CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Voorstel VOORSTEL STREKT TER VERVANGING A. Voorbereidingsbesluit voor bodemregels onder de Omgevingswet - Voorstel.pdf

Beeldvormende bijeenkomst Papendrecht 16 november 2023, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 4: VOORSTEL STREKT TER VERVANGING A. Voorbereidingsbesluit voor bodemregels onder de Omgevingswet - Voorstel5.094 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beeldvormende bijeenkomst Papendrecht Vergadering van 16 november 2023 Zaaknummer: 2023-0127180

Voorstel Openbaar

VOORSTEL STREKT TER VERVANGING A. Voorbereidingsbesluit voor bodemregels onder de Omgevingswet Bevoegde portefeuillehouder:

Arjan Kosten

Betrokken portefeuillehouder(s):

Arno Janssen;

Wettelijke basis (aanvullend) Artikel 4.14 Omgevingswet Fatale termijn: 14 december 2023

Gevraagd besluit 1. Het bijgevoegde " Voorbereidingsbesluit voor bodemregels onder de Omgevingswet Gemeente Papendrecht" vast te stellen. 2. Te starten met de voorbereiding voor een 'Wijziging Omgevingsplan'.

Inhoud Inleiding Per 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. In deze wet zitten 4 hiaten op het gebied van bodemregelgeving. Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) heeft in samenwerking met de 10 gezamenlijke gemeenten een voorbereidingsbesluit opgesteld als reparatie van de bodemregelgeving. Een voorbereidingsbesluit is een tijdelijk maar snel planologisch instrument om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Er gelden dan voor 1,5 jaar voorbeschermingsregels. In deze tussenliggende periode worden de permanente regels voorbereid voor een wijziging omgevingsplan. Wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel Voor het publiceren van het voorbereidingsbesluit bodem met voorbeschermingsregels in ons omgevingsplan op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO) moeten wij voldoen aan het standaard toepassingsprofiel voor voorbereidingsbesluiten van Geonovum (hierna: STOP TPOD). Het besluit volgens deze standaard is afwijkend van het besluit (en beslispunt) dat al in procedure is gebracht richting de gemeenteraad. In dit geval is de STOP TPOD standaard leidend en moet het besluit in eBesluitvorming hier volledig op aansluiten, omdat het voorbereidingsbesluit alleen geldt als het gepubliceerd kan worden. Daarom moet het besluit worden aangepast.

De oorspronkelijke bijlage is vervangen door een bijlage met het voorbereidingsbesluit dat volledig aansluit op de STOP-TPOD standaard. Verder is beslispunt 1 aangepast. Het verwijst nu naar de vast te stellen bijlage in STOP TPOD standaard in plaats van naar een GML bestand met IMRO codering. Tot slot is ook inhoudelijk nog een kleine correctie gedaan in verband met de STOP TPOD vereisten. Bij artikel 1.3 hoort een tabel met waarden voor PFOA. Het nummer van deze tabel moest worden gewijzigd van 1.3 naar 1.3.1.

Beoogd effect Met dit voorbereidingsbesluit wordt voorkomen dat in de overgangsperiode tussen inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) tot wijziging van het omgevingsplan ongewenste bodemactiviteiten moeten worden toegestaan. Het gaat hierbij om bodemactiviteiten waarvan we weten dat deze schadelijk kunnen zijn voor mens of natuur. Dit voorbereidingsbesluit met voorbeschermingsregels zorgt ervoor dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet het beschermingsniveau voor mens en milieu gelijk blijft en wordt geborgd. Argumenten 1.1. Met de voorbeschermingsregels worden vier prangende hiaten in de bodemregelgeving onder de Omgevingswet opgelost. Het voorbereidingsbesluit zal 4 hiaten voorkomen in de bodemregelgeving: • Bouwen op verontreinigde grond is mogelijk wanneer de betreffende verontreinigingen niet in de stoffenlijst van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn opgenomen. In de huidige regelgeving moet bij een bouwactiviteit gesaneerd worden als sprake is van een sterke bodemverontreiniging (met omvang meer dan 25 m3 of asbest). Onder de Omgevingswet kan sanering alleen worden voorgeschreven als de verontreiniging op de lijst met stoffen in het Besluit activiteiten leefomgeving staat. Niet alle verontreinigingen staan op deze lijst. Niet reguliere stoffen en ook PFOA staan bijvoorbeeld niet op deze lijst.

• Zonder maatregelen kan gegraven worden in sterk met PFOA (perfluoroctaanzuur) verontreinigde grond, omdat de betreffende verontreiniging niet in de stoffenlijst van het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen. In de huidige regelgeving zijn maatregelen verplicht bij het graven in sterk verontreinigde grond. Onder de Omgevingswet zijn deze maatregelen alleen verplicht als de verontreinigende stof op de stoffenlijst in het Besluit activiteiten leefomgeving staat. PFOA staat hier niet op. • Vluchtige, uitdampende stoffen bij sanering hoeven niet te worden verwijderd. In de huidige regelgeving moet bij de activiteit saneren een vluchtige, uitdampende stof tot zover verwijderd worden dat er geen uitdamping naar de binnenlucht van bijvoorbeeld een woning meer plaatsvindt. Onder de Omgevingswet hoeft zo een stof niet verwijderd te worden en hoeft uitdamping naar de binnenlucht niet voorkomen te worden. Dit kan leiden tot gezondheidsrisico's. • Hergebruik van thermisch gereinigde grond- en aandachtsbouwstoffen is onvoldoende gereguleerd. Uit rapportages en publicaties van RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en ILT (Inspectie Leefomgeving en Transport) blijkt dat de wetgeving niet of onvoldoende toereikend is om thermische gereinigde grond en aandachtsbouwstoffen (zoals staalslakken, AVI-bodemas en immobilisaat) veilig voor mens en milieu te kunnen gebruiken.

Toepassing van deze grond en bouwstoffen kan niet worden tegengegaan. Daarnaast geldt er voor bouwstoffen geen meldplicht, waardoor toezicht en handhaving moeilijk is. Dit is een nieuw probleem dat is ontstaan door ontwikkelingen in deze sector. De Omgevingswet dekt net als de huidige regelgeving de risico's voor mens en milieu onvoldoende af. De eerste drie hiaten zijn beleidsneutraal. Het vierde hiaat reguleert een opkomend probleem. 1.2 De vast te stellen dataset van het Voorbereidingsbesluit Bodem heeft als identificatienummer NL.IMRO.0590.VBBodem. De dataset zal onder dit identificatienummer gepubliceerd worden en bevat geografische informatie. De voorbeschermingsregels zullen gelden voor het hele grondgebied van Papendrecht. 2.1 Met een wijziging omgevingsplan kunnen de regels omtrent bodembescherming een permanente plek krijgen in het Omgevingsplan. Het voorbereidingsbesluit is een relatief snel maar tijdelijk planologisch instrument om de fysieke omgeving te beschermen tegen ongewenste ontwikkelingen, zoals in dit geval mogelijke bodemverontreiniging. Door te starten met de voorbereiding van een wijziging omgevingsplan, kunnen deze tijdelijke maatregelen uiteindelijk een definitieve plek krijgen in het omgevingsplan.

Een wijziging omgevingsplan zal naar verwachting aanzienlijk meer tijd in beslag nemen omdat ook tal van andere onderwerpen verwerkt moeten worden in een wijziging omgevingsplan. De raad zal uiteindelijk een besluit nemen over de vaststelling van een wijziging omgevingsplan.

2/13

Kanttekeningen 1.1. Beleid onder de Omgevingswet is pionieren. De Omgevingswet is nieuw en hoe hier besluiten en regels voor gemaakt worden is ook nieuw. We zijn afhankelijk van de beschikbare software om de regels op te nemen in het omgevingsplan. Vanwege deze nieuwe situatie is er geen zekerheid met betrekking tot de techniek. De voorbeschermingsregels zijn opgesteld door juristen van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ), in afstemming met de regiogemeenten. Er is helaas geen volledige informatie vanuit het Rijk. Daarmee kunnen we de juridische houdbaarheid niet garanderen. In verband met de vergadercyclus en de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het voorstel nu aangeleverd. Dan is de periode met hiaten zo klein mogelijk of zelfs afwezig. Het kan zijn dat college terugkomt om het besluit aan te passen buiten de vergadercyclus. 1.2. Ontwikkelingen kunnen beperkt worden bij het aanvragen van een omgevingsvergunning. In één van de voorbeschermingsregels is sprake van een verbod. Hierop kan een vergunning worden aangevraagd en is mogelijk sprake van leges en uitloop van termijnen. Deze verantwoording ligt bij de initiatiefnemer. Daartegenover staat dat het milieu, bewoners en de natuur beter worden beschermd. De voorbeschermingsregels zien toe op een beperkt aantal onderwerpen binnen bodem.

Veel meldingen of aanvragen om omgevingsvergunningen vallen buiten de reikwijdte van de voorbeschermingsregels. In het algemeen zullen ontwikkelingen minimale hinder ervaren. 1.3. De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na 1,5 jaar Omdat een voorbereidingsbesluit een tijdelijk instrument is, vinden voorbereidingen plaats om de inhoud van de voorbeschermingsregels om te zetten naar definitieve regels voor in het omgevingsplan. Financiën N.v.t. Uitvoering Na vaststelling van dit voorbereidingsbesluit wordt het besluit bekendgemaakt door publicatie in het elektronisch blad van de gemeente. Daarin zal bepaald zijn dat dit voorbereidingsbesluit met voorbeschermingsregels gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat gelden. De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. Op dat moment zullen de voorbeschermingsregels ook zichtbaar zijn in het omgevingsplan in het Omgevingsloket via het DSO (Digitaal Stelsel Ondergrond). Communicatie & participatie Het besluit wordt bekendgemaakt volgens de gebruikelijke wijze zodat een ieder kennis kan nemen van het voorbereidingsbesluit. Participatie is niet van toepassing bij een voorbereidingsbesluit. Er staat ook geen bezwaar en beroep tegen open.

Duurzaamheid & ecologie Vaststelling van de voorbeschermingsregels draagt bij aan het beschermen van de gezondheid, bodemkwaliteit en een duurzaam doelmatig gebruik van de bodem. ICT Niet van toepassing. Alle relevante stukken zijn voor u ter inzage gelegd. Burgemeester en wethouders van Papendrecht,

Bijlagen 1. Voorbereidingsbesluit voor bodemregels onder de Omgevingswet Gemeente Papendrecht.docx

3/13

4/13

Voorbereidingsbesluit voor bodemregels onder de

Omgevingswet Gemeente Papendrecht

De gemeenteraad van Papendrecht; • gezien het voorstel van burgemeester en wethouders Papendrecht van 14 november 2023; •

gelet op artikel 4.14 van de Omgevingswet en artikel 14.5 van het Omgevingsbesluit (per 1 januari 2024);

overwegende dat: een wijziging omgevingsplan wordt voorbereid waarmee voor het gehele grondgebied van de gemeente Papendrecht regels worden gesteld over het bouwen op verontreinigde bodem, het graven in de bodem, het saneren van de bodem en het toepassen van bouwstoffen en grond; besluit:

Artikel I De voorbeschermingsregels die zijn vastgelegd in bijlage A vast te stellen en toe te voegen aan het omgevingsplan Papendrecht.

Artikel II Dit voorbereidingsbesluit treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking. Aldus besloten in de openbare vergadering van 14 december 2023. De griffier, De voorzitter,

M.A.P. Muijzer – van der Meijden

M.J.M. van Driel

Bijlage A bij Artikel I Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels bodem Afdeling 1.1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Voorrangsbepaling en afbakening 1. Voor zover de voorbeschermingsregels in dit hoofdstuk afwijken van de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelden de voorbeschermingsregels. 2. De voorbeschermingsregels in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op activiteiten die al werden verricht voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.

5/13

Artikel 1.2 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. bodemgevoelig gebouw: bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. bodemgevoelige locatie: bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Afdeling 1.2 Bouwen op verontreinigde bodem Artikel 1.3 Waarden toelaatbare kwaliteit bodemgevoelig gebouw In aanvulling op artikel 22.30, eerste lid, zijn voor PFOA (perfluoroctaanzuur) de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 1.3.1.

Tabel 1.3.1: waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor PFOA per gebruiksfunctie

Gebruiksfunctie ( in de zin van de bodemfunctiekaart en bodemfunctieklassen )

Waarden (in mg/kg droge stof)

Landbouw/natuur Wonen Industrie

0,060 0,060 0,060

Artikel 1.4 Specifieke beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem

1. In aanvulling op artikel 22.29, eerste lid, onder c, wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 1.3, niet worden overschreden; of b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem als het bevoegd gezag van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorschriften nog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 1.5 Meldplicht bouwen op een bodemgevoelige locatie 1. Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Een melding bevat: a. de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en

6/13

e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 22.30 of artikel 1.3: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 3. Dit artikel is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 1.6 Maatwerkvoorschriften bouwen op verontreinigde bodem Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 1.5. Artikel 1.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 1.3 Graven in de bodem Artikel 1.7 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van onder of gelijk aan 0,060 mg/kg droge stof, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Artikel 1.8 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Afdeling 1.4 Saneren van de bodem Artikel 1.9 Maatwerkregel saneringsaanpak: verwijderen van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het saneren van de bodem op een bodemgevoelige locatie met vluchtige stoffen in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Afdeling 1.5 Toepassen van bouwstoffen Artikel 1.10 Verbod toepassen van de bouwstoffen immobilisaten, AVI-bodemassen en staalslakken

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten als het gaat om het toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten en staalslakken.

Afdeling 1.6 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 1.11 Verbod toepassen thermisch gereinigde grond Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1265 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten als het gaat om het toepassen van thermisch gereinigde grond.

7/13

Artikelsgewijze toelichting Behorende bij de voorbeschermingsregels bodem Artikel 1.1 Voorrangsbepaling en afbakening In dit artikel is in lid 1 bepaald dat de voorbeschermingsregels gelden in plaats van de regels in hoofdstuk 221 van het omgevingsplan als de regels betrekking hebben op dezelfde activiteit. Lid 2 bepaalt dat deze regels geen terugwerkende kracht hebben. De regels zijn van toepassing op activiteiten die na ingang van deze regels plaatsvinden. Op activiteiten, zoals bijvoorbeeld het graven in de bodem of saneren van de bodem, die voor de ingangsdatum van de voorbeschermingsregels, ook wel de datum op de publicatie van de voorbeschermingsregels, zijn gestart en/of worden uitgevoerd zijn deze voorbeschermingsregels niet van toepassing. Dus alleen deze activiteiten hoeven niet te voldoen aan de artikelen 1.3 t/m 1.11. Artikel 1.2 Begripsbepalingen Dit artikel geeft aan wat met bepaalde begrippen in de artikelen wordt bedoeld. Het artikel spreekt verder voor zich gezien inhoud. Artikel 1.3 Waarden toelaatbare kwaliteit bodemgevoelig gebouw Uitleg artikel In dit artikel wordt voor de stof PFOA een waarde voor de toelaatbare kwaliteit vastgelegd. De waarde die wordt genoemd in het artikel is gelijk aan de INEV (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging) (RIVM 29-4-21 en kamerbrief 2-5-2022).

Een INEV is vergelijkbaar met de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming. Deze waarde is representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. Hierbij zijn de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig verminderd of dreigen te worden verminderd. Reikwijdte en werking Dit artikel betreft het toelaten van een bouwactiviteit, kortgezegd het bouwen van een bouwwerk of gebouw, op een bodemgevoelige locatie. In dit artikel wordt aangegeven wat voor PFOA een toelaatbare bodemkwaliteit is. Dit in aanvulling op hoofdstuk 22 van het omgevingsplan waarin voor reguliere stoffen al waarden zijn opgenomen (met verwijzing naar bijlage IIA van het Bal). Opgemerkt wordt dat met artikel 1.3 alleen PFOA expliciet wordt toegevoegd. Er kunnen ook andere stoffen worden toegevoegd, maar de lijst blijft limitatief. Volgens artikel 5.89i, tweede lid van het Bkl mogen alleen stoffen met waarden voor toelaatbare kwaliteit worden toegevoegd of de waarden voor de reeds opgenomen stoffen worden veranderd. Het is daarom niet mogelijk om een ongelimiteerde lijst te definiëren. Daarom is in artikel 1.4 lid 2 een vangnet gecreëerd op een manier en plek in de regelgeving waar dit wel kan.

Artikel 1.4 Specifieke beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem Uitleg artikel Dit artikel bevat voorwaarden voor het toelaten van een bouwactiviteit, kortgezegd het bouwen van een bouwwerk of gebouw, op een bodemgevoelige locatie. Deze activiteit mag niet uitgevoerd worden zonder een omgevingsvergunning. Artikel 1.1 lid 1 geeft onder a en b criteria over de stof PFOA waaraan een omgevingsvergunningaanvraag van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt 1 Het betreft hier de zogenaamde Bruidsschat: regels van het Rijk die per 1-1-24 overgaan naar de

gemeente. Het overgangsrecht van de Omgevingswet zorgt er voor dat deze rijksregels per 1-1-24 van rechtswege opgenomen zijn in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van allen gemeenten. 8/13

getoetst. Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit is alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Met artikel 1.4 lid 1 geldt dit nu niet alleen voor de in bijlage IIA van de Bal genoemde stoffen, maar ook voor PFOA. Artikel 1.4 lid 2 geeft een criteria aan waaraan een omgevingsvergunningaanvraag van een binnenplanse omgevingsactiviteit wordt getoetst. Het criteria bestaat uit het oordeel van bevoegd gezag of de bodem geschikt is voor het beoogde doel. Als dit naar haar oordeel niet het geval is, kan zij voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning om de bodem geschikt te maken. Dit artikel is bedoelt als vangnet voor overige stoffen die niet in de in bijlage IIA van het Bal staan. Het doel van dit artikel is om een gelijk beschermingsniveau (voor mens en milieu) te borgen dat bestond onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Woningwet. Deze ging uit van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoelt in de voormalige Wet bodembescherming en uitgewerkt in de voormalige Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Bij de beoordeling van bevoegd gezag of de bodemkwaliteit toelaatbaar is, zal aangesloten worden bij dit beschermingsniveau.

In deze voormalige wet- en regelgeving staat aangegeven hoe wordt omgegaan met niet-reguliere en/of niet genormeerde stoffen. Het Bevoegd gezag kan hiermee bij overschrijding van de interventiewaarde of vergelijkbare waarde (in een bodemvolume groter dan 25 m3) voor elke stof sanerende of andere beschermende maatregelen voorschrijven, mits die technisch mogelijk zijn. Lid 2 bepaalt dat het college bij ernstige bodemverontreiniging aanvullende maatregelen aan de omgevingsvergunning kan verbinden. Bijvoorbeeld bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning bouw voor een kantoorpand op een bedrijfsterrein met chemische industrie of de bouw van een woning op een locatie wat voorheen een tankstation was of een voormalige scheepswerf. Op deze locaties kan sprake zijn van een sterke verontreiniging met bijvoorbeeld tributyltin, MTBE, ETBE, detergenten of diethyltriamine. Voor deze verontreinigingen kunnen bij de bouwactiviteit op basis van artikel 1.4 lid 2 sanerende of andere beschermende maatregelen worden voorgeschreven in de vergunning. Deze kunnen niet worden voorgeschreven op basis van artikel 22.29 of het aanvullende artikel 1.4 lid 1, omdat de in het voorbeeld genoemde verontreinigde stoffen niet binnen de reikwijdte van deze artikelen valt. Reikwijdte en werking Dit artikel betreft het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. Dit geldt voor de in bijlage IIA van het Bal genoemde stoffen en ook voor PFOA. Daarnaast kan het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning bouwen ook voor andere stoffen, die maken dat de bodem een ontoelaatbare kwaliteit heeft, sanerende of andere beschermende maatregelen voorschrijven. Artikel 1.5 Meldplicht bouwen op een bodemgevoelige locatie Uitleg artikel Dit artikel legt vast dat voor bouwactiviteiten waar geen omgevingsvergunning voor moet worden aangevraagd (lid 3) wel een meldplicht geldt als het bouwen van een bodemgevoelig gebouw betreft. Lid 1 bepaalt dat vooraf aan het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (definitie staat in artikel 1.2 Begripsbepalingen) een melding bij het bevoegd gezag gedaan moet worden. Het is verboden de activiteit te starten zonder de melding te doen. Met een melding wordt het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de te starten activiteit (het bouwen van een bodemgevoelig gebouw). In het artikel in lid 2 is puntsgewijs aangegeven welke gegevens moeten worden aangeleverd bij de melding. Bij lid 2e is naast overschrijding van de waarden uit de bruidsschat ook artikel 1.3 (waarde voor PFOA aangegeven. 9/13

Reikwijdte en werking Met dit artikel worden voor de bodemkwaliteit bij een melding dezelfde voorwaarden als voor een vergunning (artikel 1.4) opgelegd voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. In dit artikel is het criteria over de stof PFOA (artikel 1.3) opgenomen. Het vangnetartikel (artikel 1.4 lid 2) is door middel van artikel 1.6 van toepassing bij een melding. Artikel 1.6 Maatwerkvoorschriften bouwen op verontreinigde bodem Uitleg artikel In dit artikel is vastgelegd dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan opstellen of een verzoek tot maatwerkvoorschrift door een initiatiefnemer gedaan kan worden. Een maatwerkvoorschrift is vergelijkbaar met een vergunningvoorschrift. Het is een apart besluit waarin in specifieke gevallen specifieke regels worden gesteld (vaak voor onvoorziene lokale omstandigheden) in aanvulling of afwijking van de algemene regel. In dit artikel is het mogelijk maatwerkvoorschriften te stellen over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Reikwijdte en werking Met dit artikel kan bij een melding ook gebruik gemaakt worden van het vangnetartikel (artikel 1.4 lid 2).

Artikel 1.7 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Uitleg artikel Met dit artikel wordt de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" ook van toepassing verklaart als dit gaat om graven in grond met een kwaliteit voor PFOA onder of gelijk aan de INEV (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging), wat een verglijkbare waarde is als de interventiewaarde. Zoals uitgelegd bij artikel 3. Reikwijdte en werking Bij het graven in de bodem met een bodemvolume groter dan 25 m3 en waarin een niet-sterke verontreiniging (gehalten onder de INEV) met PFOA voorkomt is de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" van toepassing. Dit betekent dat de algemene regels die gelden voor het graven in niet-sterk met reguliere stoffen verontreinigde grond nu ook gelden voor het graven in niet-sterk met PFOA verontreinigde grond. De regels geven onder andere aan dat milieuhygiënisch gewerkt moet worden en dat er een informatieplicht is.

Artikel 1.8 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Uitleg artikel Met dit artikel wordt de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit" ook van toepassing verklaart als dit gaat om graven in grond met een kwaliteit voor PFOA boven de INEV (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging), wat een verglijkbare waarde is als de interventiewaarde. Reikwijdte en werking Bij het graven in de bodem met een bodemvolume groter dan 25 m3 en waarin een sterke verontreiniging (gehalten boven de INEV) met PFOA voorkomt is de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit" van toepassing. Dit betekent dat de algemene regels die gelden voor het graven in sterk met reguliere stoffen verontreinigde grond nu ook gelden voor het graven in sterk met PFOA verontreinigde grond. De regels geven onder andere aan dat milieuhygiënisch gewerkt moet worden en dat er een meldplicht is.

10/13

Artikel 1.9 Maatwerkregel saneringsaanpak: verwijderen van verontreiniging Uitleg artikel In dit artikel wordt voorgeschreven dat de sanering van vluchtige stoffen alleen mag plaatsvinden met de saneringsaanpak: verwijderen van verontreiniging (zoals bedoeld in artikel 4.1242 van de Bal). Hiermee wordt de saneringsaanpak: afdekken (zoals bedoeld in artikel 4.1242 van de Bal), niet meer mogelijk. Reikwijdte en werking Van de in artikel 4.1242 van de Bal voorgeschreven saneringsaanpak 'verwijderen van de verontreiniging' is sprake bij sanering van de bodem en als de grond verontreinigd is met vluchtige stoffen. Door het verwijderen van de verontreiniging wordt het risico op uitdamping (wat tot gezondheidsrisico's kan leiden) geminimaliseerd. Hierbij twee kanttekeningen: 1) Kanttekening 1 Het kan zijn dat het verwijdering, zoals aangegeven in artikel 4.1242 van de Bal niet volledig technisch of financieel haalbaar is. Het saneren van een bodemverontreiniging met vluchtige stoffen is over het algemeen maatwerk. Dit was het ook onder de voormalige Wet bodembescherming. Een verzoek tot maatwerkvoorschriften kan op dit artikel worden aangevraagd op basis van artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Bij aanvraag van maatwerkvoorschriften dienen de voorschriften te voorkomen dat blootstelling kan plaatsvinden aan uitdamping vanuit die verontreinigingen naar een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De aanvrager dient hierbij rekening te houden met: a. de verontreiniging dient zoveel als mogelijk te worden verwijderd; b. blootstelling aan uitdamping vanuit die verontreiniging naar een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dient voorkomen te worden; c. geurhinder als gevolg van die verontreiniging op een bodemgevoelige locatie dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen; d. de nazorg dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen of beperkt; e. bovenstaande dient aannemelijk te worden gemaakt in een saneringsplan. 2) Kanttekening 2 Vluchtige stoffen kunnen ook voorkomen in het grondwater en bij de bouw van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie. Hiervoor gelden de voorbeschermingsregels grondwater van de provincie die zijn opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie die op 1 januari 2024 in werking treedt. Artikel 1.10 Verbod toepassen van de bouwstoffen immobilisaten, AVI-bodemassen en staalslakken Uitleg artikel Dit artikel voorziet in een verbod op het toepassen van zogenaamde aandachtsbouwstoffen (immobilisaten, AVI-bodemassen en staalslakken).

Dit zijn de bouwstoffen die op dit moment in opspraak zijn en bij onzorgvuldige toepassing milieuschade veroorzaken. Er is gekozen voor een verbod, omdat een melding alsnog onvoldoende reguleert. Reikwijdte en werking Het verbod is van toepassing op het toepassen van aandachtsbouwstoffen (immobilisaten, AVIbodemassen en staalslakken) en niet op andere bouwstoffen (zoals (bouw)puin, natuursteen, metselmortel, asfalt(beton), et cetera. Een kantekening bij dit verbod is dat van een verbod in principe afgeweken kan worden met een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (Bopa). Hierbij is voldoende mogelijkheid tot regulatie. Bij vergunningverlening moet de aanvrager rekening houden met het volgende: Maatregelen ter voorkoming milieuschade:

11/13

a. de bouwstof wordt boven de grondwaterstand toegepast; b. de bouwstof ligt onder gesloten verharding; c. het werk dient binnen 1 jaar na toepassing te zijn afgerond; d. de bouwstoffen worden minimaal toegepast over een oppervlakte van minimaal 1000 m2. En de volgende informatie: a. de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260, in het kader waarvan de AVI-bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken worden toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing; b. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de AVIbodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken worden toegepast; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257; d. de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid; e. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen AVIbodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken; f. als deze grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon; g. de herkomst van de AVI-bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken; h. de kwaliteit van de AVI-bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken; i. de hoeveelheid AVI-bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; j.

de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; k. planning van de werkzaamheden waaruit blijkt dat het werk waarin de grond wordt toepast binnen 1 jaar na toepassing wordt afgerond; l. indien de milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is, dan zijn waarborging van de eisen van de productcertificaat verwerkt; m. de kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting PHbuffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie zijn beschreven/verwerkt; n. schriftelijke instemming met de uiteindelijke eigenaar; o. de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand; p. de verwachte zetting voor de komende 100 jaar; q. tekeningen van de toepassingslocatie en dwarsdoorsnedes van de toepassing; en r. een schriftelijke onderbouwing hoe overlast voor de omgeving (in de vorm van stofvorming en wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal) wordt voorkomen. Artikel 1.11 Verbod toepassen thermisch gereinigde grond Uitleg artikel Dit artikel voorziet in een verbod op het toepassen van thermisch gereinigde grond. Deze 'gereinigde' grond is op dit moment in opspraak en veroorzaakt bij onzorgvuldige toepassing milieuschade. Er is gekozen voor een verbod, omdat een melding alsnog onvoldoende reguleert.

Reikwijdte en werking Het verbod is van toepassing op het toepassen van thermisch gereinigde grond en niet op andere grond of baggerspecie. Een kantekening bij dit verbod is dat van een verbod in principe afgeweken kan worden met een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (Bopa). Hierbij is voldoende mogelijkheid tot regulatie. Bij vergunningverlening moet de aanvrager rekening houden met het volgende: Maatregelen ter voorkoming milieuschade: 1. Thermisch gereinigde grond wordt toegepast zodanig dat deze aan het begin van de activiteit tot aan als het werk waarin ze zijn toegepast buiten gebruik is gesteld, boven de grondwaterstand ligt én onder gesloten verharding. 12/13

2. Het werk waarin thermisch gereinigde grond wordt toegepast dient binnen 1 jaar na toepassing te zijn afgerond. 3. Thermisch gereinigde grond wordt minimaal toegepast over een oppervlakte van minimaal 1.000 m2. En de volgende informatie : a. een planning van de werkzaamheden waaruit blijkt dat het werk waarin de grond wordt toepast binnen 1 jaar na toepassing wordt afgerond; b. indien de milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is, dan zijn waarborging van de eisen van de productcertificaat hierin verwerkt; c. de kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting PHbuffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie zijn beschreven/verwerkt; d. een schriftelijke instemming met de uiteindelijke eigenaar; e. de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand; f. de verwachte zetting voor de komende 100 jaar; g. tekeningen van de toepassingslocatie en dwarsdoorsnedes van de toepassing; en h. een schriftelijke onderbouwing hoe overlast voor de omgeving (in de vorm van stofvorming en wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal) wordt voorkomen.

13/13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/850/documents/11887