daarachter.

3.2 Landschappelijke inpassing Voor het oprichten van de Ruimte voor Ruimtewoning is een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld, waarmee is gegarandeerd dat de woning op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omringende landschap. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. De visie is om de bestaande beplanting te behouden en het groene kader van de nieuwe woning tot een stevige groen geheel te maken, waarmee het zich onderscheidt ten opzichte van de open akker. De bestaande Hulsthaag en de appelboom en fruitboompjes zijn een mooi begin samen met de bomen op de grond van de buren. Door de Hulsthaag aan de voorzijde te vervolmaken, iets te verlagen ontstaat er samen met de overige hagen een kader. Door nabij de woning in te zetten op een beukenhaag en verder achter richting het veld een gemengde haag is er een differentiatie tussen tuin en erf en levert de gemengde haag ook extra waarde voor de vogels. Door aan de achterzijde een aantal bomen toe te voegen, sluit het aan bij de bestaande boom en geeft het hier een rustieke dekking en kun je onder de bomen door genieten van het open veldzicht. De beeldbepalende boom aan de straatzijde vormt een eyecatcher en maakt het af.

De poel/laagte op het buurperceel geeft hier aan de rand van de akker een extensief hoekje waar water infiltreert en wat voor de akkervogels/biodiversiteit en anderen erg leuk is.

1

IKL, Definitief landschapsplan in het kader van bouw RvR woning Kloosterstraat Helden, 15 november 2020, projectnummer: 60-2020-OV023

Vastgesteld

9

Afbeelding 11. Landschappelijke inpassing van het plangebied

De aanplant heeft naast de landschappelijke inpassing ook natuurwaarden als schuil- en nestgelegenheid voor soorten. Zeker vanuit het omliggende open gebied kunnen vogels foerageerruimte vinden en zich in de struiken en bomen verschuilen. Bestaande beplanting van de Hulsthaag, appelboom en fruitboompjes wordt gehandhaafd, waarbij de Hulsthaag teruggesnoeid wordt naar 1 meter en de fruitbomen juist worden beheerd jaarlijks. Dit heeft samen een oppervlakte groen van 32 m2. De volgende elementen worden concreet aangeplant binnen het plangebied: ▪ Aanvullen Hulsthaag (5 m2) ▪ Aanplant beeldbepalende boom (4 m2) ▪ Aanplant beukenhaag (20 m2) ▪ Aanplant gemengde haag (60 m2) ▪ Aan te vullen hoogstamboomgaard (16 m2) Met deze landschappelijke inpassing wordt er 105 m2 nieuw groen gerealiseerd, zodat er ter plaatse in totaliteit 137 m2 aan groeninpassing zal zijn. Hierdoor wordt voldaan aan de eisen uit het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas. Het landschappelijk inpassingsplan geeft weer wat er aangeplant / behouden zal worden om er een mooi geheel van te maken. Zeker nu het geheel met groen omkadert is, aansluit bij de buren, wordt de nieuwe woning opgenomen in de landelijke sfeer en vormt het een mooi landschappelijk plaatje.

Vastgesteld

10

4. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de voor het plangebied en de ontwikkeling relevante beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Peel en Maas.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de Rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ de bereikbaarheid verbeteren; ▪ zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten hebben in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het Rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren.

Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten.

Het Rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere Rijksbelangen.

Vastgesteld

11

Op dit bestemmingsplan zijn geen directe Rijksdoelen betrokken. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen in het licht van het initiatief (zie hoofdstuk 5). Uit de beoordeling blijkt dat het initiatief geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van bodem, water en lucht. Verder heeft het gestelde in dit bestemmingsplan uitsluitend betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. Het initiatief is op nationaal niveau van een ondergeschikte omvang. Vanuit de SVIR bestaan er derhalve geen belemmeringen, provinciale belangen zijn vastgelegd in het POL2014. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het oprichten van de Ruimte voor Ruimtewoning worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is geen sprake van een gebiedsreservering. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro).

Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Allereerst dient er sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling'. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr. 201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling.

Vastgesteld

12

De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals de Ruimte voor Ruimteregeling, worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting bij de wijziging van art. 3.1.6 Bro (Staatsblad 2017, 182). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat de toevoeging van één Ruimte voor Ruimtewoning in Helden evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft in dit geval dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het POL2014 vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden. Het POL2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij de aanpak van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal.

Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het landelijk gebied in Limburg is heel aantrekkelijk. Dat wil de provincie graag zo houden. Niet voor niets is een leidend principe in dit POL “meer stad, meer land”. Reden om bijzonder terughoudend te zijn met nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), biodiversiteitsopgave, waterkwaliteitsopgave en opgaven in de watervoorziening. Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied Vastgesteld

13

verbonden zijn, zoals de land- en tuinbouw, deels intensief en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties. En daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie. Ook het leegstandsvraagstuk speelt nadrukkelijk in het landelijk gebied, vooral in Noord- en Midden-Limburg. Daar wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. De kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in steden en dorpen. Het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het landelijk gebied voor toerisme en recreatie betekent overigens niet alleen dat agrariërs rekening houden met toeristen en burgers, maar zeker ook dat burgers worden aangesproken op begrip voor de bedrijfsvoering van agrariërs. De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Tabel 1. Essenties van de zones

Bebouwd gebied

Zone Stedelijk centrum

Overig bebouwd gebied

Landelijk gebied

Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone

Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone

Buitengebied

Vastgesteld

Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.

14

Afbeelding 12. Zonering POL2014

Het plangebied is gelegen in de zone ‘buitengebied’. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ kwaliteit en functioneren ondergrond. Met betrekking tot wonen zijn de beleidsopgaven in het buitengebied als volgt: balans in de woningvoorraad en behoud en hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, met oog voor het op peil houden van de leefbaarheid en identiteit. In het buitengebied is in principe geen plaats meer voor woningbouw (met uitzondering van noodzakelijke bedrijfswoningen). Nieuwbouw vindt alleen nog binnen bestaand bebouwd gebied plaats. Daarnaast mogen (voormalig agrarische) gebouwen in het buitengebied worden omgezet naar of vervangen door woningen. In het voorliggende geval is sprake van een Ruimte voor Ruimtewoning in ruil waarvoor reeds stallen zijn gesloopt en mest- en ammoniakrechten zijn ingeleverd. Bovendien ligt de beoogde Ruimte voor Ruimtewoning voor een groot deel in het bebouwingslint van de Baarloseweg. De ontwikkeling is hiermee passend binnen de zone ‘buitengebied’.

Over Ruimte voor Ruimtewoningen (in het buitengebied) worden in het POL2014 geen beleidslijnen aangegeven. Wel wordt opgemerkt dat de in 2011 gemaakte afspraken tussen de provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte C.V. door het POL niet worden gewijzigd. De ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning is mogelijk op basis van afspraken die voor het inwerkingtreden van het POL2014 reeds zijn gemaakt en op basis daarvan niet in strijd zijn met het provinciaal beleid.

Vastgesteld

15

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. Wat betreft woningen wordt in artikel 2.4.2 lid 1 van de Omgevingsverordening bepaald dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Uit een brief2 van de provincie Limburg van 14 juni 2017 blijkt echter dat de realisatie van Ruimte voor Ruimtewoningen een op zichzelf staande opgave is.

Deze woningen mogen additioneel op de taakstelling in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg gerealiseerd worden. Zoals hierboven is beschreven past de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 4.2.3 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Peel en Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Peel en Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 156 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Peel en Maas de gestelde opgave heeft overtroffen.

Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

2 Provincie Limburg, brief aan alle Limburgse gemeenten m.b.t. Ruimte voor Ruimte, kenmerk 2017/42236, 14 juni 2017

Vastgesteld

16

Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Het initiatief betreft de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning, naar aanleiding van de vraag naar dergelijke specifieke woningen. Volgens de Regionale Woonvisie is aansluiting op de vraag van de consument noodzakelijk (de marktvraag). Woningen zijn in de huidige woningmarkt alleen af te zetten wanneer deze qua prijs, locatie en kwaliteit aansluiten bij de vraag van de kritische consument.

Dit is niet alleen in het voordeel van de consument, maar ook in het belang van de verschillende belanghebbenden op de woningmarkt (gemeente en marktpartijen). De betrokken gemeenten voegen in principe alleen plannen toe die aansluiten bij de kansrijke segmenten (passend binnen regionale en lokale kwalitatieve woningbehoefte). Daarnaast betreft het voorliggende initiatief een Ruimte voor Ruimtewoning. De realisatie van Ruimte voor Ruimtewoningen is een op zichzelf staande opgave. Deze woningen mogen additioneel op de taakstelling in de Regionale Woonvisie gerealiseerd worden. Het initiatief is daarom niet in strijd met de Regionale Woonvisie.

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De gemeente Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor: 1. Zogenaamde win-win situaties; 2. Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale gemeenschappen; 3. Verzoeken die die passen binnen de Ruimte voor Ruimteregeling; 4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden; 6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Een van de voorwaarden betreft het ontwikkelen van een Ruimte voor Ruimtewoning, waarvan in dit geval sprake is.

De volgende voorwaarden worden door de gemeente aan een Ruimte voor Ruimtewoning gesteld: a) de bouwkavel heeft een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 b) toepassing wordt gegeven aan de basiskwaliteit (inpassing) uit het gemeentelijk kwaliteitskader en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De oppervlakte van de bouwkavel waarbinnen de Ruimte voor Ruimtewoning ontwikkeld zal worden bedraagt 1.000 m2. Er wordt voldaan aan deze voorwaarde. Vastgesteld

17

Voor wat betreft de basisinpassing wordt verwezen naar de volgende paragraaf. 4.3.2 Structuurvisie buitengebied en kwaliteitskader In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid. Het plangebied is volgens de structuurvisie gelegen in de zone ‘oude bouwlanden’. Binnen de oude bouwlanden liggen de oude woongebieden. Hierin liggen de dorpen en ligt oude lintbebouwing. De oude bouwlanden worden nu gebruikt voor tal van functies. Doordat de dorpsbebouwing en de landbouw concurreerden om dezelfde gronden is de landbouw geïntensiveerd met onder andere glastuinbouw en intensieve veehouderij.

De landbouwvelden hebben een onregelmatige verkaveling en de wegen hebben een onregelmatig patroon. Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbetering. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing. Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing er is sprake van Basiskwaliteit. Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt.

De verplichting voor de landschappelijke inpassing van een Ruimte voor Ruimtewoning komt uit de beleidsregel “Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018”. De te hanteren richtlijn voor de inpassing sluit aan bij de Basiskwaliteit. Dat betekent dat 10% van het bouwvlak voor de Ruimte voor Ruimtewoning moet worden ingepast met groen. De oppervlakte van het bouwvlak voor de Ruimte voor Ruimtewoning bedraagt 1.000 m2. De inpassingseis bedraagt derhalve 100 m2. De landschappelijke inpassing (zie paragraaf 3.2) heeft een omvang van 137 m2. Daarmee wordt voldaan aan de eis uit de structuurvisie en het kwaliteitskader. 4.3.3 Kaderstelling Ruimte en Economie In november 2017 is de notitie ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Ruimte en Economie vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente. Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken.

Vastgesteld

18

De economische crisis heeft partijen (overheid, ondernemers, inwoners) geleerd naar mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatismen en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en in partnership. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol. Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: ▪ van Individueel naar Samen; ▪ van Omgevingskwantiteit naar Omgevingskwaliteit; ▪ van Lineair naar Circulair; ▪ van Gesloten naar Open; ▪ van Consumeren naar Beleven; ▪ van beheersen naar ruimte geven en vertrouwen; ▪ van overheidssturing naar omgevingssturing. Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven. De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud voor de programmadoelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Ruimte betreft het dan de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving’.

Voor de onderhavige ontwikkeling is binnen het thema ruimte het navolgende programmadoel relevant: Wonen duurzaam in balans De gemeente Peel en Maas heeft op termijn te maken met demografische veranderingen en wel zodanig dat er sprake is van afname en veranderende samenstelling van de bevolking (vergrijzing) en daarmee veranderende samenstelling van de woningvoorraad. Dit heeft rechtstreeks gevolgen voor de vitaliteit en leefbaarheid van de kernen binnen de gemeente. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden is het zaak om samen met de samenleving het woningbestand toekomstgericht duurzaam in balans te brengen. De gemeente staat voor een duurzaam woningbestand waarin ze op een voorwaarde scheppende manier kwalitatief zorgt voor een passend woonaanbod voor iedereen en daarmee de leefbaarheid van de dorpen op peil houdt. Kernwoorden hierbij zijn dorps, levensloopbestendig en duurzaam. De gemeente staat, samen met de samenleving, voor een duurzaam woningbestand waarin er wordt gezorgd voor een passend woonaanbod voor iedereen. Daarmee wordt de leefbaarheid van onze dorpen op peil gehouden en wordt er ruimte gemaakt voor passende nieuwbouwplannen. De plancapaciteit zal daarom worden afgestemd op de natuurlijke behoefte voor Peel en Maas, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de vastgestelde Regionale structuurvisie Wonen.

Met onderhavig initiatief wordt één Ruimte voor Ruimtewoning opgericht in Helden. In de gemeente Peel en Maas is een vraag naar Ruimte voor Ruimtewoningen. De gemeente geeft aan dat de woningen passend dienen te zijn binnen de Regionale structuurvisie. In de Regionale structuurvisie Wonen is opgenomen dat bij woningbouwinitiatieven aansluiting kan worden gezocht bij de marktvraag. In de gemeente Peel en Maas is vraag naar Ruimte voor Ruimtewoningen, het initiatief past zowel binnen het beleid van de gemeente Peel en Maas als binnen de Regionale structuurvisie.

Vastgesteld

19

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimtewoning dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe woonfunctie. Daarom is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek3 conform NEN 5740 uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de hypothese “onverdachte locatie” geen stand houdt. In de grond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium, cadmium, nikkel en zink aangetoond. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium, cadmium, nikkel en zink) is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreiniging in het grondwater een verhoogd achtergrondgehalte betreft. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de bouw van een woning. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren.

5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied.

3

HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek Kloosterstraat ong. Helden, 11 november 2020, kenmerk: 20319702A

Vastgesteld

20

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden deze twee verschillende omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die standaard uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Rondom het plangebied liggen namelijk diverse functies, voornamelijk woningen afgewisseld met agrarische bedrijven met daartussen andersoortige bedrijven c.q. functies. In geval van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit indicatieve bedrijvenlijst – zonder dat dit ten koste van het woon- en leefklimaat – met één afstandsstap worden verkleind. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies.

In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Baarloseweg 19a, afstand tot het plangebied 10 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Baarloseweg 25, afstand tot het plangebied 48 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Kloosterstraat 58, afstand tot het plangebied 54 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Baarloseweg 19 (rundveehouderij expliciet uitgesloten), afstand tot het plangebied 87 meter; ▪ Grondgebonden agrarisch bedrijf Baarloseweg 21(rundveehouderij expliciet uitgesloten), afstand tot het plangebied 87 meter; ▪ Tuincentrum Baarloseweg 20, afstand tot het plangebied 145 meter; ▪ Intensieve veehouderij Kloosterstraat 39, afstand tot het plangebied 210 meter; Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, boomkwekerij (melk)rundveehouderij of een paardenhouderij.

Voor een akkerbouwbedrijf of boomkwekerij (Akkerbouw en fruitteelt) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 0 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Voor een (melk)rundveehouderij (Fokken en houden van rundvee) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 50 m ▪ stof: 10 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Voor een paardenhouderij (Paardenfokkerijen) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden (ten opzichte van gemengd gebied): ▪ geur: 30 m ▪ stof: 10 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Aan de richtafstanden van een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt voldaan, met uitzondering van de richtafstand voor het aspect geur in het geval van een (melk)rundveehouderij of paardenhouderij voor de locaties Baarloseweg 19a en 25. Op de locatie Baarloseweg 19a is het daarnaast niet mogelijk een veehouderij op te richten vanwege de korte afstand tot de bestaande omliggende woningen. Daarom wordt de nieuw te bouwen woning op minimaal een vergelijkbare afstand als de bestaande woningen tot de Baarloseweg 19a opgericht. Op de locatie Baarloseweg 25 kan wel een veehouderij Vastgesteld

21

worden opgericht. Om te garanderen dat de nieuwe woning op minimaal 50 meter van dit agrarisch bouwvlak wordt opgericht is de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geurzone’ opgenomen waarmee wordt uitgesloten dat geurgevoelige objecten opgericht kunnen worden binnen een afstand van 50 meter van deze functie. Dit is uitgebreid gemotiveerd in paragraaf 5.1.5. Voor het tuincentrum (Bouwmarkten, tuincentra en hypermarkten) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst minimaal de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 0 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m De afstand van de grens van het plangebied tot aan het bestemmingsvlak van het tuincentrum (bestemming ‘Detailhandel’) bedraagt minimaal 145 m. Er wordt voldaan aan de alle richtafstanden. Voor de intensieve veehouderij (Fokken en houden van rundvee, fokken en houden van varkens, fokken en houden van pluimvee en fokken en houden van overige dieren) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst minimaal de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 100 m ▪ stof: 30 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 0 m De afstand van de grens van het plangebied tot aan het bouwvlak van de meest dichtbij gelegen intensieve veehouderij bedraagt minimaal 210 m. Er wordt voldaan aan de alle richtafstanden. Omliggende milieubelastende functies vormen daarmee geen belemmering voor de nieuwe woning.

5.1.3 Verkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Tabel 2.Geluidszone wegen

Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Vastgesteld

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

22

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woning. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. De te ontwikkelen Ruimte voor Ruimtewoning ligt binnen de geluidszones van de Kloosterstraat, alsook de Baarloseweg. In dat kader is een akoestisch onderzoek noodzakelijk om de exacte gevolgen van (weg)verkeerslawaai te bepalen. Voor de nieuwe woning is dan ook een akoestisch onderzoek4 uitgevoerd, Uit de berekeningen blijkt dat de gecorrigeerde gevelbelasting lager ligt dan de voorkeursgrenswaarde en dus voldaan wordt aan de eisen uit de Wgh. De totale geluidbelasting voldoet (zelfs zonder correctie) overal aan de maximale ontheffingswaarde. De grenswaarden uit de Wgh zijn gerelateerd aan de kwaliteit van de leefomgeving. Indien voldaan wordt aan deze grenswaarden kan gesteld worden dat een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

Aangezien de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting nergens hoger ligt dan 53 dB, wordt tevens voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aanvullende akoestische maatregelen aan de woning zijn niet noodzakelijk. Hierbij is uitgegaan van een gevelopbouw van metselwerk met maximaal 30% van het oppervlak dubbel glas en een deugdelijke kierdichting. 5.1.4 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=00ee191d-c8a4-4a5b-a313-27e165d54fb3