2021-020 06 Quickscan natuurwetgeving (Faunaconsult).pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurwetgeving aan de Bèr Vullingsstraat te Beringe
In opdracht van: Bureau Leefomgeving 8 juni 2020 ir. C. de Koning, ir. J.P.M. Hovens en S.P.N. Naber
Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl
Quickscan natuurwetgeving voor een woonwijk aan de Bèr Vullingsstraat te Beringe Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:
Bureau Leefomgeving ir. C. de Koning / S.P.N. Naber ir. J.P.M. Hovens / S.P.N. Naber
Faunaconsult bv werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en geven concreet invulling aan de participatiewet.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
1
Inhoud 1. 2. 3.
Inleiding........................................................................................................................................... 3 De Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 4 Werkwijze ....................................................................................................................................... 5 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 5 3.2 Werkwijze quickscan natuurwetgeving ................................................................................... 5 4. Aanwezige beschermde planten en dieren....................................................................................... 6 4.1 Beschrijving plangebied .......................................................................................................... 6 4.2 Natura 2000-gebieden ............................................................................................................. 6 4.3 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................... 7 4.4 Bevindingen............................................................................................................................. 8 5.
Mogelijke effecten ......................................................................................................................... 11 5.1 Natura 2000 ........................................................................................................................... 11 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 11 5.3 Beschermde planten en dieren ............................................................................................... 11 6. Conclusies ..................................................................................................................................... 13 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................................... 13 6.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 13 6.3 Beschermde planten en dieren ............................................................................................... 13 Literatuur ............................................................................................................................................... 14 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime ....................................................................................
15
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
2
1.
Inleiding
Bureau Leefomgeving begeleidt de uitbreiding van een woonwijk nabij de Bèr Vullingsstraat te Beringe en heeft ecologisch adviesbureau Faunaconsult opdracht gegeven op deze locatie een quickscan natuurwetgeving uit te voeren. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze inspectie. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
3
2.
De Wet natuurbescherming
In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd.
De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
4
3.
Werkwijze
3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
De vegetatie wordt verwijderd en de poel wordt “verlegd” (gedempt en elders aangelegd). Vervolgens worden er 13 woningen, met plantsoenen en parkeerplaatsen gerealiseerd (zie figuur 3.1).
Figuur 3.1. De voorgenomen situatie.
3.2
Werkwijze quickscan natuurwetgeving
Op 27 mei 2020 heeft Faunaconsult het onderzoeksgebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Het plangebied werd geïnspecteerd op de aanwezigheid van beschermde planten, vogelnesten en voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van beschermde dieren. Aan de hand van relevante (verspreidings)literatuur en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift, www.verspreidingsatlas.nl, www.floron.nl, www.sovon.nl en www.zoogdiervereniging.nl is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
5
4.
Aanwezige beschermde planten en dieren
4.1
Beschrijving plangebied
Het plangebied is weergegeven in figuur 4.1. Het is gelegen in het noorden van Beringe, binnen de bebouwde kom. Het plangebied bestaat grotendeels uit een verruigd grasland, met soorten als smalle weegbree, gestreepte witbol, Engels raaigras, grote brandnetel, gerst en kruipertje. Daarnaast is er een poel, die tijdens het veldbezoek droog stond. Hierin bevinden zich soorten als riet, pitrus, grote waterweegbree en gewone waterbies. Op de oevers van de poel groeit braam, vogelwikke, kleine klaver, biggenkruid, middelste teunisbloem en zachte ooievaarsbek. Ook staat er wat jonge opslag van ratelpopulier en ruwe berk. Ten zuiden van het plangebied ligt een woonwijk, ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een houtwal met volwassen zomereiken en een ondergroei van Spaanse aak, gewone vlier, hemelsleutel en kamperfoelie. Direct ten noordwesten van deze houtwal bevindt zich een kanaal (de Everlose beek). Ten oosten van het plangebied bevinden zich een akker en een kerkhof.
Figuur 4.1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd). Bron: Kadastrale Kaart.
4.2
Natura 2000-gebieden
Figuur 4.2 laat de ligging van het plangebied zien ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000gebieden. Natura 2000-gebied ‘Deurnsche peel & Mariapeel’ is het dichtstbij gelegen Natura 2000gebied op een afstand van 4,0 kilometer van het plangebied. Natura 2000-gebied ‘Groote Peel’ ligt op een afstand van 5,8 kilometer. Natura 2000-gebied ‘Leudal’ ligt op 8,9 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van meer dan 10 kilometer.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
6
Figuur 4.2. Natura 2000-gebieden (gearceerd) ten opzichte van het plangebied (rood omcirkeld). Bron: Natura 2000 Network Viewer.
4.3
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt tegen de Goudgroene Natuurzone, het Limburgse deel van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie figuur 4.3 en het hierna volgend kader. Goudgroene natuurzone De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het NNN. Binnen de goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Zilvergroene natuurzone Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal. De zilvergroene natuurzone maakt echter geen onderdeel uit van het NNN, maar ondersteunt wel de functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone. De provincie stimuleert de ontwikkeling van natuur en landschap binnen de zilvergroene zones met subsidies en natuurcompensaties. Bronsgroene landschapszone De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d. Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas. In Zuid-Limburg omvatten deze zones ook de steilere hellingen, droogdalen en de belangrijkste landschappelijke verbindingen naar het Maasdal.
Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is er op gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Deze zone bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Binnen deze zone komen op bestemmingsplanniveau andere bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen e.d.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
7
Figuur 4.3. Globale ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNN (Goudgroene natuurzone). Bron: http://portal.prvlimburg.nl/gisviewer/viewer.
4.4
Bevindingen
Zoogdieren Gebouwen en grote bomen zijn in het plangebied afwezig. Vleermuisverblijven zijn dus zeker afwezig. De houtwal ten noordwesten van het plangebied fungeert mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Tijdens het veldbezoek bevonden er zich een aantal konijnenpijpen in het talud van de poel. Ook was een ruimere pijp met sporen van een beverrat (deze soort is niet beschermd en daarom niet opgenomen in tabel 4.4). Dassenburchten, -wissels, -putjes, etc. zijn in het plangebied, en in een straal van 100 meter er omheen, afwezig. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. Vogels Tijdens het veldbezoek werden in en rond het plangebied de volgende vogelsoorten waargenomen: roodborst, Vlaamse gaai, kraai, ekster, merel, kauw, zwartkop, koolmees bonte vliegenvanger en buizerd. Van de laatstgenoemde soort werd een bewoond nest in een zomereik nabij het plangebied waargenomen. Vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, zijn in het plangebied afwezig. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) waren er in 2012 (niet nader getoonde) territoria van steenuil (1) en torenvalk (1) in het meest westelijke kilometerhok van het plangebied aanwezig. In het meest oostelijke kilometerhok bevonden zich territoria van steenuil (1) en buizerd (1).
Uit het veldonderzoek blijkt dat de steenuil zeker niet in of nabij het plangebied broedt. Het is wel mogelijk dat in het broedseizoen algemene vogelsoorten als de merel in de opgaande vegetatie in het plangebied gaan broeden.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
8
Planten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) groeiden er in 2011 in de kilometerhokken waarin het plangebied zich bevindt, geen planten die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Beide kilometerhokken zijn echter onvolledig onderzocht. Amfibieën en andere soorten In het plangebied is slechts één water aanwezig; een ten tijde van het veldbezoek drooggevallen poel (zie figuur 4.4) Deze is tijdens het veldbezoek bekeken en er werden honderden recent gemetamorfeerde bruine kikkers waargenomen. Volgens René Jansen (ecoloog, bewoner van de Monseigneur Lemmensstraat 10 en gedurende enkele jaren beheerder van de poel) is de poel gedurende de afgelopen 3 jaren steeds vroeg in het voorjaar drooggevallen. Daarvoor beheerde hij de poel en waren er nooit strenger beschermde amfibieën in de poel aanwezig. Het ligt voor de hand dat de bruine kikker en andere algemene amfibieënsoorten de poel als voortplantingswater gebruiken en het plangebied als landhabitat (zie tabel 4.4). Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied.
Figuur 4.4. De poel in het plangebied stond tijdens het veldbezoek droog.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe
9
Tabel 4.4. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.
Vogels Internationaal Nederlandse naam en wetenschappelijke naam met strenger beschermde beschermd nest soorten X Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) X Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) X Laatvlieger (Eptesicus serotinus) X Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) X Watervleermuis (Myotis daubentonii) Aardmuis (Microtus agrestis) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Konijn (Oryctolagus cuniculus) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo)
Overige beschermde soorten
X X X X X X X X
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 10
5.
Mogelijke effecten
5.1
Natura 2000
Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien liggen de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden ‘Deurnsche Peel & Mariapeel,’ ‘Groote Peel’ en ‘Leudal’ op een afstand van respectievelijk 4,0; 5,8 en 8,9 kilometer van het plangebied. De afstand van het plangebied tot deze Natura 2000-gebieden is enkele kilometers en bovendien ligt tussen het gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en het plangebied in een gedeelte van de bebouwde kom van Beringe en diverse agrarische bedrijven. Tussen het plangebied en Natura 2000-gebied ‘Groote Peel’ ligt de provinciale weg N279, de dorpskernen van Beringe en Meijel en het Kanaal van Deurne. Tussen het plangebied en ‘Leudal’ liggen de dorpskernen van Beringe en Roggel, de provinciale weg N562 en enkele agrarische bedrijven. Hierdoor verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemde Natura 2000-gebieden. De hierboven genoemde Natura 2000-gebieden bevatten beide tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw en het gebruik van de woningen zal leiden tot wat stikstofuitstoot. Vanwege de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied verwachten wij echter geen significant effect op bovengenoemde (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebieden.
5.2
Natuurnetwerk Nederland
De houtwal direct ten noordwesten van het plangebied is het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN (zie figuur 4.3). Op de beheertypenkaart van de provincie is hier ‘bossingel’ (L01.16) aangeduid. Omdat het hier een matig voedselrijk vegetatietype betreft, is dit beheertype niet bijzonder gevoelig voor N-depositie te noemen. De voorgenomen aanleg van een woonwijk heeft waarschijnlijk geen noemenswaardig negatief effect op de natuurwaarden in het NNN, mits er maar rekening wordt gehouden met de eventueel aanwezige functie van de houtwal als vaste vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Doordat de bestaande poel wordt ‘verlegd’ zal een deel van het plangebied kunnen blijven functioneren als voortplantingswater voor algemene amfibieën, die in de houtwal een landhabitat kunnen hebben.
5.3
Beschermde planten en dieren
- De houtwal ten noordwesten van het plangebied maakt mogelijk deel uit van vaste vliegroutes of foerageergebieden van vleermuizen. Doordat de bomen worden behouden, blijven eventueel aanwezige vliegroutes van vleermuizen behouden. Het plaatsen van buitenverlichting bij deze houtwal kan vleermuizen op de vliegroutes verstoren. - Als de vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels in en rond het plangebied worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - Bij de grondwerkzaamheden kunnen vaste voortplantings- en of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. Indien de poel in het voortplantingsseizoen van de bruine kikker wordt gedempt, kan dit leiden tot sterfte van volwassen bruine kikkers en/of hun eieren en larven. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In het volgende hoofdstuk wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 11
Tabel 5.1. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemene in het plangebied broedende vogels Vleermuizen
Vogels
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Internationaal beschermde soorten Overige soorten
Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X X
X X
Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 12
6.
Conclusies
6.1
Natura 2000
Vanwege de relatief grote afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebieden, zijn er geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.
6.2
Natuurnetwerk Nederland
De realisatie en de toekomstige bewoning hebben waarschijnlijk geen noemenswaardig negatieve effecten op het NNN, mits er rekening wordt gehouden met vleermuizen. Dit wordt in 6.3 behandeld.
6.3
Beschermde planten en dieren
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Ook dient de poel bij voorkeur te worden gedempt in de periode 15 juli t/m 31 oktober (Unie van Waterschappen, 2012), zodat er zo min mogelijk sterfte onder amfibieën zal optreden. Vleermuizen De houtwal ten noordwesten van het plangebied dient mogelijk als vast vliegroute- en/of foerageergebied van verschillende soort vleermuizen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de houtwal alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen.
Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 13
Literatuur • • • •
• •
Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. Spoelstra, K, R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal en M. E. Visser. 2017. Responce of bats to light with different spectra: lightshy and agile bat-presenceis affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org Unie van Waterschappen. 2012. Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen. Unie van Waterschappen, Den Haag. Zoogdiervereniging, 2011. Een vleermuisvriendelijke kleur voor verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/een-vleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 14
Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig
de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 15
Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).
Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich
te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 16
Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.
Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling
vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 17
-
-
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Quickscan natuurwetgeving Bèr Vullingsstraat te Beringe 18